Ondertekend raadsbesluit Verordening staangeld woonwagencentrum 2025.pdf
Tekst van het document
Verordening Onderwerp
Gemeenteraad
Zaaknummer
Verordening staangeld woonwagencentrum 2025
17 december2024
2024-079925
Commissie Algemene Zaken en Financiën 25 november 2024
De raad van de gemeente Barendrecht; gelezen het voorstel van burgemeesteren wethouders 5 november2024; gezien het advies van de commissie Algemene Zaken en Financiën van 25 november 2024; gelet op artikel 156, eerste en tweede lid, onderdeel h, en artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a en b, van de Gemeentewet ; BESLUIT: vast te stellen de
VERORDENINGOP DE HEFFINGEN DE INVORDERINGVAN STAANGELD OP HET WOONWAGENCENTRUM 2025
Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder:
huurovereenkomst:de overeenkomsttussen de huurder en de verhuurdervan de standplaats met toebehoren, waarin de huurbepalingen voor de standplaats zijn geregeld;
standplaats: een standplaatsals bedoeld in artikel 1, onderdeelj, van de Wet op de huurtoeslag; woonwagen: een woonwagen als bedoeld in artikel 1, onderdeel1,van de Wet op de huurtoeslag Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam 'staangeld’ wordt een recht geheven voor het hebben van een standplaats voor een woonwagen, daaronder begrepen de diensten die met de standplaats verband houden.
Artikel 3. Belastingplicht Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt geheven van degene die de standplaats heeft. Als degene die de standplaats heeft wordt aangemerkt de hoofdbewoner van de woonwagen. Wie als hoofdbewoner wordt aangemerkt wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 4. Vrijstelling Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt niet geheven zolang voor de standplaats een huurovereenkomst geldt.
Pagina I van 3
Artikel 5. Belastingtarieven Het staanqeld bedraaa Per woonwaqen: 1.a Per iaar 1.b Per maand 2 Indien een b lin /doucheruimte ontbreekt: 2.a Per iaar 2.b Per maand
€ 670,60
m6
€ 348,10
mo
Artikel 6. Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar
Artikel 7. Wijze van heffing Het recht wordt geheven door middel van een kennisgevingof nota
Artikel 8. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. Het recht als bedoeld in artikel 2 is verschuldigdbij het begin van het belastingtijdvakof, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplichtin de loop van het belastingtijdvakaanvangt, dan wel de vrijstellinggenoemd in artikel 4 vervalt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat tijdvak verschuldigde recht als er in dat belastingtijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, dan wel de vrijstelling genoemd in artikel 4 van toepassing wordt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat belastingtijdvak verschuldigde recht als er in dat belastingtijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle katendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 9,--.
4. Belastingbedragenvan minder dan € 9,-- worden niet geheven. Artikel 9. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen c.q. nota’s worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er, met inbegrip van de maand van dagtekening van het aanslagbiljet, nog maanden in het belastingtijdvak overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van de aanslag, kennisgeving of nota en elk van de volgende termijnen telkens een maand later
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt ingeval van dagtekeningvan de aanslag,kennisgeving of nota na het einde van het belastingtijdvak dat de aanslag, kennisgeving of nota moet worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de eerste maand volgend op de maand die in de dagtekentng van de aanslag, kennisgeving of nota is vermeld 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen
Artikel 10. Kwijtschelding Bij de invordering van staangeld wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 11. Machtiging tot overdracht van bevoegdheden Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van de tarieven die zijn opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Pagina 2 van 3
Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening Staangeld Woonwagencentrum 2024', bij raadsbesluit van 19 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, blijft de in het eerste lid genoemde verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover de heffing van de rechten hiervoor in die periode plaatsvindt.
3. De datum van ingang van de hefFingis 1 januari 2025. 4.
Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening Staangeld Woonwagencentrum 2025'
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Barendrecht van 17 december 2024, de voorzitter
de griffier, /
f
#./„'„.'
Pagina 3 van 3