CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

P04926 BP Stationstuinen 1ste fase Barendrecht 20250509-compressed (1)

commissie Ruimte 13 mei 2025, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Herstelbesluit trillinghinder bestemmingsplan De Stationstuinen 1e fase (adviserend)34.873 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Geen onaanvaardbare leegstandseffecten Tot slot dient als onderdeel van de Ladder inzichtelijk te worden gemaakt dat het plan geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben, dat dit tot een onaanvaardbare situatie zal leiden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie: Het is niet te verwachten dat er onaanvaardbare effecten op het woon-, leef- en ondernemersklimaat optreden als gevolg van het planinitiatief. Per saldo heeft de ontwikkeling een positief effect op het woon-, leef- en ondernemersklimaat binnen Barendrecht en de nabije omgeving. Op basis van de analyses blijkt dat de leegstand in Barendrecht zeer beperkt is en het aanbod goed functioneert. Dit maakt dat het niet de verwachting is dat toevoeging van aanbod in De Stationstuinen 1ste fase leidt tot een toename van de leegstand. Zeker aangezien de behoefte voor de beoogde functies groeit door toename van het draagvlak (in het maximale scenario 3.500 woningen).

Hoofdstuk 3

26

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Het provinciaal beleid is neergelegd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De visie is op 20 februari 2019 door de Provinciale Staten vastgesteld en op 1 april 2019 in werking getreden en volgt daarmee de Visie Ruimte en Mobiliteit uit 2014 op. De Omgevingsvisie Zuid-Holland is het provinciaal beleidsplan van de fysieke leefomgeving. Hoofddoel van de Omgevingsvisie Zuid-Holland is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De sturingsfilosofie van de omgevingsvisie betreft:  ruimte bieden aan ontwikkelingen;  aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit;  allianties aangaan met maatschappelijke partners;  minder toetsen op regels en meer sturen op doelen. Doorwerking plangebied Met dit plan worden woningen mogelijk gemaakt binnen het bestaand stedelijk gebied. Er is geen sprake van uitbreiding van een kern. Het plan is lokaal van aard en is niet in strijd met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. Op de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie is aan de hand van kaartlagen gebied specifiek beleid weergegeven.

De kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. Voor alle vier de lagen zijn kenmerken benoemd en uitgewerkt in richtpunten. Voor het plangebied is vanwege het stedelijke karakter alleen de laag van de stedelijke occupatie relevant. Het plangebied ligt in 'steden en dorpen'. Ontwikkelingen in 'steden en dorpen' moeten bijdragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. De beoogde ontwikkeling past binnen de bepalingen van de kwaliteitskaart en de Omgevingsvisie. Bovendien krijgt de afwijkingslocatie een kwaliteitsimpuls. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat concrete regels die bij de ruimtelijke ontwikkelingen in acht moeten worden genomen. In de Omgevingsverordening zijn de provinciale belangen uit de omgevingsvisie verder uitgewerkt in regels. Per 1 april 2019 is de verordening in werking getreden. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stadsen dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Zie verder ook het Rijksbeleid onder het kopje ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’.

Ruimtelijke kwaliteit In de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is een van de speerpunten het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit.

Hoofdstuk 3

27

In artikel 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn voorwaarden opgenomen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Binnen dit kwaliteitsbeleid onderscheidt de provincie in de Omgevingsverordening twee beschermingscategorieën. Hier zijn onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk.

Figuur 3.1: Ligging van de bedrijfsbestemmingen en windmolens binnen Nieuw Reijerwaard t.o.v. plangebied

Doorwerking plangebied In de woondeal Zuidelijke Randstad (mei 2019) is tussen de gemeente en het rijk overeengekomen dat er tot 2040 voldoende bouwcapaciteit moet worden gecreëerd voor de bouwproductie van 230.000 woningen. Een en ander is gebaseerd op een onderzoek naar de marktvraag in de regio Groot-Rotterdam. De ontwikkeling van de Stationstuinen met een capaciteit van in totaal circa 3.500 woningen maakt onderdeel uit van deze woondeal. Deze bestemmingsplanherziening zal betrekking hebben op maximaal 815 woningen Gelet op de grote regionale woningbouwbehoefte en de (regionale) afspraken in de woondeal is in voldoende mate de behoefte voor de woningen aangetoond. Hiervoor kan ook verwezen worden naar paragraaf 3.1.2 ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. De woningen zullen in bestaand stedelijk gebied worden gebouwd, zodat ook sprake is van een duurzame ontwikkeling. Bedrijventerrein Nieuw-Reijerwaard (compensatielocatie bedrijven) Binnen de provincie Zuid-Holland geldt een kwantitatieve en kwalitatieve compensatieverplichting voor bedrijventerreinen die aan een transformatieopgave worden onderworpen. Bedrijven die in de bestaande situatie in het plangebied aanwezig zijn en worden onttrokken als gevolg van de ontwikkeling, moeten een plek krijgen elders in de relevante marktregio.

Hoofdstuk 3

28

Met de ontwikkeling van De Stationstuinen (als geheel) wordt 14 hectare bedrijventerrein aan de bestaande voorraad onttrokken. Met bestemmingsplan Nieuw-Reijerwaard (vastgesteld op 12 november 2014) is planologische ruimte geboden voor deze bedrijven uit de agrofood sector. Bovendien blijft er voldoende aanbod over voor de vraag vanuit de agrologistiek in de regio. Het bestemmingsplan Nieuw-Reijerwaard is reeds vastgesteld en een verdere vulling van dit bedrijventerrein met nieuwe bedrijven maakt onderdeel uit van de referentiesituatie in dit MER. De locatie van Nieuw-Reijerwaard is te zien in figuur 3.1. Binnen Nieuw Reijerwaard worden drie windturbines mogelijk gemaakt. Deze zijn in figuur 3.1 weergegeven. De dichtstbijzijnde windturbine komt op 0,95 km van de meest noordelijke hoek van het plangebied. In de bijlagen bij deze toelichting is het compensatieplan opgenomen voor de Stationstuinen (als geheel). Hieronder worden de conclusies beschreven: Compensatie deelgebied 1, bedrijventerrein Barendrecht Oost en Spoorzone  In deelgebied 1 wordt circa 16 hectare bedrijventerrein (passend binnen de scope van de compensatieregeling) onttrokken aan de voorraad. Van deze 16 hectare is ruim 13.6 hectare bestemd voor AGF-bedrijven middels een functieaanduiding en circa 2.3 hectare voor algemene bedrijvigheid.

 Diverse onderzoeken tonen aan dat er na transformatie voldoende aanbod bedrijventerrein in het AGF-segment in de regio beschikbaar blijft. Als de regio hiermee instemt, hoeft er op grond van de Omgevingsverordening (artikel 6.12) van de provincie Zuid-Holland geen compensatie plaats te vinden.  Voor de 13.6 ha met functieaanduiding AGF biedt Nieuw-Reijerwaard een alternatief zowel in m2 als milieucategorie 4 en blijft er nog (ruim) voldoende aanbod over voor de vraag vanuit agrologistiek in de regio.  De afstemming heeft al plaatsgevonden met de provincie Zuid-Holland, de gemeente Ridderkerk en de gemeente Rotterdam in Dutch Fresh Port.  De 2.3 hectare die geen functieaanduiding AGF heeft, wordt voor 1,2 hectare feitelijk wel door een agrologistiek bedrijf gebruikt. Om nu onduidelijke redenen heeft deze kavel echter in het bestemmingsplan in 2013 geen AGF-functieaanduiding heeft gekregen. Het restant van 1,1 hectare wordt gecompenseerd conform het traditionele compensatieprincipe, door toevoeging van functie bedrijventerreinen elders.  In de huidige plannen van de Stationstuinen (als geheel) komt nog zo’n 3 hectare werken “terug” in de vorm van woon-werkcombinaties. Het gaat dan o.a. om hoogwaardige AGF-bedrijvigheid en onderwijs, die overlapt met wonen binnen panden. Veelal gaat het hierbij overigens om functies in ten hoogste milieucategorie 2.

 Tenslotte verkent Barendrecht nog andere mogelijkheden van compensatie door het beter benutten van bestaande terreinen en het toevoegen van nieuwe planologische ruimte voor bedrijvigheid. Uit onderzoek van Stec liggen voor de nieuwe planologische ruimte mogelijkheden in drie locaties: • De Lorenzweg (Barendrecht-Oost), • Het ‘oude’ Oud-Reijerwaard ten noorden van de A15, • Nabij gasverdeelstation (tussen de Londen, De Gent en Kilweg. Voor het beter benutten principe wordt door de Stec-groep kansen gezien op Dierenstein en Barendrecht-Oost. Met de Stec-groep gaan we in het vervolg deze kansen verder in kaart brengen.

Hoofdstuk 3

29

Compensatie deelgebied 2, Kantorenlocatie Barendrecht NS-station.  In deelgebied 2 wordt circa 3 hectare bedrijfsbestemming in milieucategorie 3.1 of hoger onttrokken aan de voorraad.  Dit deelgebied kent de aanduiding “Kantorenlocatie”.  Op grond van de regionale Kantoren visies en het provinciale kantorenbeleid is het doel van de locatie herbestemmen. Dat is ook in lijn met de voorgestane gebiedsontwikkeling.  Voor dit deelgebied is op basis hiervan geen compensatie nodig. Advies MRDH op compensatieplan De Stationstuinen (als geheel) Er is door de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag een advies uitgebracht ten aanzien van het compensatieplan. Deze is als bijlage bij deze toelichting gevoegd en luidt als volgt: Samenvattend zien wij uw ambities voor De Stationstuinen (als geheel) als een logische locatie voor verstedelijking op een OV-ontsloten gebied, gecombineerd met de modernisering van Dutch Fresh Port. Uw visie op compensatie past grotendeels binnen het provinciale Omgevingsbeleid door de verplaatsing naar Nieuw-Reijerwaard, maar leidt wel tot een aanzienlijke onttrekking van ruimte voor bedrijven, ook in lagere milieucategorieën. Een deel van uw voorstel past niet in huidig provinciaal beleid. Daarvoor zijn nadere bestuurlijke afspraken met de provincie Zuid-Holland noodzakelijk.

De uiteindelijke vorm en omvang van bedrijfsruimte in het nieuwe werkmilieu is daarbij ook een aandachtspunt. Laatste stand van zaken De provincie heeft een zienswijze ingebracht over het ontwerpbestemmingsplan. Deze ging onder ander over de compensatie van bedrijventerreinen. Naar aanleiding van deze zienswijze, maar ook van het advies van de MRDH is uitgebreid overleg geweest met de stakeholders. De laatste stand van zaken is als volgt. In haar zienswijze wijst de provincie op het moeten compenseren van 2,3 ha bedrijventerrein met een hoge milieucategorie. Inmiddels kan volstaan worden met de compensatie van 1.1 ha. Dit is in ambtelijk overleg (6 oktober 2023) bevestigd. De reden hiervoor is dat de “Strategie Bedrijventerreinen” van de MRDH is aanvaard door GS. De 1.2 ha die bestemd was voor hoge milieucategorie, maar feitelijk gebruikt werd voor logistieke activiteiten (met een lage milieucategorie) hoeft niet meer gecompenseerd te worden. Daarmee resteert 1.1 ha die gecompenseerd moet worden. Op basis van het hierboven samengevatte compensatieplan zijn op lange termijn er diverse mogelijkheden in Barendrecht. Op korte termijn is het aanbod beperkter. De gemeente ziet 2 opties om op korte termijn te compenseren: a. Ten westen (ca 0.7 ha) en ten oosten (minstens 1 ha) van de Beren is ruimte voor een bedrijventerrein met een hoge milieucategorie.

Voor de locatie ten westen wordt momenteel een bestemmingsplanwijziging voorbereid. b. Op Vaanpark eindigt het gasverdeelstation haar activiteiten in 2028. Er komt hier in totaal 3.5 ha beschikbaar. Naar verwachting komt er in 2024 al 0.5 ha beschikbaar. Vooruitlopend daarop is B&W bevoegd om de bestemming van deze locatie te wijzigen (via een wijzigingsbevoegdheid in het vigerende bestemmingsplan). Echter er zijn naar verwachting ook andere ruimtelijke wensen voor dit gebied. Met een B&W besluit om hier minimaal 1.1 ha te reserveren voor bedrijfsactiviteiten met een hoge milieucategorie voldoet Barendrecht aan de verplichting van de provincie. Gezien de ligging zal deze locatie weinig tot geen bezwaren oproepen vanuit de nabije omgeving.

Hoofdstuk 3

30

Daarom is aan het college voorgesteld om op 7 november 2023 het volgende te besluiten: a. Het bestemmingplan ten westen van De Beren (Dierensteinweg, 0.7 ha) aan te passen naar een milieucategorie van 4.1. b. In de gebiedsvisie voor de Dierensteinweg ook het deel ten oosten van de Beren te reserveren voor minimaal 0.4 ha voor milieucategorie 4.1. c. minimaal 1.1 ha van de locatie “gasverdeelstation op Vaanpark” te reserveren voor milieucategorie 4.1.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Gebiedsvisie De Stationstuinen Het Koersdocument ten aanzien van De Stationstuinen is de aanleiding van dit plan. In de daaropvolgende gebiedsvisie zijn de ambities en wensen van De Stationstuinen beschreven, waarbinnen dit plangebied is gelegen. In de gebiedsvisie wordt bij de ontwikkelstrategie het stationsgebied als stap 1 beschreven. Hier staat het volgende: “Een gezonde leefomgeving, duurzame mobiliteit en de goede relatie met Dutch Fresh Port zijn belangrijke speerpunten bij de ontwikkeling van De Stationstuinen. Deze komen samen bij de hoofdentree van het treinstation. Hier zijn de hindercontouren beperkt, zijn kavels bebouwbaar en kan als eerste ‘smoel gemaakt’. Een logische eerste stap in de ontwikkeling.” Ten aanzien van het programma wordt het volgende beschreven: “Het gebied van stap 1, dicht bij de noordelijke stationstoegang is dé nieuwe entree van Barendrecht. Dit wordt de nieuwe bruisende plek met volop voorzieningen en stevige dichtheid van wonen. Op deze plekken is hogere bebouwing ruimtelijk logisch in combinatie met voorzieningen in een (meerlaagse) plint.” De fasering en het verplaatsen van bedrijven is afhankelijk van de bereidheid van bedrijven om mee te werken en van ontwikkelende partijen om risicodragend te investeren in dit gebied.

Zo zal elke partij zijn eigen businesscase opstellen en beoordelen of er voldoende reden is om de ontwikkeling mogelijk te maken. Hierbij is er een aantal kwaliteitsprincipes leidend. Deze zijn hieronder beschreven. Daarnaast is per kwaliteitsprincipe beschreven wat de relatie is met het plangebied. 1) Doel is dat er sprake is van een gemengd gebied waarbij wonen een belangrijke functie is. Graag zien we hoe deze ambitie zich vertaald naar elke fase; Met dit plan wordt aangesloten bij deze ambitie. Er wordt invulling gegeven aan woningen maar ook ‘voorzieningen en werken’. 2) Uitzondering op dit eerste punt is de locatie bij de oostelijke entree van de Gebroken Meeldijk. Gezien de afstand tot de stationslocatie en toekomstige voorzieningen en de nabijheid van bedrijven, zijn hier ontwikkelingen zonder wonen voorstelbaar; n.v.t.

Hoofdstuk 3

31

3) De regionale en lokale afspraken bepalen dat bij elke ontwikkeling 30% sociale woningbouw en 20% betaalbare woningbouw gerealiseerd moet worden. Initiatiefnemers kunnen hier alleen van afwijken als ze elders binnen het visiegebied compenseren; Er wordt aangesloten bij de lokale afspraken. Het initiatief, waarbij 815 woningen (inclusief afwijkingslocatie) worden gerealiseerd in de 1ste fase met een mix van woningen in de vrije sector, en het midden en sociaal segment voor een brede, diverse, doelgroep voorziet in een kwalitatieve behoefte. In totaal wordt minimaal 30% aan sociale huur gerealiseerd en 30% aan overige betaalbare woningen. 4) Er moet een gezond en prettig leefmilieu ontstaan. Dit betekent dat: Er geen hinder is van bestaande bedrijven. Ook geen hinder moet ontstaan vanuit wonen voor bestaande (en te behouden) bedrijven. Hiertoe dienen voldoende maatregelen genomen te worden; a. Er is geen hinder van werkverkeer. Hiertoe dient het mogelijk te zijn werkverkeer (vrachtwagens) om te leiden zonder zittende bedrijven te hinderen; b. De uitgangspunten met betrekking tot het groene verblijfskarakter voor de openbare ruimte zijn onderdeel van de ontwikkeling; c. Het gebied sluit aan op de duurzaamheidsambities van De Stationstuinen op het gebied van klimaatbestendigheid, biodiversiteit en energie, warmte/koude. In de hoofdstukken 4 en 5 wordt hier verder op ingegaan.

Er is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. 5) De Stationstuinen is autoluw. Daarom zetten we sterk in op deelmobiliteit en parkeren uit het zicht van het straatbeeld. De parkeergarages (als onderdeel van een gesloten bouwblok) zorgen hier onder andere voor. Daarnaast wordt binnen de Stationstuinen ingezet op een goede bereikbaarheid voor wat betreft het openbaar vervoer. De ligging nabij het station en de nabijheid van bushaltes zal hierbij helpen. Ook komen er twee mobility-hubs. Er wordt daarnaast voorzien in voldoende langzaamverkeersroutes door De Stationstuinen. 6) Om een samenhangend gebied te laten groeien moet elke fase goed aansluiten op zowel andere fasen als de directe omgeving. Daarbij is het belangrijk dat een fase zelfstandig functioneert, al dan niet samen met voorgaande fasen. De beoogde nieuwbouw kan zelfstandig functioneren en belemmert niet de verdere ontwikkeling van De Stationstuinen. De bestaande bedrijven kunnen ook hun activiteiten blijven ontplooien. Qua omvang en uitstraling zal het plan aansluiten bij verder te ontwikkelen locaties in De Stationstuinen. 3.3.2 Ambitiedocument klimaatadaptatie De nieuwbouwontwikkeling De Stationstuinen in Barendrecht omvat de bouw van 3500 woningen. De start van de ontwikkeling is gepland op 1 mei 2024.

Voordat de ontwikkeling van start kan gaan moet gekeken worden naar de ambities die er voor de gemeente Barendrecht en Emborion zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. Er is een notitie opgesteld waarin wordt aangegeven aan welke eisen

Hoofdstuk 3

32

de ontwikkeling moet voldoen en wat het ambitieniveau hiervan is voor de ontwikkeling De Stationstuinen als geheel. Dit document is opgenomen in de bijlagen. Geadviseerd wordt bij de verdere uitwerking van de plannen het ambitiedocument steeds te raadplegen, Er dient actief getoetst te worden door het kwaliteitsteam en de integrale beheerders van de gemeente Barendrecht of de ambities voldoende verwerkt zijn in het plan en gehaald worden. Hiermee wordt een klimaat robuuste omgeving gecreëerd waarin goed is nagedacht over alle aspecten van klimaatverandering. Met het plan wordt aangesloten bij de ambities die zijn opgenomen ten aanzien van o.a. water, droogte en hittestress. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan De Stationstuinen 1ste fase is ook getoetst aan het ambitiedocument. Hieronder worden de eisen uit het ambitiedocument beschreven: Wateroverlast  Een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op privaat terrein wordt op dit terrein opgevangen en vertraagd afgevoerd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg.  Realiseren van minimaal 50mm waterberging op private percelen, waarin het dakoppervlak incl. 50% verhardoppervlak van tuinen is meegenomen.  In het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/100 jaar 2050, 90 mm/u).

Relatie Stationstuinen en bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase In De Stationstuinen wordt een bui van 70mm in één uur (T=100 huidig) aan neerslag opgevangen en vertraagd afgevoerd. Ten tijde van droogte wordt het water langer vastgehouden in de bergingsvoorzieningen. Bij de plannen voor de private percelen dient aangetoond te worden dat er over het gehele perceel 50mm water wordt geborgen en vastgehouden. De gebouwen en kwetsbare voorzieningen hebben hogere dorpelhoogte t.o.v. het maaiveld. Water wordt zoveel mogelijk geleid naar locaties waar het vastgehouden kan worden zonder schade te geven aan privaat of openbaar gebied. Het uitgangspunt is dat de ontwikkeling van De Stationstuinen -per saldo- niet leidt tot een toename van verharding ten opzichte van de huidige situatie. Op basis van de eerste ontwerpen is de inschatting dat het percentage verhard oppervlak afneemt en de omvang van oppervlaktewater toeneemt. De gemeente heeft in de gebiedsvisie echter wel de ambitie opgenomen om lokale waterberging te bevorderen. Er moet ruimte zijn om hemelwater te bufferen en vertraagd af te voeren, zowel in de openbare ruimte als op particulier terrein. In de aanvulling MER, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd is nader ingegaan op een aantal aspecten van het watersysteem.

Er zullen voorzieningen worden getroffen, zodat de grondwaterstand wordt aangevuld in perioden van droogte en afgevangen in natte periodes. Droogte  De inrichting van het plangebied is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte.  In het plangebied wordt 50% (circa 450mm in 'normale' jaren) van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd.

Hoofdstuk 3

33

Relatie Stationstuinen en bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase Met het opstellen van de waterhuishoudkundige notitie is gekeken naar de huidige en de te verwachten grondwaterstanden en wordt hierop geanticipeerd in het ontwerp. Dit houdt in dat waterbergingen langere tijd “vol” mogen zijn om in droge periodes dit water af te geven. Er worden meerdere bergingsvoorzieningen gecreëerd in De Stationstuinen die water langere tijd kunnen vasthouden. Door deze bergingsvoorzieningen wordt minimaal 50% van het hemelwater geïnfiltreerd. In het ontwikkelkader voor De Stationstuinen is beschreven in welke gebieden van De Stationstuinen waterberging wordt gerealiseerd. Hierbij zal dus een relatie liggen tussen het bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase en de andere fases. Gezamenlijk wordt gezorgd voor voldoende waterberging. Hittestress  Tenminste 30% schaduw in het plangebied op de hoogste zonnestand voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst.  Opwarming van stedelijk gebied verminderen: 40% van alle oppervlakken wordt warmte werend of verkoelend ingericht.  Koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs-)ruimte in de directe omgeving. Relatie Stationstuinen en bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase Met het ontwerp van de openbare ruimte wordt gekeken naar kleuren en materialen die een warmte werende of verkoelende werking hebben.

De randvoorwaarde is hierbij om 40% van alle oppervlaktes warmte werend of verkoelend in te richten. Er wordt gekeken naar het effect van koeling van de gebouwen op de directe omgeving. Er wordt voorkomen dat restwarmte in smalle openbare ruimtes wordt uitgestoten. Bij voorkeur wordt restwarmte vanaf de daken afgegeven. Biodiversiteit  Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten. Relatie Stationstuinen en bestemmingsplan Stationstuinen 1e fase In het plangebied wordt een zo natuurlijk mogelijke ruimte gecreëerd met de ruimte die er is. Er worden natuurvriendelijke oevers aangeplant binnen De Stationstuinen en er worden lokale soorten voor het groen gekozen, zodat de biodiversiteit zoveel mogelijk versterkt wordt. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan het zo veel mogelijk realiseren van hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten. 3.3.3 Beleidsregel ‘Duurzaamheid De Stationstuinen’ Er is een beleidsregel ‘Duurzaamheid De Stationstuinen’ vastgesteld. Voor de gebiedsontwikkeling De Stationstuinen worden eisen gesteld aan verschillende duurzaamheidsaspecten. Deze zijn in het ontwikkelkader vastgesteld en verder uitgewerkt in het Ambitiedocument De Stationstuinen.

In de samenwerkingsovereenkomst voor de ontwikkeling van De Stationstuinen is als gezamenlijk doel bepaald: “het creëren van een duurzame en gezonde leefomgeving, waardoor een bijdrage kan worden geleverd aan de klimaatdoelstellingen, en goede milieukwaliteit, een groene omgeving en gezondheid.”. Door de afspraken publiekrechtelijk te borgen, is zeker gesteld dat ze onderdeel van het beoordelingskader zijn. Om voldoende flexibiliteit in het plan te houden zijn deze kaders niet in detail vastgelegd in de verbeelding en planregels van dit bestemmingsplan. De regels en de verbeelding van het bestemmingsplan

Hoofdstuk 3

34

beperkt zich tot de zaken die essentieel zijn voor het borgen van de kwaliteit van de leefomgeving en het leefklimaat. Deze beleidsregel is bedoeld als een nadere uitwerking daarvan op het onderdeel duurzaamheid. In de beleidsregel zijn normen gesteld aan verschillende aspecten van duurzaamheid, voor zover deze betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. De regels variëren van het beoogde energiesysteem tot klimaatadaptatie. De bepalingen vormen een uitwerking van de open normen in het bestemmingsplan. Deze beleidsregel Duurzaamheid geeft een nadere invulling van de regels van de bestemmingsplannen voor De Stationstuinen voor zover het de volgende bepaling betreft:  de bouwwerken moeten bijdragen aan de beoogde duurzaamheidseisen, zoals bepaald in de beleidsregel ‘Duurzaamheid De Stationstuinen; Barendrecht’”, zoals deze luidt op het moment van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag. De beleidsregel waarna in dit plan wordt verwezen, kan na vaststelling van het bestemmingsplan door het college van burgemeester en wethouders worden gewijzigd.

3.3.4 Woonvisie 2023 - 2027 Goed wonen in Barendrecht De gemeentelijke visie op het wonen wortelt in de grondgedachte dat een fijn huis in een veilige, groene wijk in belangrijke mate bijdraagt aan het geluk van mensen, Het algemene doel is voor de huidige en toekomstige inwoners veilige en groene buurten gecreëerd worden, waarin het fijn wonen is. Eén van de nieuwe buurten wordt de Stationstuinen. Hierover staat het volgende in de woonvisie: “In De Stationstuinen bouwen we aan het groene dorp van morgen. De Stationstuinen wordt ontwikkeld aan de oostzijde van NS-station Barendrecht. Een bruisende plek waar wonen, werken, leren en recreëren samenkomen. Deze wijk biedt straks ruimte aan circa 3.500 nieuwe woningen met voorzieningen, bedrijven, onderwijs, horeca en recreatie op hoog niveau. De Stationstuinen levert een aanzienlijke bijdrage aan de toekomst van Barendrecht, maar ook aan de regio”. Over de regionale behoefte versus de lokale behoefte in de periode 2021-2031 heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden met de regio. Het is duidelijk dat het lokale belang en de lokale behoefte schuren met de regionale belangen. In het licht daarvan heeft Barendrecht een realistisch bod aan de regio uitgebracht. Het aanbod behelsde in de periode 2021-2031 circa 3.600 woningen te bouwen. Dat is een fors hoger aantal dan Barendrecht zelf nodig heeft.

De Stationstuinen zorgen in deze periode voor het grootste aanbod: daar liggen plannen voor circa 3.500 woningen (waarvan er tot 2031 circa 3.000 worden opgeleverd) – waarvan circa 30% in het sociale segment, 30% middelduur en 40% duur. De Provincie heeft het bod van Barendrecht goedgekeurd. De gemeente kiest dus voor circa 3.600 woningen in 2021-2031, waarvan 30% sociaal. Met de 30% sociale huur wordt ook voldoen aan de doelstelling van het Rijk, waarbij gemeenten die nu nog niet over 30% sociale huurwoningen in de voorraad beschikken minimaal 30% sociale huur in de nieuwbouw moeten realiseren. De gemeente zal een en ander monitoren in de komende jaren en bijstellen indien daar aanleiding voor is. Met de 30% middelduur ziet de gemeente kansen om in de woningbehoefte voor middeninkomens te voorzien. Waarbij naast huur ook kansen en markt gezien wordt voor goedkopere en middeldure koop.

Hoofdstuk 3

35

Verder kiest de gemeente dus voor betaalbaar woningbouwprogramma: circa 30% in het sociale segment, 30% middelduur en 40% duur. Tenslotte kiest de gemeente voor meer variatie en innovatieve woonvormen. Het is duidelijk dat dit bestemmingsplan een eerste belangrijke stap is om te komen tot het bereiken van de doelstellingen uit de woonvisie: het bouwen van een nieuw groen dorp van morgen en een bruisende plek waar wonen, werken, leren en recreëren samenkomen.

Hoofdstuk 3

36

4.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE 4.1 Inleiding en procedure Inleiding De gemeente Barendrecht wil het gebied ten oosten van station Barendrecht herontwikkelen tot gemengd woon-werkgebied: De Stationstuinen. Het gebied moet ruimte bieden aan minimaal 3.500 woningen en een bijbehorend voorzieningenaanbod van circa 67.500 m2 bvo voor werken en voorzieningen. Bepalingen Wet milieubeheer In de Wet milieubeheer is opgenomen dat voor ontwikkelingen met mogelijk belangrijke nadelige (milieu)effecten het verplicht is een zogenaamde m.e.r. (procedure) te doorlopen en een MER op te stellen. De ontwikkeling van De Stationstuinen is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit is in bijlage D van het Besluit m.e.r. opgenomen (D11.2). Tabel 4.1 toont de bepalingen van D11.2 uit het Besluit m.e.r. Kolom 1 Activiteiten De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Kolom 2 Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Kolom 3 Plannen De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Kolom 4 Besluiten De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Figuur 4.1 Bepalingen uit D11.2 van het Besluit m.e.r.

De Stationstuinen als geheel is een ontwikkeling waarbij belangrijke (milieu)effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten. De gemeente heeft daarom besloten de m.e.r.-procedure te doorlopen en een MER op te stellen4. Dit MER, dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd, is gekoppeld aan het eerste ruimtelijke besluit voor De Stationstuinen, onderhavig bestemmingsplan De Stationstuinen 1ste fase. Het MER zelf richt zich op de totale ontwikkeling van De Stationstuinen. Op die manier worden de milieubelangen volwaardig meegenomen bij de besluitvorming van onderhavig bestemmingsplan en van de plannen, die nog volgen. In het MER wordt ervan uitgegaan, dat er na vaststelling van onderhavig bestemmingsplan een omgevingsplan komt conform de nieuwe Omgevingswet. Door het uitstellen van de inwerkingtreding van de Omgevingswet tot 1 januari 2024 is de doelstelling om een tweede bestemmingsplanprocedure te doorlopen voor De Stationstuinen 2e fase. Daarna kan een Omgevingsplan worden vastgesteld voor De Stationstuinen als geheel, waarin de twee bestemmingsplannen worden verwerkt. Ook is een optie

4

Het is gebruikelijk de afkortingen (de) m.e.r. en (het) MER te gebruiken. De afkorting m.e.r. met kleine letters en puntjes ertussen staat voor de volledige procedure, de milieueffectrapportage. MER met hoofdletters, zonder puntjes staat voor het milieueffect rapport, het rapport dat hierbij opgesteld wordt.

Hoofdstuk 4

37

voor onderdelen een zogenaamde Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA) –procedure te volgen. Deze kunnen dan ook in het Omgevingsplan worden verwerkt. Het omgevingsplan omvat dan De Stationstuinen als geheel en kan gezien worden als een plan, vanwege het kader stellende karakter. Onderhavig bestemmingsplan, waarin de ontwikkeling van de eerste fase mogelijk gemaakt wordt, is te zien als een besluit in het licht van de Wet milieubeheer. Het MER voor De Stationstuinen vervult daarom twee functies. Het vormt het planMER voor de totale ontwikkeling van De Stationstuinen. Hiervoor onderzoekt het MER de effecten op de leefomgeving en keuzes en afwegingen (alternatieven) die hieruit volgen. Daarnaast vervult het MER meer een toetsende functie voor onderhavig bestemmingsplan, hiervoor beoordeelt het MER de effecten op de leefomgeving. Procedure Start van de m.e.r.-procedure: notitie Reikwijdte en Detailniveau Voor de start van de m.e.r-procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. De NRD heeft zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode heeft eenieder schriftelijk kunnen reageren op deze notitie en aan kunnen geven over wat onderzocht moet worden in het MER en op welke manier. Ook zijn wettelijke adviseurs en betrokken instanties in de gelegenheid gesteld om advies te geven.

De NRD met de daarbij behorende nota van beantwoording zijn als bijlagen bij deze toelichting gevoegd.

Figuur 4.2 Stappen van de m.e.r.-procedure en het ruimtelijk besluit

Initiatiefnemer en bevoegd gezag Voor de ontwikkeling van De Stationstuinen is de gemeente Barendrecht de initiatiefnemer én het bevoegd gezag. Binnen de gemeente is de passende scheiding van deze functies geregeld doordat de bevoegdheid voor de ruimtelijke procedures ondergebracht is bij de afdeling Ruimtelijke Ordening. De toetsing van het MER is ondergebracht bij de afdeling Milieu, die hierin onafhankelijk advies inwint bij DCMR.

Hoofdstuk 4

38

Rapport behorend bij de m.e.r.-procedure: het MER De m.e.r. is geen op zichzelf staande procedure. De m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit. De ontwikkeling van De Stationstuinen wordt in deelbesluiten uitgewerkt. Het eerste ruimtelijke besluit betreft onderhavig bestemmingsplan. De m.e.r.-procedure is dan ook gekoppeld aan dit bestemmingsplan. Dat betekent dat het MER tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ontwerpbestemmingsplan ‘Dwarsligger Barendrecht’ In de zomer van 2022 heeft het ontwerp bestemmingsplan ‘Dwarsligger Barendrecht’ ter visie gelegen. Daarin wordt woningbouw mogelijk gemaakt op een perceel ten zuiden van het plangebied van dit bestemmingsplan. Voor dit perceel ligt bij de gemeente ook een verzoek van Prorail voor de vestiging van een verkeersleidingspost. In het MER, maar ook in de onderzoeken behorende bij dit bestemmingsplan, is voorlopig uitgegaan van een worst case situatie als het gaat om milieu: de komst van een verkeersleidingspost.

4.2 Het MER Er is door AnteaGroup een milieueffectrapport (MER) opgesteld. Het doel van de milieueffectrapportage (m.e.r.) is het onderzoeken, afwegen en beoordelen van de effecten van de ontwikkeling van De Stationstuinen (als geheel) op de fysieke leefomgeving. Dit moet leiden tot een voorkeursalternatief (het bestemmingsplan en later het omgevingsplan) waarin de effecten op de fysieke leefomgeving meegenomen zijn in de gemaakte keuzes. Dit landt uiteindelijk in het milieueffectrapport (MER), het rapport dat hiervoor opgesteld wordt. Het MER dient als planMER voor de gehele ontwikkeling van De Stationstuinen. Voor het bestemmingsplan (met een directe bouwtitel) dient het MER als projectMER. De ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan worden getoetst aan de regels en randvoorwaarden die volgen uit het MER. In het MER is onderscheid gemaakt tussen deel A, B en C. In deel A worden de effecten van het planvoornemen beschreven. Hierbij komen verschillende milieuthema’s aan bod, zoals gezondheid, geur, luchtkwaliteit, duurzaamheid en water. In deel B worden de keuzes en afwegingen beschreven. Deel C omvat het spelregelkader. Hierna wordt de conclusie van het MER weergegeven. Hierin zijn de effecten van het De Stationstuinen als geheel op de omgeving samengevat in onderstaande een tabel. Thema

Beoordeling

Score

Mobiliteit Wegenstructuur en verkeersveiligheid

De wegenstructuur wordt geschikt gemaakt voor de woonfunctie met ruimte 0/+

voor het toepassen van de ontwerpprincipes van duurzaam veilig, de hoofdwegen zijn of worden voorzien van vrijliggende fietspaden. Op de rotonde Ve-

+

ren Ambachtseweg / Spoorlaan ontstaan knelpunten voor verkeersveiligheid. Verkeersafwikkeling

De maatregelen voor duurzame mobiliteit verminderen de verkeerseffecten -

van de ontwikkeling. Knelpunten voor de verkeersafwikkeling zijn niet overal

0/-

uit te sluiten, hiervoor is vervolgonderzoek noodzakelijk. Duurzame mobiliteit

De ontwikkeling vindt plaats binnen het verzorgingsgebied van het station, de 0/+

ontwikkeling leidt tot een verschuiving van de modal split van auto naar fiets van ongeveer 11%.

Milieu en gezondheid

Hoofdstuk 4

39

+

Thema

Beoordeling

Milieuhinder

Score

De ontwikkeling van De Stationstuinen maakt woningbouw binnen milieucon0/-

touren van bedrijven mogelijk. Door middel van spelregels voor communicatie

0

met bedrijven en vervolgonderzoek is milieuhinder te voorkomen. Geluidbelasting op nieuwe woningen

Door stedenbouwkundige optimalisatie en waar nodig toepassen van maatre0/-

gelen is het naar verwachting mogelijk om de cumulatieve geluidbelasting bij groot percentage van de woningen een cumulatieve geluidbelasting onder de

+

55 dB te krijgen. Effecten op geluid- Het effect van het planvoornemen op de geluidbelasting (wegverkeerslawaai) bij bebelasting be-

staande woningen is minder dan 1 dB.

0

staande woningen Luchtkwaliteit bin-

De concentraties luchtverontreiniging liggen onder de WHO-advieswaarden van

nen het plange-

2015, maar meer dan 10% boven de advieswaarden van 2021.

0/+

bied Effecten op lucht-

De ontwikkeling van De Stationstuinen leidt tot een toename van concentraties lucht-

kwaliteit bij be-

verontreiniging van minder dan 1%.

0

staande woningen Plaatsgebonden ri- In de plansituatie zijn geen relevante bronnen voor het plaatsgebonden risico aanwesico

zig. De plaatsgebonden risicocontour heeft geen invloed op de gefaseerde ontwikke-

0

ling. Groepsrisico

Op basis van berekeningen voor de spoortunnel leidt de ontwikkeling niet tot toename van het groepsrisico.

Zelfredzaamheid

Het opstellen van een (beperkte) verantwoording geldt als spelregel voor de verdere uitwerking in ruimtelijke besluiten.

Trillingen

Vervolgonderzoek bij gevoelige objecten binnen 100 meter van het spoor wordt als spelregel meegenomen.

Geur

0 + 0

Binnen de geurcontouren zijn minder of licht geurgevoelige objecten mogelijk. Voor de meest geurgevoelige objecten wordt een aanvullend geurhinderonderzoek uitgevoerd bij het ruimtelijke plan. Met de herontwikkeling verdwijnt een belangrijke bron

0/+

van geurhinder in het gebied. Gezondheidsbescherming

De spelregel voor geluidmaatregelen verminderen de milieubelasting in het 0/-

gebied. De inrichting van de groenblauwe structuur leidt tot afname van hitte-

0/+

stress. Gezondheidsbevordering

Met de inrichting van het gebied stimuleert de gemeente een gezonde levens0/+

stijl. De nadere keuzes om langzaam verkeer te stimuleren en een groen-

+

blauwe openbare ruimte te creëren dragen hier positief aan bij. Duurzaamheid Energie

Door BENG-eisen voor energiebesparing en opwekken van duurzame energie vast te leggen

Wateroverlast

0

De waterbergende capaciteit van de nieuwe waterstructuur en de eisen voor -

waterberging op privaat terrein en voor de openbare ruimte beperken de ri-

0/+

sico’s op wateroverlast. Waterveiligheid

De overstromingsrisico’s in dit gebied zijn zeer klein. Beheersmaatregelen kunnen de gevolgen van deze risico’s beperken (spelregel)

Materiaalgebruik

De gemeente zet in op zoveel mogelijk hergebruik van bestaande materialen en inzet van duurzame materialen. Spelregels dragen bij aan het afdwingen van duurzaam materiaalgebruik.

Hoofdstuk 4

0

40

+

Thema

Beoordeling

Score

Afval en afvalwa-

Voor alsnog gaat het plan uit van benutting van bestaande systemen. Onderzoek

ter

naar rioolcapaciteit is noodzakelijk (spelregel).

0

Ruimtelijke kwaliteit Cultuurhistorie

Mogelijke archeologische waarden in de bodem zijn niet uitgesloten. Het uitvoeren van historisch onderzoek geldt als spelregel voor de ontwikkeling.

Archeologie

Er zijn geen beschermde cultuurhistorische waarden in het gebied. Het plan leidt hierdoor niet tot effecten op cultuurhistorie.

Windhinder

Voor de ontwikkeling geldt een onderzoeksplicht (spelregel) bij hoogbouw van meer dan 30 meter.

Bezonning

Geen effect.

Lichthinder

Bij de verdere uitwerking dienen mogelijke bronnen van lichthinder onderzocht te

0 0 0 0

worden (spelregel).

0

Water, bodem en ondergrond Bodemopbouw

De bodemopbouw is naar verwachting op enkele plaatsen beperkend voor de -

infiltratiecapaciteit. Dit dient meegenomen te worden in het grondwateronder-

0/-

zoek (spelregel). Bodemkwaliteit

In het plangebied zijn diverse verdachte locaties aanwezig. Bij de ruimtelijke besluiten dient nader onderzocht te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de woonfunctie. Eventuele sanering van verontreiniging leidt tot verbetering van de bodem-

+

kwaliteit. Dit wordt als spelregel opgenomen. Niet-gesprongen

Door voor aanvang van werkzaamheden in het gebied historisch vooronderzoek ver-

explosieven

plicht te stellen (spelregel) worden negatieve effecten voorkomen.

Oppervlaktewater en grondwater

0

Waterberging en compensatie

De herinrichting van het watersysteem leidt tot een robuuster watersysteem met meer oppervlaktewater.

0 +

Met de nieuwe water- en groenstructuur wordt ruimte gecreëerd voor water-

berging. Om te bepalen of de ontwikkeling voldoet aan de gewenste ontwateringsdiepte is nader onderzoek naar grondwaterstanden noodzakelijk (spelre-

0

gel). Waterkwaliteit

0

De herinrichting van de waterstructuur en het verdwijnen van de lange duiker leiden tot positieve effecten op de waterkwaliteit.

+

Natuur Natura 2000-gebie- De toename van stikstofdepositie is zowel voor de gebruiksfase als voor de realisaden

tiefase niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

Natuurnetwerk Ne-

Geen effect.

0

derland Weidevogel-gebie-

Geen effect.

0

den Beschermde hout-

0

Geen effect.

0

opstanden Effecten op aan-

Door vervolgonderzoek (natuurtoets) verplicht te stellen kunnen negatieve effecten

wezige (be-

op beschermde soorten voorkomen worden. Om kansen voor versterking van biodi-

+

schermde) soorten versiteit te benutten zijn keuzes te maken voor de verdere inrichting. Natuurvriendelijke inrichting van het gebied

Hoofdstuk 4

Doordat de watergang door het gebied geen hoofdwatergang wordt, zijn er 0

mogelijkheden voor natuurvriendelijke inrichting. Dit geldt als spelregel voor de ontwikkeling van De Stationstuinen.

41

+

Besluiten bij het MER Het MER heeft onderzocht wat de effecten van De Stationstuinen als geheel zijn, hoe het woon- en leefklimaat binnen De Stationstuinen als geheel zal zijn en hoe nadere keuzes en afwegingen hier (positief) aan bijdragen. Dit heeft geleid tot een spelregelkader voor de gebiedsontwikkeling: een set aan regels en (rand)voorwaarden voor de verdere uitwerking in ruimtelijke besluiten, vergunningen of andere procedures. Daarnaast heeft het MER de ontwikkeling getoetst aan de ambities voor De Stationstuinen, zoals opgenomen in de gebiedsvisie. De toets aan de ambities heeft geleid tot aanbevelingen voor de verdere uitwerking en monitoring van de ambities. Spelregelkader Voor het ruimtelijk besluit tot vaststelling van onderhavig bestemmingsplan vervult het MER een toetsende rol (projectMER). Het bestemmingsplan is getoetst aan het spelregelkader van het MER. Deze toets is terug te vinden in paragraaf 9.3 van het MER. Er wordt voldaan aan het spelregelkader (zie ook paragraaf 4.5).

4.3 Ingebrachte zienswijzen Het MER wordt gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan 6 weken ter visie gelegd. De zienswijzen die in deze periode zijn ingebracht zijn samengevat en van een gemeentelijke reactie worden voorzien in de ‘Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan en MER’. Deze is al bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. De zienswijzen op het MER hebben niet geleid tot aanpassingen van het MER.

4.4 Toetsingsadvies Commissie m.e.r. De Commissie voor de milieueffectrapportage is advies gevraagd over het MER. Het advies heeft de gemeente op 8 juni 2023 ontvangen. Dit advies is als een bijlage bij deze toelichting gevoegd. De Commissie signaleert bij de toetsing enkele punten waarvoor essentiële informatie voor de besluitvorming ontbreekt. Het ontbreken van essentiële informatie is te relateren aan de gefaseerde ontwikkeling van De Stationstuinen. De stappen na fase 1 zijn nog niet (volledig) uitgewerkt. De Commissie m.e.r. ziet in deze gefaseerde ontwikkeling een belangrijke rol voor de ambities die de gemeente Barendrecht vastgelegd heeft in de Gebiedsvisie. Concreet noemt de Commissie m.e.r. vijf punten: 1. Haalbaarheid ambities en alternatieven 2. Ruimte voor water en klimaatadaptatie 3. Duurzame mobiliteit en verkeerseffecten 4. Gezondheid 5. Effecten op natuur door stikstofdepositie

Hoofdstuk 4

42

De Commissie acht het van belang om de ambities verder uit te werken en te concretiseren. Dit is gebeurd in een aanvulling op het MER. Deze is als een bijlage bij deze toelichting gevoegd. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar deze aanvulling. Het toetsingsadvies en de aanvulling op het MER hebben niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wel zijn er enkele spelregels toegevoegd aan het spelregelkader in het MER..

4.5 Ambtshalve wijzigingen van het MER Hoofdstuk 6, 7 en 9 en bijlage II van het MER zijn naar aanleiding van ambtshalve opmerkingen aangepast. Het gaat hier om de spelregels, het Spelregelkader en de toetsing van het bestemmingsplan aan het spelregelkader. Het gaat om tekstuele wijzigingen. Dit bestemmingsplan is getoetst aan het aangepaste en aangevulde spelregelkader en voldoet daaraan.

Hoofdstuk 4

43

5.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

5.1 Verkeer en parkeren 5.1.1 Verkeer Er is een onderzoek gedaan naar mobiliteit door RHDHV. Dit onderzoek is verwerkt in de milieueffectrapportage en als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna worden de belangrijkste onderdelen beschreven. Effecten op wegenstructuur en verkeersveiligheid Met de ontwikkeling van De Stationstuinen verandert de functie van het gebied. Het bedrijventerrein wordt omgevormd tot gemengd woon-werkgebied. Dit vraagt een andere functie van het wegennet. Het centrale gebied van De Stationstuinen krijgt een verblijfsfunctie. Rond het station krijgt langzaam verkeer prioriteit en wordt doorgaand autoverkeer geweerd. De volgende verkeerskundige maatregelen zijn voorzien:  Binnen het plangebied geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur;  Aanleg van een nieuwe weg als verbinding tussen de Spoorlaan en de Gebroken Meeldijk;  Westzijde Spoorlaan, Zuideinde en westzijde van de Gebroken Meeldijk worden niet toegankelijk voor autoverkeer (met uitzondering van hulpdiensten en bestemmingsverkeer);  Parkeerdek van het station wordt ontsloten via de noordkant van Zuideinde en Donk en vanaf de Stationsweg. Waarbij er de mogelijkheid om via het parkeerdek naar het oosten of westen v.v. te rijden wordt geschrapt door het plaatsen van een slagboom.

 Fietsers en voetgangers hebben doorgaande, aantrekkelijke routes in het gebied, goed verbonden met routes in de omgeving.  Er komt een knip tussen de Spoorlaan en het Zuideinde voor het gemotoriseerd verkeer. Hoe de weginrichting en -profielen precies vormgegeven worden is op dit moment nog niet bekend. Het afsluiten van wegen en het verlagen van de toegestane snelheid dragen in ieder geval positief bij aan de verkeersveiligheid in het gebied. Ook wordt met de nieuwe wegenstructuur doorgaand vrachtverkeer uit het gebied geweerd. De kans op ongevallen neemt hierdoor af. Op wegen waar langzaam verkeer en autoverkeer samenkomen speelt de inrichting van de weg een belangrijke rol voor de veiligheid. Voor de inrichting van de wegen worden bij de verdere uitwerking wegprofielen opgesteld. De ontwerpprincipes van Duurzaam Veilig gelden hiervoor als uitgangspunt (spelregel). Op enkele kruispunten in de omgeving waar relatief veel langzaam verkeer kruist kunnen verkeersonveilige situatie ontstaan. Bij verkeersveiligheid speelt vrachtverkeer een belangrijke rol. Binnen De Stationstuinen is het aandeel zwaar verkeer beperkt, doordat de ontsluiting van de grote bedrijfslocaties niet via het plangebied loopt. Vrachtverkeer voor bevoorrading van onder andere winkels en horeca gaat wel door het gebied.

Door hiervoor laad- en lostijden in te stellen buiten de schooltijden kan kruising van langzaam verkeer en vrachtverkeer beperkt worden (spelregel). Effecten op de verkeersafwikkeling

Hoofdstuk 5

44

Al in 2021 is binnen het samenwerkingsverband Dutch Fresh Port (DFP) een onderzoek uitgevoerd naar de bereikbaarheid van DFP. Binnen DFP werken Ridderkerk, Rotterdam, Barendrecht, Provincie Zuid-Holland, Nieuw-Reijerwaard en de bedrijven samen aan het verbeteren van de bereikbaarheid van dit gebied. Bij de onderzoeken die in 2021 zijn uitgevoerd is al rekening gehouden met ontwikkeling van De Stationstuinen als geheel. Om de effecten van De Stationstuinen specifieker in beeld te brengen is aanvullend op het onderzoek voor DFP een onderzoek door bureau RHDHV uitgevoerd naar de impact van De Stationstuinen op het omliggend wegennet. Dit onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Uit het onderzoek van RHDHV blijkt dat twee kruispunten rondom De Stationstuinen in de toekomst moeten worden aangepakt om de toekomstige verkeersstromen te verwerken na de realisatie van de gehele Stationstuinen. Het gaat dan om de rotonde Verlengde Spoorlaan/Spoorlaan en het kruispunt Veilingweg/Dierensteinweg. Deze conclusie kwam ook al uit de onderzoeken die in het kader van DFP zijn uitgevoerd. Daarom zijn nadere onderzoeken aan deze kruispunten opgenomen in de mobiliteitsagenda van DFP (deze mobiliteitsagenda is ook bij deze toelichting gevoegd) en heeft de gemeente Barendrecht deze acties op zich genomen.

Bij de uitwerking worden de gemeente Ridderkerk en andere betrokken partijen binnen DFP betrokken. Uit het onderzoek van bureau RHDHV blijkt verder dat de IJsselmondse knoop de extra verkeersstromen van en naar De Stationstuinen kan verwerken. Enige voorwaarde daarbij is dat de toerit en het weefvak naar de A15 richting knooppunt Ridderkerk wordt verbreed naar 2 rijstroken. Deze aanpassing was al voorzien als onderdeel van de herinrichting van de IJsselmondse knoop. Barendrecht en Ridderkerk (samen met de gemeenschappelijke regeling Nieuw-Reijerwaard, Rotterdam en het Waterschap) werken daarom ook samen om deze verbreding gerealiseerd te krijgen. Hiervoor is deze verbreding door Barendrecht, Ridderkerk en het Waterschap aangemeld als meekoppelkans binnen de MIRT-verkenning Oeververbindingen (incl. verbreding A16). Daarbij is ook zicht gegeven op financiering van deze maatregel. In reactie daarop is verzocht om aanvullend onderzoek te doen naar het wegontwerp, de kostenraming en de verkeerseffecten op het hoofdwegennet. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd door bureau RHDHV in samenwerking met alle stakeholders. In oktober 2023 zijn nieuwe verkeersberekeningen opgeleverd door Caubergh Huygen (CH) in het onderzoek ’Nadere verdieping parkeren en verkeergeneratie’. Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

Het doel van deze nieuwe berekeningen is om de impact van De Stationstuinen op het omliggende wegennet meer gedetailleerd in beeld te brengen. In deze berekeningen voor planjaar 2040 is voor de totale ontwikkeling van De Stationstuinen berekend welke impact dat heeft op het omliggende weggennet. In de studie is gerekend met een planvariant met en zonder mobiliteitsmaatregelen. De mobiliteitsmaatregelen bevatten in deze een weergave van het parkeren op afstand van de woningen en aanbod van goed openbaar vervoer en deelmobiliteit. Uit de berekeningen zonder mobiliteitsmaatregelen blijkt dat de verkeersafwikkeling op de IJsselmondse knoop en kruispunt Donk-Dierensteinweg een aandachtspunt is. Uit de berekeningen met mobiliteitsmaatregelen komt alleen de IJsselmondse knoop als aandachtspunt naar voren. De uitkomsten van dit onderzoek laten namelijk een toename van de verkeersintensiteit op de toeritten en afritten van de aansluiting Barendrecht op de A15 zien. De toenames ten opzichte van de autonome situatie in 2040 liggen tussen de 3% en 7%. In deze berekening is het verbreden van de toerit zuid als uitgangspunt opgenomen. Uit de analyse van de I/C-waarden is zichtbaar dat de extra intensiteiten op de aansluiting geen nieuwe knelpunten qua verkeersafwikkeling opleveren.

Wel is de afrit van de A15 aan de noordzijde in de autonome situatie tijdens de ochtendspits al een mogelijk knelpunt. De extra intensiteiten als gevolg van de ontwikkeling van De Stationstuinen zorgen op dit punt voor een extra verkeersdruk. De I/C-waarde komt met

Hoofdstuk 5

45

toevoeging van het verkeer richting De Stationstuinen echter niet boven 90%. Daarmee levert dit geen nieuw knelpunt op. Kort samengevat blijkt uit de aanvullende berekeningen van Goudappel Coffeng, dat na uitvoering van de mobiliteitsmaatregelen voor De Stationstuinen als geheel het kruispunt Veilingweg/Dierensteinweg en de rotonde Verlengde Voorweg/Spoorlaan geen aandachtspunten meer zijn voor nader onderzoek. Wat betreft de IJsselmondse Knoop geldt dat de Stationstuinen als geheel zorgt voor een extra verkeersdruk. Maar de I/C-waarde komt met toevoeging van het verkeer richting De Stationstuinen echter niet boven 90%. Dus de Stationstuinen als geheel zorgt niet voor extra problemen op de IJsselmondse Knoop. De Stationstuinen als geheel levert geen nieuw knelpunt op. Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op slechts een deel van de Stationstuinen (fase 1). Als de totale ontwikkeling van de Stationstuinen qua verkeersafwikkeling niet tot knelpunten leidt in de omgeving van dit nieuwe woon- en werkgebied zal dit zeker ook niet het geval zijn bij ontwikkeling van de eerste fase alleen. Effecten op duurzame mobiliteit OV-voorzieningen Het plangebied bevindt zich in de directe nabijheid van het station en enkele bushaltes. De ontwikkeling van circa 3.500 woningen in het verzorgingsgebied van deze OV-voorzieningen vergroot het draagvlak voor OV.

Er liggen kansen om met de ontwikkeling in te zetten op duurzame mobiliteit door autogebruik te ontmoedigen en OV en fiets te stimuleren. De bereikbaarheid van het station en beleid ten aanzien van autogebruik (onder andere parkeerbeleid) spelen een belangrijke rol in het stimuleren van OV-gebruik. Hiervoor zijn nadere keuzes te maken. Langzaam verkeer Het gebied is in de huidige situatie niet direct gericht op langzaam verkeer. Met name veilige wandelroutes ontbreken. Met de ontwikkeling neemt het aandeel langzaam verkeer in het gebied toe. De inrichting van het wegennet en de aanleg van voorzieningen voor langzaam verkeer (zoals voorzieningen voor elektrische fietsen) draagt bij aan het stimuleren van fietsgebruik en betere veiligheid voor fietsers en voetgangers. Een goede bereikbaarheid van het station en goede verbindingen met het buitengebied zijn hierbij van belang. Voor het stimuleren van langzaam verkeer zijn keuzes en afwegingen te maken. Modal Split Door de ontwikkeling van bedrijventerrein naar gemengd woon-werkgebied wijzigt de modal split. Het autogebruik neemt met 10% af, het fietsgebruik neemt 13% toe. Ook kunnen er laadpalen komen voor het opladen van elektrische auto’s. 5.1.2 Parkeren De Stationstuinen moet een autoluw gebied worden. Uitgangspunt is het STOMP principe.

Dat betekent dat het verkeer binnen het gebied gestuurd wordt op prioriteit voor langzaam verkeer. Het STOMP-principe komt met een duidelijke hiërarchie tussen verschillende modaliteiten: 1. Stappen (voetgangers) 2. Trappen (fietsers) 3. Openbaar vervoer 4. Mobility as a Service (deelmobiliteit)

Hoofdstuk 5

46

5. Privé-auto Op basis van het STOMP principe is een beperkt autogebruik en –bezit uitgangspunt in De Stationstuinen. Om een hoge kwaliteit te bieden aan het Openbaar gebied moet deze ruimte worden benut met groen, water en ruimte voor wandelen en fietsen. Het Openbaar gebied moet dan zo beperkt mogelijk worden gevuld met straatparkeren. Om dit te bereiken is veel aandacht besteed aan het parkeerconcept voor De Stationstuinen. Het parkeerconcept is ook bedoeld om duurzame mobiliteit te stimuleren. Door het toepassen van strengere parkeernormen en het beschikbaar stellen van innovatieve mobiliteitsconcepten zoals deelauto’s kan de aanwezigheid van de auto verminderd worden. De parkeernormen die toegepast worden in De Stationstuinen moeten passen bij de mobiliteitsmaatregelen van de ontwikkeling. Dit wordt daarom meegenomen in de keuzes en afwegingen voor duurzame mobiliteit. Voor parkeren wordt in De Stationstuinen ingezet op collectieve parkeervoorzieningen, buiten het straatbeeld. Alleen gereserveerde plekken voor deelauto’s mogen op straat zichtbaar zijn. Dit kan gaan om parkeergarages voor algemeen gebruik of als onderdeel van een nieuw bouwblok. Ook kleinschalige parkeerhoven op maaiveld zijn mogelijk. Het uitgangspunt is dat deze parkeervoorzieningen voor bewoners binnen 100 meter beschikbaar zijn. Voor overige functies is 200 meter en 250 meter het uitgangspunt.

De parkeervoorzieningen worden deels bestemd voor niet openbaar gebruik en deels, om te voorkomen dat een onnodig grote capaciteit wordt gerealiseerd, voor openbaar gebruik. De niet openbare parkeerplaatsen zijn bestemd voor exclusief privaat gebruik door bepaalde bewoners waardoor bij de parkeerbehoefteberekening, geen rekening wordt gehouden met dubbelgebruik (aanwezigheid = permanent 100%). Overige bewoners, werkers en bezoekers van De Stationstuinen parkeren met de auto in openbare parkeervoorzieningen, waaronder zogenaamde Mobilityhubs.. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar het Ontwikkelkader. De daarin gekozen parkeernormen zijn geborgd in de regels in de vorm van een voorwaardelijke verplichting. Ook zijn de Mobilityhubs op de verbeelding weergegeven.

5.2 Geluid 5.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg.

Hoofdstuk 5

47

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

5.2.2 Onderzoek Er is door AnteaGroup een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar weg- en railverkeerslawaai en lawaai vanwege bedrijven. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Wegverkeerslawaai De geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde wegen Spoorlaan en Transportweg is ten hoogste 40 dB en blijft daarmee ver onder het toetsingskader van 48 dB. Ten gevolge van de niet-gezoneerde (30 km/uur) wegen is de geluidbelasting ten hoogste 55 dB. Voor 30 km/uur-wegen geldt geen formeel toetsingskader ingevolge de Wet geluidhinder. Daarmee is het vaststellen van hogere waarden niet van toepassing op 30 km/uur-wegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15533821/1