CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Gouwe 6-10_VST_Bijlagen 5-11 ruimtelijke onderbouwing.pdf

commissie Ruimte 15 juni 2021, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Herontwikkeling Gouwe 6-10 (Residence de Gouwe Hoeck) - Vaststellingsfase24.839 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De in de noordelijke kopgevel van de buren (welke nu boven het bestaande dak uit steekt) aanwezige stootvoegen zijn eerder in het verleden gedicht. Op donderdag 26 september 2019 zijn dan ook totaal geen sporen van vleermuizen vastgesteld zoals keutels en vleugels van vlinders. De bebouwing is geen onderdeel in een lijnvormig landschapselement waarop vleermuizen zich kunnen oriënteren. Lijnvormige landschapselementen kunnen bijvoorbeeld een route vormen tussen foerageergebieden en zomerverblijfplaatsen. De kans hierop is echter nihil doordat het pand aan de voorzijde wordt verlicht en er ook veel strooilicht is van straatverlichting. De ruimte aan de oostzijde is te beperkt voor een route. De bebouwing wordt daarnaast vervangen waardoor vleermuizen zich kunnen blijven oriënteren. Negatieve effecten op vliegroutes worden derhalve uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes kan worden uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen niet grenzen aan het plangebied. Negatieve effecten op migratieroutes worden derhalve uitgesloten. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er sporadisch gewone dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen (pioniervegetatie, verhardingen, veel licht).

Het plangebied en directe omgeving is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied. Door de realisatie van een tuin zullen de foerageermogelijkheden in de toekomst mogelijk verbeteren. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. 4.3 Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen in het plangebied en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt het de aanwezigheid van overige zoogdieren uitgesloten. Gedurende het verkennend onderzoek zijn er geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van de steenmarter.

Adviesbureau Mertens

9

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Gouwe 6, 8 en 10 te Barendrecht. Eindrapport september 2020

4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op donderdag 26 september 2019 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels (al dan niet met met vaste rust- en verblijfplaatsen). Voor huismus en gierzwaluw zijn de opstallen in en direct rond het plangebied volledig ongeschikt. Er zijn geen geschikte openingen vastgesteld voor huismus of gierzwaluw. Gedurende het verkennend veldonderzoek op donderdag 26 september 2019 zijn geen huismussen vastgesteld. Negatieve effecten op (nesten en eieren van) vogels derhalve worden uitgesloten.

4.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van amfibieën uitgesloten.

4.6 Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in en direct rond het plangebied aan de Gouwe 6, 8 en 10 te Barendrecht, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten.

4.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten.

4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen.

Adviesbureau Mertens

10

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Gouwe 6, 8 en 10 te Barendrecht. Eindrapport september 2020

5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE

Er is het voornemen voor de sloop van een kantoor om ter plaatse woningbouw te kunnen realiseren. Deze activiteiten zouden kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen in beperkte mate. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Het voorkomen van overige beschermde soorten, inclusief broedvogels, wordt uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen aan de Gouwe 6, 8 en 10 te Barendrecht zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

Adviesbureau Mertens

11

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Gouwe 6, 8 en 10 te Barendrecht. Eindrapport september 2020

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

Literatuur  Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348.  Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476.  EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad den Europese Gemeenschap, nummer L. 103.  EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van den van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7.  Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368.  Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584.  Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, Utrecht, 1260.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.

 Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Economische Zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 34 (2016), 1-84.  SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels.  Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151.  Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55.

Website  www.ravon.nl  www.waarneming.nl  www.sovon.nl  www.telmee.nl  www.zoogdiervereniging.nl  www.netwerkecologischemonitoring.nl  www.verspreidingsatlas.nl

Adviesbureau Mertens

12

Wageningen

BIJLAGEN

1. PLANGEBIED N▲

2. BEGRIPPEN

Baltsplaats

Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.

Foerageergebied

Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.

Foerageerplaats

Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.

Kolonie

Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.

Migratieroute

Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.

Paarplaats

Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.

Verblijfplaats

Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).

Vliegroute

Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.

Voorbijvliegend

Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.

Zwermen

Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.

Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en

temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.

213

Bijlage 9 Stikstofonderzoek

omgevingsvergunning "Gouwe 6-10" (vastgesteld)

Wissing BV

Gouwe 6-10 in Barendrecht Onderzoek stikstofdepositie

Datum:

26 november 2020

Kenmerk:

NOT19160786-02

Inleiding Voor het bestaande kantoorgebouw aan de Gouwe 6-10 in Barendrecht is een nieuwbouwplan opgesteld. Het plan omvat de sloop van de bestaande bebouwing en realisatie van nieuwbouw voor twaalf appartementen met bijbehorende parkeerplaatsen onder het gebouw. In figuur 1 is de ligging van de planlocatie weergegeven.

Figuur 1: Ligging planlocatie aan de Gouwe 6-10 in Barendrecht

In figuur 2 is de ligging van de planlocatie weergegeven op een luchtfoto. Ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing van het plan is onder meer onderzoek nodig naar de consequenties van het plan voor de uitstoot en depositie van stikstof. Namens initiatiefnemer heeft Wissing BV aan BuroDB opdracht verleend voor uitvoering van het benodigde onderzoek stikstofdepositie. De effecten van het plan tijdens de aanlegfase (bouw) en gebruiksfase zijn hiermee inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de geldende regelgeving.

1

Figuur 2: Ligging planlocatie aan de Gouwe 6-10 in Barendrecht

Planlocatie De planlocatie licht aan de Gouwe in Barendrecht, op de hoek van de Gouwe en de Binnenlandse Baan. In de bestaande situatie is op de locatie een kantoorgebouw aanwezig. Op de foto van figuur 3 is dit gebouw zichtbaar.

Figuur 3: Weergave planlocatie Gouwe 6-10 in Barendrecht, huidige situatie (foto: GoogleStreetview)

Met het plan wordt de bestaande bebouwing geheel geamoveerd en wordt een nieuw gebouw met twaalf appartementen gerealiseerd. In figuur 3 is een 3D-impressie van de nieuwbouw weergegeven.

2

Figuur 4: Impressie plan Gouwe 6-10 in Barendrecht (bron: De Roon architecten)

De planlocatie ligt aan de Gouwe in Barendrecht. Via de Binnenlandse Baan, de 1e Barendrechtseweg en de Dierensteinweg is de planlocatie verbonden met het hoofdwegennet, rijksweg A15. De afstand tussen de planlocatie en deze rijksweg is circa 3,4 kilometer.

Onderzoek stikstofdepositie In de Natuurbeschermingswet 1998 en Habitatrichtlijn is opgenomen dat een planologisch plan geen significante effecten mag hebben op Natura 2000. Natura 2000 is het Europese netwerk van natuurgebieden, maar het is ook de naam van het Europese beleid om de natuur en vooral de biodiversiteit in die gebieden te beschermen. Bouwplannen (ook kleinschalige plannen) kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatste van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Het gebruik van de woningen of inrichting (de gebruiksfase) kan leiden tot een emissie van stikstof. Deze emissie kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het gebruik van gas (voor verwarming) en het autoverkeer van bewoners en/of bezoekers van de planlocatie. Ook kan sprake zijn van een emissie van stikstof als gevolg van de sloop- en bouwwerkzaamheden in de aanlegfase, bijvoorbeeld als gevolg van de af- en aanvoer van bouwmaterialen en grondverzet op de bouwplaats. Of een plan invloed heeft moet worden vastgesteld middels een voortoets, gebaseerd op berekeningen met de AERIUS Calculator. Namens de initiatiefnemer van het plan heeft Wissing BV aan BuroDB opdracht verleend voor het uitvoeren van het benodigde onderzoek naar de stikstofdepositie van het plan. De uitgangspunten en bevindingen van het onderzoek zijn in deze rapportage beschreven.

3

Toetsingskader Tot voor kort was werd de emissie en depositie van stikstof door ruimtelijke plannen getoetst middels het systeem van de Programmatische atische Aanpak Stikstof (PAS). De e Raad van State heeft op 29 mei 2019 een uitspraak ak gedaan waarmee een streep is gezet door het PAS. De Raad van State stelt dat de passende beoordeling van het PAS aan dezelfde eisen moet voldoen als een passende beoordeling van een individueel project of plan. Het PAS voldoet hier niet aan omdat ook effecten effecten van andere maatregelen ten onrechte in de beoordeling worden betrokken. Op 25 september 2019 heeft de Adviescollege Stikstofproblematiek onder leiding van de heer J.W. Remkes een advies uitgebracht en aanbevelingen gedaan voor de korte termijn. Voor Vo het verlenen van toestemming voor een plan of project is een stappenplan opgesteld. Dit stappenplan is weergegeven in figuur 5.

Rijksoverhei Figuur 5:: Beslisboom toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten (bron: Rijksoverheid)

4

Parallel daaraan is tevens de voorgeschreven rekenmodule 'AERIUS' geactualiseerd aan de nieuwe situatie. De nieuwste versie '2020' dateert van 15 oktober 2020. Voor plannen die mogelijk invloed kunnen hebben op de stikstofdepositie bij natuurgebieden dient onderzoek te worden verricht met behulp van deze AERIUS Calculator. Algemeen geldt dat als een plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie het zonder vergunning kan worden uitgevoerd. In geval van een verwachte toename van de stikstofdepositie dient een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd, waarbij mogelijke maatregelen dienen te worden beschouwd en getoetst. Resumerend, bij uitvoering van de voortoets stikstofdepositie geldt als norm de waarde van 0,00 mol/ha/jaar. Indien bij een bouwplan sprake is van normoverschrijding kan het plan worden aangemeld voor het Stikstofregistratiesysteem (SSRS). Het SSRS registreert per Natura 2000-gebied de effecten van de maatregelen die de stikstofdepositie moeten verminderen. Het systeem registreert ook welke depositieruimte wordt gereserveerd en toebedeeld voor het verlenen van natuurtoestemming. Voor meer informatie over het SSRS wordt verwezen naar de website www.aanpakstikstof.nl.

Uitgangspunten Voor het plan Gouwe 6-10 in Barendrecht is onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten uitstoot en depositie van stikstof van de planlocatie. Daarbij zijn de aanlegfase (de sloop- en bouwperiode) en de gebruiksfase (periode na realisatie plan) beschouwd en beoordeeld. De bij het onderzoek gehanteerde uitgangspunten zijn hierna beschreven. Deze zijn in overleg met de initiatiefnemer opgesteld. Bestaande situatie In de bestaande situatie is de planlocatie bebouwd met een kantoorgebouw. Dit gebouw zal voor het plan in zijn geheel worden gesloopt. Plansituatie Het plan omvat de sloop van de bestaande opstal en de bouw van een appartementengebouw met twaalf woningen. Deze nieuwe woningen worden niet aangesloten op het gasnet. Verwarming middels gasverbranding is in de nieuwbouw niet aan de orde. Aanlegfase en gebruiksfase De hoeveelheid stikstof die als gevolg van het plan, door verbranding van fossiele brandstoffen, plaatsvindt tijdens de bouwwerkzaamheden wordt veroorzaakt door voertuigen en machines. Tijdens de gebruiksfase is sprake van aan het plan gebonden verkeersbewegingen. De woningen binnen het plangebied hebben een bepaalde verkeersaantrekkende werking. Emissiebronnen in de aanlegfase Bij realisatie van het plan vinden in de aanlegfase bouwactiviteiten plaats.

In deze fase zijn met enige regelmaat machines en werktuigen nodig zoals bijvoorbeeld kranen/graafmachines, vrachtwagens, bestelbussen, etc. Daarnaast is sprake van verkeer van bestelbussen/personenauto's ten behoeve van installateurs, bouwpersoneel, etc. De bij de aanlegfase behorende uitgangspunten zijn gebaseerd op de door de planontwikkelaar aangeleverde planinformatie en op bij BuroDB beschikbare informatie. Volgens opgave heeft de

5

1

aanlegfase van het plan (de bouwwerkzaamheden) een duur van ongeveer dertien maanden . Bij het onderzoek stikstofdepositie is ervan uitgegaan dan alle werkzaamheden plaatsvinden binnen de periode van één jaar. Voor het plan is dit een worst case-benadering. De gegevens over het gebruik van voer- en werktuigen tijdens de bouwperiode zijn ontleend aan ervaringscijfers. De aangeleverde gegevens zijn vertaald en samengevat in tabel 1. Bij de toepassing en het gebruik van de verschillende werk- en voertuigen is uitgegaan van een hoge inschatting van het aantal uren. De uitgangspunten kunnen worden gezien als worst case. Voertuig/actie

Actie

Aantal/duur

Totaal aantal/duur

Kraan Spiering elektrisch

Sloopwerkzaamheden

20 dagen

132 uur

Telescoop Kraan (>2014)

Liften bouwmaterialen

20 dagen

132 uur

Heistelling (>2014)

Heien

5 dagen

40 uur

Kraan (>2014)

Damwanden trillen

3 dagen

24 uur

Graafmachine (>2014)

Aan/uitvullen grond

1 dag

120 uur

Vrachtwagen

Bouwrijp

10 transporten

4 ritten

Vrachtwagen

Aan- en afvoer materiaal

25 transporten

50 ritten

Werknemer(s) en materiaal

4 per dag

1.920 ritten

Vervoer werknemer(s)

2 per dag

960 ritten

(zwaar, combinatie) Bestelbus Personenauto

Tabel 1: Overzicht uitgangspunten aanlegfase

In tabel 1 is een overzicht gegeven van de werkzaamheden/acties met het bijbehorende gebruik en de duur. Aangegeven is dat voor de stroomvoorziening tijdens de bouwperiode zal worden aangesloten op het netstroom. Er worden geen aggregaten toegepast. In de AERIUS Calculator wordt voor het aantal verkeersbewegingen rekening gehouden met een weekdaggemiddelde. In de AERIUS Calculator wordt het weekdaggemiddelde omgerekend naar een jaaremissie. Omdat de invoer van het aantal bewegingen alleen met hele getallen kan worden ingevoerd, is het aantal bewegingen waar nodig afgerond naar boven. In de praktijk ligt het gemiddeld aantal verkeersbewegingen in de aanlegfase mogelijk dus lager. Uitgegaan is van een worst case-situatie. De beoogde bouwperiode van de nieuwbouw heeft de duur van circa een jaar; circa 240 werkbare dagen. Bij de invoer van de mobiele bronnen en de verkeersbewegingen tijdens de aanlegfase is ervan uitgegaan dat alle bouwwerkzaamheden plaatsvinden binnen het tijdsbestek van één jaar. Uitgegaan is van uitvoering van de werkzaamheden in 2021 (worst case). Voor de emissie vanuit de mobiele werktuigen is een inschatting gemaakt aan de hand van het RIVMrapport 'Addendum default brongegevens Mobiele werktuigen- afwijkende categorieën'. Op basis hiervan is voor de mobiele werktuigen de afgeleide emissie per werktuig bepaald. Deze zijn weergegeven in tabel 2.

1

start werkzaamheden in juni 2021 en verwachte oplevering in juli 2022

6

Voertuig/actie

Emissiefactor

Vermogen

Gemiddelde

Duur

Emissie NOx

NOx

[KW]

belasting

[uren]

bouwperiode [kg/jr]

[gram/KWh] Kraan Spiering elektrisch

0,1**

100

60%

132

0,792

Telescoop Kraan (>2014)

0,4

230

50%

132

6,072

Heistelling (>2014)

0,4

220

50%

40

1,760

Kraan (>2014)

0,4

200

50%

24

0,960

Graafmachine (>2014)

0,4

180

60%

120

5,184

Vrachtwagen

Vervoer

-

-

54 ritten

ca. 0,8*

Bestelbus/personenauto

Vervoer

-

-

2.880 ritten

ca. 3,1*

Totaal plan

18,64*

** worst case aanname * Bepaald m.b.v. de AERIUS Calculator

Tabel 2: Berekening emissie NOx per bron tijdens de aanlegfase van het plan

De route die het bouwverkeer rijdt tussen de planlocatie en de rijksweg A15 leidt via de Binnenlandse Baan, de 1e Barendrechtseweg en de Dierensteinweg. Dit is een afstand van circa 3,4 kilometer. Vanaf de aansluiting met de rijksweg A15 mengt het bouwverkeer zich in het reguliere wegverkeer. Emissiebronnen gebruiksfase Omdat de nieuwe woningen niet worden aangesloten op het gasnet zal tijdens de gebruiksfase geen sprake zijn van uitstoot van stikstof als gevolg van de verwarming van de woningen. Tijdens de gebruiksfase van de nieuwbouw is alleen sprake van een verkeersaantrekkende werking. Uitgangspunt is dat wordt gereden met personenauto's op diesel en/of benzine. Er is sprake van verkeer van personenauto's door bewoners en bezoekers. De verkeersgeneratie van de planlocatie is vastgesteld middels een berekening op basis van kencijfers 2

van het CROW . Hierbij is gebruik gemaakt van de kencijfers voor verkeersgeneratie uit publicatie 381'Toekomstbestendig parkeren' van december 2018. De planlocatie is gesitueerd in een sterk stedelijk gebied en gelegen in de 'Rest van de bebouwde kom' van Barendrecht. Het betreft de realisatie van twaalf nieuwe appartementen. De daarbij behorende gemiddelde verkeersaantrekkende werking is (maximaal) 7,5 autoritten per woning per etmaal. Voor het beoogde bouwplan komt dit neer op circa 90 autoritten per etmaal. Bij het onderzoek is hiervan uitgegaan. De route die het plan gebonden verkeer rijdt tussen de planlocatie en de rijksweg A15 leidt via de Binnenlandse Baan, de 1e Barendrechtseweg en de Dierensteinweg. Dit is een afstand van circa 3,4 kilometer. Vanaf de aansluiting met de rijksweg A15 mengt het plangebonden verkeer zich in het reguliere wegverkeer. Uitgegaan is van rekenjaar 2022, het eerste jaar van bewoning. Uit de AERIUS Calculator volgt dat de NOx emissie van het plangebonden verkeer circa 33,25 kg per jaar bedraagt.

2

Het CROW is een onafhankelijke kennisorganisatie op het gebied van infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer

7

Emissiewaarden Stikstof Bij het uitvoeren van de berekeningen is, waar nodig, uitgegaan van de door het RIVM opgestelde emissiewaarden. Deze waarden dateren van 5 juli 2018. De gehanteerde emissiewaarden behoren bij de AERIUS Calculator en zijn daarin toegepast.

Onderzoek stikstofdepositie Met behulp van de AERIUS Calculator (versie 2020 van 15 oktober 2020) is de emissie en depositie van stikstof van de planlocatie in de plansituatie berekend. Bij de berekeningen is uitgegaan van het maatgevende jaar 2020 (worst case). Aanlegfase De emissiebronnen van de aanlegfase zijn in de AERIUS Calculator ingevoerd. Door AERIUS is voor alle in Nederland aanwezige Natura 2000-gebieden de depositie van stikstof door het plan berekend. De Oude Maas is het meest dichtbij gelegen natuurgebied. In bijlage 1 zijn de berekeningsresultaten van de AERIUS Calculator voor de aanlegfase van het plan opgenomen. Uit de met de AERIUS Calculator uitgevoerde berekeningen volgt dat er ten gevolge van de planlocatie in de aanlegfase geen sprake is van een relevante bijdrage (depositie van NOx) in omliggende Natura 2000-gebieden. De maximale depositie bedraagt (afgerond) 0,00 mol/ha/jaar. Gebruiksfase De emissiebronnen van de gebruiksfase zijn ook in de AERIUS Calculator ingevoerd. De berekeningen zijn uitgevoerd voor alle in Nederland aanwezige Natura 2000-gebieden. De resultaten van de berekeningen zijn opgenomen in de rapportage van bijlage 2 van dit rapport. Uit de resultaten volgt dat ook tijdens de gebruiksfase geen sprake is van een significante bijdrage aan stikstofdepositie door het plan. De maximale depositie van stikstof bedraagt 0,00 mol/ha/jaar.

Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie kan worden gesteld dat het plan zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000gebieden veroorzaakt. Uit de voortoets blijkt dat voor het plan geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is.

8

Bijlage 1: Resultaten AERIUS Calculator aanlegfase plan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10206315/1