CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Parq Waal_bijlagen toelichting 5-11.pdf

gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Parq Waal19.987 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.7 Aantasting archeologische waarden De realisering van de nieuwbouw en gerelateerde infrastructuur in het plangebied ’17 woningen Noldijk’ zal gepaard gaan met grondroerende activiteiten. Hierbij kunnen de eventueel aanwezige archeologische waarden worden aangetast. Dit geldt voor de gehele plangebieden en voor archeologische waarden uit alle bovengenoemde perioden: Neolithicum/Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en Late Middeleeuwen A en B. 2.8 Advies Op grond van gemeentelijk beleid, de archeologische verwachting van het gebied, alsmede de bodemverstorende aard van de werkzaamheden die in het kader van de toekomstige ontwikkeling van de plangebieden zullen worden uitgevoerd, is een verkennend inventariserend veldonderzoek noodzakelijk naar de aanwezigheid van archeologische waarden uit het Neolithicum/Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en Late Middeleeuwen A en B.

19

3.

PROGRAMMA VAN EISEN VOOR HET VERKENNEND EN KARTEREND INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1 Inleiding Dit PvE heeft betrekking op de verkennende en karterende fasen van het inventariserend veldonderzoek in het plangebieden ’17 woningen Noldijk’ te Barendrecht, gemeente Barendrecht. De beide fasen van onderzoek worden hier gecombineerd om de doorlooptijd van het archeologisch onderzoek te verkorten. In het algemeen heeft de verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek tot doel de mate van gaafheid van de bodem in een gebied vast te stellen en inzicht te krijgen in morfologische eenheden van de begraven oude landschappen, voor zover deze van invloed kunnen zijn op de locatiekeuze in het verleden. Het doel is kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor de karterende fase van het inventariserend veldonderzoek. Vooruitlopend op een eventueel waarderend inventariserend veldonderzoek worden gedurende de verkennende en karterende fasen van het inventariserend veldonderzoek alvast zo veel mogelijk gegevens verzameld om de aard, diepteligging, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de eventuele archeologische resten te kunnen vaststellen. Hierdoor kan een inschatting worden gemaakt of en zo ja in welke mate bij de toekomstige bodemingrepen in het plangebied archeologische waarden zullen worden aangetast.

3.2 Onderzoeksgebied verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek Het onderzoeksgebied voor het verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek is het plangebied (er zijn uit voorzorg geen boringen gepland ter plaatse van het uitgebrande slooppand). 3.3 Verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek in het onderzoeksgebied Het verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek wordt uitgevoerd door het zetten van grondboringen. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de KNA, versie 4.1 en de Richtlijnen voor het uitvoeren van archeologisch bureauonderzoek en niet-gravend inventariserend veldonderzoek in de gemeente Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam en Westvoorne, versie 2.9 (september 2019). Er kunnen volgens het bureauonderzoek vier stratigrafische niveaus met archeologische potentie aanwezig zijn, een en ander afhankelijk van de mate van erosie door de Waal: 1. Laagpakket van Delwijnen. Te verwachten archeologische waarden: Mesolithicum en Neolithicum. 2. Top stroomgordelafzettingen behorend tot de Formatie van Echteld (onder Formatie van Nieuwkoop, indien aanwezig). Te verwachten archeologische waarden: Neolithicum, eventueel Bronstijd. 3. Formatie van Echteld (op Formatie van Nieuwkoop, indien aanwezig).

Te verwachten archeologische waarden: IJzertijd en Romeinse tijd. 4. Formatie van Echteld direct onder overstromingsdek van na 1373 (ook Formatie van Echteld). Te verwachten archeologische waarden: Late Middeleeuwen. 3.4

Doel boren

Verkennend inventariserend veldonderzoek Doel van het verkennend inventariserend veldonderzoek is het toetsen en eventueel aanpassen van de archeologische verwachting. Tijdens het verkennend inventariserend veldonderzoek wordt de bodemopbouw en mate van gaafheid van de bodem in kaart gebracht, om zo de archeologische 20

potentie van het plangebied vast te stellen. Karterend inventariserend veldonderzoek Het doel van het karterend inventariserend veldonderzoek is tweeledig: 1. De archeologische waarden die bij de verkennende fase zijn getraceerd (verder) in kaart brengen. Indien mogelijk dient een eerste indruk te worden geven van de datering, aard en kwaliteit van deze waarden. 2. Verdere archeologische waarden traceren en in kaart brengen. Indien mogelijk dient een eerste indruk te worden geven van de datering, aard en kwaliteit van deze waarden.

3.5 Onderzoeksvragen - Wat is de geologische/bodemkundige opbouw van het plangebied? - Wat is de mate van gaafheid van de bodemopbouw in het plangebied? In hoeverre heeft de Waal voor erosie gezorgd en welke bodemlagen zijn wel (al dan niet geërodeerd) aanwezig en welke zijn niet aanwezig? - Zijn in het plangebied nog stratigrafische niveaus met archeologische potentie aanwezig? - Op welke diepte bevinden deze niveaus zich? - Zijn in het plangebied archeologische waarden aanwezig en kan, indien mogelijk, een eerste indruk gegeven worden van de datering, aard en kwaliteit van deze waarden? - Is in het plangebied, gelet op de voorgenomen bodemingrepen, vervolgonderzoek noodzakelijk?

3.6

Boorstrategie en methoden

Het inventariserend veldonderzoek wordt uitgevoerd door het zetten van 16 grondboringen (verkennende fase). Voorts worden 4 boringen op voorhand ‘gereserveerd’ om in te zetten in kansrijke zones en of in gebieden waar in de verkennende boringen archeologische waarden zijn aangetroffen om deze (nog) scherper in kaart brengen. Als de karterende boringen niet worden gezet, dan dient de reden hiervoor te worden besproken met (de adviseur van) het bevoegd gezag. De volgende aspecten zijn van belang bij het boren: De volgende aspecten zijn van belang bij het boren. - De locatie van de boorpunten op de boorpuntenkaart is indicatief. Er kan eventueel met boorpunten worden geschoven als de situatie in het veld hiertoe aanleiding geeft (bebouwing, verharding). - De boringen worden gezet door de Formatie van Echteld en de Formatie van Nieuwkoop tot in de top van de (eventuele) stroomgordelafzettingen behorend tot de Formatie van Echteld, of de duinafzettingen van het Laagpakket van Delwijnen met een maximale diepte van 5 meter maaiveld. - De onderlinge afstand van boringen in een raai is 30 m. - Mocht na visuele inspectie met behulp van gutsmes in het veld nog twijfel bestaan of archeologische indicatoren in een bepaald bodemtraject al dan niet aanwezig zijn, dan wordt het betreffende stuk boorkern bemonsterd en gezeefd op een zeef met een maaswijdte van 4 mm.

- De x-/y-coördinaat van de boorpunten dienen te worden bepaald. Dit kan handmatig (met bijvoorbeeld een meetlint) geschieden, waarbij de meetfout maximaal 1 meter bedraagt. - De z-coördinaat van het boorpunt dient te worden bepaald. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een meettoestel (waterpas, total station, GPS en dergelijke), waarbij de meetfout maximaal 3 cm bedraagt. Bij het vaststellen van de z-coördinaat mag geen gebruik worden gemaakt van het AHN. - Voor het boren dient gebruik gemaakt te worden van een gutsboor met een 21

-

binnendiameter van minimaal 2,5 cm. Voor de bovenste - geroerde - bodemtrajecten kan eventueel worden gebruik gemaakt van een edelmanboor. De boorkernen dienen volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB) of een direct daarvan afgeleide methode te worden beschreven. Hierbij wordt extra benadrukt dat: - De begrenzing van de lagen tot op de cm nauwkeurig dient te worden vastgesteld. De boorkern mag dus niet in trajecten van bijvoorbeeld 10 cm worden beschreven. - De aard van de grenzen dient te worden vastgesteld. Bijvoorbeeld diffuus, geleidelijk, scherp/abrupt, erosief.

3.7 Samenstelling onderzoeksteam Bij het verkennend inventariserend veldonderzoek dient zowel het veldwerk, de uitwerking als de rapportage te worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel waarbij de aantoonbare aanwezigheid van kennis en ervaring met het werken in holoceen West-Nederland een vereiste is.

3.8 Verslaglegging onderzoek De resultaten van het verkennend inventariserend veldonderzoek dienen door de opdrachtnemer in de vorm van een conceptrapport aan de opdrachtgever te worden gepresenteerd. De opdrachtgever biedt het concept ter goedkeuring aan het bevoegd gezag aan. Vervolgens verstrekt de opdrachtnemer het goedgekeurde rapport aan de opdrachtgever. Tevens wordt het rapport gestuurd naar het bevoegd gezag, het BOOR, de Koninklijke Bibliotheek en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ten behoeve van een vlot verloop van de beoordeling van de rapportage dient het conceptrapport vergezeld te gaan van cad- (.dxf/.dwg) of gis-bestanden (.shp/.mif) met de ligging van het plangebied, het onderzoeksgebied en de boorlocaties. Het rapport moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals die in de KNA, versie 4.1 voor inventariserend veldonderzoek zijn opgesteld. In het rapport komen de volgende, gebruikelijke, aspecten aan de orde: - Het doel van het onderzoek - De onderzoeksmethoden - De resultaten van het onderzoek - Conclusies en aanbevelingen Daarnaast worden aan de rapportage de volgende specifieke eisen benadrukt/ gesteld: - In de boorkernbeschrijvingen dienen tevens de meest relevante interpretaties (met name de onderscheiden stratigrafische eenheden) te worden opgenomen.

- De in het veld onderscheiden stratigrafische eenheden dienen (zorgvuldig) te worden beschreven in het rapport. - Voor de onderscheiden stratigrafische eenheden wordt naast de nieuwe terminologie ook de conventionele benaming gebruikt: Afzettingen van Tiel (0, I, II en III), Hollandveen en Afzettingen van Gorkum (I, II, III en IV) en dergelijke. - Met behulp van de boorstaten worden profielen van de verkennende raaien getekend, van de raaien die haaks op de dijk staan de twee meest informatieve. - Om de interpretaties binnen de profielen controleerbaar te maken, worden bij het tekenen de boorstaten in de profielen weergegeven en wordt de (litho)stratigrafische informatie van de boorkernbeschrijvingen goed herkenbaar bij de boorstaten geplaatst. - In de profielen wordt de oxidatie-reductiegrens aangegeven. In het rapport wordt de volgende kaart opgenomen: - Een kaart met de boorpunten, waarop per boorpunt is aangegeven of er archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Tevens dienen de aard van de indicatoren, de diepteligging (ten opzichte van NAP en maaiveld) en het stratigrafische niveau waarop zij zijn gevonden te worden vermeld. 22

3.9 Overleg Indien de opdrachtnemer af wil wijken van de in dit PvE beschreven aanpak, dient vooraf overleg gepleegd te worden tussen de opdrachtnemer, opdrachtgever en het bevoegd gezag.

3.10 Tijdpad Direct na het veldwerk dient overleg plaats te vinden tussen de opdrachtgever, opdrachtnemer en het bevoegd gezag over de verdere aanpak van de planlocatie. Het definitieve rapport zal uiterlijk drie maanden na afronding van het veldwerk worden verstuurd.

23

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Literatuur Hageman, R.J.B., 1991: IJsselmonde: een archeologische kartering, inventarisatie en waardering, Rotterdam (BOORrapporten 8). Hallewas, D.P. en J.M. Moree, 2011: De middeleeuwse bedijking en bewoning van het zuidelijke deel van de Riederwaard. Archeologisch onderzoek in Barendrecht-Carnisselande op IJsselmonde, in: Carmiggelt, A., M.C. van Trierum en D.A. Wesselingh (red.): BOORbalans 7 Archeologisch onderzoek in de gemeente Barendrecht. Prehistorische bewoning op een oeverwal en middeleeuwse bedijking en bewoning, Rotterdam, 155-206. Hijma, M.P., K.M. Cohen, G. Hoffmann, A.J.F. van der Spek en E. Stouthamer, 2009: From river valley to estuary: the evolution of the Rhine mouth in the early to middle Holocene (western Netherlands, Rhine-Meuse delta), Netherlands Journal of Geosciences - Geologie en Mijnbouw 88-1, 13-53. Jordanov, M.S., 2016: Plangebied Herinrichting Zuidpolder fase 1.3 in Barendrecht, gemeente Barendrecht; een archeologische begeleiding, Weesp (RAAP-notitie ‘nummer’, Weesp, conceptversie 31 augustus 2016). Meer, A. van de en D.E.A. Schiltmans, 2008: Barendrecht ‘autobedrijf Noteboom’. Een karterend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 446). Meirsman, E., 2004: Rotterdam Hordijkerveld fase 2. Een archeologische inventarisatie door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 203). Moree, J.M.

2006: Waalbos, De Boomgaard, Bos Rijsoord en uitbreiding Wevershoek. Een bureauonderzoek in de gemeenten Ridderkerk, Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht en Barendrecht, Rotterdam, (BOORrapporten 333). Moree, J.M., A. Carmiggelt, T.A. Goossens, A.J. Guiran, F.J.C. Peters en M.C. van Trierum, 2002: Archeologisch onderzoek in het Maasmondgebied: archeologische kroniek 1991-2000, in: A. Carmiggelt, A.J. Guiran en M.C. van Trierum (red.): BOORbalans 5 Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied, Rotterdam, 87-213. Moree, J.M., A.V. Schoonhoven en M.C. van Trierum, 2010: Archeologisch onderzoek van het BOOR in het Maasmondgebied: archeologische kroniek 2001-2006, in: A. Carmiggelt, M.C. van Trierum en D.A. Wesselingh (red.): BOORbalans 6 Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied, Rotterdam, 77-240. Moree, J.M., C.C. Bakels, S.B.C. Bloo, J.T. Brinkhuizen, R.A. Houkes, P.F.B. Jongste, M.C. van Trierum, A. Verbaas en J.T. Zeiler, 2011: Barendrecht-Carnisselande: bewoning van een oeverwal vanaf het Laat Neolithicum tot in de Midden-Bronstijd, in: Carmiggelt, A., M.C. van Trierum en D.A. Wesselingh (red.): BOORbalans 7 Archeologisch onderzoek in de gemeente Barendrecht. Prehistorische bewoning op een oeverwal en middeleeuwse bedijking en bewoning, Rotterdam, 15154.

Provincie Zuid-Holland 2007: Handreiking betreffende opstelling van en advisering over ruimtelijke plannen op grond van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland. 24

Stronkhorst, M. 2007: Barendrecht Uitbreiding Wevershoek. Een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 365). Thanos, C.S.I., 2000: Aanvullend Archeologisch Onderzoek in het tracé van deHogesnelheidslijn-Zuid, vindplaats 38 "Develweg", Heerjansdam (intern PAH-rapport). Velde, H. van der, 2000: AAO Rapport vindplaats 38 Heerjansdam-Develweg. Westerhoff, W.E., T.E. Wong en E.F.J. de Mulder, 2003: Opbouw van de ondergrond, in: Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong (red.): De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten, 247-352. Overige bronnen Actueel Hoogtebestand Nederland van Rijkswaterstaat en de Waterschappen, opgenomen in BOORIS. BOOR, 2009: Archeologische Waardenkaart Barendrecht, Rotterdam (vastgesteld op 23 maart 2009). BOORIS: Informatie Systeem van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (Archeologie Rotterdam). NITG-TNO, 1998: Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad Rotterdam Oost 37

Oost, Haarlem. Provincie Zuid-Holland: Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland, regio Rijnmond (http://chs.pzh.nl; 2002, herziening 2007). Uitgeverij Nieuwland, 2005: Grote Historische topografische Atlas ± 1905 Zuid-Holland, schaal 1:25.000, Tilburg. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990: Grote Historische Atlas van Nederland, schaal 1:50.000, I West-Nederland 1839-1859, Groningen. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties/Topografische Dienst, 1990: Grote Provincie Atlas van ZuidHolland, schaal 1:25.000, Groningen/Emmen.

25

Bijlagen Bijlage 1. PvE2020019 Gemeente Barendrecht, 17 woningen Noldijk. Ligging plangebied. Bijlage 2. PvE2020019 Gemeente Barendrecht, 17 woningen Noldijk. Boorpuntenkaart.

26

97.500

98.500

99.500

430.000 429.000 428.000 427.000 426.000

426.000

427.000

428.000

429.000

430.000

431.000

96.500

431.000

95.500

plangebied

95.500

96.500

97.500

500m Schaal 1:30.000

Esri Nederland, Community Map Contributors 98.500

Bijlage 1. PvE2020019 Gemeente Barendrecht, 17 woningen Noldijk. Ligging plangebied.

99.500

425.000

425.000

´

0

98.200

98.300

428.500

98.100

428.500

98.000

1

!

2

428.400

428.400

!

!

16

428.300

!

9

14

!

4

!

15

!

!

7

!

6 428.300

!

5

3

8

!

!

!

!

10

13 428.200

12

!

428.200

!

11

plangebied

´ 98.000

98.100

0 Schaal

boorpunt boorraai

428.100

428.100

!

50m

1:2.000

Esri Nederland, Community Map Contributors 98.200

Bijlage 2. PvE2020019 Gemeente Barendrecht, 17 woningen Noldijk. Boorpuntenkaart..

98.300

Bijlage 6

Archeologisch onderzoek

(vastgesteld) Parq Waal NL.IMRO.0489.BPZUR20200004-VI01

1088 - 1195

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen, verkennende fase, Plangebied Noldijk 113, Barendrecht, Gemeente Barendrecht J. Ras

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen, verkennende fase, Plangebied Noldijk 113, Barendrecht, Gemeente Barendrecht J. Ras

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen, verkennende fase, Plangebied Noldijk 113, Barendrecht, Gemeente Barendrecht J. Ras SOB Research Instituut voor Archeologisch en Aardkundig Onderzoek ©SOB Research Heinenoord, september 2020 ISBN/EAN: 978-94-6192-781-1 SOB Research Project nr.: 2770-2006

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen, verkennende fase, Plangebied Noldijk 113, Barendrecht, Gemeente Barendrecht Inhoud 1.

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Planontwikkeling Archeologisch onderzoek Opdrachtverlening en fasering Doel van het onderzoek Onderzoeksteam

3 3 4 5 6

2.

Onderzoekssysteem: gehanteerde methoden en technieken

7

2.1 2.2 2.3 2.4

Archeologisch Bureauonderzoek Archeologisch Verwachtingsmodel Veldonderzoek Uitwerking en rapportage

7 7 7 8

3.

Archeologisch Bureauonderzoek

9

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Geologische gegevens Archeologische gegevens Historische gegevens Luchtfoto’s Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologisch Verwachtingsmodel

9 11 13 16 17 17

4.

Resultaten veldonderzoek

19

4.1 4.2 4.3 4.4

Inleiding Booronderzoek Bodemopbouw Archeologische indicatoren

19 19 19 20

5.

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

23

5.1

Samenvatting en conclusies en aanbevelingen

23

Literatuur

25

Verklarende woordenlijst

27

Bijlage 1

29

Administratieve gegevens

1

Bijlage 2

Archeologische en geologische tijdschaal

31

Bijlage 3

Overzicht voor het Holocene gebied van de gebruikelijke, klassieke lithostratigrafische indeling en de vertaling naar de lithostratigrafie van De Mulder et al., 2003

33

Overzicht Boorgegevens

35

Bijlage 4

2

1. Inleiding 1.1 Planontwikkeling Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging voor de bouw van nieuwe woningen en de aanleg van bijbehorende infrastructuur en watergangen, ter plaatse van de voormalige GTI-locatie aan de Noldijk 113 te Barendrecht (Gemeente Barendrecht). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2.5 hectare. Voor het plangebied is een voorlopig inrichtingsplan opgesteld (zie Afbeelding 4). De te verwachten verstoringsdiepten zijn nog niet bekend. Tevens is het niet bekend of de woningen zullen worden onderkelderd.

Afbeelding 1. De ligging van het plangebied (rode stip) in Nederland.

1.2 Archeologisch onderzoek Op de kaart van het ‘Bestemmingsplan Zuidrand’ 1 wordt ter plaatse van het grootste deel van het plangebied een zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming (Waarde Archeologie 4). 2 Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 32 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van een bestemmingsplanwijziging of de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 200 m² en met een diepte van meer dan 0.5 meter beneden het maaiveld. Ter plaatse van het noordwestelijke en noordoostelijke deel van het plangebied, direct ten zuiden van de Noldijk, wordt eveneens een zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming (Waarde Archeologie 2). 3 Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 30 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van een bestemmingsplanwijziging of de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 100 m² en met een diepte van meer dan 0.5 meter beneden het maaiveld.

1

Dit bestemmingsplan is door de Gemeente Barendrecht vastgesteld op 17 februari 2015. Deze dubbelbestemming en de daarbij behorende bestemmingsplanregels zijn gebaseerd op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart van de Gemeente Barendrecht, waarop ter plaatse van dit deel van het plangebied een zone wordt weergegeven met een ‘hoge verwachting’ voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden; zie BOOR, 2008. 3 Deze dubbelbestemming en de daarbij behorende bestemmingsplanregels zijn gebaseerd op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart van de Gemeente Barendrecht, waarop ter plaatse van dit deel van het plangebied een zone wordt weergegeven met een ‘hoge verwachting’ voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden; zie BOOR, 2008. 2

3

In het kader van de vergunningprocedure voor de planontwikkeling moest dan ook een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen (IVOOverig), verkennende fase, worden uitgevoerd, als eerste stap in de Archeologische Monumentenzorgcyclus. Door Archeologie Rotterdam (BOOR) is op 16 april 2020 een Programma van Eisen opgesteld ten behoeve van het verkennend en karterend veldonderzoek door middel van grondboringen. 4

Afbeelding 2. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron Topografische Kaart: Kadaster Geo-Informatie, 2020. Schaal 1: 25.000.

1.3 Opdrachtverlening en fasering Op basis van de door SOB Research opgestelde offerte (d.d. 19 mei 2020) heeft Wissing B.V. op 11 juni 2020 aan SOB Research opdracht verleend om het archeologisch onderzoek uit te voeren. In eerste instantie is het Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd en is het daarop gebaseerde, gespecificeerde Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Vervolgens is - ter toetsing en ter aanvulling van het Archeologisch Verwachtingsmodel - op 7, 8 en 24 juli 2020 het veldonderzoek (IVO-Overig) uitgevoerd. Daarbij zijn 15 verkennende boringen gezet tot een diepte van maximaal 5.0 meter beneden het maaiveld. De verkregen gegevens, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in een conceptrapport, dat op 29 juli 202 ter beoordeling is voorgelegd aan de Gemeente Barendrecht. Na de ontvangst van de beoordeling van het conceptrapport door de archeologisch adviseur van de gemeente, op 21 augustus 2020, zijn de gevraagde aanvullingen in het rapport verwerkt en is het rapport definitief gemaakt. 4

Schoonhoven, 2020

4

1.4 Doel van het onderzoek Het doel van het Archeologisch Bureauonderzoek was om op basis van de bestaande archeologische, historische en geologische informatie de gespecificeerde archeologische verwachting voor deze locatie nader vast te stellen. Daarnaast zijn gegevens verzameld over de (sub-)recente bouwgeschiedenis ter plaatse van het plangebied en is een inventarisatie gemaakt van de als gevolg van de planrealisatie te verwachten bodemverstoringen. Het doel van het verkennend booronderzoek (IVO-Overig) was om deze gespecificeerde archeologische verwachting nader te toetsen en aan te vullen. Het onderzoek was gericht op het in kaart brengen van de bodemopbouw, de kans op de aanwezigheid van archeologische resten en de diepteligging daarvan en de kans dat mogelijk aanwezige archeologische resten als gevolg van de met de planrealisatie samenhangende bodemverstoringen verloren zouden kunnen gaan.

Afbeelding 3. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de GBKN. De bestaande bebouwing is grijs gemarkeerd. Bron GBKN: Kadaster Geo-Informatie, 2020. Schaal 1: 5.000.

5

In het kader van het onderzoek dienden de volgende onderzoeksvragen te worden beantwoord: 5 -

-

Wat is de geologische/ bodemkundige opbouw van het plangebied? Wat is de mate van gaafheid van de bodemopbouw in het plangebied? In hoeverre heeft de Waal voor erosie gezorgd en welke bodemlagen zijn wel (al dan niet geërodeerd) aanwezig en welke zijn niet aanwezig? Zijn in het plangebied nog stratigrafische niveaus met archeologische potentie aanwezig? Op welke diepte bevinden deze niveaus zich? Zijn in het plangebied archeologische waarden aanwezig en kan, indien mogelijk, een eerste indruk gegeven worden van de datering, aard en kwaliteit van deze waarden? Is in het plangebied, gelet op de voorgenomen bodemingrepen, vervolgonderzoek noodzakelijk?

1.5 Onderzoeksteam Het onderzoek is uitgevoerd door: J. Ras F. J. H. Kasbergen J. E. van den Bosch

bureauonderzoek en rapportage veldonderzoek, uitwerking gegevens veldonderzoek eindredactie en interne autorisatie

Afbeelding 4. Voorlopig inrichtingsplan met betrekking tot het plangebied. Bron: Wissing B.V., 2020. 5

Schoonhoven, 2020

6

2. Onderzoekssysteem: gehanteerde methoden en technieken 2.1 Archeologisch Bureauonderzoek Het doel van het Archeologisch Bureauonderzoek was het verwerven van informatie, op basis van bestaande bronnen, over bekende of te verwachten archeologische waarden, ter plaatse - of in de omgeving - van het plangebied, om op basis daarvan een gespecificeerde, archeologische verwachting vast te stellen. In het kader van de uitvoering van het Archeologisch Bureauonderzoek zijn diverse archieven geraadpleegd, waaronder de archieven van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3) en Dans Easy (KNAW), de TNO-GDN (DINO-loket) en het Kadaster Geo-Informatie. Tevens is gebruik gemaakt van het Programma van Eisen dat ten behoeve van het verkennend (en mogelijk ook karterend) Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen is opgesteld. 6 Daarnaast is er over het plangebied en de directe omgeving daarvan nadere archeologische en historische informatie vergaard uit meerdere bronnen. Het Archeologisch Bureauonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de BRL SIKB 4000 Archeologie (versie 4.1) en de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Protocol 4002 Bureauonderzoek.

2.2 Archeologisch Verwachtingsmodel Op basis van de bij het Archeologisch Bureauonderzoek verworven informatie is het Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Dit betreft de gespecificeerde archeologische verwachting ten aanzien van de mogelijk aanwezige archeologische vondstcomplexen (mogelijke aard, gaafheid en ouderdom), in relatie tot de geologische ondergrond (mogelijke diepteligging en context).

2.3 Veldonderzoek 2.3.1 Booronderzoek Op basis van het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak is ter plaatse van het plangebied het booronderzoek (IVO-Overig, verkennend) uitgevoerd. Dit ter toetsing en aanvulling van het op basis van het bureauonderzoek opgestelde Archeologische Verwachtingsmodel. Het Inventariserend Veldonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de BRL SIKB 4000 Archeologie (versie 4.1, 2018) en de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek. Er zijn 15 verkennende boringen uitgevoerd. Het centrale deel van het plangebied was verhard met straatklinkers en stelconplaten. Hierdoor kon één boring (Boring nr. 15) niet worden uitgevoerd. Boring nr. 5, 6 en 16 stuitten op ondoordringbaar puin. Boring nr. 7 en 8 stuitten op niet verwijderbare straatstenen. De overige boringen zijn, tot een maximale diepte van 0.5 meter beneden het maaiveld uitgevoerd met een edelmanboor met een diameter van 7 centimeter en zijn vervolgens dieper doorgezet met een gutsboor met een diameter van 3 centimeter, indien mogelijk, tot een maximale diepte van 5.0 meter beneden het maaiveld uitgevoerd. In een aantal boringen werd grof geulzand aangetroffen dat niet kon worden opgeboord. Deze boringen konden niet tot de voorgeschreven diepte van 5.0 meter beneden het maaiveld worden doorgezet.

Bij iedere boring zijn de verschillende geologische afzettingen ingemeten ten opzichte van het maaiveld. De NAPhoogte van het maaiveld en de locaties van de boringen zijn bepaald met gebruikmaking van een GPS (Sokkia Rover GRX1). De maximale onnauwkeurigheid van dit meetsysteem bedraagt +/- 3 centimeter.

6

Schoonhoven, 2020

7

Door middel van boringen kan de aard en de mate van intactheid van de bodemopbouw worden bepaald en kan inzicht worden verkregen in de geologische opbouw van een gebied. Dit is vooral van belang omdat de bewoningsmogelijkheden in Nederland tot de Romeinse Tijd volledig afhankelijk waren van de landschappelijke situatie. Ook voor wat betreft de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen was er, ondanks de toegenomen mogelijkheden om door middel van bedijking, afdamming of kanalisering het landschap vorm te geven, nog steeds sprake van een sterke relatie tussen het natuurlijke landschap en de mogelijkheden tot bewoning. Booronderzoek is geen valide methode voor het opsporen van archeologische vindplaatsen. Wel kan met een booronderzoek de stratigrafie en de aard van mogelijk archeologisch interessante grondlagen globaal worden bepaald. Soms kunnen ook direct al archeologische indicatoren worden getraceerd. Indicatoren voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen zijn onder meer de aanwezigheid van houtskool, verbrand bot, aardewerkfragmenten, potgruis, vuursteen, puin of verstoorde grondlagen. 2.3.2 Oppervlaktekartering Bij een oppervlaktekartering wordt een terrein onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten op het maaiveld.

In gebieden waar archeologisch belangrijke lagen op geringe diepte beneden het maaiveld liggen kan het uitvoeren van een oppervlaktekartering zinvol zijn. Vooral recent geploegde akkers bieden goede mogelijkheden voor de toepassing van deze onderzoeksmethodiek. Ter plaatse van het plangebied was ten tijde van het veldonderzoek begroeiing en verharding aanwezig. De uitvoering van een oppervlaktekartering was daarom niet mogelijk.

2.4 Uitwerking en rapportage Na het onderzoek zijn de onderzoeksgegevens uitgewerkt en geanalyseerd. Tevens is een advies opgesteld, op basis waarvan een beslissing kan worden genomen ten aanzien van de noodzaak tot een vervolgonderzoek of een planaanpassing. Ter afronding van het Archeologisch Bureauonderzoek en het Inventariserend Veldonderzoek is het nu voorliggende eindrapport opgesteld. SOB Research hanteert voor dit gebied de klassieke nomenclatuur, zoals deze ook door de Rijks Geologische Dienst is gehanteerd bij het opstellen van de Geologische Kaart van Nederland. De door de Mulder et al. (2003) voorgestelde nieuwe lithostratigrafie biedt geen meerwaarde voor wat betreft de koppeling tussen archeologie en geologie. Integendeel, met name in het Holocene gebied gaat hierdoor de mogelijkheid voor een dergelijke koppeling volledig verloren. Daarnaast is er daarbij ook geen goede koppeling mogelijk tussen het reeds sinds 1950 uitgevoerde archeologisch en geologisch onderzoek en de voorgestelde nieuwe lithostratigrafische terminologie. Tevens ontbreken ook geologische kaarten, waarbij deze terminologie is gehanteerd, zodat een betrouwbare presentatie niet mogelijk is. Het is vanuit haar eigen kwaliteitsborging dat SOB Research, zeker voor wat betreft het Holocene deel van Nederland, de gangbare lithostratigrafie toepast en vooralsnog zal blijven toepassen.

Voor een overzicht van de klassieke geologische nomenclatuur en de voorgestelde nieuwe terminologie wordt verwezen naar Bijlage 3. De documentatie is in beheer bij SOB Research. Na de definitieve oplevering van het eindrapport zullen het rapport en de digitale informatie worden aangeleverd aan het landelijke E-depot (Danseasy) en zal het rapport tevens worden gedeponeerd in de database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3). Alle kaarten in het rapport zijn zuid (onder) - noord (boven) georiënteerd, of wanneer dat niet het geval is, voorzien van een noordpijl.

8

3. Archeologisch Bureauonderzoek 3.1 Geologische gegevens 3.1.1 Inleiding Voor het verkrijgen van inzicht in de geologische opbouw ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving daarvan, is gebruik gemaakt van de Geologische Kaart van Nederland, 1: 50.000, Blad Rotterdam Oost (37 O). 7 Deze door de Rijks Geologische Dienst in 1998 gepubliceerde kaart en de bijbehorende toelichting bieden een gedegen beeld voor wat betreft de geologische opbouw in dit deel van Nederland. Daarnaast is gebruik gemaakt van de Bodemkaart van Nederland (Archis3/ Alterra) en van de Geomorfologische kaart van Nederland (Archis3/ Alterra) en is het archief van TNO-GDN (DINO-loket) geraadpleegd. Een nadeel bij het gebruik van de kaarten is de relatieve grofschaligheid van de informatie. De informatie is niet bedoeld en ook niet bruikbaar voor een beoordeling op perceelniveau. Wel bieden de kaarten kaders voor een globale inschatting van de geologische en paleogeografische situatie. 3.1.2 Regionale geologische context Het plangebied is gelegen in het perimariene gebied, waar de landschapsontwikkeling tijdens de laatste 15000 jaar vooral is bepaald door de invloed van de Rijn en Maas.

Perioden met verhoogde rivieractiviteit (transgressiefasen), waarbij de rivieren zand en klei afzetten tot ver buiten de hoofd- en zijgeulen (Afzettingen van Gorkum), werden afgewisseld door perioden waarin de rivierafzettingen alleen binnen de oeverzones werden afgezet (regressiefasen). Tijdens de laatstgenoemde fasen was ook sprake van veenontwikkeling in de komgebieden (het Hollandveen). Vanaf circa 1000 A.D. was sprake van steeds hogere waterstanden en werden met toenemende regelmaat delen van het gebied getroffen door overstromingen. Vanaf de 12de eeuw werd dan ook begonnen met de bedijking van het gebied. Desondanks vonden er gedurende de Late Middeleeuwen nog vele overstromingen plaats, met name tijdens de stormvloeden die tot dijkdoorbraken leidden. Sommige polders bleven na een dergelijke overstroming lange tijd onder water staan en raakten overdekt met kwelderachtige zand- en kleiafzettingen (Afzettingen van Duinkerke/ Tiel). In de Riederwaard is in de periode na de overstroming van 1373, tot de hernieuwde bedijkingen in 1496 en 1650, nog een overstromingsdek afgezet. Daarna werden hier bij de overstromingen, die nog steeds met regelmaat plaatsvonden, geen afzettingen van betekenis meer afgezet. De watersnoodramp in 1953 kan worden beschouwd als de vooralsnog laatste grote overstroming die deel uitmaakte van deze reeks van overstromingen.

Het plangebied ligt buitendijks, ter plaatse van de westelijke oever van de Waal. Het is mogelijk dat hier sprake is van diepgaande erosie onder invloed van de Waal, anderzijds is het mogelijk dat er geen of nauwelijks erosie heeft plaatsgevonden en er juist sprake is van de afzettingen van oeversedimenten. 3.1.3 Geologische opbouw ter plaatse van het plangebied Op de Geologische Kaart van Nederland, 1: 50.000, Blad Rotterdam Oost (37O, zie Afbeelding 5) wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met de code rD0k. Dat betekent dat hier een bodemopbouw aanwezig is met Afzettingen van Tiel (kom- op geulafzettingen). De geulAfzettingen van Tiel zijn mogelijk erosief geweest en als gevolg daarvan kunnen het Hollandveen en de Afzettingen van Gorkum deels zijn geërodeerd. Het plangebied ligt ter plaatse van een zone waar ook rivierduinafzettingen kunnen worden aangetroffen. 7

Kok en de Groot, 1998

9

Direct ten westen van het plangebied wordt een zone weergegeven met de code rF2k. Dat betekent dat daar waarschijnlijk een bodemopbouw aanwezig is met (kom-) Afzettingen van Tiel (afgezet tot circa 1496 A.D., zie paragraaf 3.3), op Hollandveen, op Afzettingen van Gorkum (met inschakelingen van Hollandveen), op (rivier-) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye.

Afbeelding 5. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Rotterdam Oost (37 O). Schaal 1: 25.000.

In het DINO-loket (TNO-GDN) zijn de boorgegevens gearchiveerd van boringen die in het verleden zijn uitgevoerd. In het kader van het onderzoek zijn de gegevens geanalyseerd van één in het DINOloket gearchiveerde boring, die in het verleden is uitgevoerd op een afstand van circa 250 meter ten noordoosten van het plangebied. Dit betreft Boring nr. B37H1319 die direct ten zuiden van de Noldijk werd uitgevoerd. De ter plaatse van deze boring aangetroffen bodemopbouw komt op hoofdlijnen overeen met de bodemopbouw die op basis van de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000 kon worden verwacht. Op basis van de analyse en de interpretatie van de boorgegevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van deze boring sprake is van een bodemopbouw met diepreikende (klei- en zand-) Afzettingen van Tiel. Hollandveen, Afzettingen van Gorkum (klei), Basisveen en (zand-) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye werden tot op een diepte van 7.0 meter beneden het maaiveld (7.9 meter –NAP) niet aangetroffen. Op de Bodemkaart van Nederland (Archis3/ Alterra, zie Afbeelding 6) wordt ter plaatse van het plangebied een blauwe zone weergegeven met de code AK. Dat betreft een zone met ‘kreekbeddingen’. Ter plaatse van het uiterst westelijke deel van het plangebied wordt een groene zone met de code Mn35A weergegeven. Dat betreft een zone met ‘kalkrijke poldervaaggronden; lichte klei’.

Op de Geomorfologische Kaart van Nederland (Archis3/ Alterra, zie Afbeelding 7) wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met bebouwing. Op basis van de niet bebouwde omgeving mag worden aangenomen dat ter plaatse van het plangebied een zone met de code 22R71 ligt. Dat betreft een ‘Getij-kreekbedding, zee-erosiegeul’.

10

Afbeelding 6. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van de Bodemkaart van Nederland (Archis3/ Alterra, 2020).

Afbeelding 7. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland (Archis3/ Alterra, 2020).

3.2 Archeologische gegevens Voor een overzicht van de reeds bestaande kennis ten aanzien van archeologische vindplaatsen ter plaatse - en in de omgeving - van het plangebied zijn onder meer de Archeologische Waarden- en Beleidskaart van de Gemeente Barendrecht en het archief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3) geraadpleegd. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart van de Gemeente Barendrecht wordt ter plaatse van het grootste deel van het plangebied een zone weergegeven met een redelijk hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten (zie Afbeelding 8).8 Archeologische resten kunnen worden verwacht op een diepte van meer dan 0.5 meter beneden het maaiveld.

8

BOOR, 2008

11

Het noordwestelijke en noordoostelijke deel van het plangebied liggen ter plaatse van een zone met een hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten. Hier ligt de Noldijk met daarlangs mogelijk bewoningssporen vanaf de Late Middeleeuwen.

Afbeelding 8. De ligging van het plangebied (blauw omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Archeologische Waarden- en Beleidskaart van de Gemeente Barendrecht. Het grootste deel van het plangebied ligt ter plaatse van een zone met een ‘redelijk hoge verwachting’ voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden (de groen gemarkeerde zone). Het noordwestelijke en noordoostelijke deel van het plangebied liggen ter plaatse van een zone met een ‘hoge verwachting’ voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden. Hier ligt de Noldijk met daarlangs mogelijk bewoningssporen vanaf de Late Middeleeuwen. Bron: BOOR, 2008.

Afbeelding 9. De ligging van de in Archis3 geregistreerde archeologische monumenten (niet aanwezig), waarnemingen (gemarkeerd met groene bolletjes, genummerd), in de omgeving van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Archis3, 2020.

12

Op de kaart van Archis3 (het centrale archief voor de bekende archeologische vindplaatsen in Nederland) worden ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving daarvan geen archeologische monumenten weergegeven (zie Afbeelding 9). De overige, op grotere afstand van het plangebied gelegen archeologische monumenten zijn buiten beschouwing gelaten. Ter plaatse van het plangebied werd nog geen geregistreerd archeologisch onderzoek uitgevoerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn in het verleden wel geregistreerde archeologische onderzoeken uitgevoerd. Waar deze onderzoeken tot resultaten hebben geleid is op de kaart van Archis3 een archeologische waarneming weergegeven. Op de kaart van Archis3 worden ter plaatse van het plangebied geen archeologische waarnemingen weergegeven. Op deze kaart wordt in de directe omgeving van het plangebied wel een aantal archeologische waarnemingen en vondstmeldingen weergegeven (zie Afbeelding 9). Dit betreft: - Archis-Zaakidentificatie nr. 2230912100. Barendrecht, Graphornlocatie. Hier werden op basis van een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van Grondboringen geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten aangetroffen (zie Afbeelding 9, nummer 1). - Archis-Zaakidentificatie nr. 2835481100. Heerjansdam.

Hier werd tijdens baggerwerkzaamheden een aardewerkfragment uit de IJzertijd aangetroffen (zie Afbeelding 9, nummer 2). - Archis-Zaakidentificatie nr. 3073694100. Heerjansdam, Molenweg. Hier zijn resten aanwezig van een laatmiddeleeuws kasteel (zie Afbeelding 9, nummer 3). - Archis-Zaakidentificatie nr. 3975913100. Barendrecht, Herinrichting buitengebied Zuidpolder. Hier werden tijdens een Archeologische Begeleiding sporen van ontginning en bewoning in de Riederwaard vanaf de periode 1000 na Christus aangetroffen. Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat de Noldijk een restant is van de dijk van de Riederwaard en dat vooral direct ten noorden van deze dijk resten van bewoning uit de Late Middeleeuwen kunnen worden verwacht (zie Afbeelding 9, nummer 4). - Archis-Zaakidentificatie nr. 4626456100. Barendrecht, de Zuidpolder. Hier werden tijdens de uitvoering van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten aangetroffen (zie Afbeelding 9, nummer 5). - Archis-Zaakidentificatie nr. 3055339100. Heerjansdam. Hier werd tijdens een Archeologische Begeleiding greppels en sloten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd aangetroffen (zie Afbeelding 9, nummer 6). De overige, op grotere afstand van het plangebied gelegen archeologische waarnemingen en vondstmeldingen zijn buiten beschouwing gelaten.

3.3 Historische gegevens Het plangebied is gelegen op het Eiland IJsselmonde in de voormalige Riederwaard en ligt direct ten noordwesten van de (in 1331 afgedamde) rivier de Waal, direct ten zuidoosten van de Noldijk. De Noldijk is de oostelijke dijk van de Zuiderwijdsche Polder die in 1496 definitief werd bedijkt, nadat de oude Polder Riederwaard uit de 12de eeuw als gevolg van de overstroming van 14 februari 1374 (de Valentijnsvloed) verloren was gegaan en sindsdien onder water had gestaan. Het plangebied ligt buitendijks.

13

In het kader van de analyse van de historische informatie zijn de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832 en de Topografische Kaart uit 1874 - 1908, 1958, 1973, 1981, 1993, 1995 en 1998 geraadpleegd. Op de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832 wordt ter plaatse van het plangebied geen bebouwing weergegeven (zie Afbeelding 10). Wel lag ter plaatse van het oostelijke deel van het plangebied een afwateringsvliet met een kade. Het plangebied lag ter plaatse van de ‘Waal gronden’. Op de Topografische Kaart uit 1874 - 1908 (zie Afbeelding 11) wordt ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het plangebied, direct ten zuiden van de Noldijk, bebouwing weergegeven. Dat betreft waarschijnlijk een dijkhuis dat in de loop van de 19de eeuw is gebouwd. De afwateringsvliet met de kade was inmiddels niet meer aanwezig.

Afbeelding 10. De ligging van het plangebied (blauw omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832. Bron: RCE, 2020.

14

Afbeelding 11. De ligging van het plangebied (blauw omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van de Topografische Kaart uit 1874 - 1908. Schaal 1: 10.000.

Op de Topografische Kaart uit 1958 (zie Afbeelding 12) worden ter plaatse van het oostelijke deel van het plangebied bedrijfsgebouwen weergegeven. Deze zullen waarschijnlijk net voor 1958 zijn gebouwd. Deze bebouwing bleef tot in de jaren '90 van de 20ste eeuw aanwezig, maar werd daarna deels vervangen door nieuwe bebouwing (zie Afbeelding 13). Het overige deel van het plangebied bleef tot in de huidige tijd grotendeels onbebouwd. De op de kaart van 1874 - 1908 weergegeven woning ter plaatse van het noordwestelijke deel van het plangebied wordt op deze kaart en op de topografische kaarten van na 1936 niet meer weergegeven. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van grootschalige bodemverstoringen ter plaatse van het plangebied.

Afbeelding 12. De ligging van het plangebied (blauw omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart uit 1958.

15

Afbeelding 13. De ligging van het plangebied (blauw omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart uit 1998.

3.4 Luchtfoto’s In het kader van het onderzoek is een luchtfoto uit 2016 geraadpleegd (Google-Earth; zie Afbeelding 14). Op de luchtfoto is zichtbaar dat er toen ter plaatse van het plangebied bebouwing, verharding, groenstroken en graslanden aanwezig waren. Er zijn op de luchtfoto, als gevolg van de aanwezigheid van begroeiing, bebouwing en verharding geen aanwijzingen zichtbaar voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen ter plaatse van het plangebied. De kwaliteit van deze foto is feitelijk ook onvoldoende voor een gedegen luchtfoto-analyse. Alleen zeer evidente archeologische en/of geologische fenomenen zouden op deze foto kunnen worden waargenomen.

Afbeelding 14. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van een luchtfoto uit 2016.

16

3.5 Actueel Hoogtebestand Nederland In het kader van het onderzoek is het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd (zie Afbeelding 15). Het maaiveld ligt ter plaatse van het plangebied op een hoogte van circa 0.0 - 1.0 meter –NAP. Ter plaatse van de lichtgroene zone lijkt sprake te zijn van een subrecente ophoging van circa 0.5 meter. De top van de Noldijk ligt op een hoogte van circa 3.0 meter +NAP.

Afbeelding 15. De ligging van het plangebied (paars omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De oranje en gele zones betreffen de hoger gelegen zones, de groene en blauwe zones betreffen de lager gelegen zones. Bron: AHN (http://www.ahn.nl), 2020.

3.6 Archeologisch Verwachtingsmodel Ter plaatse van het plangebied kan een bodemopbouw worden verwacht met een opgebrachte verstoorde bovenlaag, op (oever-) Afzettingen van Tiel, op (geul-) Afzettingen van Tiel. Waarschijnlijk is er, indien er sprake is van geulinsnijding, geen sprake meer van de aanwezigheid van intact Hollandveen en Afzettingen van Gorkum. Indien er sprake is van een sequentie van oeverafzettingen is het mogelijk dat er geen Hollandveen is gevormd, maar er wel / sprake is van oudere (oever-) Afzettingen van Tiel en (oever-) Afzettingen van Gorkum. In deze regio kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit de periode van het Laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. In deze regio zijn tot nu toe archeologische resten aangetroffen uit de meeste perioden van het Mesolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd kunnen hier worden aangetroffen onder de subrecente ophooglagen, op en in de top van de Afzettingen van Tiel, op een diepte van circa 1.0 meter –NAP.

Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van bebouwing uit de Nieuwe Tijd, anders dan een huis ter plaatse van het noordwestelijke deel van het plangebied dat daar in de 19de eeuw is gebouwd (en rond 1938 is afgebroken) en de industriële bebouwing die vanaf circa 1950 ter plaatse van het noordoostelijke deel van het plangebied is gerealiseerd. Op basis van de ligging van het plangebied, direct ten oosten van de in 1496 aangelegde Noldijk, die waarschijnlijk de opvolger was van de 12de eeuwse dijk van de Riederwaard wordt de kans op de aanwezigheid van bebouwingsresten uit deze perioden klein geacht. De kans op andersoortige archeologische resten is wel aanwezig.

17

Archeologische resten van voor de Middeleeuwen kunnen, indien er sprake is van de aanwezigheid van oeverafzettingen, worden aangetroffen in de sequentie van deze oeverafzettingen. Mogelijke vondstdiepten voor de perioden die voorafgaan aan de Middeleeuwen kunnen op basis van de bij het bureauonderzoek verkregen informatie niet worden bepaald. Voor mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen geldt dat vrijwel alle in deze regio bekende complextypen uit de voornoemde perioden zouden kunnen voorkomen. Het zou immers kunnen gaan om nederzettingsterreinen, activiteitenzones, grafvelden, maar ook om akker- en/of weidegebieden, enz. Over de daadwerkelijke aanwezigheid of de omvang van de hier mogelijk aanwezige archeologische sporen kunnen op dit moment nog geen uitspraken worden gedaan. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van grootschalige bodemverstoringen ter plaatse van het plangebied.

18

4. Resultaten veldonderzoek 4.1 Inleiding Ten tijde van het booronderzoek (IVO-Overig) was ter plaatse van het onderzoeksgebied verharding en begroeiing aanwezig. De uitvoering van een oppervlaktekartering was hierdoor niet mogelijk. Het maaiveld lag op een hoogte van circa 0.2 - 1.0 meter –NAP.

4.2 Booronderzoek Binnen het onderzoeksgebied dienden, op basis van het Programma van Eisen 9, 16 verkennende boringen te worden uitgevoerd. Er zijn echter 15 verkennende boringen uitgevoerd (zie Afbeelding 16). Het centrale deel van het plangebied was verhard met straatklinkers en stelconplaten. Hierdoor kon één boring (Boring nr. 15) niet worden uitgevoerd. Boring nr. 5, 6 en 16 stuitten op ondoordringbaar puin. Boring nr. 7 en 8 stuitten op niet verwijderbare straatstenen. De overige boringen zijn, tot een maximale diepte van 0.5 meter beneden het maaiveld uitgevoerd met een edelmanboor met een diameter van 7 centimeter en zijn vervolgens dieper doorgezet met een gutsboor met een diameter van 3 centimeter, indien mogelijk, tot een maximale diepte van 5.0 meter beneden het maaiveld uitgevoerd. In een aantal boringen werd grof geulzand aangetroffen dat niet kon worden opgeboord. Deze boringen konden niet tot de voorgeschreven diepte van 5.0 meter beneden het maaiveld worden doorgezet. Omdat er geen aanwijzingen werden aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische waarden zijn er geen karterende boringen uitgevoerd.

4.3 Bodemopbouw Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het grootste deel van het plangebied een bodemopbouw aanwezig is met subrecente puin en/of ophooglagen, op (oever-) Afzettingen van Tiel, al dan niet op of met inschakelingen van (geul-) Afzettingen van Tiel (zie Afbeelding 17, 18 en 19 en Bijlage 4). Ter plaatse van het uiterst westelijke deel van het plangebied is sprake van een onafgebroken sequentie van (oever-) Afzettingen van Tiel. Ter plaatse van met name het centrale deel van het plangebied (Boring nr. 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10) werden subrecente ophooglagen aangetroffen tot een minimale diepte van circa 0.6 meter beneden het maaiveld. Omdat een aantal boringen vanwege de aanwezigheid van ondoordringbaar puin niet kon worden verdiept kon de daadwerkelijke ondergrens van de ophooglagen niet worden vastgesteld. Waarschijnlijk betreft het hier ophogingen met puin en zand gerelateerd aan het realiseren van bebouwing van na 1945. Mogelijk betreft het deels puin van het in 1940 gebombardeerde Rotterdam, en dan met name de Bijenkorf (mondelinge mededeling gebruiker terrein). Ter plaatse van de meeste diep doorgezette boringen werden onder de subrecente ophooglagen kleiafzettingen aangetroffen die kunnen worden geïnterpreteerd als (oever-) Afzettingen van Tiel.

Het betreft matig gerijpte klei met schelpgruis en soms organisch materiaal. Deze oeverafzettingen dekken (geul-) Afzettingen van Tiel af die zijn opgebouwd uit matig fijn lichtgrijs zand dat naar onderen toe soms zelfs overgaat in zeer grof zand. Ter plaatse van Boring nr. 14 werden in plaats van zandige geulafzettingen bruine, ongerijpte en matig venige kleiafzettingen aangetroffen, op een diepte van 1.7 – 5.0 meter beneden het maaiveld (zie Afbeelding 18 en Bijlage 4).

9

Schoonhoven, 2020

19

Dit kan worden geïnterpreteerd als jongere op oudere (oever-) Afzettingen van Tiel (mogelijk op oever- Afzettingen van Gorkum), iets dat overeen lijkt te komen met de locatie van deze boring ter plaatse van de oever van de Waal. Ook ter plaatse van Boring nr. 10 en 13 werden diepreikende, grijze klei-afzettingen aangetroffen, op een diepte van circa 1.45 - 4.70 en 1.70 - 4.50 meter beneden het maaiveld (zie Afbeelding 19 en 18 en Bijlage 4). Ter plaatse van Boring 11 werden onder een op een diepte van 2.3 - 3.5 meter beneden het maaiveld aanwezige zandlaag wederom klei-afzettingen aangetroffen (op een diepte van 3.5 - 4.7 meter beneden het maaiveld; zie Bijlage 4). Ook in deze gevallen zou het kunnen gaan om jongere op oudere (oever-) Afzettingen van Tiel (mogelijk op oeverAfzettingen van Gorkum).

4.4 Archeologische indicatoren Er werden ter plaatse van de boringen geen archeologische indicatoren aangetroffen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het booronderzoek niet was gericht op het opsporen van archeologische indicatoren. Daarvoor is deze methode niet geschikt. De afwezigheid van archeologische indicatoren in boringen kan dan ook niet worden beschouwd als een indicatie dat er geen archeologische resten aanwezig zijn.

Afbeelding 16. Het plangebied (rood omkaderd) en de locaties van de boringen (rood gemarkeerd, genummerd), geprojecteerd op een uitsnede van de GBKN. De locaties van Boorraai 1, 2 en 3 zijn blauw gemarkeerd. Bron GBKN: Kadaster Geo-Informatie, 2020. Schaal 1: 2.500.

20

Afbeelding 17. Grafische weergave van Boorraai 1.

Afbeelding 18. Grafische weergave van Boorraai 2.

21

Afbeelding 19. Grafische weergave van Boorraai 3.

22

5. Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 5.1 Samenvatting en conclusies en aanbevelingen Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging voor de bouw van 17 nieuwe woningen en de aanleg van bijbehorende infrastructuur en watergangen, ter plaatse van de voormalige GTI-locatie aan de Noldijk 113 te Barendrecht (Gemeente Barendrecht). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2.5 hectare. Voor het plangebied is een voorlopig inrichtingsplan opgesteld (zie Afbeelding 4). De te verwachten verstoringsdiepten zijn nog niet bekend. Tevens is het niet bekend of de woningen zullen worden onderkelderd. Op de kaart van het ‘Bestemmingsplan Zuidrand’ wordt ter plaatse van het grootste deel van het plangebied een zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming (Waarde Archeologie 4). Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 32 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van een bestemmingsplanwijziging of de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 200 m² en met een diepte van meer dan 0.5 meter beneden het maaiveld.

Ter plaatse van het noordwestelijke en noordoostelijke deel van het plangebied, direct ten zuiden van de Noldijk, wordt eveneens een zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming (Waarde Archeologie 2). Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 30 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van een bestemmingsplanwijziging of de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 100 m² en met een diepte van meer dan 0.5 meter beneden het maaiveld. In het kader van de vergunningprocedure voor de planontwikkeling moest dan ook een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen (IVO-Overig), verkennende fase, worden uitgevoerd, als eerste stap in de Archeologische Monumentenzorgcyclus. Door Archeologie Rotterdam (BOOR) is op 16 april 2020 een Programma van Eisen opgesteld ten behoeve van het verkennend en karterend veldonderzoek door middel van grondboringen. Op basis van de door SOB Research opgestelde offerte (d.d. 19 mei 2020) heeft Wissing B.V. op 11 juni 2020 aan SOB Research opdracht verleend om het archeologisch onderzoek uit te voeren. In eerste instantie is het Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd en is het daarop gebaseerde, gespecificeerde Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld.

Vervolgens is - ter toetsing en ter aanvulling van het Archeologisch Verwachtingsmodel - op 7, 8 en 24 juli 2020 het veldonderzoek (IVO-Overig) uitgevoerd. Daarbij zijn 15 verkennende boringen gezet tot een diepte van maximaal 5.0 meter beneden het maaiveld. De verkregen gegevens, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in een conceptrapport, dat op 29 juli 202 ter beoordeling is voorgelegd aan de Gemeente Barendrecht. Na de ontvangst van de beoordeling van het conceptrapport door de archeologisch adviseur van de gemeente, op 21 augustus 2020, zijn de gevraagde aanvullingen in het rapport verwerkt en is het rapport definitief gemaakt. Op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek en het IVO-Overig kunnen de volgende onderzoeksvragen worden beantwoord: -

Wat is de geologische/ bodemkundige opbouw van het plangebied?

Ter plaatse van het grootste deel van het onderzoeksgebied is een bodemopbouw aanwezig met diepreikende (geul-)Afzettingen van Tiel, afgedekt door (oever-)Afzettingen van Tiel, afgedekt door subrecent puin en/of ophooglagen. Ter plaatse van het uiterst westelijke deel van het onderzoeksgebied is alleen sprake van (oever-) Afzettingen van Tiel.

23

-

Wat is de mate van gaafheid van de bodemopbouw in het plangebied? In hoeverre heeft de Waal voor erosie gezorgd en welke bodemlagen zijn wel (al dan niet geërodeerd) aanwezig en welke zijn niet aanwezig?

Met uitzondering van de top van het profiel is de bodemopbouw ter plaatse van het plangebied intact. Als gevolg van geulerosie zijn het Hollandveen en grotendeels ook de Afzettingen van Gorkum niet meer intact aanwezig. -

Zijn in het plangebied nog stratigrafische niveaus met archeologische potentie aanwezig? Op welke diepte bevinden deze niveaus zich?

Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd kunnen hier worden aangetroffen onder de subrecente ophooglagen, op en in de top van de Afzettingen van Tiel, op een diepte vanaf circa 0.0 - 1.0 meter –NAP. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van bebouwing uit de Nieuwe Tijd, anders dan een huis ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het plangebied dat hier in de loop van de 19de eeuw werd gebouwd en de industriële bebouwing die vanaf circa 1950 ter plaatse van het noordoostelijke deel van het plangebied werd gerealiseerd. Op basis van de ligging van het plangebied direct ten oosten van de in 1496 aangelegde Noldijk, die waarschijnlijk de opvolger was van de 12de eeuwse dijk van de Riederwaard wordt de kans op de aanwezigheid van bebouwingsresten uit deze perioden klein geacht. De kans op andersoortige archeologische resten is er wel (off siteresten). De kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode van vóór de Middeleeuwen wordt, als gevolg van de aanwezigheid van voornamelijk geulafzettingen klein geacht. Dit met uitzondering van de zones rondom Boring nr. 10, 11, 13 en 14 waar mogelijk ook oudere (oeverklei-) Afzettingen van Tiel en zelfs (oeverklei-) Afzettingen van Gorkum aanwezig kunnen zijn.

Daar zouden vanaf een respectievelijke diepte van circa 1.45, 3.50, 1.75 en 1.70 meter beneden het maaiveld nog wel archeologische resten uit de periode van het Neolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen aanwezig kunnen zijn (zie Afbeelding 18 en 19 en Bijlage 4). -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9908561/1