rapport cultuurhistorische waardering Trefpunt
Tekst van het document
Cultuurhistorische waardering
Dolf Broekhuizen Architectuurhistoricus
Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
2
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Dolf Broekhuizen Architectuurhistoricus
Cultureel centrum ‘t Trefpunt Dr. Kuyperstraat, Barendrecht Cultuurhistorische waardering
15 april 2020
3
De voormalige Groen van Prinstererschool, later cultureel centrum ‘t Trefpunt, Barendrecht (april 2020)
4
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Inhoud 1.Inleiding p. 7 2.Historische context p. 9 3.Stedenbouwkundige ontwikkeling p. 13 4.Bouwgeschiedenis p. 17 5.Waardering en waarderingstekening p. 26 6.Kansen en knelpunten p. 31 7.Bronnen p. 34 Colofon p. 35
5
Gegevens Naam: Cultureel centrum ’t Trefpunt, voorheen Gereformeerde Groen van Prinstererschool Adres: Dr. Kuyperstraat 4, Barendrecht Opdrachtgever: Vereniging voor Schoolonderwijs op Gereformeerde grondslag Barendrecht Architect: J.H.A. Knevel, gemeentearchitect, directeur gemeentewerken Barendrecht Ontwerp-bouw: 1954-1955 Erfgoedstatus: geïnventariseerd als cultuurhistorisch van hoge tot zeer hoge waarde
Luchtfoto situatie, in de omgeving vindt herstructurering plaats (download Googlemaps 15 april 2020)
6
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
1 Inleiding Inleiding op de waardestelling Deze cultuurhistorische analyse en waardestelling benoemt op hoofdlijnen de cultuurhistorische waarden van cultureel centrum ’t Trefpunt, oorspronkelijk de Groen van Prinstererschool, een gereformeerde lagere school aan de Dr. Kuyperstaat 4 in Barendrecht. Sinds circa 1995 is de school verhuisd naar een gebouw elders in de gemeente, en is het voormalige schoolgebouw in gebruik als cultureel centrum ‘t Trefpunt. De school is in 1954-1955 gebouwd naar ontwerp van de architect J.H.A. Knevel, in dienst bij Openbare Werken in de gemeente. Rondom het gebied waar de school staat is herontwikkeling gaande. Het gebouw is eerder in een gemeentebrede cultuurhistorische inventarisatie naar voren gekomen als cultuurhistorisch waardevol. In dat kader heeft de gemeente Barendrecht aan Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus opdracht gegeven nader onderzoek te doen naar de precieze cultuurhistorische waarden en kansen voor aanpassing bij herbestemming van dit gebouw. Leeswijzer Deze waardestelling is als volgt opgebouwd.
Na een inleiding over de opbouw van dit advies en de feitelijke gegevens wordt in hoofdstuk 2 de bredere historische context geschetst: Welke plaats heeft het gebouw in het oeuvre van de architect en hoe kunnen we het zien in de architectuurontwikkeling van scholenbouw? Het daaropvolgende hoofdstuk 3 benoemt de stedenbouwkundige ontwikkeling van de locatie. Hoofdstuk 4 gaat meer uitgebreid in op het gebouw zelf, en beschrijft de hoofdopzet en details en latere verbouwingen. Het volgende hoofdstuk geeft de waardering met de
waarderingstekeningen en een toelichting erop (hoofdstuk 5). In een slothoofdstuk (hoofdstuk 6) worden kansen en aanbevelingen benoemd. Samenvatting De voormalige gereformeerde school is van algemeen gemeentelijk belang vanwege het cultuurhistorisch belang voor de geschiedenis van het onderwijs in de gemeente. Het laat zien dat het gereformeerde onderwijs in educatief opzicht voorop liep bij de nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van onderwijs en sociale vorming van kinderen. Het gebouw is van hoge waarde als zeldzaam voorbeeld van een bijzondere gebouwtypologie in de gemeente. De diagonale schakeling van leslokalen, zichtbaar als een bijzondere zaagtand aan de gevel, de open centrale hal met de schoolzaal, en de openheid van het gebouw waren destijds vernieuwend, ook in nationaal opzicht. Het karakter van deze elementen zou bij aanpassing van het gebouw daarom zoveel mogelijk gehandhaafd dienen te worden, of te worden versterkt. Mogelijkheden voor aanpassing zijn er vooral aan de relatief weinig kenmerkende dichte geveldelen van de noordwest gevel. De ruimtes hier en het schoolplein bieden de beste mogelijkheden voor aanpassing of uitbreiding in het kader van een eventuele herbestemming.
7
J. Duiker, Openluchtschool voor het gezonde kind, 1930, Amsterdam (col. auteur)
J.H.M. Wilhelm, Situatie Jan Evert Scholtenschool, 1956, Groningen (Wilhelm 1958)
J. Leupen, Ontwerp voor een openluchtschool (niet uitgevoerd), 1932 (Broekhuizen 2005)
J.Chr. de Vries, Th. Wijnalda, Situatie en plattegrond Brederode School, Bergen (N.H.), 1955 (De Vries Wijnalda 1955)
8
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
2 Historische context Architectuurontwikkeling scholenbouw Typologisch gezien was de voormalige gereformeerde school destijds uitgesproken modern van opzet. Door de lokalen die zeer licht zijn, met tweezijdige daglichttoetreding en ventilatie, was de school kenmerkend voor de aandacht na de Tweede Wereldoorlog voor de bouw van scholen met een goed binnenklimaat, dat de gezondheid van de leerlingen bevorderde. Bovendien was de toevoeging van een schoolzaal, in de vorm van een aula met podium, in die tijd zeker niet standaard. De schoolzaal werd gezien als een goed middel om de sociale banden van de kinderen en de buurtbewoners goed te kunnen opbouwen. Na de Tweede Wereldoorlog lag een groot deel van het land in puin, waren sociale relaties verbroken, en was het van groot belang dat een nieuwe samenleving werd opgebouwd. De aandacht voor licht, lucht en ruimte dateerde van voor de Tweede Wereldoorlog, maar kreeg pas in de naoorlogse jaren brede toepassing en draagvlak. Na de Tweede Wereldoorlog was de aandacht groot voor de opbouw van een nieuwe samenleving, waarbij onderwijs een belangrijk fundament was. Maar de diagonale schikking was niet gebruikelijk in Nederland. De diagonale schikking van de lokalen komt slechts uiterst incidenteel bij ontwerpen uit de jaren dertig voor.
Een van de bekendste en tegelijk zeer uitzonderlijke toepassing is de openluchtschool voor het gezonde kind (1930) van architect J. Duiker, in Amsterdam gebouwd (afb. p. 8). De lokalen in deze school, die per twee verticaal gegroepeerd zijn aan een trappenhuis, hebben zelfs drie wanden volledig in glas (Broekhuizen e.a. 2015, p. 72-73). Korte tijd later tekende J. Leupen, architect in dienst van Publieke Werken Amsterdam in 1932 een ontwerp voor een openluchtschool, waarbij de lokalen diagonaal geschikt zijn. Het dak van de begane grond laag is daarbij benut als balkonterras voor de openluchtklassen. Maar dit ontwerp is niet uitgevoerd (Broekhuizen 2005, p. 142).
Na de bevrijding kreeg de scholenbouw een nieuwe impuls. Toepassing van lokalen voorzien van ruim daglicht en frisse lucht krijgt een grote vlucht. In deze periode ontwerpen architecten gebouwen met lokalen die van twee zijden zijn belicht, maar dan waren de lokalen gegroepeerd langs een gang aan een zijde en voorzien van een glazen wand tussen lokaal en gang. Ook het verspringen, ook wel het zogeheten ‘staffelen’ van de lokalen ten opzichte van elkaar, paste bijvoorbeeld architect Aldo van Eyck (Lagere school Nagele, 1957) wel toe. Bij die projecten verspringen de lokalen orthogonaal ten opzichte van elkaar (Broekhuizen e.a. 2015, p. 118, 140). Of de gang werd helemaal weggelaten en de toegang tot de lokalen verliep via een portaal per twee lokalen. Een andere evidente noviteit was de schoolzaal. Zo rond 1950 was daarin een kortstondige opleving in de Nederlandse lagere scholen (afb. p. 10). In Amsterdam bijvoorbeeld experimenteerde hoofdarchitect J. Leupen met gestandaardiseerde ontwerpen voor een lagere school met schoolzaal (Studiecommissie 1950, Broekhuizen 2015, p. 70-71). Architecten W. van Tijen en H. Maaskant ontwierpen rond 1952 voor een prijsvraag van de overheid een standaardschool (herhaalbaar te bouwen) met een hal als centrum voor bijeenkomsten (Broekhuizen 2008, p. 29-30).
Naast Leupen, Van Tijen/Maaskant en Knevel pasten ook andere architecten deze vernieuwingen toe. In Groningen experimenteerde gemeentearchitect J.H.M. Wilhelm bijvoorbeeld met de diagonale schikking in de Jan Evert Scholtenschool, gebouwd in 1956 (afb. p. 8). Bij dit gebouw had het speellokaal een dubbelfunctie: het deed tevens dienst als schoolzaal: het was een speel-schoolzaal. De ingang kan bij dat functioneren worden gebruikt als podium. De dubbelfunctie was overigens uit financiële nood geboren, stelde de architect in een toelichting op het ontwerp in het vakblad Bouwkundig Weekblad (1958). Een ander goed voorbeeld in 1955 gebouwd is een lagere school in Bergen (NoordHolland). Hier vertaalden de architecten J.Chr. de Vries en Th. Wijnalda voor de Brederodeschool in Bergen de inzichten op een eigen manier naar een ontwerp. Zij kozen ook voor een diagonale schikking met zowel een deur tussen de lokalen onderling (voor onderling toezicht in de lokalen) als een entree via een gang aan een zijde (afb. p. 8). 9
J. Leupen, Schema-plan lagere school met schoolzaal, 1950 (Studiecommissie 1950)
J.H.A. Knevel, Julianastraat 1, Barendrecht (foto auteur, 2018)
10
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
J.H.A. Knevel, Woningen Mr. Thorbeckestraat, ca 1955 (Ouwens e.a. 2012)
J.H.A. Knevel, Groen van Prinstererschool, 1955. Zicht via de tussendeuren over de reeks leslokalen, Still uit de film: ‘De bouw van de Groen van Prinstererschool’ (Basromeijnfilms)
Maar in plaats van de tweezijdige raamwanden, kozen zij voor vensters aan slechts een zijde, een meer traditionele opzet. Daarbij treedt minder kans op voor verblinding, maar is het niet mogelijk vanuit het ene leslokaal de lessituatie in het andere lokaal te zien. Net als in de Groen van Prinstererschool is naast de hal een trap. In plaats van een aula met podium heeft dit gebouw een gymnastieklokaal, die als een vleugel is ontworpen (afb. p.8). Deze ontwerpen kregen ruim aandacht in de vakliteratuur in die tijd en tijdens symposia. Knevel zal als gemeentearchitect ongetwijfeld op de hoogte zijn geweest van die ontwikkelingen. Gemeente-architect Knevel De ontwerper van de school, J.H.A. Knevel, was gemeentearchitect, directeur gemeentewerken. Uit zijn dienstjaren, 19271956 blijkt dat hij bijna dertig jaar bij de gemeente heeft gewerkt en dat de school een van zijn laatste werken voor de gemeente was. Een jaar na de bouw in 1955 zou hij uit dienst gaan (in 1956). Bij de eerste steen legging in 1955 werd Knevel als ontwerper op de oorkonde vermeld: ‘de architect de heer J.H.A. Knevel’. (www.basromeijnfilms). Het blad ‘plan van een lagere school, uitg.(aande) van de Vereen.(iging) Geref.(ormeerd) Schoolonderw.(ijs) Barendrecht’, is in maart 1954 getekend, en door J.H.A. Knevel ondertekend (afb. p. 16).
Als gemeentearchitect zal Knevel betrokken zijn bij ontwerp en beoordeling van ontwerpen van vele bouwprojecten in de gemeente in de periode dat hij er werkzaam was, 1927-1956. De woningen van zijn hand aan de Mr. Thorbeckestraat zijn reeds genoemd, gebouwd in een naoorlogs modernistische stijl. Uit de vooroorlogse periode zijn gebouwen met expressionistische stijlkenmerken bekend. In de gemeentelijke monumentenlijst staat de woning Julianastraat 1 te Barendrecht op de lijst als ontwerp van Knevel (afb. p. 10). Deze vrijstaande woning uit ca. 1928 in een tuinwijk voor de gegoede burgerij heeft Knevel voor zichzelf ontworpen. De voormalige Gereformeerde kerk aan de Hordijk (Wester Hordijk 215), de Hordijkkerk, uit 1936 staat eveneens op naam van architect Knevel. Mogelijk betreft het in beide gevallen ontwerpen van J.H.A. Knevel.
Het vergt meer onderzoek om vast te stellen hoe Knevel zich als architect heeft ontwikkeld. Uit deze voorbeelden kan blijken dat hij overwegend ontwierp in de heersende stijl van die tijd. Dit kan mede te maken hebben met zijn functie als gemeente-architect; een functie waarbinnen hij immers geacht werd goed op de hoogte te zijn van relevante ontwikkelingen in de bouw en in ontwerpopvattingen. Mogelijk zagen de opdrachtgever of Knevel de school ook als een statement van de nieuwe tijd, waarmee ze eer konden inleggen. De vernieuwende typologie van reeksen tweezijdig belichte klaslokalen met een centrale hal en schoolzaal, toonde zo aan dat het gereformeerde onderwijs in de gemeente zeer vooruitstrevend was, of in ieder geval kennis had en deelnam aan de nieuwste inzichten op het gebied van scholenbouw in Nederland.
11
Bureau Verhagen e.a., Uitbreidingsplan in Hoofdzaak, 1952 (Ouwens 2012)
Bureau W. Wissing, structuurplan Barendrecht, 1955 (Ouwens e.a. 2012)
12
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Bureau W. Wissing, Uitbreidingsplan in onderdelen Barendrecht, 1962 (Ouwens e.a. 2012). Boven: uitsnede met locatie school omkaderd (bewerking auteur)
3 Stedenbouwkundige ontwikkeling
velden, ten noorden van de centrale ontsluitingsweg (Ouwens e.a. 2012, p. 45-53).
Ontwikkeling gebied: aaneengroeien kernen
De school die in 1954 werd ontworpen door architect Knevel ligt in vergelijking tot de scholenclusters meer solitair, in de woonbuurt zelf (afb. p. 12, detail). De situering is te kenmerken als die van een school die zich door afwijkende vorm (uniek en eenmalig in plaats van repeterend onderdeel) onderscheidde als een sociale voorziening op compositorisch centrale plaats in woonbuurten. Met het zeer groen ingerichte schoolterrein en het plantsoen oogt het vooral vanaf de openbare weg als een paviljoen in een groen buurtpark. De contour van het kavel van de school (de terreingrens) is ingepast in de rest van de verkaveling die te typeren is als woonstroken en woningreeksen langs tweezijdig bebouwde straten. Daardoor zijn functie én gebouw hecht geïntegreerd in de situatie. Knevel tekende niet alleen de school, maar ook het ontwerp van enkele woonstroken in de buurt: de woningen in de Mr. Thorbeckestraat (1955), dwars op de Dr. Kuyperstraat (afb. p. 10). Deze woningen, vrijwel tegelijk gebouwd met de school in opdracht van woningbouwvereniging Patrimonium, liggen in het verlengde van het terrein van de school, gescheiden ervan door het groene schoolterrein, en een plantsoen op de hoek van beide straten (Ouwens e.a. 2012, p. 47). Door middel van bouwhoogte, twee bouwlagen, sluiten de woningen en school op elkaar aan.
En alhoewel niet precies identiek in compositie is de woonbebouwing in de omgeving van de school door toegepaste materialen (baksteen), de gevelindeling met grote geclusterde raampartijen, en de overwegend twee bouwlagen min of meer afgestemd op de vormgeving van de school.
De bouw van de voormalige gereformeerde school in 1955 maakte in stedenbouwkundig opzicht onderdeel uit van een sociale voorziening in een woonbuurt. De school werd gebouwd als een solitair pand in een rustige woonbuurt: de naoorlogse woonwijk de Driehoek. De buurt ligt tegen de oude dorpskern aan, ten zuidoosten van Oud-Barendrecht. Het is een voorziening ten zuiden van een bestaande centrale dorpsweg waaraan een cluster van winkelvoorzieningen ligt, de Middenbaan (afb. p. 12). Rond 1900 had Barendrecht in stedenbouwkundig opzicht zich ontwikkeld als een dorp langs een dijklint, de Voordijk, met een verdichting bij de kerk. In de loop van de twintigste eeuw ontstaat ook op andere plaatsen verdichting. Een grote buurt komt tot ontwikkeling in het zuidoosten bij het station. Na 1950 groeiden de twee kernen van Barendrecht geleidelijk aaneen: de oude dorpskern en de Stationsbuurt. In het ‘Uitbreidingsplan in Hoofdzaak’ uit 1952 zijn nog twee kernen voorzien, maar is de wijk waar de gereformeerde school zou komen al wel getekend (afb. p 12). Dit plan is getekend door het bureau Verhagen e.a. Het is de zuidoostelijke uitbreidingswijk tegen de oude dorpskern aan (bij het kruispunt van de huidige Tweede Barendrechtseweg en Middenbaan/Dorpsstraat-Oost).
In het daaropvolgende stedenbouwkundig ontwerp voor Barendrecht wordt de realisatie van een aaneengegroeide bebouwing voorzien, waarbij op een andere wijze over de bouw van scholen wordt gedacht. Dat ontwerp, getekend door het stedenbouwkundig adviesbureau van W. Wissing, is als ‘Uitbreidingsplan in onderdelen’ in 1956 vastgesteld (afb. p. 12). Wissing tekende een nieuwe doorgaande centrale weg, de Binnenlandse Baan, met aan weerszijden de woonbuurten en voorzieningen. Hij concentreerde de woonbuurten in min of meer rechthoekige eenheden (buurten). De voorzieningen, zoals scholen, clusterde hij in groepen op groene
Buurtschool
13
Boven: zuidgevel met leslokalen en tuin (detail) Onder: zicht vanuit het oosten
14
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Boven: de noordoostgevel met zij-ingang, schoolzaalvenster en schoorsteen Onder: de noordwestgevel
Cultureel centrum Sinds 1995 is het gebouw niet meer voor de educatieve functie in gebruik. Het is thans cultureel centrum ‘t Trefpunt. Gezien vanuit het oogpunt van de collectieve voorzieningen ligt het enerzijds in een rustige woonbuurt, maar is het ook onderdeel van de centrumvoorzieningen langs de autovrije winkelstraat ten oosten ervan, de Middenbaan. De ontwikkeling van de omliggende bebouwing in de wijk staat niet stil. De buurt, voor een deel vanaf 1955 gerealiseerd, verandert de laatste jaren. Een deel van de oostelijke woonstroken is gesloopt, en ligt braak. Een gebied is in gebruik als parkeerplaats voor de winkels. De komende jaren zal aan de Mr. Lohmanstraat herstructurering plaats vinden (Bestemmingsplan ‘Mr. Lohmanstraat, 2020). De locatie van de voormalige school valt net buiten de grens van het gebied van dit nieuwe bestemmingsplan. Deel van de stalen leslokaalvensters, nog grotendeels oorspronkelijk aan buitenzijde
Deel van de stalen leslokaalvensters, nog grotendeels oorspronkelijk aan buitenzijde (aan binnenzijde is later toegevoegde tweede laag zichtbaar)
15
1954
Bouwvergunning Groen van Prinstererschool, 1954. Plattegrond begane grond en gevelaanzicht (AB)
16
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Bouwvergunning Groen van Prinstererschool, 1954. Plattegrond eerste verdieping en gevelaanzicht (AB)
4 Bouwgeschiedenis Oorspronkelijk ontwerp De vooruitstrevende ontwerpbedoelingen van de bijzondere typologie van de school worden hieronder toegelicht. Om het concept van de school te kunnen begrijpen, worden de hoofdelementen ervan in dit hoofdstuk (4) toegelicht. Deze elementen vormen ook de hoofdelementen van de waardering, het onderwerp van het volgende hoofdstuk. Op de oorspronkelijke ontwerptekening wordt het project omschreven als een ‘plan van een lagere school’, gebouwd in opdracht van de vereniging gereformeerd schoolonderwijs Barendrecht (afb. p. 16). Getekend wordt een negenklassige school, met 1 vaklokaal (tiende lokaal), en een schoolzaal. Op dat moment was een zesklassige school regulier, in aansluiting op de zes leerjaren van de lagere school. De kleuterschool was in die tijd nog gescheiden. Dat doet vermoeden dat de school bij de bouw over voldoende aanmeldingen beschikte of verwachtte dat de realisatie van enkele extra lokalen gerechtvaardigd was. De bouw van de school in een nieuwe wijk en de samenstelling van de bevolking zal daarbij een positieve rol hebben gespeeld. De leslokalen liggen in een reeks van vijf diagonaal geschakeld op het zuiden: vijf lokalen op de begane grond, en vier lokalen en het vaklokaal (meest westelijk) op de eerste verdieping. De andere ruimtes liggen rond de centrale hal met het hoofdtrappenhuis, aan de noordzijde.
De hoofdentree in de noordwest-gevel ligt naast de kamer van het schoolhoofd. De hoofdentree geeft direct toegang tot de aula en de hoofdhal. In de andere zijgevel (noordoost) is een tweede entree. Die geeft via een portaal toegang twee oostelijke lokalen, zodat die waarschijnlijk voor de jongste kinderen waren gedacht. Het portaal ontsluit tevens de aula, zodat deze ook meer zelfstandig te gebruiken is, en bijvoorbeeld in de avonduren door verenigingen kon worden gebruikt. De aula is voorzien van een zeer groot venster over twee verdiepingen met openslaande terrasdeuren, zodat direct contact mogelijk is met de buitenruimte. Dit element levert zo ook een
venster op de buurt en een venster op het schoolleven. De toiletten en garderobe liggen geclusterd, verdeeld over de verdiepingen. Typologisch gezien heeft de school meerdere kenmerkende aspecten, die hieronder op hoofdlijnen zullen worden toegelicht: -leslokalen met tweezijdig daglichttoetreding, diagonaal geschikt. -een halschool, waarbij de functies gegroepeerd zijn rond een hal -een schoolzaal -open en gesloten delen (zichtlijnen, materialen) Bijzonder aan deze naoorlogse school is de oplossing die gevonden is voor het creëren van een gezonde leeromgeving, met veel licht, lucht en daardoor het gevoel van ruimte. De school in twee bouwlagen is opgebouwd uit reeksen leslokalen die diagonaal zijn geschakeld, en met twee gevelvlakken op het zuiden zijn georiënteerd. Naar het exterieur toe wordt deze opzet als geheel zichtbaar als een zeer herkenbaar architectuurbeeld met zaagtandgevel. Door de lokaalschikking zijn de tweezijdig verlichte lokalen maximaal afgestemd op de opvatting van het streven naar licht en lucht, waarmee welzijn en gezondheid van de leerlingen extra kon worden bevorderd. Dat streven had ook ten doel de verhoging van de onderwijsprestaties te bevorderen: een gezond kind leert naar verwachting beter.
Overigens ontwierp architect Knevel twee typen lokalen: de vier lokalen op de uiteinden (west en oost) hebben niet twee wanden op het zuiden, maar bezitten een wand op het zuiden en een wand op het noorden. Het voordeel van deze schikking was dat minder kans op verblinding kan optreden, voor leerkracht en leerling. Het schoolbord aan de werkwand kan namelijk geplaatst worden op een wand met een tegenoverliggende wand die blind is. De beide zijwanden zijn dan van glas. Ten tweede had deze diagonale schikking nog een bijzonder kenmerk: kinderen in de ene klas kunnen via de vensters het onderwijsproces in de andere klas zien. Daar ligt een pedagogisch idee aan ten grondslag: zien leren, doet leren. Als je als kind ook andere kinderen dan jouw groep ziet leren, stimuleert dat tot deelname aan het onderwijs. Het motiveert, is het achterliggende idee. Ook op die manier kan het de onderwijsprestaties vergroten.
17
Boven: Zicht vanuit het ene lokaal naar het andere lokaal Onder: Zicht op een van de westelijke lokalen
18
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Boven: de aangepaste hoofdtrap (linkerdeel is toegevoegd) Onder: zijaanzicht trap
De tussendeur in de hoeken van de lokalen was bedoeld voor toezicht tijdens de lessen. Als een leerkracht even uit het lokaal weg moest, kon de deur worden opgezet, en de leerkracht van het naastgelegen lokaal even toezicht houden. Halschool De vorm van de hal als centraal element in de school, sluit aan op de diagonale schakeling van de leslokalen. Omdat een lange doorgaande gang ontbreekt, biedt een hal over twee verdiepingen met een hoofdtrap een zowel efficiënte als ruimtelijk aantrekkelijke manier om de lokalen te ontsluiten. Het is daarmee ook het vanzelfsprekende, centrale oriëntatiepunt in de school. Knevel ontwierp een trap met monumentale allure, door de oriëntatie op de aula en de twee verdwijnpunten op de verdieping. De as van de trap is georiënteerd op de toegang tot de aula met de glazen pui. De trap begint breed aan de onderzijde en versmalt dan licht naar boven toe, om via een klein tussenbordes naar twee zijden om te buigen. Al naar gelang de eindrichting konden gebruikers vanaf het bordes naar de ene kant van het gebouw of de andere kant. Al op de trap kon die beslissing worden genomen, of, omgekeerd bekeken, kwamen op de trap de twee richtingen bijeen om gezamenlijk naar beneden te leiden. De trap is vrij open ontworpen, met constructieve dubbele metalen spijlen aan open zijkanten, en balustrades rond een open omloop in gelijke opzet.
Dat open beeld bevordert niet alleen de oriëntatie maar creëert ook de mogelijkheid tot een goed overzicht. Er blijft contact tussen de verdiepingen en de school blijft als een geheel beleefbaar. De kinderen en leerkrachten zijn een (sociaal, educatief) geheel (en niet verdeeld over bijvoorbeeld een onderbouw en bovenbouw). Schoolzaal Het sociale aspect van de hoofdhal in deze halschool kreeg een bijzondere inhoudelijke invulling in de schoolzaal. Terwijl de hoofdhal de sociale samenhang en de beleving van collectieveeenheid van de groep bevestigt, biedt de schoolzaal inhoudelijke
verdieping: hier konden bijvoorbeeld religieuze bijeenkomsten worden gehouden, waar het gereformeerde geloof werd beleefd en versterkt. Door het podium aan korte zijde en het orgel in de wand aan de andere korte zijde, is het geschikt voor religieuze bijeenkomsten, zoals bespreken van de bijbel en het zingen van psalmen. De schoolzaal kon functioneren voor twee groepen: voor de gebruikers van de school maar ook voor de omwonenden. Allereerst de kinderen en leerkrachten. De negen reguliere klassen en het vaklokaal duiden erop dat op basis van het te verwachte aantal leerlingen de school groter dan een reguliere school werd gebouwd. Mogelijk bood juist deze behoefte aan extra klassen mede aanleiding om in deze school de schoolzaal te realiseren, want een schoolzaal was niet een standaardvoorziening in lagere scholen. Deze schoolzaal heeft een groot vloeroppervlak van bijna vier leslokalen en is dubbelhoog. De schoolzaal werd gefinancierd door de gemeente, het schoolbestuur, of gezamenlijk. Door de grote glazen pui tussen hal en zaal en de oriëntatie van de hoofdentree en hoofdtrap, lag de zaal hecht geïntegreerd in het schoolleven. Bovendien bood de grote dubbelhoge glazen pui in de buitenmuur een ruime blik op de buitenwereld.
Tijdens de collectieve beleving van de inhoudelijke verdiepende evenementen, was er zo zicht op de buitenwereld, de buurt en de grotere sociale omgeving van de school. Leerlingen verbonden het gereformeerde geloof hier met de woonwijk, als opstap voor een leven in het vervolgonderwijs. Het orgel in de oostwand versterkt het belang van de zaal voor de gereformeerde samenkomsten met zang. Ook de nevenentree duidt op een zelfstandige functie met dubbelgebruik voor school en buurt. In dat opzicht legde de geloofsovertuiging een belangrijk stempel op het gebouw. De zaal kon zelfs gebruikt worden voor kerkdiensten, als daaraan behoefte zou zijn in de wijk (verder onderzoek kan uitwijzen hoe de zaal precies werd gebruikt). Omdat in de zaal met het podium naar verwachting ook evenementen voor buurtbewoners mogelijk waren, kon de school ook een bredere sociale functie vervullen: een buurt en wijkfunctie. Daarmee is de voormalige Gereformeerde school te beschouwen als een uiting van een specifieke invulling van de aandacht voor sociale centra in de naoorlogse jaren.
19
Boven: de schoolzaal met podium Onder: de schoolzaal met orgel
20
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Boven: de zijingang, met portaal deuren Onder: handgreep portaaldeuren zijingang
Door een belangrijke studiegroep waren daar al tijdens de oorlogsjaren ideeën over gevormd, die in 1946 zijn gepubliceerd als het invloedrijke werk: De stad der toekomst, de toekomst der stad (Bos 1946). De studie was opgesteld door een nationale groep experts – de Groep Bos - opererend vanuit Rotterdam, naast Barendrecht. Ook in de Groen van Prinstererschool was het bevorderen van gemeenschapszin een aandachtspunt
sommige plekken gematteerde glazen bouwstenen toegepast, om diffuus daglicht toe te laten zonder inkijkmogelijkheid. De open hoofdtrap is hiervoor al genoemd. De vloer was waarschijnlijk voor een groot deel belegd met een gemêleerde zand-okerkleurige gebakken vloertegel in elleboogverband (op enkele plekken is deze thans nog zichtbaar). De wanden waren kenmerkend afgewerkt met een makkelijk te reinigen onderhelft in beton-email met daarboven vlak stucwerk, gescheiden door een ingekerfde schijnvoeg.
Openheid en gesloten (zichtlijnen en materialen) De toepassing van kenmerkende materialen ondersteunt de functie. Knevel maakte in de compositie een helder onderscheid tussen open en gesloten delen. De architectuur van de school wordt sterk gekenmerkt door de afwisseling tussen open en gesloten delen. De leslokalen hebben grote raampartijen over de volle breedte, en deze worden afgewisseld met egaal gemetselde baksteenvelden (borstwering of blinde muren) in een lichte tint. De vensters zelf zijn opgebouwd uit smalle stalen kozijnen, die ruimte bieden voor zoveel mogelijk glas. Om de openheid van die gevels in evenwicht te brengen en het invallende licht terug te reflecteren in de klassen zijn de beide achtergevels relatief meer gesloten ontworpen. De horizontale vorm heeft een verticaal accent in de hoek van de beide achtergevels in de vorm van een hoog opgaande gemetselde schoorsteen. Als enige verticaal, massief accent functioneert deze als toren en markeert zo het gebouw. Verdeeld over de pui zijn er verschillende typen vensters: taatsvensters en klapvensters. De taatsvensters zijn groot en in het midden gesitueerd, de kleppende vensters zijn liggend en maken door een variabele stand boven en onder ventilatie mogelijk.
Ook de portalen zijn zeer open door vrijwel glazen buitenpui en binnenpui, met een hangende (zwevende) donkere schijfvormige ronde deurkruk (bij de zijingang in noordoostzijde nog aanwezig). Het thema van contrast tussen open- en geslotenheid zet zich ook bij andere details door. De tussendeur tussen de lokalen is bijvoorbeeld een egale houten deur (die te openen is). De deuren naar de toiletruimte zijn van veel glas voorzien met zijramen, de toiletdeuren zelf zijn van vlak hout. In de toiletten zelf zijn op
Uitvoering Het ontwerp voor de school is in maart 1954 getekend. De bouwvergunning werd het jaar daarop, in mei 1955 goedgekeurd. De eerste steen voor de Groen van Prinstererschool is in juni 1955 gelegd. Bij die gelegenheid werd een oorkonde ingemetseld. Latere aanpassingen Na de bouw is het gebouw op onderdelen wel aangepast, maar op hoofdlijnen is het gebouw nog oorspronkelijk. Er vonden aan het hoofdgebouw geen uitbreidingen of sloop plaats. Wel vonden op onderdelen aanpassingen plaats aan het gebouw en het buitenterrein, waarvan enkele hieronder kort worden genoemd. Integratie kleuters In 1979-1981 is het westelijke deel gefaseerd aangepast om het kleuteronderwijs een plek te geven. Dat hield verband met de wettelijke vorming van de basisschool, waarbij kleuter- en lager onderwijs zijn samengevoegd. Op de begane grond werden een extra entree gemaakt, toiletten voor kleuters geschikt gemaakt, en een kamer voor de kleuterleidster gerealiseerd. In een leslokaal werd een kleuteraanrecht geplaatst, en het meest westelijke lokaal werd bestemd als speellokaal. Buitenruimte In 1993 is het schoolterrein heringericht. Het zeer ruime terrein, met aan de zuidzijde, oost- en westzijde een grote schooltuin en de noordzijde een speelplein, kreeg een compartimentering.
Het westelijk deel van het speelplein werd afgeschermd zodat de kleuters gescheiden konden spelen van de oudere kinderen. 21
Boven: Een van de tussendeuren tussen de lokalen Onder: Gematteerde Glasbouwstenen in enkele toiletten
22
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Boven: kenmerkende wandafwerking in twee banen Onder: Kenmerkende vloerafwerking in elleboogverband (restant onder hoofdtrap)
Vernieuwing en isolatie Het jaar daarop, in 1994, werd het gebouw aangepast op meerdere onderdelen. De hoofdtrap werd aangepast door aan een zijde een extra trap te maken met invalidenlift om de toegankelijkheid voor minder-validen te vergroten. Daardoor gingen de symmetrie en vrijstaande eenvoud van de trap verloren. Ook de perspectivische werking van de versmalling van de trap naar boven toe (een klassiek ontwerpthema) werd duidelijk minder leesbaar. Voorheen glazen puien werden dichtgezet met bergruimte (kasten) en nieuwe kozijnen. Hierdoor verdween de belangrijke visuele relatie tussen hal en schoolzaal. Enkele ruimtes kregen verlaagde plafonds, elektra werd vernieuwd, marmoleum vervangen. Door het aanbrengen van vloerbedekking verdween een deel van de keramische vloertegels uit het zicht. Een eveneens ingrijpende ingreep was het toevoegen van een tweede laag achterzetkozijnen achter de oorspronkelijke stalen kozijnen die werden gehandhaafd. De thermische isolatie van de glasgevel kon via een brede luchtspouw sterk worden verbeterd door een tweede laag kozijnen aan de binnenzijde te plaatsen. Functieverandering In 1995 kreeg de school een nieuwe functie. Sinds 1995 is de Groen van Prinsterer school verhuisd naar een ander gebouw in de gemeente, en heeft het gebouw een nieuwe functie gekregen als cultureel centrum.
Vanwege dat gebruik zijn enkele tussenwanden geplaatst, en enkele deuren aangepast.
Conclusie ontwerp Kenmerkend aan het ontwerp van de school en de ontwerpbedoeling van de gereformeerde opdrachtgever en architect Knevel zijn: -de leslokalen met diagonale schikking en tweezijdig daglichttoetreding: dat bevordert het educatieve proces en bevordert de gezondheid. Deze diagonale schikking was relatief zeldzaam in de bouwperiode. -de grote hal met centrale open trap en de afzonderlijk aula met podium zijn van sociale en inhoudelijke betekenis. Het getuigt ervan dat in dit ontwerp samenkomsten en gezamenlijke vieringen van groot belang werden geacht. Hiermee kreeg de sociale functie van de school, als vorming van karakter en sociale vaardigheden, concrete invulling. Dat gold niet alleen voor de schoolbevolking maar ook de buurtbewoners. Deze programmaonderdelen werden op integrale wijze ook expressief tot uitdrukking gebracht in het ontwerp: -de diagonale schikking staat haaks op de straatrichting of de richting van de rooilijn. -de openheid in het gebouw zelf, met glazen binnenpuien en delen van buitengevels, versterkt de beleving van de school als reeks van klassen en als collectieve gemeenschap. De grote glazen pui van de schoolzaal, de apotheose van de inhoudelijke verdieping, is het grootste accent aan de gevel en legt een verbinding met de buurt. -De schoorsteen markeert als een toren de schoolgebouw in de woonbuurt.
Huidige situatie De laatste jaren is het gebouw multifunctioneel in gebruik.
23
1988
Plattegrond in 1985, grotendeels ongewijzigd sinds 1955. Plattegrond begane grond (l), eerste verdieping (r), Gemeentewerken Barendrecht (AB)
24
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
1995
Plattegrond behorende bij de gebruiksvergunning ’t Trefpunt, 1995, Openbare Werken Barendrecht (AB)
25
5 Waardering Cultuurhistorische waarden In de voorgaande beschrijving zijn de ontwerpbedoelingen van Knevel en de gereformeerde opdrachtgever geanalyseerd, en geplaatst in de context van de tijd. Die ontwerpbedoelingen komen voor een groot deel nog goed tot uitdrukking in de architectuur, het gebouw dat thans nog bestaat. Hieronder worden de cultuurhistorische waarden op een rij gezet en zichtbaar gemaakt op de waarderingskaart. Het cultuurhistorisch meest waardevolle onderdeel van de voormalige school is de bijzondere typologie, met de diagonaal geschakelde leslokalen, in samenhang met de tweezijdige daglichttoetreding. Deze is in nationaal opzicht zeldzaam. Bovendien wordt de schoolzaal steeds zeldzamer in de naoorlogse scholen in Nederland, omdat deze vrij beperkt werd gerealiseerd in de bouwtijd. De openheid en compositie hangen nauw samen met deze aspecten. Deze drie aspecten behouden en of versterken zijn cruciaal voor het behoud van de cultuurhistorische waarden. Een grote kans om de cultuurhistorische waarden te behouden biedt ook het behoud en onderhoud van de beplanting van het terrein: de groene setting van het gebouw aan de zuidzijde, met volwassen bomen en heesters en lage beplanting. Die openheid van deze groene ruimte die doorzichten biedt op het gebouw is een belangrijke waarde in de beleving en versterkt de bredere sociale waarde van het gebouw.
Door het semi-openbare karakter is het ook een groenstrook voor de buurt. Waardering De voormalige gereformeerde school, thans Cultureel centrum ’t Trefpunt is van algemeen gemeentelijk belang vanwege de volgende criteria:
26
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Cultuurhistorische waarde -als uitdrukking van het gereformeerd onderwijs in de Gemeente Barendrecht, met veel aandacht voor de verdieping van het geloof. Architectuurhistorische waarde -als zeldzaam voorbeeld van een school met diagonaal geschakelde leslokalen, en tweezijdige daglichttoetreding in klassen -als vrij zeldzaam, en gaaf behouden voorbeeld van de toepassing van een schoolzaal in lagere scholen uit de bouwtijd -als een van de laatste werken van gemeentearchitect J.H.A. Knevel in dienst van Openbare Werken Barendrecht Stedenbouwkundige waarden -landmarkwaarde door hoofdvorm met grote zaagtandvolumes -markant gelegen buurtvoorziening in een naoorlogse uitbreidingswijk. -als markering van de dorpsuitbreiding met de nieuwe woonbuurt en de school met hoge schoorsteen, vlakbij de oude dorpskern Ensemble waarden -van het gebouw en de tuinaanleg, aan de zuidzijde en de west- en oostzijde. Gaafheid en authenticiteit -vanwege de in hoofdopzet grote mate van gaafheid van gebouw en vrije situering -van de nog grote mate van gaafheid van hoofdvolume, compositie gevelindeling, detailleringen en materialen Waarderingskaart (zie volgende pagina’s) Om deze waarden te behouden is het van belang de volgende monumentwaarde van het gebouw op onderdelen in acht te nemen. Die waarden zijn zichtbaar op de waarderingskaart (pag. 28, 29).
Toelichting op de waarderingstekening op hoofdlijnen De cultuurhistorische waardestelling kent vier gradaties. Hieronder de toelichting op deze waardering die hoort bij de waarderingskaart (zie pagina 28, 29). Blauw: hoge monumentwaarde, van cruciaal belang voor de structuur en/of betekenis van het object of gebied. Alle waardevolle onderdelen dienen maximaal gerespecteerd te worden. Groen: positieve monumentwaarde, van belang voor de structuur en/of betekenis van het object of gebied. Behoud is gewenst, maar gemotiveerde aanpassing of verandering is mogelijk indien het onderdeel als zodanig herkenbaar blijft. Geel: indifferente waarde, verstoring van relatief weinig belang voor de structuur en/of betekenis van het object of gebied. Behoud is mogelijk, maar niet noodzakelijk. Rood: Storende waarde, heeft een negatieve invloed op de cultuurhistorische waarde van de structuur en/of betekenis van het object of gebied. Betreft meestal recente toevoegingen, die een sterke aantasting vormen van het oorspronkelijke concept, de ruimtewerking of de detaillering. Verwijdering is gewenst. .
27
Waardering begane grond
2
1
3
Waardering begane grond op hoofdlijnen Toelichting nummers: 1. Pui is positief, maar dichtmaken en latere berging verstoren doorzicht; 2. Kozijn/muur is vernieuwd, plaats is positief; 3. Later toegevoegd extra kozijn verstoort het beeld van het nog oorspronkelijke kozijn (onderlegger: tekening ‘Aanvraag gebruiksvergunning’ 1995, bewerking auteur))
28
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Waardering eerste verdieping
2
1
3
Waardering eerste verdieping op hoofdlijnen Toelichting nummers: 1. Pui is positief, maar dichtmaken en latere berging verstoren doorzicht; 2. Kozijn is vernieuwd, plaats is positief; 3. Later toegevoegd extra kozijn verstoort het beeld van het nog oorspronkelijke kozijn (onderlegger: tekening ‘Aanvraag gebruiksvergunning’ 1995, bewerking auteur)
29
Situatie, ontwerp aanpassing terreininrichting 1993, Openbare werken (AB)
30
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
6 Kansen en knelpunten Kansen vanuit cultuurhistorie Een nieuwe functie voor een gebouw kan het voortbestaan van het gebouw waarborgen: “Behoud door ontwikkeling”. Bij aanpassingen die noodzakelijk zijn bij inpassing vanuit nieuwe functies dienen de cultuurhistorische waarden uiteraard dan wel in acht worden genomen; anders wordt het kind met het badwater weggegooid. Waar liggen voor dit gebouw echte kansen vanuit cultuurhistorie? Waar dienen we bij aanpassingen nu op te letten om de cultuurhistorisch meest waardevolle elementen te behouden? En waar zijn aanpassingen juist goed mogelijk binnen de waarden? Belangrijk is ook de keuze van de nieuwe bestemmingen: vanuit de geschiedenis is logisch een meer(voudig) publiek toegankelijk gebruik (bijv. gedeeld wonen of een verzamelgebouw, gezondheidszorg e.d.), in plaats van een volledig geprivatiseerde, niet meer bezoekbare functie. Mogelijkheid tot versterken van waarden Het gebouw biedt zeker mogelijkheden om de waarden te versterken. Voornamelijk gaat het dan om het ongedaan maken van niet passende latere aanpassingen. Deze zijn samen te vatten als het herstel van zichtlijnen en de doorzichten, het terugbrengen van subtiliteiten en een verfijning in het architectonisch ontwerp van vensters en hoofdtrap.
Het dichtzetten van de glazen wanden tussen aula, hal en trappenhuis op begane grond en eerste verdieping zou ongedaan gemaakt kunnen worden. Dit herstelt de visuele relaties, de oriëntatiemogelijkheid en de openheid, die een cruciaal kenmerk vormen van het oorspronkelijke concept van het gebouw. Een open en lichte centrale ruimte kan ook heel goed aansluiten bij nieuwe (deels) openbare functies.
De schoolzaal zou weer meer geopend kunnen worden door de dichtgemaakte onderrand in de buitengevel weer te openen, waardoor de verbinding tussen zaal en omgeving weer hersteld wordt. Ook de twee terrasdeuren zouden weer functionerend kunnen worden gemaakt. Overigens is de schoolzaal groot, en biedt de vorm aan drie zijden (niet de glazen pui) wel mogelijkheden voor aanpassing: indien gewenst kan de begrenzing van de zaal door middel van transparante binnenpuien worden heroverwogen, om nieuw gebruik mogelijk te maken. De hoofdtrap zou weer als vrijstaand element in ere hersteld kunnen worden door de later toegevoegde voorziening voor minder validen af te breken. Onderzocht zou kunnen worden waar een nieuwe voorziening elders en eigentijdser geïntegreerd zou kunnen worden, eventueel in combinatie met een passende lift, die de ruimtes op de verdieping duurzaam bereikbaar houdt voor mindervaliden. Een mogelijke plaats zou zijn nabij het hoofdportaal in de noord-westgevel, maar dit hangt samen met meerdere factoren. Overweeg de isolerende werking van de later geplaatste tweede laag van kunststof binnenkozijnen op een meer verfijnde manier op te lossen. Nu wordt de subtiliteit van de oorspronkelijke ranke puivensters die nog vrijwel gaaf aanwezig zijn danig verstoord door de brede, grove binnenkozijnen.
Oplossingen met dunnere profielen of volglas-systemen aan de binnenzijde zouden in beeld veel verbetering leveren en een beter contact tussen binnen en buiten. Mogelijkheid tot aanpassingen vanuit de cultuurhistorie Het middendeel van de relatief dichte noordwest gevel biedt gelegenheid tot aanpassingen en situering van eventueel noodzakelijk geachte uitbreidingen (1). Deze gevel is al aangepast vanwege de integratie met de kleuterschool in 1979-1981, evenals de achterliggende ruimtes die heringedeeld zijn. Wel is het dan raadzaam de oorspronkelijke hoofdentree en de tweezijdig belichting van het meest westelijk lokaal daarbij volledig te handhaven, omdat dat kenmerkende elementen zijn. 31
1
? 2
3
Overzicht van hoofdelementen van kansen 1. Cirkel: globale aanduiding locatie eventuele aanpassing of uitbreiding 2. U-vorm: mogelijke situering van (semi)transparante binnenmuren 3. Ster: zelfstandig ontsluitbare en herindeelbare deelvolumes in reeks
32
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Een tweelaagse uitbreiding op die locatie, eventueel via een licht tussenlid aangesloten op het schoolvolume is hier denkbaar zonder de waarden teveel te schaden. Bij een eventueel nieuw gebruik en (gedeeltelijke) indeling van de schoolhal staat behoud van transparantie altijd centraal (2); daarbij zou het gebruik van maximaal transparante wanden en behoud van doorzicht uitgangspunt moeten zijn.
De huidige inrichting van het speelplein aan de noordzijde is niet oorspronkelijk en kan verrommelen en onoverzichtelijk overkomen bij vermindering van onderhoud. Probeer bij het onderzoek naar herbestemming ook de buitenruimte integraal mee te nemen in het nieuwe ontwerp. Vanuit de historie is een fietsenberging voor nieuwe gebruikers denkbaar, maar het parkeren van auto’s zou bij voorkeur buiten de schoolterrein gezocht kunnen worden, bij het oostelijk terrein waar nu al ruimte is voor bezoekers van de winkels in de omgeving.
Bij een nieuw gebruik van de schoollokalen zou de transparantie van de twee gevels en de vrije indeling van de ruimte uitgangspunt moeten zijn (3). Bij een woonbestemming zou dan gedacht kunnen worden aan een “loft”-beeld met kleine wooneenheden met sanitair en voorzieningen los in de ruimte geplaatst. Het “verhokken” van deze ruimtes staat haaks op de (ook ruimtelijke) waarden van de lokalen. Bij een nieuwe functie zou bij organisatie en ontsluiting van eenheden maximaal gestreefd moeten worden naar het behouden en benutten van de kenmerkende verkeersopzet binnen het gebouw. Behoud van de kenmerkende wandafwerkingen kan de herkenbaarheid van het schoolkarakter dan versterken. De hoofdelementen van de kansen zijn aangeduid op pag 33. Mogelijke knelpunten Het sterke onderscheid tussen de open klasgevels en de gesloten gemetselde kopgevels is kenmerkend voor het gebouw. Het teveel openen van de kopgevels schaadt de architectonische samenhang. De schoorsteen en de blinde gevel ter plekke lijken van weinig belang vanuit cultuurhistorisch oogpunt. Toch is het compositorisch een subtiel element in het gehele architectonische ontwerp. Aanbevolen wordt de schoorsteen in ere te houden, als markering van het gebouw in de wijk. 33
7 Bronnen Literatuur -Tj. Boersma, T. Verstegen (red.), Nederland naar school. Twee eeuwen bouwen voor een veranderend onderwijs, Rotterdam 1995 -A. Bos, De stad der toekomst, de toekomst der stad, Rotterdam 1946 -D. Broekhuizen, Openluchtscholen in Nederland. Architectuur, onderwijs en gezondheidszorg 1905-2005, Rotterdam 2005 -D. Broekhuizen, ‘Bouw geen scholen. Bouw educatieve centra. Scholenbouw in Nederland 1950-1990’, in: T. Verstegen, D. Broekhuizen (red.), Een traditie van verandering. De architectuur van het hedendaagse schoolgebouw, Amsterdam/Rotterdam 2008, 16-72 -D. Broekhuizen (e.a.), Scholenbouwatlas. Verbouwen als nieuwe opgave voor basisscholen en kindcentra, Rotterdam 2015 -M. Ouwens (e.a.), Barendrecht. De ruimtelijke ontwikkeling van dijkdorp tot centrum van Ijsselmonde, Barendrecht 2012 -J. Ruitenbeek, B. Jansen (e.a.), Van Pendrecht tot Ommoord. Geschiedenis en toekomst van de naoorlogse wijken in Rotterdam, Bussum 2005 -Studiecommissie, Het nieuwe schoolgebouw voor kind en gemeenschap. Rapport van de gemeentelijke studiecommissie voor de bouw van nieuwe scholen voor het kleuteronderwijs en het lager onderwijs te Amsterdam, Gemeente Amsterdam 1950 -J.Chr. de Vries, Th. Wijnalda, ‘Brederode School (openbaar lager onderwijs) te Bergen N.H.’, in: Forum, jrg. 10, nr. 8, 1955, p. 271273. -J.H.M.
Wilhelm, Scholencomplex aan de Huygensstraat te Groningen’, in: Bouwkundig Weekblad, 5 april 1958, nr.14, p. 162163 Rapporten -Gemeente Barendrecht, Schout RV+B, Beeldkwaliteit beschermd dorpsgezicht Oude Dorpskern, concept augustus 2008
34
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
-Gemeente Barendrecht, Wessel van Geffen architecten, Stedenbouwkundige randvoorwaarden ’t Trefpunt, ongedateerd -W. Galema, Redegevende omschrijving Dr. Kuyperstraat 4, 2018 Archieven -Barendecht, archief bouwvergunningen, dossier Dr. Kuyperstraat 4 (AB) -Rotterdam, Stadsarchief, 1438 archief van de gemeente Barendrecht, inv.nr. 3723 Internet -Delpher, digitale krantenbank -Historische film over de bouw van de Groen van Prinstererschool 1955: Bas Romeijn Films, ‘De bouw van de Groen van Prinstererschool’, www.basromeijnfilms.blogspot.com Herkomst beelden Col. auteur: Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus Foto’s van actuele situatie: Dolf Broekhuizen Voor andere beelden zie bijschrift Afbeelding voorzijde: (Dolf Broekhuizen 2020) Dank: Voor het opstellen van dit advies kregen we veel hulp en medewerking van de betrokken partijen. We kunnen hier niet iedereen bedanken die heeft meegewerkt aan het rapport. Wij bedanken speciaal: Lisette Ooms, Rob Belder. En Paul Smolders en Christian Quist, de medewerkers die in deze bijzondere Coronaperiode toch relevante archiefstukken konden verstrekken.
Over de auteur Architectuurhistoricus Dr. Dolf Broekhuizen is specialist op het gebied van naoorlogse architectuur en onderwijsvoorzieningen. Hij is geregeld gastdocent op de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft en op de technische Universiteit van Vilnius, Litouwen. In 2015 verscheen onder zijn redactie de Scholenbouwatlas over het verbouwen van basisscholen en kindcentra.
Colofon Titel: Cultureel centrum ‘t Trefpunt, Barendrecht Cultuurhistorische waardering
Tekenwerk Ir. Lucas van Zuijlen,
Opdrachtgever: Gemeente Barendrecht
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke manier dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
Opsteller advies: Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus
© Rotterdam 2020 www.dolfbroekhuizen.nl
.
35
.
36
Cultuurhistorische waardering – Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus