Ondertekend de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025.pdf
Tekst van het document
Bijlage 1: Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
Hoofdstuk 1. Algemeen .............................................................................................................. 4 Paragraaf 1.1. Algemeen ........................................................................................................ 4
Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen..................................................................................4 Hoofdstuk 2. De huisvestingsvergunning ................................................................................... 6 Paragraaf 2.1. Algemeen ........................................................................................................ 6
Artikel 2.1.1. Aanwijzing vergunningplichtlge voorraad.....................................................6 Artikel 2.1.2. Categorieën woningzoekenden ....................................................................7 Artikel 2.1.3. De aanvraag om een huisvestingsvergunning .............................................. 7
Artikel 2.1.4. Beoordelingvan de aanvraagom een huisvestingsvergunning.................... 7 Artikel 2.1.5. De inhoud van de huisvestingsvergunning................................................... 7 Paragraaf 2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties ................................... 8 Artikel 2.2.1. Reikwijdte van deze paragraaf ...................................................................... 8
Artikel 2.2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporatIes.................................8 Artikel 2.2.3. Openbaar aanbod en het aanbodinstrument............................................... 8 Artikel 2.2.4. Direct aanbod................................................................................................ 8 Artikel 2.2.5. Bemiddelingsmodellen ................................................................................9 Artikel 2.2.6. Voorrang in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte (passendheidsdoelgroepen) ............................................................................................. 10 Artikel 2.2.7. Voorrang in verband met economische en maatschappelijk gebondenheid 11
Artikel 2.2.8. Voorrang voor vitale beroepsgroepen ........................................................ 11 Artikel 2.2.9. Volgordebepaling woningzoekenden ingeval van openbaar aanbod ......... 12
Hoofdstuk 3. De urgentieverklaring .........................................................................................13 Paragraaf3.1. Verlening, weigering, intrekking en wijziging van de urgentieverklaring ..... 13 Artikel 3.1.1. Bevoegdheid tot verlening van de urgentieverklaring................................13 Artikel 3.1.2. De aanvraag om een urgentieverklaring.....................................................13 Artikel 3.1.3. Weigeringsgronden .....................................................................................14 Artikel 3.1.4. Intrekkingsgronden .....................................................................................15 Artikel 3.1.5. Wijzigingsgronden.......................................................................................16 Artikel 3.1.6. Advisering ...................................................................................................16 Artikel 3.1.7. Hardheidsclausule....................................................................................... 17 Paragraaf3.2. Werking en inhoud van de urgentieverklaring..............................................17 Artikel 3.2.1. Werking van de urgentieverktaring.............................................................17 Artikel 3.2.2. Inhoud van de urgentieverklaring...............................................................17
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam2025
1
Artikel 3.2.3. Het woonruimtetype................................................................................... 18 Artikel 3.2.4. Slaapkameraantal........................................................................................ 19 Paragraaf 3.3. Zoeken door en bemiddeling van de houder van de urgentieverklaring...... 19 Artikel 3.3.1. Direct starten van de tweede fase van de urgentie .................................... 19 Artikel 3.3.2. Zelf zoeken door de houder van de urgentieverklaring.............................. 20 Artikel 3.3.3. Bemiddelen van de houder van de urgentieverklaring .............................. 20 Paragraaf 3.4. De urgentiecategorieën.................................................................................
21
Artikel 3.4.1. Mantelzorg ..................................................................................................21 Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek......................................... 21 Artikel 3.4.3. Uitstroom naar zelfstandig wonen..............................................................22 Artikel 3.4.4. Onbewoonbaarheid ....................................................................................23 Artikel 3.4.5. Woonlasten .................................................................................................23 Artikel 3.4.6. Geweld en bedreiging .................................................................................24 Artikel 3.4.7. Herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering................................... 24 ArtIkel 3.4.8. Vergunninghouders.....................................................................................25 Hoofdstuk 4. Standplaatsen ..................................................................................................... 25 Paragraaf4.1. Inleidende bepalingen...................................................................................25 Artikel 4.1.1. Werkingsgebied ..........................................................................................25 Artikel 4.1.2.
Aanvullende begripsomschrijvingen...........................................................25 Paragraaf 4.2. De huisvestingsvergunning voor standplaatsen............................................ 25
Artikel 4.2.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad...................................................25 Artikel 4.2.2. Verzoek om inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden ........ 26
Artikel 4.2.3. Einde van de inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden ...... 26 Artikel 4.2.4. Verlening van de huisvestingsvergunningvoor standplaatsen ................... 26 Hoofdstuk 5. Overige bepalingen ............................................................................................. 26 Paragraaf 5.1. Experimenten ................................................................................................ 26
Artikel 5.1.1. Experimenten..............................................................................................26 Artikel 5.1.2. Experimentenovereenkomst.......................................................................27 Paragraaf 5.2. Registratie, monitoring en afstemming......................................................... 27
Artikel 5.2.1. Registratie en monitoring van vraag, aanbod en verhuringen van woonruimten van corporaties ..........................................................................................27 Artikel 5.2.2. Overleg naar aanleiding van monitoring .................................................... 27
Artikel 5.2.3. Registratie en monitoring bij overige woonruimten................................... 28 Artikel 5.2.4. Overleg inzake de woonruimtebemiddeling...............................................
28
Paragraaf 5.3. Handhaving ................................................................................................... 28 Artikel 5.3.1. Bestuurlijke boete ....................................................................................... 28
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
2
Hoofdstuk 6. Overgangs-en slotbepalingen .......
,. 28
Paragraaf6.1. Overgangsbepalingen...............
,. 28
Artikel 6.1.1. Overgangsbepaling voor aanvragen ...................................................,
. 28
ArtIkel 6.1.2. Overgangsbepalingingeval van bezwaar, beroep of hoger beroep.
,. 28
Artikel 6.1.3. Overgangsbepalingenvoor urgentieverklaringen.......
. 29
Artikel 6.1.4. Overgangsbepalingvoor huisvestingsvergunningen
,. 29
Paragraaf 6.2. Slotbepalingen ......................................................................................
,..... 29
Artikel 6.2.1. Intrekkingvan de Verordeningwoonruimtebemiddeling regio Rottel am 2024 ..........................................................................................................................
,..... 29
Artikel 6.2.2. Inwerkingtreding en citeertitel ............................................................ ,... 300 Bijlage 1. Overgangsrecht urgentieverklaringen ............................................................... ,... 311
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
3
Inttluté Besluit van de raad van de gemeente Barendrecht houdende regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte (Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025) De raad van de gemeente Barendrecht;
gelezenhet voorstel van het collegevan burgemeesteren wethoudersvan 4 maart 2025 en het rapport Schaarste in Barendrecht (Rigo) van 21 juni 2024 waaruit blijkt dat sprake is van
onevenwichtige effecten van schaarste aan woonruimte;
gelet op artikel 4, onder a, van de Huisvestingswet2014; BESLUIT
vast te stellen de VerordeningWoonruimtebemiddeling regio Rotterdam2025
Hoofdstuk 1. Algemeen Paragraaf 1.1. Algemeen Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: 1. aanbodinstrument: via een website toegankelijke elektronische systeem waarmee aanbod en vraag van woonruimte bij elkaar wordt gebracht; 2 bemiddelingsmodel: een systeemwaarmee de corporatie bepaalt in welke volgorde woningzoekenden voor huur van aangeboden woonruimte in aanmerking komen; 3 bindingsdoelgroep: de woningzoekenden die behoren tot één of meer van de in artikel 14 van de wet bedoelde groepen woningzoekenden; 4 bruto-vloeroppervlakte: bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in artIkel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; corporatIe: een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet of een gemeente die woonruimte te huur aanbiedt; 6 direct aanbod: het door een corporatie rechtstreeks aan een specifieke woningzoekende te huur aanbieden van woonruimte; 7 eerste fase van de urgentie: de fasevan de urgentie die aanvangt op het moment dat de urgentieverklaring is verleend en eindigt nadat de zes daaropvolgende maanden zijn verstreken; 8 economisch gebonden: economisch gebonden als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder a, van de wet; 9. eigen toegang: afsluitbare toegang tot uitsluitend één woonruimte vanuit: a.
het openbaar gebied of direct aan het openbaar gebied toegankelijk erf zoals een voortuin; of, b. een door meerdere woonruimten gedeelde verkeersruimte zoals een trappenhuis of portiek; 10. gemeente: Barendrecht; 5
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
4
11. herkomstgemeente: de regiogemeente waar de aanvrager woonachtig was, direct voorafgaand aan huisvesting in een voorziening, instelling of inrichting als bedoeld in artikel 3.4.3; 12. huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, met of zonder kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren waarbij er sprakeis van bewuste wederzijdsezorg en taakverdelingdie het enkel gezamenlijkbewonen van een bepaalde woonruimte te bovengaat en waarbij de intentie bestaatom voor onbepaaldeperiode samente wonen; 13. inkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel i, van de Wet op de huurtoeslag; 14. inkomensgrens: de inkomensgrens bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; 15. liberalisatiegrens: het bedrag genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag; 16. meerderjarige:een persoondie de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft, of, indien de leeftijd van 18 nog niet is bereikt: a. die meerderjarig is verklaard met toepassing van artikel 235ha van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; b. aan wie met handlichting als bedoeld in artikel 235 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid tot het sluiten van huurovereenkomsten of koopovereenkomsten
voor woonruimte
is toegekend;
17. maatschappelijk gebonden: maatschappelijk gebonden als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder b, van de wet;
18. onzelfstandigewoonruimte: woonruimte die geen eigentoegangheeft of niet door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte; 19. openbaar aanbod: het door een corporatie via het aanbodinstrument te huur aanbieden van woonruimte voor verhuur vrijkomende of beschikbare woonruimte; 20. passende woonruimte: woonruimte die gelegen is in het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied en voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype; 21. passendheidsdoelgroep: een overeenkomstig artikel 11 van de wet aangewezen gedeelte van de overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de wet in dezeverordening aangewezen categorie woningzoekenden die in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte voorrang hebben bij de verlening van huisvestingsvergunningen; 22. reactie: de reactie waarmee een woningzoekende via het aanbodinstrument aangeeft, dat hij in aanmerking wenst te komen voor de door corporaties via het aanbodinstrument te huur aangebodenwoonruimte; 23. regio: de woningmarktregio bestaande uit de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJssel,Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Voorne aan Zee; 24. regiogemeente: een gemeente die deel uitmaakt van de regio; 25.
slaapkameraantal: het in het woonruimtetype opgenomen slaapkameraantal; 26. studentenwoning: woonruimte van een corporatie die met toepassingvan het bepaalde in artikel 7:274d van het BurgerlijkWetboek bestemd is voor bewoningdoor studenten; 27. tweede fase van de urgentie: de fasevan de urgentie die start op het moment dat de eerste fase van de urgentie eindigt;
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
5
28. uttverhuisperiode: de periode die gelegen is tussen het verlenen van de urgentieverklaring, verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie, en de in die urgentieverklaring genoemde datum waarop de houder van een urgentieverklaring zijn of haar huidige woonruimte gelet op de aanstaande sloop of ingrijpende renovatie uiterlijk verlaten moet hebben; 29. urgentiecategorie: een urgentiecategorie, bedoeld in artIkel 12, tweede lid, van de wet; 30. urgentlecriteria: de criteria volgenswelke de wonïngzoekendeningedeeldworden in de in paragraaf 3.4 bedoelde urgentiecategorieën; 31. urgentieverklaring: de beschikkingwaarmee een woningzoekendedoor het collegevan burgemeester en wethouders worden ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in
artikel 12van de wet; 32. voorkeursurgentieregio: de urgentieregio waarvan de houder van de urgentieverklaring bij het indienen van de aanvraagheeft aangegevenbij voorkeurte willen wonen; 33. wet: de Huisvestingswet 2014; 34. woonruimtetype: het woonruimtetype als bedoeld in artikel 3.2.3; 35. zelfstandigewoonruimte: woonruimte die geen onzelfstandigewoonruimte is; 36. zoekgebied: het als onderdeel van het zoekprofiel in de urgentieverklaring op te nemen deel van de regio waarin een woonruimte gelegenmoet zijn; 37. zoekprofiel: de in de urgentieverklaring op te nemen eigenschappen waaraan een woonruimte moet voldoen zodat aan de houder van de urgentieverklaring de in artikel 12, eerste lid, van de wet bedoelde voorrang kan worden gegeven bij de verlening van een huisvestingsvergunningvoor die woonruimte.
Hoofdstuk 2. De huisvestingsvergunning Paragraaf 2.1. Algemeen Artikel 2.1.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad 1. De volgende categorieën woonruimte zijn aangewezenals bedoeld in artikel 7 van de wet en mogen alleen voor bewoning in gebruik worden genomen of gegeven als daarvoor een huisvestingsvergunning
2
is verleend:
a. alle voor verhuur bestemdewoonruimten van corporaties met een huurprijs tot de liberalisatiegrens. In afwijking van het eerste lid is dit hoofdstuk niet van toepassing op: a. onzelfstandige woonruimte, voor zover deze rechtmatig als onzelfstandige woonruimte gebruikt wordt; b. woonwagens en standplaatsen; c. studentenwoningen; d. woonruimte die met toepassingvan de Leegstandwetverhuurd wordt; e. woonschepen; f. woonruimte die in verband met aanstaande sloop of ingrijpende renovatie op basis van een tijdelijke huur- of gebruiksovereenkomst in gebruik wordt genomen voor bewoning.
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
6
Artikel 2.1.2. Categorieën woningzoekenden De volgende categorieën woningzoekenden komen voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking: a. woningzoekenden die deel uitmaken van een huishouden waarvan tenminste één lid een meerderjarige is; b. woningzoekenden die in het bezit zijn van een urgentieverklaring. tikel 2.1.3. De aanvraag om een huisvestingsvergunning Bij de aanvraag om een huisvestingsvergunningverstrekt de aanvrager in ieder geval de volgende informatie, gegevens en bescheiden: a. de samenstelling van het huishouden waarmee de aanvrager de woonruimte wil betrekken;
2. 3. 4. 5.
b. het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft; c. voor zover dat niet uit de in het tweede lid bedoelde legitimatiebewijzer1blijkt: bewijsstukken waaruit blijkt dat de aanvrager en de leden van diens huishouden voldoen aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de wet en behoren tot een in artikel 2.1.2 aangewezencategorie woningzoekenden; d. stukken waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat het huishoudenvan de aanvragerna verlening van de aangevraagdehuisvestingsvergunning de woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik kan nemen; e. de over het afgelopen belastingjaar door de Belastingdienst afgegeven inkomensve rklaring. De aanvrager kan door het college van burgemeester en wethouders verzocht worden om diens legitimatiebewijs en dat van de leden van diens huishouden te tonen. Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraagom huisvestingsvergunning binnen veertien dagen na de dag van ontvangst daarvan. De in het vorige lid bedoelde termijn kan éénmaal met ten hoogste veertien dagen verlengd worden. Het college van burgemeester en wethouders kan per in artikel 2.1.1 aangewezen categorie woonruimte nadere regels stellen ten aanzien van de wijze van indienen van een aanvraag om een huisvestIngsvergunning.
Artikel 2.1.4. Beoordeling van de aanvraag om een huisvestIngsvergunning 1. Een huisvestingsvergunningwordt geweigerd indien: a. de aanvrager of een lid van diens huishouden niet voldoet aan het in artIkel 10, tweede lid, van de wet bepaalde; b. de aanvrager niet behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezencategorie woningzoe kenden; c. niet aannemelijk is dat de aanvrager na verlening van de aangevraagde huisvestingsvergunningde woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik kan nemen; d. de woonruimte niet overeenkomstig het in of op grond van dezeverordening bepaalde te huur is aangeboden; e. een andere woningzoekende dan de aanvrager gelet op het bepaalde in de wet of in deze verordening ten opzichte van de aanvrager eerder in aanmerking komt voor verlening van de huisvestingsvergunning; of,
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
7
f.
verlening van de huisvestingsvergunningtot gevolg zou hebben dat meer dan 50 procent van de huisvestingsvergunningen met voorrang verleend zouden worden aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan: i de regio; Ii de gemeente; of, iii. een deel van de gemeente. 2. Een huisvestingsvergunning aangevraagdvoor het in gebruik nemen van een in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, aangewezen woonruimte, kan voorts worden geweigerd indien het huishoudinkomenvan aanvragerde inkomensgrensoverschrijdt. Artikel 2.1.5. De inhoud van de huisvestingsvergunning 1. De huisvestingsvergunningbevat tenminste de volgende informatie: a. het adres van de woonruimte waarop zij betrekking heeft; en b. de naam van de persoon of namen van de personen aan wie de huisvestingsvergunning is verleend. 2 In een huisvestIngsvergunning kan een voorschrift worden opgenomen op grond waarvan de vergunninghouder de woonruimte enkel binnen de in de vergunning genoemde termijn in gebruik kan nemen.
Paragraaf 2.2. Tehuur aanbieden van woonruimte door corporaties Artikel 2.2.1. Reikwijdte van deze paragraaf Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op woonruimte behorend tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, genoemde categorie. Artikel 2.2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties Corporaties bieden woonruimte te huur aan via openbaar aanbod of via direct aanbod. ArtIkel 2.2.3. Openbaar aanbod en het aanbodinstrument 1. Corporaties stellen gezamenlijk voor de gehele regio een aanbodinstrument in en houden dit in stand. 2 Bij openbaar aanbod bieden corporaties via het aanbodinstrument hun voor verhuur vrijkomende of beschikbare woonruimte tenminste drie werkdagen te huur aan. Voor zover het bemiddelingsmodel daartoe aanleiding geeft, kunnen zij woonruimte te huur aanbieden door middel van een referentlewoning. 3 Het aanbodinstrument is via een gebruiksvriendelijke en toegankelijke website voor woningzoekenden te gebruiken en voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. woningzoekenden kunnen zich als woningzoekende inschrijven en kunnen via het aanbodinstrument nagaanwat hun inschrijfduur is; b. woningzoekende kunnen aangeven,dat zij in aanmerking wensen te komen voor de door corporaties via het aanbodinstrument te huur aangeboden woonruimten; c.
woningzoekenden worden op uniforme en transparante wijze geïnformeerd over de op grond van deze verordening en het toepasselijke bemiddelingsmodel geldende volgorde, waarin de categorieën woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen; en
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
8
d. woningzoekenden worden op uniforme en transparante wijze geïnformeerd over de voorwaarden waaraan zij moeten voldoen om in aanmerking te komen voor huur van de aangeboden woonruimten. 4. Eendoor het aanbodinstrument mogelijk gemaakteinschrijvingvan woningzoekenden om in aanmerking te komen voor woonruimte, vervalt niet in de gevallen bedoeld in de artikelen IIa, llb en llc van de wet. 5. De in het tweede lid genoemde termijn van drie werkdagen is de termijn bedoeld in artikel 17, eerste en derde lid, van de wet. 6. In afwijking van het tweede lid kan een corporatie de woonruimte korter dan drie werkdagen te huur aanbieden, als dat nodig is voor de uitvoering van het toegepaste bemiddelingsmodel. Artikel 2.2.4. Direct aanbod 1. De corporatie kan in de volgende omstandigheden woonruimte te huur aanbieden via een direct aanbod aan een woningzoekende: a. de woningzoekende is een houder van een geldende urgentieverklaring; b. er is sprake van woonruimte met een bijzonder vorm van bewoning zoals atelierwoningen en woongroepen en de uitdrukkelijke woonwens van de woningzoekendesluit bij die bijzonderevorm van bewoningaan; c. de woningzoekende heeft als gevolg van specifieke persoonlijke omstandigheden welke hem of haar onderscheiden van het overgrote deel van de woningzoekenden, een zeer geringe kans om zelfstandig binnen een redelijke termijn woonruimte te vinden; d.
specifieke persoonlijke omstandigheden van de woningzoekende maken het noodzakelijk dat de woningzoekende niet zelf woonruimte vindt; e. het belang van het bevorderen van doorstroming maakthet wenselijk om een woningzoekende een zeer specifiek aanbod aan woonruimte te doen; f. de woningzoekende beschikt als gevolg van een acute en onvoorziene omstandigheid niet meer over zelfstandige woonruimte en zou in verband daarmee in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, maar het is om humanitaire redenen onwenselijk om te wachten totdat hij of zij met die urgentieverkïaringwoonruimte zou vinden; g. de woningzoekende moet als gevolg van een uitspraak van een burgerlijke rechter of het advies van een klachtencommissie over een geschil inzake woonruimtebemiddeling, door een corporatie gehuisvest worden; h. de te huur aangeboden woonruimte betreft een flexwoning, waaronder wordt verstaan woonruimte voor tijdelijk gebruik op een tijdelijke locatie; i. de woningzoekende wil de aan te bieden woonruimte in het kader van woningruil woonruimte betrekken. 2
Indien woonruimte door een corporatie via direct aanbod te huur wordt aangeboden, komen de aanvragers voor de huisvestingsvergunning in aanmerking in de volgorde waarin hen door de corporatie een direct aanbod wordt gedaan.
Artikel 2.2.5. Bemiddelingsmodellen 1. De corporaties stellen gezamenlijk de binnen de regio toe te passen bemiddelingsmodellen vast. De corporaties nemen bij de vaststelling en toepassing van de bemiddelingsmodellen gezamenlijk het belang van een rechtmatige, transparante en evenwichtige verdeling van woonruimte binnen de regio in acht.
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
9
2.
De corporaties gebruiken een bemiddelingsmodel wanneer zij woonruimte via openbaar aanbod aanbieden.
3.
De bemiddelingsmodellen: a. zijn transparant en zijn voor een ieder kenbaaren raadpleegbaarop of via de websites van de corporaties; en b. voorzien in bijzondere volgorderegels voor die gevallen waarin meer dan één huishouden op grond van de reguliere volgorderegels voor de huur van de woonruimte in aanmerking zouden komen. 4. De bemiddelingsmodellen en het gebruik daarvan waarborgen dat: a. het woningzoekenden mogelijk is om op te huur aangeboden woonruimte te reageren; b. de volgorde waarin woningzoekenden voor de verlening van de huisvestingsvergunningin aanmerking kunnen komen, met toepassing van artikel 2.2.9 vastgesteld wordt; en c. uitsluitend aan de hand van objectieve en rechtmatige criteria de volgorde bepaald wordt waarin woningzoekendenvoor de te huur aangebodenwoonruimte in aanmerking komen. Artikel 2.2.6. Voorrang in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte (passendheidsdoelgroepen) 1. Bij het verlenen van een huisvestingsvergunningvoor woonruimte die behoort tot een in onderstaande tabel genoemde categorie woonruimte, kan voorrang gegeven worden aan woningzoekenden die behoren tot een in die tabel rechts van de desbetreffende categorie woonruimte genoemde passendheidsdoelgroep. Rij-
Kolom 1: Categorie
nurrt rrier
woonruimte
Kolom 2: Passendheidsdoelgroep
(gelabelde
woonruimte) Woonruimte geschikt voor de
huisvesting van senioren
Huishoudenswaarvantenminste één lid de leeftijd van 55 jaar, of een hogere, nader te bepalen leeftijd, heeft bereikt.
Woonruimte in het
Huishoudens waarvan alle leden niet ouder zijn bijzonder geschikt dan 27 jaar, of een lagere, nader te bepalen, leeftijd voor de huisvesting hebben. van jongeren Woonruimte in het
Huishoudens die geen zelfstandige woonruimte onbewoond achterlaten. bijzonder geschikt voor de huisvesting van starters
Woonruimte in het
Huishoudens die een zelfstandige woonruimte onbewoond achterlaten.
bijzonder geschikt voor de huisvesting o van doorstromers woonruimte onbewoond achterlaten.
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
10
Woonruimte in het
Huishoudens in het bezit van een indicatie.
bijzonder geschikt en nodig voor bewoners met een
beperking
o bijzonder geschikt voor gezinnen
Huishoudens bestaande uit tenminste één
Woonruimte in het
Huishoudens bestaande uit ten minste vijf personen.
bijzonder geschikt
volwassene en één kind jonger dan 18 jaar.
voor grote huishoudens
Woonruimte met drie of minder kamers
Huishoudens die zelfstandige woonruimte van een corporatie met vier of meer kamersonbewoond achterlaten.
De categorieën woonruimte beschreven in kolom 1 van de in het vorige lid opgenomen tabel zijn aangewezen als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet. 3. In dit artIkel wordt onder indicatie verstaan: een advies van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen deskundige, waaruit blijkt of een huishouden als gevolg van een beperking van een lid of meerdere leden van het huishouden aangewezenis op woonruimte die in het bijzonder geschikt en nodig is voor bewoners met die beperking 2.
Artlket 2.2.7. Voorrang in verband met economische en maatschappelijk gebondenheid Bij de verlening van huisvestingsvergunningenvoor ten hoogste 50 procent van de woonruimten die behoren tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, bedoelde categorieën woonruimte, kan voorrang gegevenworden aan woningzoekendendie economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan: a. regio; b. de gemeente; of c. een deel van de gemeente. Artikel 2.2.8. Voorrang voor vitale beroepsgroepen 1. Binnen de groep van woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente kan voorrang worden gegeven aan woningzoekenden die, blijkens een schriftelijke arbeidsovereenkomst met een omvang van tenminste 24 te werken uren per week, behoren tot tenminste één van de in het tweede lid aangewezen vitale beroepsgroepen. 2. De in het eerste lid bedoelde vitale beroepsgroepen zijn overeenkomstIg de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gehanteerde beroepenindeling 'ROA CBS2014 (BRC 2014)’ de volgende beroepsgroepen: 0112 Docenten beroepsgerichte vakken secundair onderwijs 0113 Docenten algemene vakken secundair onderwijs 0114 Leerkrachten basisonderwijs 0131 Leidsters kinderopvang en onderwijsassistenten0632 Brandweer en politie 1033 Verpleegkundigen
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
11
1051 Verzorgenden Artikel 2.2.9. Volgordebepaling woningzoekenden ingeval van openbaar aanbod 1. Indien woonruimte via openbaar aanbod te huur wordt aangeboden, wordt de volgorde waarin de aanvragersvan de huisvestingsvergunningvoor verlening daarvan in aanmerking komen, overeenkomstig dit artikel vastgesteld. 2. Voor de verlening van de huisvestingsvergunningkomen achtereenvolgens in aanmerking: a. ' de woningzoekenden die in het bezit zijn van een passende urgentieverklaring en van hen als eerste degene bij wie de eerste fase van de urgentie als eerste is verlopen of verloopt; b. woningzoekenden die deel uitmaken van een bindingsdoelgroep of een passendheidsdoelgroep, indien aan hen daarom gelet op artikel 2.2.7 of artikel 2.2.6 voorrang wordt gegeven bij de verlening van huisvestingsvergunningen; c. de resterende woningzoekenden. 3 Indien op grond van het tweede lid niet kan worden vastgesteld in welke volgorde aanvragers in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning, wordt die volgorde vastgesteldop basisvan het door de corporatie toegepaste bemiddelingsmodel. 4 Het tweede lid, onder a, is alleen van toepassing op een houder van een urgentieverklaring als: a. het door de corporatie toegepaste bemiddelingsmodel vermeld is in de urgentieverklaring; b.
in de urgentieverklaringniet is bepaald,dat de urgentieverklaringniet van toepassing is op de in artikel 2.2.6 bedoelde categorie woonruimte waartoe de te huur aangebodenwoonruimte behoort; en c. de corporatie geen gebruik heeft gemaakt van de in het vijfde lid bedoelde mogelijkheid. 5 Een corporatie kan bij het via openbaar aanbod te huur aanbieden van woonruimte per kalenderjaar in maximaal 5 % van de gevallen aangeven, dat een urgentieverklaring niet tot gevolg heeft dat de houder ervan voorrang heeft bij de verlening van de huisvestingsvergunni ng. 6 Voor houders van een urgentieverklaring waarmee zij zijn ingedeeld in de urgentiecategorie 'herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’, wordt voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid, onder a, de eerste fase van de urgentie geacht te verlopen op het moment waarop de helft van de uitverhuisperiode is verstreken. 7 In dit artikel worden onder een passende urgentieverklaring verstaan: een urgent{everklarïng die de houder ervan gelet op het bepaalde in artikel 3.2.1, tweede lid, voorrang geeft bij het verlenen van een huisvestingsvergunningvoor de te huur aangeboden woonruimte. 8 Dit artikel is niet van toepassing op houders van een urgentieverklarïng indien in de urgentieverklaringis bepaald,dat hij of zij niet zelf via het aanbodinstrumentnaar woonruimte kan zoeken.
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
12
Hoofdstuk 3. De urgentieverklaring
Paragraaf 3.1. Verlening, weigering, intrekking en wijziging van de urgentieverklaring Artikel 3.1.1. Bevoegdheid tot verlening van de urgentieverklaring 1. Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraagom een urgentieverklaring. 2. Bevoegd is het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager woont. 3. Indien de aanvragerniet in de regiogemeentewoont, beslisthet collegevan de regiogemeente waar aanvrager wil gaan wonen op de aanvraag. 4. Indien de urgentieverklaring wordt aangevraagd met een beroep op de in artikel 3.4.3 opgenomen urgentiecriteria, beslist het college van de herkomstgemeente op de aanvraag. Artikel 3.1.2. De aanvraag om een urgentieverklaring 1. De aanvraag om een urgentieverklaring wordt ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente dat bevoegd is op de aanvraagte beslissen.
2. Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen dat de aanvraagom een urgentleverklaring in bepaalde categorieën van gevallen in afwijking van het bepaalde in het vorige lid, uitsluitend ingediend kan worden bij het bestuur van de StichtIng Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond of een corporatie. 3. Het college van burgemeester en wethouders dat op de aanvraagbeslist, kan de aanvrager een vergoeding voor het behandelen van de aanvraagin rekening brengen. 4. De in het vorige lid bedoelde vergoedingbedraagt ten hoogste€ 50,-. Dit bedrag mag vermeerderd worden met de kosten die gemoeid zijn met het door het collegevan burgemeester en wethouders inschakelen van externe adviseursten behoeve van de beoordeling van de aanvraag.
5. De aanvrager van een urgentleverklaring verstrekt bij de aanvraagin ieder geval elk van de volgende gegevens en bescheiden: a. de omvang en samenstelling van het huishouden waarop de aangevraagde urgentieverklaring betrekking heeft; b. een beschrijving van of gegevens over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleemdat aan de aanvraagten grondslagligt; c. gegevens over het inkomen en het vermogen van het huishouden; en d. de voorkeursurgentieregio. 6. De in de aanvraag te vermelden voorkeursurgentieregio is één van de volgende urgentieregio’s: a de urgentieregio Waterweg, bestaande uit de gemeenten Maassluis, Schiedam, Vlaardingen en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Hoekvan Hollanden Delfshaven; b. de urgentieregio Noord, bestaande uit de gemeente Lansingerlanden het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Overschie en Hillegersberg-Schie broek; c. de urgentieregio Hart van Rotterdam bestaat uit de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Delfshaven, Overschie, Hillegersberg-Schiebroek en Alexander en die
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
13
d.
e.
f.
g.
h.
delen van de gemeente Rotterdam die geen onderdeel zijn van een andere urgentieregio; de urgentieregio Oost, bestaande uit de gemeenten Capelle aan den IJssel,Krimpen aan den IJsselen het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeente Alexander; de urgenöeregio Zuidrand, bestaande uit de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard, Ridderkerk en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Charlois, Feijenoord, Hoogvliet, Pernisen IJsselmonde; de urgentieregio Voorne-Putten, bestaande uit de gemeenten Nissewaard en Voorne aan Zee en het gebied dat samenvatt met de voormalige Rotterdamse deelgemeente Rozenburg; de urgentieregio Noordoever, bestaande uit de gebieden die samenvallen met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Hoek van Holland, Delfshaven, Overschie, Hillegersberg-Schiebroek,PrinsAlexander, Centrum, Noord en Kralingen-Crooswijk; of de urgentieregio Zuidoever, bestaande uit de gebieden die samenvallen met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Rozenburg, Pernis, Charlois, Feijenoord, Hoogvliet en IJsselmonde.
Artikel 3.1.3. Weigeringsgronden 1. Het college van burgemeester en wethouders weigert de aangevraagde urgentieverklaring indien: a. het inkomen van het huishoudenboven de inkomensgrensligt; of b. de aanvragergelet op dezeverordening niet in aanmerking komt voor indeling in een u rgentiecategorie. 2 Het college van burgemeester en wethouders kan de aangevraagdeurgentieverklaring weigeren indien sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. de aanvrager of een lid van diens huishouden voldoet niet aan het in artikel 10, tweede lid, van de wet bepaalde; b. de aanvrager maakt geen deel uit van een huishouden waarvan tenminste één lid een meerderjarige is; c. de aanvrageris niet als woningzoekendeingeschrevenin het aanbodinstrument; d. de aanvrager heeft geen urgent huisvestingsprobleem of kan dit redelijkerwijs zelf oplossen; e. de aanvrager niet economisch gebonden of maatschappelijk gebonden is aan de woningmarktregio; f. naar het oordeel van burgemeester en wethouders kan het urgente huisvestingsprobleem sneller of doelmatiger op een andere wijze opgelost worden; g. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het niet aannemelijk een urgentieverklaring bijdraagt aan een snelle oplossing voor het urgente huisvestlrIgsprobleem; h.
naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het aannemelijk dat een corporatie gelet op de aard of omvang van de schulden van aanvrager, met de aanvragergeen huurovereenkomst zal sluiten; i. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is bewoning van een zelfstandige woonruimte door aanvrager en diens huishouden redelijkerwijs niet mogelijk;
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
14
j.
naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het urgente huisvestingsprobleem ontstaan als gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van diens huishouden, voor zover dit doen of nalaten niet langer dan twee jaar voor het indienen van de aanvraagplaatsvond; k. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het urgente huisvestingsprobleem ontstaan omdat aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden geen gebruik heeft gemaakt van een van overheidswege verstrekte voorziening; 1. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het gelet op het recente woonverleden of de financiële situatIe van aanvrager aannemelijk dat de verlening van de aangevraagde urgentieverklaring niet binnen zes maanden zal leiden tot huur van woonruimte; m. de aanvraag heeft betrekking op indeling in een in artikel 3.4.3 bedoelde urgentiecategorie en de in dat artikel genoemde voorziening of instelling waaruit aanvrageruitstroomt, is niet met toepassingvan het bepaaldeartikel 3.4.3, vijfde lid, aangewezendoor een collegevan burgemeesteren wethoudersvan een regiogemeente; n.
de aanvraag heeft betrekking op indeling in een in artikel 3.4.3 bedoelde urgentiecategorie en de aanvrager stemt niet in met een voorwaarde die het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 3.4.3, derde id, voornemens is op te leggen; o. de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van het huishouden van aanvrager verleende urgentieverklaring is ingetrokken met toepassingvan artikel 3.1.4, eerste lid, onder f, of tweede lid, onder b, c of d. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, kan het college van burgemeester en wethouders ook als het inkomen van het huishouden van aanvrager boven de inkomensgrens ligt, de urgentieverklaring toch verlenen indien naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders sprake is van een uitzonderlijke medische situatie waardoor het urgente huisvestingsprobleem van aanvrager niet opgelost kan worden binnen een ander deel van de woonruimtevoorraad dan aangewezen in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a. -tíkel3.1.4. Intrekkingsgronden Het college van burgemeester en wethouders kan een urgentieverklaring intrekken als: a. de houder van de urgentieverklaringom intrekking daarvanverzoekt; b. het huisvestingsprobleemdat ten tijde van verlening van de urgentieverklaring bestond, niet meer bestaat; c. het inkomen van het huishoudenboven de inkomensgrensligt; d.
sprake is van één of meer van de in artikel 3.1.3, tweede lid, genoemde omstandigheden; e. de houder van de urgentieverklaringniet meer voldoet aan de urgentiecriteria; of f. de houder van de urgentieverklaring bij het verzoek om indeling in een urgentlecategorie onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en, indien wel juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring was geweigerd . 2.
Het college van burgemeester en wethouders kan voorts een urgentieverklaring intrekken indien sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
15
a. tijdens de eerste fase van de urgentie heeft de houder van de urgentieverklaring nagelaten via het aanbodinstrumenten een reactie te geven op tenminste 24 verschillende, via het aanbodinstrument aangeboden, woonruimten die voldoen aan het in de urgentieverklaringopgenomenwoonruimtetype en die gelegenzijn in de in de urgentieverklaring genoemde voorkeursurgentieregio; b. tijdens de tweede fase van de urgentIe heeft de houder van de urgenHeverklaring nagelaten via het aanbodinstrument tenminste eenmaal per week een reactIe te geven op woonruimten die voldoen aan het in de urgentleverklaring opgenomen zoekprofiel en gelegen zijn in de op de urgentieverklaring vermelde voorkeu rsurgentleregio; c. de houder van de urgentieverklaring heeft passende woonruimte geweigerd; d. de houder van de urgentieverktaring een via een eigen reactie aangeboden woonruimte, welke tenminste voldeed aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype, heeft afgewezen; e. de houder van de urgentieverklaring verhuist naar een zelfstandige woonruimte, tenzij de houder van de urgentieverklaring binnen dertig dagen na de verhuizing verzoekt om het voort laten duren van de urgentieverklaring en daarbij onderbouwd aantoont dat het huisvestingsprobleem in verband waarmee de urgentieverklaring was afgegeven, niet is opgelost; f.
de houder van de urgentieverklaring aan hem aangeboden woonruimte misloopt omdat hij de gegevensen bescheidendie hij moet aanleverenvoor het sluiten van de huurovereenkomst,niet binnen de door de corporatie aangegeventermijn of voor het door de corporatIe aangegeventijdstip aanlevert; of g. de houder van de urgentieverklaring komt één of meer van de op grond van artIkel 3.3.2 op hem rustende verplichtingen of een aan de urgentieverklaring verbonden voorwaarde of verplichting niet na. 3. Het vorige lid, onder a en b, is niet van toepassing op een urgentieverklaring verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie. Artikel 3.1.5. Wijzigingsgronden Het college van burgemeester en wethouders kan een urgentieverklaring wijzigen indien: a. de woningzoekendebij het verzoekom indeling in een urgentiecategorieonjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en, indien wel juiste of onvolledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, anders op het verzoek zou zijn besloten; of b. de omstandigheden die leidden tot toekenning van de urgentieverklaring zodanig gewijzigd zijn, dat zij nopen tot wijziging van de urgenHeverklaring. ikel 3.1.6. Advisering
Het college van burgemeester en wethouders kan zich bij de voorbereiding van een besluit op de aanvraagom een urgentieverklaring of een besluit tot wijziging of intrekking van een urgentieverklaring laten adviseren door een ter zake deskundige persoon. 2. Indien in het eerste lid bedoelde advisering geschiedt door een ter zake deskundige medische of sociaal-medische adviseur, heeft deze geen behandelrelatie heeft met de aanvrager van de urgentieverklaring.
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
16
Artikel 3.1.7. Hardheidsclausule
1. Het college van burgemeester en wethouders is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien: a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. 2. Het collegevan burgemeesteren wethouders registreert de gevallenwaarin met toepassingvan het in het eerste lid bepaaldeeen urgentieverklaringwordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het in artikel 4.2.2 van de
verordeningbedoeldeoverleg. Paragraaf 3.2. Werking en inhoud van de urgentïeverklaring Artikel 3.2.1. Werking van de urgentieverklaring 1. Bij de verlening van een urgentieverklaring wordt de houder ervan ingedeeld in een urgentiecatego rie. 2. De houder van een urgentieverklaring heeft met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 2.2 voorrang bij het verlenen van een huisvestingsvergunningindien voldaan is aan elk van de volgende voorwaarden: a. de urgentieverklaring is niet ingetrokken; b. de aangebodenwoonruimte behoort tot het woonruimtetype dat in het zoekprofiel van de urgentieverklaring is opgenomen; c. de aangeboden woonruimte is ligt in het zoekgebied dat onderdeel uitmaakt van het zoekprofiel dat in de urgentieverklaring is opgenomen; d. indien woonruimte via openbaar aanbod te huur wordt aangeboden, is in de urgentieverklaring met toepassing van artikel 3.2.2, vijfde lid, onder a, of in het bemiddeltngsmodel niet uitgesloten dat de houder van de urgentieverklaring op de aangeboden woonruimte mag reageren; e. in de urgentieverklaring is niet met toepassing van artikel 3.2.2, vijfde lid, onder b, bepaald, dat de houder van de urgentieverklaring niet vanwege de urgentieverklaring voorrang heeft bij het verenen van huisvestingsvergunningen. 3. De urgentieverklaring vervalt indien: a.
de houder niet langer als woningzoekende is ingeschreven in het aanbodinstrument; of b. bij verhuizing naar een in de eerste of tweede fase aangeboden zelfstandige woonruimte, tenzij het collegevan burgemeesteren wethouders besluiten dat het aan de urgentie ten grondslag liggende huisvestingsprobleem niet opgelost is. Artikel 3.2.2. Inhoud van de urgentieverklaring 1. Het college van burgemeester en wethouders vermeldt in de urgentleverklaring in ieder geval a. de naam van de houder of namen van de houders van de urgentieverklaring;
DefinitIeve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
17
b
2.
3. 4.
5.
het zoekprofiel, met daarin een omschrijving van het woonruimtetype en het zoekgebied waarvoor de urgentieverklaring voorrang geeft bij het verlenen van huisvestingsvergunningen; c. de voorkeursurgentIeregio; en, d. de bemiddelingsmodellen waarbij de urgentieverklaring voorrang geeft bij het verlenen van huisvestingsvergunningen. Indien van toepassing vermeldt het college van burgemeester en wethouders in de urgentieverklaring eveneens: a. de eventueel aan de urgentieverklaringen verbonden voorwaarden en verplichtingen; b. de in artikel 3.4.7 bedoelde uitverhuisdatum; en c. de bemiddelingsmodellen bij de toepassing waarvan de urgentieverklaring geen voorrang geeft bij het verlenen van huisvestingsvergunningen. Het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied omvat de gehele regio. In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied slechts één regiogemeente omvatten, wanneer dat naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk is om het huisvestingsprobleem op te lossen. In de urgentieverklaring kan worden bepaald dat de houder van de urgentieverklaring: a. niet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte mag zoeken; b. bij bepaalde in artikel 2.2.6 bedoelde categorieën woonruimte niet vanwege de urgentleverklaring voorrang heeft bij de verlening van een huisvestingsvergunning; c.
op verzoek van het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden dient te verstrekkenwaarmee het collegevan burgemeesteren wethouders kan beoordelen of de urgentleverklaring gewijzigd of ingetrokken dient te worden.
tlkel 3.2.3. Het woonruimtetype In het zoekprofiel wordt woonruimtetype bepaald dat nodig is voor de oplossingvan het huisvestingsprobleem. Het woonruimtetype wordt zodanig bepaald dat: a. de houder met de urgentieverklaring geen wooncarrière kan maken, tenzij het maken van wooncarrière uitsluitend het gevolg is van het afhankelijk zijn van een woonruimtetype dat noodzakelijkis voor het oplossenvan het urgente huisvestingsprobleem;
en
b. het geen eengezinswoningenof benedenwoningen omvat, tenzij dat naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gelet op bijzondere omstandigheden noodzakelijk is. Het woonruimtetype in het zoekprofiel omvat tenminste de volgende elementen: a. het slaapkameraantal; b. de typering van de woonruimte; c. de huurprijs die passendwordt geachtvoor het huishoudinkomenvan aanvrager. Het zoekprofiel kan de omschrijving van een tweede woonruimtetype bevatten indien dat naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gelet op de toepasselijke urgentíecategorie of de samenstetlingvan de woonruimtevoorraad noodzakelijk is voor het oplossen van het urgente huisvestingsprobleem van de houder van de urgentieverklaring. Het in het vorige lid bedoelde tweede woonruimtetype geeft enkel voorrang bij het verlenen van huisvestingsvergunningen:
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
18
a. gedurende de tweede fase van de urgentie; en b. indien de woonruimte die voldoet aan het tweede in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype, gelegen is in de gemeente van het college van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring heeft afgegeven. 6. Onder wooncarrière wordt in dit artikel verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar algemeen gangbare maatschappelijke maatstaven als gewilder wordt beschouwd dan de woonruimte die achtergelatenwordt. Artikel 3.2.4. Slaapkameraantal 1. Het in het woonruimtetype op te nemen slaapkameraantal wordt overeenkomstig de onderstaande tabel bepaald aan de hand van de grootte en samenstelling van het huishouden van de houder van de urgentieverklaring. Aantal personen 1 Nadere beschrijving van de dat deel uitmaakt 1 samenstelling van het van het huishouden II huishouden
Aantal slaapkamers
Otot en met 2 2 volwassenen
1 tot en met 2
1 ouder en kind
2
2 ouders en kind
2
o
m
2 ouders en 2 kinderen
2 tot 3
1 ouder en 3 kinderen
3 tot en met 4
2 oudersen 3 kinderen
o
1d 6 of meer
c
4 of meer 4 of meer
2. Onder 'ouder’ als bedoeld in het vorige lid wordt mede verstaan,gelet op de zorg voor het inwonende kind of de inwonende kinderen, daaraangelijk te stellen persoonzoals voogd, pleeg- of stiefouder. Paragraaf 3.3. Zoekendoor en bemiddeling van de houder van de urgentieverklaring Artikel 3.3.1. Direct starten van de tweede fase van de urgentie 1. In de urgentieverklaring kan in de volgende gevallen worden bepaald dat de tweede fase van de urgentie in afwijking van het bepaalde in de vorige leden direct na verlening van de urgentieverklaring start: a. de urgentieverklaring wordt verleend voor indeling in de urgentiecategorie 'uitstroom naar zelfstandig wonen’ voor zover het betreft een woningzoekende als bedoeld in artikel 3.4.3, tweede lid, onder a, b of c; b. de houder van de urgentieverklaring of een lid van zijn huishouden is naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in zodanige mate afhankelijk zijn van zorg-, onderwijs- of dagbestedingsinstellingen dat
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam2025
19
redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat aanvrager buiten de huidige woonplaats of kern gaat wonen, terwijl gelet op de samenstelling en mutatiegraad van de woonruimtevoorraad in die woonplaats of kern redelijkerwijs verwacht moet worden dat de houder van de urgentieverkiaring niet gedurende de eerste fase van de urgentie zelf woonruimte overeenkomstig het in de urgentieverklaring voor de eerste fase op te nemen zoekprofiel zou kunnen vinden; c. overeenkomstig artikel 3.2.2, vijfde lid, is in de urgentieverklaring bepaald dat de houder van de urgentieverklaringniet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte mag zoeken. 2. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, onder b, wordt in het zoekprofiel van de urgentieverklaring als zoekgebied opgenomen de gemeente waartoe de in het derde lid, onder b, bedoelde kern behoort. Artikel 3.3.2. Zelf zoeken door de houder van de urgentieverklaring 1. De houder van de urgentieverklaring doet al hetgeen redelijkerwijs van hem gevergd kan worden om het aan de verlening van de urgentieverklaring ten grondslag liggende huisvestingsprobleem 2
op te lossen.
Gedurende de beide fasen van de urgentie: a. zoekt de houder van de urgentieverklaring zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte; b. geeft houder van de urgentieverklaring een reactie woonruimte die via het aanbodinstrument wordt aangeboden, voor zover de woonruimte voldoet aan het in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype. Het vorige lid is niet van toepassing als toepassing van artikel 3.2.2, vijfde lid, in de urgentieverklaring is bepaald dat de houder van de urgentieverklaring niet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte kan zoeken.
Artikel 3.3.3. Bemiddelen van de houder van de urgentieverklaring 1. Gedurende de tweede fase van de urgentie dragen de in de regio werkzame corporaties in gezamenlijkheid verantwoordelijkheid voor het aanbieden van woonruimte aan de houder van de urgentieverklaring. 2 Gedurende de tweede fase van de urgentie krijgt de houder van de urgentieverklaring van tenminste één van de in de regio werkzame corporaties een direct aanbod van een woonruimte die voldoet elk van de volgende eigenschappen: a. de woonruimte is gelegen in de in de urgentieverklaring vermelde voorkeursu rgentieregio; b. de woonruimte behoort tot een in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype. 3 Indien de urgentieverklaring verleend is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, geldt als de in het vorige lid, onder a, bedoelde voorkeursu rgentieregio: a. de urgentieregio Noordoever, indien in de urgentieverklaring één van de volgende urgentieregio’s als voorkeursurgentieregio is opgenomen: i. de urgentieregio Waterweg; ii. de urgentieregïo Noord; iii. de urgentieregio Hart van Rotterdam;
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
20
iv. de urgentieregio Oost; of v. de urgentieregio Noordoever. b. de urgentieregio Zuidoever, indien in de urgentieverklaring één van de volgende urgentieregio’s als voorkeursurgentieregio is opgenomen: i. de urgentieregio Zuidrand; ii. de urgentieregio Voorne-Putten; of iii. de urgentieregio Zuidoever. 4. Zodra de helft van de uitverhuisperiode is verstreken, doet een corporatie de houder van een urgentieverklaring, verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie, een direct aanbod van woonruimte die gelegen is binnen het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied en voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen woon ru imtetype. Paragraaf 3.4. De urgentfecategorieën Artikel 3.4.1. Mantelzorg Een woningzoekende die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verleent of ontvangt komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie 'mantelzorg’ indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraagniet met toepassing van
artikel 3.1.3 afwijst; b. de mantelzorg in de drie maanden voorafgaande aan het moment van de aanvraag tenminste acht uur per week is verleend of ontvangen; c. de in onderdeel b bedoelde acht uur mantelzorg per week is verleend gedurende ten minste vier dagen per week, tenzij de medische problematiek zoals Alzheimer, schizofrenie of andere chronische psychischeaandoeningen 24 uur per dag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordt geboden; d. de mantelzorgsituatie naar verwachting nog minstens één jaar zal voortduren; e. de relatie tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger gebaseerd is op famitiebanden of langdurige sociale omgang; f. de mantelzorgontvanger of mantelzorgverlener niet in een intramurale instelling wonen; g. de mantelzorgverlener medisch, fysiek en psychischin staat is mantelzorg te verlenen; h. het betrekken van een woonruimte in de regio de meest passende manier is om ervoor te zorgen dat de mantelzorgontvanger zelfstandig kan blijven wonen; en i. de mantelzorgverleneren mantelzorgontvangerop ten minste vijf kilometer afstand van elkaar wonen of de gemiddelde reistijd tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger tenminste een half uur bedraagt. Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek 1.
Een woningzoekende komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie 'ernstige en chronische medische problematiek’ indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraagom indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de woningzoekende kampt met ernstige en chronische medische problematiek, waarbij de huidige woonsituatie levensontwrichtendis omdat de woningzoekende
Definitieve verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
21
niet meer in staat is zelfstandigte functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie in de huidige zelfstandige woonruimte wordt beïnvloed; c. een andere zelfstandige woonruimte een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de woningzoekende vormt; en d. de woningzoekende met ernstIge en chronische problematiek van psychische aard op het moment van aanvraagten minste twaalf maandenonder behandeling is of is geweest voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor geneeskundige geestelijke zorg of instelling voor geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden, of vrijgevestigd psychiater in Nederland 2. Bij indeling in de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie van een woningzoekende
op grond van ernstige en chronische problematiek van psychischeaard kan het college van burgemeester en wethouders de voorwaarde opleggen dat de woningzoekende of een lid van diens huishoudenpsychiatrischezorg of begeleidingaanvaardten dat deze zorg aantoonbaar verleend wordt of gaat worden. De voorwaarde wordt dan in de urgenúeverklaring vermeld. tikel 3.4.3. Uitstroom naar zelfstandig wonen Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie 'uitstroom naar zelfstandig wonen’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraagom indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; en b. de woningzoekende tot een van de in het volgende lid genoemde categorieën behoort. Tot de in het vorige lid bedoelde categorieën behoren woningzoekenden: a. aan wie wegens dakloosheid een voorziening voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend en deze opvang, geboden door een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen instelling, verlaten; b. aan wie wegens huiselijk geweld of mensenhandel een voorziening voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend en deze opvang verlaten; c.