CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Ondertekend raadsbesluit Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2022.pdf

gemeenteraad 21 december 2021, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 202219.874 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAADSBESLUIT Onderwerp Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2022

Gemeenteraad

Zaaknummer

21 -1 2-2021

364796

Commissie Samenleving 07- 12-2021

De raad van de gemeente Barendrecht gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26-10-2021, gelet op Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Uitvoeringsbesluit Wmo 201 5; BESLUIT:

De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2022, onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2019, vast te stellen.

Verordening MaatschappelijkeOndersteuning gemeente Barendrecht 2022 HOOFDSTUK1.

4

Begripsbepalingen_

4

Artikel 1. Begripsbepalingen

HOOFDSTUK2.

5

Melding, onderzoeken aanvraag_

Artikel 2. Melding hulpvraag

5

Artikel 3. Cliëntondersteuning

5

Artikel 4. Persoonlijkplan Artikel 5. Informatie en identificatie

Artikel 6. Onderzoek

5

Artikel 7. Advisering

6

Artikel 8. Aanvraag

6

HOOFDSTUK3.

Maatwerkvoorziening.

Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorzieniw

7

Artikel 10. Aanvullende criteria kortdurend verblijf

7

Artikel 11. Aanvullendecriteria beschermdwonen

7

Artikel 12. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden

7

Artikel 13. Aanvullendecriteria woonvoorzieningen

8

Artikel 14. Aanvullendecriteria vervoersvoorzieningen

8

Artikel 15. Aanvullendecriteria rolstoelen

9

Artikel 16. Aanvullendecriteria sportvoorzieningen

9

Artikel 17. Weigeringsgronden

9

Artikel 18. Inhoud beschikking

m

Artikel 19. Regelsvoor pgb

11

Artikel 20. Onderscheidformele en informele hulp

11

Artikel 21. Hoogtepgb

12

Artikel 22. Nadere verplichtingen budgethouder

12

Hoofdstuk 4. Maatschappelijke opvang en OGGZ

M

Artikel 23. Maatschappelijke voorziening opvang

U

Artikel 24. OG(Z

M

Hoofdstuk 5. Bijdrage in de kosten

15

Artikel 25. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgets en

bij verordening aangewezenalgemenevoorzieningen

U

Artikel 26. Bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening Collectief vervoer

15

Hoofdstuk 6. Kwaliteit en veiligheid

16 2

Artikel 27. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning.

16

Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

16

Artikel 29. Meldingsregeling calamiteiten en geweld,

16

Hoofdstuk7. Toezichten handhavingW===ll•

18

Artikel 30. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget

18

Artikel 31. Verrekening_

18

Hoofdstuk 8. Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten. Artikel 32. Jaarlijksewaarderingmantelzorgers

19

U

Artikel 33. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 19

Hoofdstuk 9. Klachten, medezeggenschap en inspraak

20

Artikel 34. Klachtregeling

20

Artikel 35. Medezeggenschap bij aanbiedersvan maatschappelijkeondersteuning

20

Artikel 36. Betrekkenvan ingezetenenbij het beleid

20

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht en slotbepalingen

21

Artikel 37. Evaluatie

21

Artikel 38. Indexering

21

Artikel 39. Hardheidsclausule

21

Artikel 40. Overgangsrecht.

21

Artikel 41. Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel

21

Artikelsgewijze toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2022 BIJLAGE 1 Artikelen Verordening Rotterdam waarnaar wordt verwezen in artikel 11

22

HOOFDSTUKI.

BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening. een voorziening die: o niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; o daadwerkelijk beschikbaar is; o een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en; o financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. beleidsregels-. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2022; d. besluit Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2022; e. bIJdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; f . hoofdverblij. de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en o in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel o zal staan ingeschreven; dan wel o het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven g. hulpvraag 1 behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid. van de wet: h.

ingezetene-.cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Barendrecht; i gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet / leeteenheid: een groep van personen die tezamen een huishouden vormen, k. melding-. kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015: 1 pgb. persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; m. participatie-. het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet n. persoonlijk plan-.plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; o. Wet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. p. zelfredzaamheid: het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet: 2Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet.

HOOFDSTUK2. MELDING,ONDERZOEKEN AANVRAAG Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan schriftelijk door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een

afspraakvoor een gesprek. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als

bedoeldbij artikel6.

Artikel 3. Cliëntondersteuning 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van gratis cliëntondersteuning.

2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorgervoorafgaand aan het wettelijk onderzoekzoals dat ook genoemd wordt in artikel 6 op de mogelijkheidgebruikte maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Persoonlijk plan 1. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheidom een persoonlijkplan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet op te stellen en stelt hern gedurendezeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigenwaarin hij de omstandigheden,bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met 9, van de Wet beschrijft en aangeeftwelke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.

2. Als de cliënt een persoonlijkplan als bedoeld in lid 1 aan het college heeft overhandigd,betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze

verordening.

Artikel 5. Informatie en identificatie 1. Voor het gesprek of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overigegegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, is vaststelling van de identiteit aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.

Artikel 6. Onderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet,

van belang zijnde en toegankelijkegegevens over de cliënt en zijn situatie. 2.

Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag genoegzaam bekend is. Het

gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger,voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie 3. De volgende factoren, ook genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in lid 2: a. de behoeften, persoonskenmerkenen voorkeurenvan de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoekom ondersteuning; c.

de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te

voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te

komen tot verbeteringvan zijn zelfredzaamheidof zijn participatie, of te voorzienin zijn

behoefteaan beschermdwonen; e. de behoefteaan maatregelenter ondersteuningvan de mantelzorgervan de cliënt; f.

de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in

het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichtenvan maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn

participatie, of de mogelijkhedenom met gebruikmakingvan een algemenevoorzieningte voorzien in zijn behoefteaan beschermd wonen; g. de mogelijkhedenom door middel van samenwerkingmet zorgverzekeraarsen zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke

gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo

5

goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen ; h de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wet verschuldigd zal zijn, en j de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingeticht over de gevolgen van die keuze. 4. Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan in samenspraak met de cliënt worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in lid 3 van dit artikel. 5. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 6. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een weergave van het gesprek als bedoeld in lid 2

Artikel 7. Advisering 1

Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek,degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

a. Op te roepen in persoonte verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en

hem te bevragen. b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstanäe om advies vragen indien: a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft

gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd. b. Het een meldingof aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van

een voorzieningof de soort van voorzieningkunnen beïnvloeden. 3. Of in een andere situatie waarin het college dat wenselijk vindt.

Artikel 8. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.

2.

Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een

maatwerkvoorzieningschriftelijk indienen bij het college. 3. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier. 4. Het college neemt het onderzoeksrapport mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

HOOFDSTUK3.

MAATWERKVOORZIENING

Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot

compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheidof participatiedoor gebruik te makenvan:

a. b. c. d.

eigenkracht en/of gebruikelijkehulpen/of mantelzorgen/of hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of

e.

algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of

f. g.

algemenevoorzieningenen/of andere voorzieningen,bijvoorbeeldop grond van de Wlz of de Zvw.

2. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst

compenserendevoorziening. 3. De maatwerkvoorzieningwordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingenvan de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’smet zich meebrengten niet anti4.

revaliderendwerkt. De maatwerkvoorzieningwordt slechts verstrekt als en voor zover de cliënt in staat is om de zorgverlener een voldoende veilig werkklimaat te bieden.

Artikel 10. Aanvullende criteria kortdurend verblijf 1. Om in aanmerkingte komen voor Kortdurend Verblijf vanuit de Wmo moet naast de algemene voorwaardengenoemd in artikel 9, nog worden voldaan aan de hierondergenoemde

voorwaarden:

a. de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap, én;

b. de ontlastingvan de persoondie gebruikelijkezorg of mantelzorgaan de cliënt levert

noodzakelijkis.

Artikel 11. Aanvullende criteria beschermd wonen 1. Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels

omtrent het persoonsgebondenbudget in relatie tot beschermdwonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente. 2.

De indicatie en verstrekkingvan beschermd wonen vindt plaats door de centrumgemeente Rotterdam.Op beschermd wonen en opvang in de zin van artikel 1.1.1, lid 1 van de wet zijn de artikelen 1 .2 lid 3, 2.3 lid 2, 3.2.1 lid 1 onder f, 3.2.10, 3.4.1 lid 6 onder e. 3.4.4 lid 1 onder a, 3.4.4 lid 2 onder a en 4.1.5. van de Verordening maatschappelijkeondersteuningen jeugdhulp Rotterdam2018 van toepassing zoals die op 1 mei 2019 luiden.

Artikel 12. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden 1. De maatwerkvoorzieninghulp bij het huishoudenheeft als basis doelstelling het realiserenvan een schoon en leefbaar huis: a Een huis is schoon en leefbaarindien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en

b

voldoet aan basale hygiëne'eisen; Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en

c.

gezondheidsrisico’s van bewonerswordenvoorkomen; Leefbaarstaat voor: opgeruimden functioneel, bijvoorbeeldom vallen te voorkomen.

2. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen aantoonbaar onvoldoende

ondersteundworden met de inzet op de basis doelstellingschoon en leefbaarhuis, kunnen aanvullende doelstellingen gesteld worden. Dit betreft de volgende doelstellingen: a. Wasverzorging: het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding; b. Boodschappen- en/of maaltijdenverzorging: beschikken over goederen voor primaire

levensbehoeften ;

c.

Kindzorg: thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

d. Advies, instructie en voorlichting. 7

3. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de

keuken, sanitaire ruimtesen gang/trap. 4. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen

onderdeel uit van hulp bij het huishouden.

Artikel 13. Aanvullende criteria woonvoorzieningen 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare ernstige beperkingen in het gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij is aangetoonddat enkel het

zich kunnen afzonderenkan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan komen.

2

Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz'inrichting en regelmatig een bepaalde woning

bezoekt, kan het college een maatwerkvoorzieningverlenen voor het bezoekbaar makenvan die 3.

woning. Het cotlege verleent slechts een woningaanpassing van een woonwagen of woonschip als: a. de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minstens 5 jaar is; b. de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt; c. het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen. d. de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; e de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.

Artikel 14. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen 1. Vervoersvoorzieningenkunnen als verstrekkingworden ingezet om de volgende resultatente

bereiken:

a. Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoermiddel. b. Het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale relaties.

2. Bij vervoersvoorzieningengeldt het primaat van het collectiefvervoer. Op het collectief vervoer zijn

de volgendecriteriavan toepassing: a De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas, een pgb is hiervoor niet mogelijk. b De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheidom maximaal2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxivoor reguliervervoer of rolstoeltaxivervoer, C Als aan de cliënt naast de taxipas voor collectiefvervoer ook gebruikkan makenvan een hulpmiddel om korte tot middellange afstanden te overbruggen ten behoeve van de

verplaatsingenin de directe woon- en leefomgeving,wordt cliënt in staat gesteld om maximaal d

1000 km te reizen met de taxipas Indien de cïiënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder a en

b van dit artikellid, niet volstaat dan kan cliënt in staat worden gesteld om meer kilometers met de taxipas te reizen. e

f

De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is. Uitgangspunt is dat 5 openbaar vervoer zones voldoende zijn voor lokale verplaatsingen.

De 5 zones worden vanaf de instapzone berekend. g. Een cliënt maakt tenminste 1 maal in een aaneengeslotenperiode van 6 maanden

gebruikvan het collectiefvervoer. 3. Begeleiding bij een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als cliënt: a. agressief gedrag vertoont;

b. dwaalgedragvertoont; c. afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit. 4. Voor verstrekking van een scootmobiel gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a b

Het lopen of staan is zodanigbeperkt, dat cliënt zijn bestemmingsdoelniet kan bereiken met

een taxi of autorit. De cliënt moet in staat zijn zelfstandigop en van de scootmobielte stappen;

De cliënt heeft een substantiële vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern; d. De beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks; e. Er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt aanwezig zijn C

f.

of gecreëerdkunnenworden. Cliënt is in staat om -na instructie-op veilige wijze gebruik te makenvan een scootmobiel.

5. Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden: 8

a. b.

c.

cliënt is aangewezen op een rolstoel; cliënt is in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (1,5 km) binnen redelijke tijd te verplaatsen ;

cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 1500 meter, die niet anderszins kan worden opgelost; d. er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt.

Artikel 15. Aanvullende criteria rolstoelen 1. Cliënten komen in aanmerking voor een rolstoel als zij langdurig zijn aangewezen op zittend verplaatsen. 2. Om in aanmerking te komen voor een elektrische rolstoel moet cliënt voldoen aan alle volgende criteria: a. cliënt heeft medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan; b. cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen ; c. cliënt kan veilig deelnemen aan het verkeer; d. de woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan door middel van (voorliggende) (woon)voorzieningen geschikt gemaakt worden.

Artikel 16. Aanvullende criteria sportvoorzieningen 1. Cliënt komt in aanmerking voor een sportvoorziening aIs is voldaan aan de volgende criteria.

a. cliënt maakt ook in het dagelijks levengebruik van een loophulpmiddelof een

verplaatsingshulpmiddel ; b. cliënt is zonder sportvoorzieningniet in staat tot sportbeoefening; c.

beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk;

d. cliënt is lid van een sportvereniging.

Artikel 17. Weigeringsgronden 1, Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. wanneer voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot

ondersteuning,een voorziening op grond van een anderewettelijke bepalingbestaat; b. als de cliënt de gevraagde voorzieningvoor de meldingheeft gerealiseerdof geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatiewaardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;

c. als de cliënt de gevraagde voorziening na de meldingen vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; voor zover deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht, met

uitzonderingvan respijtzorg; d. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt na afloop van de duur waarvoor de voorziening is verstrekt;

tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden

die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen,of ; tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijktegemoet komt in de veroorzaaktekosten, of; als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van

de cliënt aan maatschappelijkeondersteuning. e. Als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase.

f.

als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurigezorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de ctiënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van

toepassingis; 2.

Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt:

9

a

als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden en een vervoerspas. Een uitzondering hierop is verder de kortdurende hulp aan de cliënt die leerbaar is. De voorziening is dan gericht op vermindering van de ondersteuningsbehoefte. b. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente. 3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; d. indien cliënt verhuisd is naar een woning waarvan op grond van de aanwezige beperkingen voorzienbaar was dat cliënt hierin beperkingen zou ondervinden; e. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. f.

de cliênt verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; g. indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van co-ouderschap; h. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting. i als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; 4. Geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting wordt verstrekt indien: a. een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. een persoon met beperking verhuist naar een Wlz-instelling. 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving.

Artikel 18. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven

of deze als voorzieningin natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe

2

bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorzieningin natura wordt in de beschikkingin ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorzieningis en wat de beoogde doelstellingdaarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

c. hoe de voorzieningwordtverstrekt; d. welke andere voorzieningenrelevant zijn of kunnen zijn; e. of een bijdrage in de kosten verschuldigdis en de daarbij door het college gehanteerde 3

uitgangspunten.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorzieningin de vorm van een pgb wordt in de beschikking

in ieder gevalvastgelegd: a. voor welk doel het pgb moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb, waaronder de verplichting dat de zorgverlener een voor de verleende ondersteuning relevante Verklaring omtrent het gedrag

(Vog) aanvraagt en desgevraagdkan tonen, die niet ouder is dan drie maanden; c.

wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is bepaald;

d. wat de ingangsdatumen de duur is van de verstrekkingwaarvoor het pgb is bedoeld; e. de wijze van verantwoordingvan de bestedingvan het pgb; f . of een bijdrage in de kosten verschuldigdis en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

10

Artikel 19. Regels voor pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorzieningen de ondersteuningzelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomenvoorwaarden. 2. De cliënt dient daarvoor een budgetplan in. In het budgetplanis in elk geval opgenomen: a) hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordigerde aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; b) wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;

c) welke maatwerkvoorzieningde cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; d) de kosten van de maatwerkvoorziening,uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; e) hoe ctiënt de voorziening volgens een puntsgewijze begroting dan wel een gespecificeerde

offertewenst te financieren:

f) inzicht in de problematiekvan de cliënt; g) de duur en wijze waarop de maatwerkvoorzieningwordt ingezet; h) het resultaat van het te behalen doel van de inzet van de maatwerkvoorziening; i)

welke evaluatiemomenten gedurende de duur van de inzet van de maatwerkvoorziening

plaatvinden; op welke wijze de kwaliteit van de voorzieningis gewaarborgd en duidelijk is dat de voorzieninggeschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. 3. Het pgb mag niet worden besteed aan: j)

a)

kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b) kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c) kosten voor ondersteuningbij het aanvragenen beheren van een pgb; d) kosten voor een feestdagenuitkeringen een eenmalige uitkering; e) f)

Kosten voor bijkomende zorg, waaronder cursuskosten en entreegelden van de zorgverlener; Kosten voor overlijdensuitkering;

g) Kostenvoor reizen. 4. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel

5. Het college kan de Sociale verzekeringsbankgemotiveerdverzoeken om betalingenuit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt

het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten. 6. Ctiënt is verplicht, als de ondersteuning wordt gebodendoor een niet professioneelpersoon uit de sociale omgeving, niet zijnde de directe leefeenheid, bij het ondersteuningsplan een Verklaring

omtrent gedrag (Vog) te voegen van deze persoon, die niet ouder is dan drie maanden. 7. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte maatwerkvoorziening,met uitzonderingvan informele hulp, voldoet minimaalaan de eisen die zijn gesteld aan de gecontracteerdezorgaanbiedersdie vergelijkbare voorzieningen leveren in zorg in natura;

8. Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenningte worden aangewendten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 9. Een pgb voor gebruik van eigen auto, van een taxi of het gebruikvan een rolstoettaxiis slechts mogelijk indien de cliënt medisch en/ of gedragsmatig niet in staat is gebruik te makenvan het

collectiefvervoermetde regiotaxi. 10. Een pgb is niet mogelijk als er sprake is van ondersteuningin een spoedeisendesituatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet.

11. Een pgb is niet mogelijkvoor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland,tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college, op basis van nader door het college te

stellen regels. 12. Een pgb voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld in uren en minuten. 13. Het college kan nadere regels stellen met betrekkingtot de voorwaardenwaarondereen pgb

wordt verstrekt.

Artikel 20. Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheidgemaakt tussenformele en

2

informelehulp. Van formele hulp is sprake als de hulp verleendwordt door onderstaandepersonen,met uitzonderingvan bloed-of aanverwantenin de 1e of 2e graad van de cliënt: a personen die werkzaam zijn bij een instellingdie ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel

11

5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn

voor uitoefeningvan de desbetreffendetaken, of; b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze

ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamhedeningeschrevenstaan in het Handelsregister(conform artikel 5 Handelsregisterwet2007) en beschikkenover de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3.

Informelehulpis: a. Hulp die gebodenwordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk,die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2 maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt.

4

Het college kan in bijzonderegevallen gemotiveerdten gunste van de cliënt afwijkenvan de onder

lid 2 en 3 gesteldeeisen.

Artikel 21. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt maximaal vastgesteld op: a. Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier

waarmee de gemeenteeen overeenkomstheeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of ;

b. Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerdeofferte indien de gemeente voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten.

2. De hoogte van het persoonsgebondenbudget vervoer is gebaseerdop de voorziening collectief vervoer in natura, waarbij het uitgangspuntgeldt dat maximaal2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgevingmoet kunnenworden gereisd. Als aan de cliënt ten behoeve van de verplaatsingenin de directewoon- en leefomgevingeen vervoersvoorziening is verstrekt, wordt een maximum van 1000 km als uitgangspunt gehanteerd. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het standaard aantal kilometers niet volstaat dan kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. 3. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt bepaald op basis van het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op het uurtarief van

de goedkoopstcompenserende voorzieningin natura. 4. Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebondenbudget voor dienstverleningwordt onderscheid gemaakt tussen tarief voor formele en informele hulp: 5. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor begeleiding en dagbesteding:

a. voor formele hulp wordt bepaald op basis van 90% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling.

b. voor informele hulpwordt bepaald op basis van 70% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling, maar niet hoger dan het

toepasselijkeminimumloonals bepaald bij of krachtens de Wet minimumloonen minimumvakanHebijslag;

6. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden: a. voor formele hulp wordt bepaald op basis van 85% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura;

b. voor informele hulp wordt bepaald op basis van 85% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopstcompenserendevoorziening in natura, maar niet hoger dan het toepasselijke minimumloon als bepaald bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; 7. Voor regulier taxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die algemeen maatschappelijk wordt toegepast door de belastingdienst. 8. Voor rolstoeltaxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die wordt toegepast door de zorgverzekeraars voor medische ritten. 9. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb.

Artikel 22. Nadereverplichtingen budgethouder 1.

De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening

2.

voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren. De budgethouder dient over een nota/factuur en betalingsbewijs van de aangeschafte

maatwerkvoorziening te beschikken.

12

3. De budgethouderdeelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen bewegingaRefeiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen

zijnop de toekenningvan het pgb.

13

HOOFDSTUK 4. MAATSCHAPPELIJKE OPVANG EN OGGZ Artikel 23. Maatschappelijkevoorziening opvang 1. Het college verstrekt de voorziening maatschappelijke opvang overeenkomstig het daartoe vastgesteld-beleid van de c,entrumgemeenteRotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels voor bIjdrage in de

kosten van opvang en de nadere regels van de centrumgemeente. 2. Artikel 11 lid 2 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24. OGGZ Het college biedt vanuit de Wmo de volgende vorm van ondersteuning: _

Oper{bare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ): bemoeizorg, met als doel het toeleiden naar ondersteuning (of behandeling) van bewoners die niet (in staat zijn om) uit eigen beweging ondersteuning te vragen waar dit medisch- en/of maatschappelijk gezien wel nodig is.

14

HOOFDSTUK5. BIJDRAGE IN DE KOSTEN Artikel 25. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgets en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of

persoonsgebondenbudget , zolang de cliënt van de maatwerkvoorzieninggebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 3. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen

zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

a. Rolstoelvoorzieningen, en; b.

Kindvoorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing.

5. De kostprijsvan een: a.

maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald

door een aanbesteding,na consultatiein de markt of na overleg met de aanbieder; b. maatwerkvoorzieningin de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassingwordttevens bepaald door de wijze van beschikbaarsteIIirIgvan de voorziening; c.

persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget.

6. De bijdrage voor een maatwerkvoorzieningof persoonsgebondenbudget ten behoevevan een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de orIderhOUdsplichtige

ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de

ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Artikel 26. Bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening Collectief vervoer 1. In afwijking van artikel 25 derde lid is een cliënt een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,16 per kilometer en een opstaptariefvan €

0,98 per rit 2. In afwijking van het eerste lid geldt buiten de straal van 20 kilometer vanaf het woonadreseen tarief van: € 1,55 per kilometer. 3. In afwijking van het eerste lid geldt tijdens de daluren, van 12.00 – 15.00 uur, een opstaptarief

van € 0,44 per rit 4. In afwijking van het eerste lid geldt bij een overschrijding van het maximaal aantal toegestane kilometers een opstaptarief van € 6,21 per rit.

15

HOOFDSTUK6. KWALITEITEN VEILIGHEID Artikel 27. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de

deskundigheid van beroepskrachtendaaronder begrepen,door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

c. inzet van de juiste deskundigheid; d. erop toe te zien dat beroepskrachtentijdens hun werkzaamhedenin het kader van het leveren e.

van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag door beroepskrachten die direct contact

hebbenmet kwetsbarecliënten;

f. het er op toe te zien dat de voorziening doeltreffend, veilig en cliëntgericht is. 2. Het college legt verdere uitwerkingvan de geldende eisen op de kwaliteit van voorzieningen vast in het besluit maatschappelijkondersteuning; 3. Onverminderd anderehandhavingsbevoegdhedenziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het

zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controlerenvan de geleverde voorzieningen.

Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de leveringvan een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a.

een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012

en het aangaanovereenkomstmet derde; of b.

een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i een inschrijvingen het aangaan overeenkomstmet de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

a. conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheidvan de beroepskracht,bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeelc van de

wet, en b. rekening houdendmet de continuïteit in de hulpverlening,bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenenaan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhoudingbij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:

a. kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof , ziekte,

C

scholing en werkoverleg;

d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van loon binnen een overeenkomst;

f.

overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingenen administratieve verplichtingen.

4. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhoudingbij de vaststelling van de tarieven die het hanteertvoor door derden te leveren overige voorzieningen,in ieder geval

rekeningmet: a. de marktprijsvande voorziening,en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorzieningvan de leverancierworden gevraagd, zoals: aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; ii instructie over het gebruik van de voorziening; iii. onderhoud van de voorziening, en iv. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

Artikel 29. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan

16

2.

3.

4.

Aanbieders meIden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

17

HOOFDSTUK 7. TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 30. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget 1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze Wet. 2

Degemeenteraad stelt een handhavingsbeleidskadervast, waarin beleidsuitgangspuntenen -

3

Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader. Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van

prioriteiten worden aangegeven.

4

fraude, oneigenlijk gebruiken misbruik en niet'gebruik van de Wet alsmede welke

5

handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast. Het college rapporteert aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader.

Artikel 31. Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedragverrekenen met nog uit te keren (periodieke)betalingen op grond van de Wet.

18

HOOFDSTUK8. WAARDERINGMANTELZORGERSEN TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN Artikel 32. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Dejaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgersvan cliënten in de gemeente wordt door het collegenaderbepaald

Artikel 33. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college verstrekt in overeenstemmingmet het beleidsplan,bedoeld in artikel 2.1.7 van de Wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een

inkomenhebben lager dan een door het college nader te bepalen percentagevan het wettelijk minimumloon, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een

tegemoetkomingkan wordenverstrekt.

19

HOOFDSTUK9. KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAPEN INSPRAAK Artikel 34. Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

2

Onverminderdandere handhavingsbevoegdhedenziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

3

Het college kan nadere regels stellenten aanzien van de klachtafhandeling.

Artikel 35. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning l. 2.

Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cltëntervaringsonderzoek.

Artikel 36. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenenvan de gemeente,waaronder in ieder geval cliënten of hun 2.

vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen

van ondersteuningom hun rol effectief te kunnenvervullen. 3.

Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij

onderwerpenvoor de agenda kunnenaanmelden,en dat zij wordenvoorzien van de voor een 4.

adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

20

HOOFDSTUK 10. OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN Artikel 37. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd.

Artikel 38. Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordeningen het op deze verordening berustende gemeentelijke BesluIt Maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen

verhogenof verlagen.

Artikel 39. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallenten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingenvan deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 40. Overgangsrecht 1.

2.

3. 4.

Een ctiënt houdt recht op een lopende voorziening die voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening zijn verstrekt, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Wmo gemeente Barendrecht 2019 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2022. Van het in het eerste en tweede lid gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Op bezwaarschriften tegen een besluit wordt beslist met inachtneming van de verordening op basis waarvan het betreffende besluit is genomen.

Artikel 41. Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordeningtreedt in werking de dag na publicatie in het Gemeentebladen werkt terug tot en met 1 januari 2022, onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke

ondersteuninggemeenteBarendrecht2019. 2.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente

Barendrecht2022. Aldus besloten in de openbare vergadering

van de raad van de gemeente Barendrecht van 21 december 2021

21

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE BARENDRECHT 2022 Hoofdstuk 1, Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen • Lid 1 onder a. algemeen gebruikelijke voorziening: Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. De in deze bepaling opgenomen criteria volgen uit jurisprudentie van de CRvB. Het is de vraag wat precies verstaan moet worden onder een ’inkomen op minimumniveau’. Zolang hier niet meer jurisprudentie over is verschenen, gaan we er vanuit dat het gaat om een inkomen op bijstandsniveau heeft. Het is hierbij niet van belang of de betreffende cliënt een inkomen op minimumniveau heeft. Het draait om de vraag of de voorziening in algemene zin financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. • Lid 1 onder c. beleidsregels: Deze bepaling spreekt voor zich. • Lid 1 onder d. besluit: Deze bepaling spreekt voor zich. • Lid 1 onder e. bijdrage Uit artikel 2.1.4 van de Wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een bijdrage in de kosten. Cliënten zuIlen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen • Lid l onder f.

gesprek Artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet schrijft voor dat het college naar aanleiding van een melding een onderzoek verricht. Een vorm van persoonlijk contact (een gesprek) zal hiervoor meestal noodzakelijk zijn, maar is niet voorgeschreven op grond van de Wet. •

Lid 1 onder g. hoofdverblijf :

Omdat er bij het begrip ingezetene wordt gesproken over hoofdverblijf , is hier verduidelijkt wat hier onder wordt verstaan • Lid 1 onder h. hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerst onderzoekt wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk. • Lid 1 onder i. ingezetene: Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1

van de wet) en het college beslistop een aanvraag van een ingezetenevan de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 2209-2010, nr. 09/1 743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend • Lid 1 onder j. leefeenheid: Deze bepaling spreekt voor zich. • Lid 1 onder k. melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervotg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de

beschikbaarheidvan een algemenevoorziening of kenbaar maakt gebruikte willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. • Lid l onder I. pgb: Deze bepaling spreekt voor zich. • Lid 1 onder m. participatie Deze bepaling spreekt voor zich. 22

• Lidonder n. persoonlijkplan: In het plan kan de cliënt – al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk - de hulpvraagnader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan

de eigen regie en de betrokkenheidvan het sociale netwerk van cliënten versterken.

•

Lid 1 ondera. wet:

Deze bepaling spreekt voor zich. • Lid 1 onder p. zelfredzaamheid: Deze bepaling spreekt voor zich. Het aantal definities van artikel 1 het tweede lid is beperkt omdat de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.

23

Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de cliënt de gemeente om hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de

kern van de procedurein de Wmo 2015. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraagwaar de cliënt geen maatwerkvoorzieningvan de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarinkan vinden, stopt op dat moment de procedure.Het is echter ook mogelijk dat de cliënt na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet,

Artikel 2. Melding hulpvraag De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij het sociale wijkteam, De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. In lid 2 is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Vanwege de registratie en zorgvuldigheid kiest de gemeente hier wel voor.

Artikel 3. Cliëntondersteuning De verplichtingen die in dit artikel genoemd worden, zijn ook neergelegd in de artikelen 2.2.4 lid 1 onderdeel a en 2.3.2 lid 3 van de Wet. Met name het wijzen op de beschikbare cliëntondersteuning zal een specifieke plek gaan innemen in de procedure na de melding. Cliëntondersteuning is gedefinieerd in artikel 1.1,1 van de Wet. De cliëntondersteuning moet gratis en onafhankelijk zijn en er kan dan ook geen bijdrage in de kosten voor worden gevraagd.

Artikel 4. Persoonlijk plan De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden, zijn ook opgenomen in artikel 2.3.2 van de Wet. Omdat het een specifieke plaats inneemt in de volgorde van de procedure, is het hier op de plaats in de procedure nogmaals ingevoegd. Doordat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de ctiënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaarn te kunnen zijn en te participeren, Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen.

Artikel 5. Informatie en identificatie Ook voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet de artikelen 2.3.2 lid 7 en 2.3.4 lid 1. Analoog aan artikel 4:2 Awb, dat voor de aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige gegevens moet verstrekken, is met lid l van artikel 5 geregeld dat de cliënt daartoe ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden is Om de identiteit vast te stellen van degene die zich bij het college meldt met een hulpvraag, vraagt het college de betrokkene zich te legitimeren met een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Het kan gaan om een reisdocument als bedoeld in de Paspoortwet; dat zijn het nationaal paspoort, een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort, een reisdocument voor vluchtelingen, een reisdocument voor vreemdelingen en andere reisdocumenten door de Minister van Veiligheid en Justitie vast te stellen, en een reisdocument van het Europese deel van Nederland, te weten een Nederlandse identiteitskaart. Naast de genoemde documenten uit de Paspoortwet, kan een vreemdeling zich legitimeren met een document waarover hij op grond van de Vreemdelingenwet 2000 beschikt ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Tot slot biedt een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de mogelijkheid tot legitimatie van een betrokkene, voor zover hij de nationaliteit van die andere lidstaat bezit.

Artikel 6. Onderzoek Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de Wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In artikel 6 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat het 24

past in het stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij betrokken wordt Het college onderzoekt: • de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; • de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang ; • de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; • de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van •

•

zijn zelfredzaamheid,zijn participatieof aan beschermd wonen of opvang; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 Wmo 2015, verschuldigd zal zijn. In lid 7 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van wat er besproken is. In de wet is bepaald dat het college de cliënt de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken. •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10968860/1