CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Ondertekend raadsbesluit RvO voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van de gemeente Barendrecht 2026

gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van de gemeente Barendrecht 2026 (rechtstreeks op de raadsagenda geplaatst)16.379 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

lid onder berusting van de griffier. Raadsleden kunnen deze informatieinzien (derde lid juncto artikel 9, derde lid). Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet).

pagina 19 van 33

BARENDRECHT Het vijfde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda.

Enerzijds kunnen individuele raadsleden via de agendacommissie onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.

Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering,en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de wet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de wet.

Artikel 11. Ter inzage leggen van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de oproep digitaal ter inzage aangeboden. Een stuk is een 'document' in de zin van de Wet open overheid (Woo). (hierna: Woo).

Een 'document’ houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook

alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganenbestemd materiaal zoals agenda’s, verslagen,(concept)adviezen,al dan niet in elektronischevorm, verkrijgende status van 'document’in de zin van de Woo. Onder de 'informatie’ als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: informatie van de raad en aan de

raad verstrekte informatie, waaronder de zogeheten 'achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) waarop geheimhouding is gelegd. Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de Gemeentewet uitgebreid van 'stukken' naar 'informatie' (artikel 19, tweede lid, van de wet). Verder hoeft de raad de geheimhouding niet meer te bekrachtigen (artikel 89, vierde lid, van de wet). College, burgemeester en commissies mogen voortaan zelf geheimhouding opleggen (artikel 87 van de wet). Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook

kan worden overwogen hiervangeen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schriftelijke

vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaarworden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet)

De griffier vervult de secretariaatsfunctieten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking

hebbenop de agendaen de voorstellenvan de raadsvergadering en die geheimmoetenblijvenbij hem ter inzage gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage aan hen verlenen.

Onder de stukken als bedoeld in het derde lid van dit artikel worden verstaan: geheime stukken en de zogenaamde 'achterliggende’stukken waarvan in raadsvoorstellenmelding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.). Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen. De griffier vervult de secretarisfunctie ten dienste van de raad. Als omtrent stukken op grond van art. 87 van de

wet geheimhouding is opgelegd,worden deze stukken in afwijking van het eerste lid digitaal - via een besloten systeem - ter beschikking gesteld aan de leden.

pagina 20 van 33

BARENDRECHT

Artikel 12. Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet en voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij art. 3:12 juncto 2:14 Algemene wet bestuursrecht.

Hier wordt expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladende aankondigingvan de vergadering van de raad wordt geplaatst. Paragraaf 2. Ter vergadering Artikel 13 Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen

dat het vergaderquorumbereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.

De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de voorzitter deze vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. Artikel 14. Aantal spreektermijnen Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe

uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijnafsluit. Dit behoeft overigensniets te veranderenaan de praktijkdat een portefeuillehouder antwoordtna de inbrengvan de raadsleden in de eerste en tweede termijn.

Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijnbeschouwdte worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.

De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen,maar gelijktijdigmet de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 32).

Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd.Ook aan raadsleden wordt het recht toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit past in het streven naar dualisering, aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigendeen daarmee agenderende rol van de raad veronderstelt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te beschikken.

pagina 21 van 33

BARENDRECHT Het debat in de besluitvormende raad wordt beperkt tot de in de oordeelsvormende commissie geadviseerde bespreekpunten. Deze staan opgenomen in de besluiten- en toezeggingenlijst van de commissievergadering.

Op die manier wordt (veel) herhaling voorkomen. Daardoor is er meer ruimte voor een debat dat gericht is op het formuleren van in ieder geval een meerderheidsstandpunt op basis van argumentatie of overtuiging. Tevens geeft het formuleren van bespreekpunten de voorzitter van de raad een sturingsmiddel in het debat. De voorzitter kent de bespreekpunten, benoemt deze in zijn inleiding van het agendapunt en geeft (een van de)

aanvragers van het bespreekstuk als eerste het woord. Mocht het debat te veel afdwalen van de genoemde bespreekpunten, dan kan de voorzitter bijsturen.

Artikel 15. Deelnameaan de beraadslaging door anderen Deze bepaling

is noodzakelijk

in verband

met het in artikel 22 van

de Gemeentewet

geregelde

verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. De raad kan op grond van artikel 5 bepalen dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester

heeft het recht om aan de beraadslaging deel te nemen. Wethouders hebben het recht tot toegang tot de vergadering en kunnen deelnemen aan de beraadslagingenop grond van artikel 21, eerste en tweede, lid van de Gemeentewet.

Artikel 16. Voorstellen van orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissingvoor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging,besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen, (artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Een voorstelvan orde betreft bijvoorbeeldhet schorsen van de vergaderingvoor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedurevan een initiatiefvoorstelgevolgd te worden (artikel 30 van de wet)

Artikel 17 Handhaving orde; schorsing Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn interrupties toegestaan voor zover de

voorzitterbij een overvloedaan interruptiesof in het belangvan de voortgangvan de beraadslagingen niet bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte te vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Het tweede lid heeft, naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op de wethouders, de secretaris, de

griffier of andere personen, die het woord voeren. De voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven, kan hun het woord worden ontzegd.

De bevoegdheiddie in het tweede lid aan de voorzitterwordt gegevenom een spreker over een aanhangig onderwerphet woordte ontzeggen,gaat minderver dan de mogelijkheiddie artikel 26, derde lid, van de Gemeentewetbiedt om aan dat lid, dat door zijn gedragingende geregeldegang van zaken belemmert,de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 25 is slechts een aanvulling op de Gemeentewet. Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb (JB 9 (2002) 138).

Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen

wordenbeschouwdals verstoringenvan de orde.Voor wat betreftde handhavingvan de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar het artikel 29 van dit reglement. Paragraaf 3. Stemmingen

pagina 22 van 33

BARENDRECHT

Artikel 18. Stemverklaring Stemverklaringen zIjn kQrt (maximaal 30 segonden) en bestaan uit één zin: "mijn fractie is voor/ tegen, omdat .. . .

Stemverklaringen mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverkïaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming

begint, Artikel 19. Beslissing

De voorzitter kan de beraadslagingsluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.

Artikel 20. Stemming; procedure hoofdelijke stemming Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad

heeft niet de bevoegdheidom van deze bepalingvan artikel32 van de Gemeentewetaf te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen.Wellicht ten overvloedewordt hierbij

nog verwezennaar artikel 209, tweede lid (een drIngendeuitgaan, van de Gemeentewet,dat tot hoofdelijke stemming verplicht bij het aangaan van een verplichting voordat de begroting is goedgekeurd.

De regelingin het eerstedeel van het tweede lid kan toepassingkrijgen, indiende uitkomstvan de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 (belangenverstrengeling e.d.) van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is

een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.

Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewetvan toepassing.Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het

voorstel geacht niet te zijn aangenomen. In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt

doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de

Gemeentewet. Ook de gemeente Barendrecht werkt met een elektronisch stemsysteem, waarbij na de stemming de uitslag van de stemming per raadslid te zien is op een scherm.

Artikel 21. Volgorde stemming over amendementen en moties Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement.

Een amendementkomt in stemming voorafgaandeaan de stemming over het onderliggendevoorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing.

Artikel 22. Stemming over personen Artikel 31, eerste lid, van de wet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Datzelfde geldt

voor de stemmingover het ontslag van een wethouderin het geval een motievan wantrouwenniet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de Gemeentewet). Ook dat gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim.

pagina 23 van 33

BARENDRECHT Het is mogelijk om met elektronischestemsystemente werken, maar het Reglementvan orde 2026 gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje. In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.

Indien raadsleden genomineerdworden voor de functie van wethouder is er sprake van een vrije stemming. Er is geen sprake van een voordracht. De beoogd wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel tot benoeming gaat hem/haar persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt" (artikel 28, lid 1 a en lid 3 van de Gemeentewet).

Dat is echter in casu niet aan de orde, omdat er ook op een ander persoon kan worden gestemd. De aard van de stemming is derhalve van belang.

Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit geval

geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn voorgestetd: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen naam invullen. Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke

overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengelingte vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan

met het inperkenvan het stemrechtvan gekozenvolksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenende ruimte daarin een eigen afweging te maken.

Positie van de wethouders na de verkiezingen a.

Is een combinatie raadslid en wethouder ook mogelijk bij de raadscommissies?

Artikel 13 lid 1 sub 1en artikel 36 lid 1 sub 1Gemeentewet regelen over en weer dat het raadslidmaatschap en het wethouderschap onverenigbaar zijn. De leden 2 sub a van deze artikelen geven als uitzondering de periode na de verkiezing aan tot het moment van aftreden van de wethouders. Voor raadscommissies regelt artikel 82 lid 2 Gemeentewet dat wethouders geen lid zijn van raadscommissies. Een uitzonderingsbepaling zoals bij de samenloop van raadslidmaatschap en wethouderschap in de periode na de verkiezing ontbreekt. b. Kent de gemeentewet demissionaire wethouders?

Nee, juridisch gezien kan je niet zeggen dat de wethouders demissionair zijn; de Gemeentewet kent deze term niet. Bij reguliere verkiezingen geeft de Gemeentewet aan dat de 'oude' wethouders in functie blijven totdat de nieuwe wethouders door de nieuwe raad worden benoemd. De vraag wanneer een nieuw college tot stand komt is aan de lokale politiek zelf. Het zou zinloos zijn om te proberen aan de collegeformatie een juridische deadline te stellen, al was het maar omdat je dan ook zou moeten invullen wat er moet gebeuren als die datum niet wordt gehaald, en men kan moeilijk iemand die dat niet wil dwingen een wethouderschap te aanvaarden. De situatie in de tussenliggende periode is geregeld in artikel 42 Gemeentewet: in beginsel blijven de zittende wethouders in functie totdat de raad tenminste de helft van het nieuwe college heeft benoemd en die benoemingen zijn aanvaard. OP grond van het eerste lid treden na de verkiezingen de (zittende) wethouders af

pagina 24 van 33

BARENDRECHT op het moment dat ten minste de helft van het in artikel 36 (Gemeentewet) bepaalde aantal (nieuwe)

wethouders is benoemd en die benoemingenzijn aangenomen. OP grond van het tweede lid treedt de burgemeester in de plaats van het college als (in de tussenliggende periode) zoveel wethouders ontslag nemen of worden ontslagen dat het aantal onder de helft van het in artikel 36 (Gemeentewet) bepaalde aantal wethouders zakt. Die kans wordt bij een zeer langdurige formatie uiteraard snel groter. De burgemeester treedt op dat moment in de plaats van het college en handelt vooral lopende zaken af. Het zou politiek onhandig zijn, hoewel juridisch toegestaan, om ingrijpende besluiten namens het college te nemen. c. Wat is de status van het (oude) college tijdens de coalitiehandelingen?

Een voorbeeld: sinds de raadsverkiezingen vormt de voormalige oppositie een ruime meerderheid. Dat is de nieuwe beoogde coalitie. Zij willen dat de huidige/voormalige coalitie geen besluiten meer neemt. Wat zijn de mogelijkheden van het controversieel verklaren op gemeentelijk niveau? De situatie dat er verkiezingen zijn geweest is anders dan dat er een college is gevallen. Het is niet zo dat het oude college geen (lopende) zaken kan behandelen. Wel kan het zo zijn dat de voormalige oppositie een ruime meerderheid van de stemmen heeft gekregen en waarschijnlijk een nieuw college zal vormen. Na de verkiezingen wordt de nieuwe raad geïnstalleerd. Deze raad zou kunnen besluiten dat bepaalde onderwerpen “stil gelegd“ moeten worden. Vervolgens is het vooral van belang dat de nieuwe raad zich inspant om snel een nieuw college te vormen.

Artikel 23. Verslag en besluitenlijst Dit artikel regelt de verslag leggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het

maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewetwordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de Gemeentewet).

Het conceptverslagwordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben. De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de griffier aangewezen om het verslag op te stellen en deze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen.

De besluitenlijstdient op zo kort mogelijketermijnte wordengepubliceerd.Dit kan voordathet verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen(dus niet alleen besluitenin de zin van de Awb maarook bijvoorbeeldeen afspraakom een werkbezoekaf te leggen). Het ligt voor de hand dat het verslagen de besluitenlijstook op de gemeentelijke website toegankelijk worden gemaakt. Dit wordt weergeven in het zesde lid. Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een geluidsopname van de raadsvergadering met een overzicht van de sprekers, de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en een besluitenlijst.

Artikel 24. Ingekomen stukken Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen naar het college, etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid.

pagina 25 van 33

BARENDRECHT De schriftelijkemededelingenvan het college aan de raad komen in principeook bij de raad binnen. De mededelingenzijn dan ook een ingekomen stuk. De raad stelt op voorstel van de agendacommissie de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

Mochten een schriftelijke mededeling van het college of van de burgemeester aanleiding geven tot nadere vragen dan een raadslid nadere vragenstellen in de eerstvolgende commissievergadering. Deze procedure wijkt

af van de afhandeling van de overigeingekomen stukken.De naderevragenkunnenniet leidentot besluitvorming.

Paragraaf 5 Verslag en verantwoording vanuit andere organisaties

Artikel 25

Verslag en verantwoording

Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze, waarop zij

in het bestuurvan de gemeenschappelijke regelingfunctioneren,zijn zij verantwoordingverschuldigdaan de raad, die hen heeft aangewezen.Ook de gemeenschappelijkeregeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten.

In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging (uiteraardkan ook een ander moment worden gekozen). En wordt aangegeven dat bespreking in een commissie kan plaatsvinden. Indien de gemeente geen commissies heeft kan hier een ander daarvoor geëigend overlegorgaan worden opgenomen . In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 39. Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die aansluit bij de regels voor inlichtingen.

Paragraaf 6. Besloten raadsvergaderingen Artikel 26. Toepassing reglement op besloten vergaderingen

Dit artikelbepaaltdat de bepalingen van dit reglementvan overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergaderingachter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het verslag.

De bepalingenvan het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen

strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in artikel 87 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.

In artikel23 van de Gemeentewetzijn procedurevoorschriften opgenomenvoor 'het sluitenvan de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.

Artikel 27. Verslag besloten vergadering In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, vierde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met

de bepalingover het verslagvan de raadsvergaderingis de griffierook verantwoordelijkvoor het verslag van een besloten vergadering. In onze gemeente is ervoor gekozen om de verslagen digitaal – via een besloten systeem– ter beschikkingte stellen.

pagina 26 van 33

GEMEE NTE BARENDRECHT

Artikel 28. Opheffing geheimhouding

Op grondvan artikel87, van de Gemeentewet, kan geheimhouding op informatiewordenopgelegddoor de raad, het college, de burgemeester en een commissie. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad verstrekte informatie vervalt, indien de raad de verplichting tot geheimhouding opheft (artikel 89, vierde lid, van de Gemeentewet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.

Als de raad een opgelegdegeheimhoudingopheft, wil dat niet zeggen dat de desbetreffendeinformatiedan actief openbaar gemaakt moet worden. De Wet open overheid (Woo)) is nog steeds op deze informatie van toepassing. Wanneer om openbaarmakingwordt verzocht moet dat verzoek dus aan de uitzonderingsgronden in de Woo wordengetoetstom tot een besluitte komenover het al dan niet openbaarmakenvan de betreffende informatie. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren

Nadere regels geheimhouding: Delen van geheime schriftelijke informatie:

o Raad, college, burgemeester en commissies kunnen op schriftelijke informatie geheimhouding opleggen; hiervoor moet altijd een besluit genomen worden door het betreffende gremium; o Deze informatie kan met elkaar gedeeld worden. o Geheime schriftelijke informatie mag verder alleen gedeeld worden door het gremium dat de geheimhouding

heeft opgelegd. Echter, nadat geheime informatie met de raad is gedeeld, is alleen de raad nog bevoegd de kring van geheimhoudersuit te breiden. oDeelt het college geheime schriftelijke informatie met individuele raadsleden, dan moet het college deze informatie ook delen met de overige raadsleden. Ontvangt een commissie waarin raadsleden zitten geheime schriftelijke informatie, dan krijgen alle raads- en commissieleden ook deze informatie. - Deze regel geldt niet voor besloten commissies zoals presidium, vertrouwenscommissie, werkgeverscommissie en klankbordgesprekken burgemeester.

o Geheime schriftelijke informatie mag niet gedeeld en besproken worden met steunfractieleden:informatie waarop geheimhouding is gelegd (bij besluit of van rechtswege) kan niet worden gedeeld of besproken buiten de groepen (raad, commissie) waar de informatie mee is gedeeld. Delen van geheime mondelinge informatie

o Mondelinge informatie die in een besloten vergadering van raad of commissie ter kennisvan de aanwezigen komt, is geheim, tenzij de raad of commIssie anders beslist. o De geheimhoudingsplicht van deze mondelinge informatie geldt van rechtswege.

o Wordt 'mondeling’ geheime informatie gedeeld tijdens een besloten commissievergadering,dan is de verplichting voor het college deze informatie met alle raads- en commissieleden te delen niet van toepassing. De geheime informatie is immers niet aan de commissie verstrekt maar enkel mondeling medegedeeld. Deze informatie mag wel door de raads- en commissieleden onderling gedeeld en besproken worden, tenzij anders aangegeven. Deze informatie wordt niet gedeeld en besproken met steunfractteleden: informatie waarop geheimhouding

is gelegd (bij besluit of van rechtswege) kan niet worden gedeeld of besproken buiten de groepen (raad, commissie) waar de informatie mee is gedeeld Uitbreiden kring van geheimhouders

pagina 27 van 33

BARENDRECHT o Nadat geheime informatiemet raad is gedeeld, is in principe alleen de raad nog bevoegdde kring van geheimhouders uit te breiden. Het college kan de geheime informatie niet meer aan anderen verstrekken. De informatie kan wel nog besproken en behandeld worden met wie de informatie al gedeeld was voordat deze aan de raad verstrekt werd .

o Omdat dit niet altijd wenselijk is, heeft de raad heeft hierover de volgende regel opgenomen in het RvO en VRC De raad geeft het college de mogelijkheid om na het verstrekken van geheime informatie aan de raad

alsnog zelf de kring van geheirnhoudersuit te breidenals dit voor het dagelijksbestuurvan de gemeente noodzakelijkis. Bijvoorbeeldmet een andere gemeente of met een provincie als dit nodig is in geval van een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Op het momentvan uitbreidingvan de kringvan geheimhouders, stelt het collegede raad hiervan z.s.m. via een mededeling aan de griffie op de hoogte. Opheffen geheimhouding

o Opheffing van geheimhoudingop schriftelijke informatie kan alleen door het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd, tenzij:

de informatie onder geheimhouding met de raad gedeeld: nu is de raad altijd als enige bevoegd om de geheimhouding op te heffen; een commissie de geheimhouding heeft opgelegd: de commissie kan dan de geheimhouding opheffen + het

orgaan dat die commissie heeft ingesteld. In geval de informatie met de raad is gedeeld, blijft de raad als enige bevoegd om de geheimhouding op te heffen. o Een verzoek tot openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) moet worden doorgeleid naar de

raad als het gaat om aan de raad verstrekte informatiewaar geheimhoudingop ligt. De raad beslist of de geheimhouding kan worden opgeheven alvorens door het college op het Woo-verzoek wordt beslist. Vervallen geheimhouding

Is geheimhouding voor een bepaalde periode opgelegd, dan vermeldt het college de datum einde geheimhouding op het document in de mededeling over de opgelegde geheimhouding. Na deze datum vervalt de geheimhouding zonder verder besluit daarover. Orienterende, adviserende en besluitvormende vergaderingen

o Alle informatie tijdens oriënterende, adviserende en besluitvormende vergaderingen is openbaar, tenzij anders aangegeven. Voor alle vergaderingen geldt dat geheime of vertrouwelijke informatie alleen gedeeld en besproken kan worden binnen de groepen waar deze mee is gedeeld is (raad, commissie). Ordemaatregel bij schending geheimhoudingsplicht

Omdat voor het opleggen van geheimhouding op bepaalde informatie in het algemeen een goede reden bestaat, is het van belang dat iedereen zich aan de opgelegde geheimhoudingsplichthoudt. Toch zou het kunnen gebeuren dat een individueel lid van een orgaan waaraan geheime informatie is verstrekt, deze informatie met anderen deelt of openbaar maakt. Voor deze situatie biedt de wet de mogelijkheid om een sanctie op te leggen wegens schending van de geheimhoudingsplicht. Dit is geregeld in artikel 89, vijfde lid, van de Gemeentewet. Artikel 89 Gemeentewet

Een lid van de raad of van een door de raad ingesteldecommissie als bedoeld in hoofdstuk V van de Gemeentewet kan in geval van schending van de geheimhoudingsplicht bij besluit van de raad ten hoogste drie maanden worden uitgesloten van toegang tot informatie waarop geheimhouding rust.

pagina 28 van 33

BARENDRECHT Dit staat los van eventuele strafbaarheid op grond van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht.

De opgelegde geheimhoudingsplicht in een besloten vergadering geldt ook voor niet-raadsleden zoals griffiemedewerkers, ambtenaren, notulisten en bodes. In artikel 23, lid 4, Gemeentewet staat: ’Indien met gesloten deuren wordt vergaderd, geldt een verplichting tot geheimhouding omtrent informatie die in die vergadering ter kennis van de aanwezigen komt. De verplichting duurt voort, totdat de raad haar opheft.’ Als die

andere aanwezigen de geheimhouding opzettelijk schenden dan zijn ze net als de raadsleden vervolgbaar en strafbaar op grond van artikel 272 Wetboek van Strafrecht.

Artikel 29. Toehoorders en pers De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de bemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.

Artikel 30. Geluid- en beeldregistraties Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en

beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts van af een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.

Hoofdstuk 3. Bevoegdheden, instrumenten raadsleden Artikel 31. Amendementen en subamendementen

Elk lid van de raad kan wijzigingenop het voorstel van het collegeof op initiatiefvoorstellen indienenter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor

een ander raadslidaanleidingzijn, op dit amendementnog weer een wijzigingvoor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 13).

Het recht van amendementis neergelegdin artikel 147b van de Gemeentewet.OP basis van dit artikel is de raad verplicht een amendement te behandelen.

Het is praktischdat een raadslidaanwezigis voor de behandelingvan zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendementtoegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat er alleen wordt

beraadslaagd over amendementenen subamendementendie ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben (tweede lid).

Artikel 32. Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot

het doen van een uitspraak.Het kan gaan om het uitsprekenvan een wens (van inhoudelijke,politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gerIcht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het

pagina 29 van 33

BARENDRECHT college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart

besluit wordt genomen. Voor de beraadslagingover een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft.

Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 33 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigerIdeen controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen

dat het voor een effectief gebruik van deze instrumentenwenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringentoegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteuneen motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.

In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.

Artikel 33. Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatIef toegekend.

In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewetis dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een

initiatiefvoorstelkan indienen;met deze formuleringwordt tot uitdrukkinggebrachtdat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt. Het tweede en derde lid van artikel 147a van de Gemeentewet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Daar wordt in deze bepaling uitvoering aan gegeven. Algemeen uitgangspunt is dat ook individuele raadsleden en kleine fracties dienen te beschikken over adequate

instrumenten.Voor een effectief gebruikvan deze instrumentenis het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringentoegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden

gemaaktdoor het schriftelijken ondertekend aan de voorzitterte zenden(art. 147a eerstelid van de Gemeentewet). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets

anders dan een verordening) in behandelingworden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen. Wel kan de raad voorzien in een

zekere inhoudelijketoets. Daarbij kan worden gedacht aan het beantwoordenvan de vraag of het voorstel wel de uitoefening van een raadsbevoegdheid betreft (en niet een collegebevoegdheid) .

pagina 30 van 33

GEMEE NTE BARENDRECHT In het derde lid is een termijn gesteld om het college in de gelegenheidte stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen.

Het vierde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Als de

oproep voor die vergaderingechter al verzondenis, dan plaatstde voorzitterhet niet op de agendavan eerstvolgende,maar daaropvolgenderaadsvergadering.Dit laat de mogelijkheidonverletvoor het individuele raadslid om op grond van artikel 10, vijfde lid, voor te stellen het initiatiefvoorsteltoch aan de agenda toe te voegen

Voor zover de in het derde lid gesteldetermijn dan nog niet verlopen is zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a, van de Gemeentewet,juncto tweede lid van artikel 30). Dit staat er weliswaar niet aan in de weg dat er al over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van

de raad zal dan vervolgensde stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht.

Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstelverder wordt behandeld als het op de agenda staat. Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de

indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter niet verplicht, omdat de

wet alleen aangeeftdat het collegede mogelijkheidmoet hebbenom een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken.

Artikel 34. Collegevoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een

verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereidevoorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven.

Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeldverzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de agendacommissie

overlaten. Het college wordt tijdens de behandelingvan een collegevoorstelin de gelegenheidgesteld om uitstel of terugneming te bepleiten, een en ander onder handhavingvan het wettelijke uitgangspuntdat de raad hier uiteindelijk over beslist.

Artikel 35. Interpellatie Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de wet. Het interpellatierechtligt in het verlengde

van het mondelingevragenrec..Het gaat om het recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken . Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten.

pagina 31 van 33

BARENDRECHT Voor een effectiefgebruikvan deze instrumentenis het wenselijkdat ook het individueleraadslidzonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft.

Artikel 36 Schriftelijke vragen Het vragenrechtstelt de leden van de raad in staat informatiete vragen over aangelegenhedendie tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college

of de burgemeester,al naar gelang wie verantwoordelijkis. Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar

het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden. Mocht de beantwoording aanleiding vormen voor nadere vragen, dan kan de indiener van de vragen nadere vragen indienen in de eerst mogelijke commissievergadering na ontvangst van de beantwoording. De nadere vragen dienen voor de vrijdag voor twaalfuur van de beoogde commissievergadering ingediend te worden bij de griffier

Indien de vragenstellervan mening is dat de beantwoordingvan de vragen tot een besluitvan de raad moet leiden,kan hij het recht van initiatiefof het interpellatierechtbenuttenom het onderwerpof het voorstelop de agenda van de raad te krijgen.

Artikel 37. Inlichtingen

In dit artikelwordt een procedureleuitwerkinggegevenvan de inlichtingenplicht die het collegeen de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden bevat de Gemeentewet ook behoorlijk aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te bevestigen. Daar is in de eerste plaats de passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet. Dat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich

daartegen verzet. Dit recht om inlichtingente vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee is een waarborg in het leven geroepen dat een raadsmeerderheidom (partij)politieke redenen belemmeringen

opwerpt tegen het vragen van inlichtingendoor een raadslidof raadsminderheid.Wel kan de raad via het Reglementvan orde op grond van doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordeningaanbrengenin de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde.

De weigeringsgrond 'strijd met het openbaar belang’ is wettelijk objectief ('is’) en algemeen omschreven. De wetgever beoogdedaarmeedat een beroepdaaropin de praktijkals een hoge uitzonderingop de algemene regel zou moeten worden gebruikt.

In de praktijk bestaan verschillendewettelijke en politieke figuren om als raad en college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheidvan stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven.Vervolgenskent de gedualiseerdeGemeentewetthans een algemene actieveinlichtingenplicht.Artikel 169, tweedelid van de wet, verplichthet college uit eigen bewegingde raad alle inlichtingente verstrekkendie de raad nodig heeft voor de uitoefeningvan zijn taak. Blijkbaarmoet het college permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste

informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afsprakenmaken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht.

pagina 32 van 33

BARENDRECHT Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot in een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid van de wet, verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gerneentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g

en h, indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Overigens kent ook deze actieve informatieplicht de nodige

vaagheid. Wat is ingrijpend? Het antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden in de

plaatselijke omstandigheden.Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog gehad op substantiëlefinanciële gevolgen van privaatrechtelijkeovereenkomsten. Blijkbaar moeten raad en college hier zelf een modus voor vinden. Een andere vraag is nog of ook deze inlichtingenplichtwordt beperkt door de weigeringsgrondvan het openbaar belangals bedoeldin het derde lid van de artikelen169 en 180 van de Gemeentewet.Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord op basis van ongeschrevengemeenterecht.Het verstrekken van inlichtingen kan overigens niet via de rechter worden afgedwongen. Artikel 38. Vragenkwartier

Deze bepaling vormt een invullingvan artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewetmet betrekkingtot het vragenrecht

Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenkwartier. Veelal fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en omdat het de

herkenbaarheidvan de controlerendetaak van de raad ten goede komt, kan hiervooreen apartegelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenkwartierkrijgt de raad de mogelijkheidover vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen.

Het karakter van het vragenkwartier verschilt dan ook van het recht van interpellatie.Het recht van interpellatie

heeft als instrumenteen zwaarderpolitiek karakter.Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpenaan de orde komt Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur.

Het vragenkwartier kan bijvoorbeeld voorafgaand aan de raadsvergaderingworden gehouden. Wel is het voor de herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenkwartier op een vast tijdstip te houden.

In het tweede lid is een aanrneldirIgstermijnvoor vragen opgenomenvanwege het feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden.

Artikel 39 tot en met 41 Deze artikelen behoeven geen toelichting.

pagina 33 van 33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16924206/4