Collegebrief def - zienswijze participatieverordening
Tekst van het document
Aan de gemeenteraad
Uw brief van:
Ons kenmerk:
Uw kenmerk:
Contactpersoon: Michiel Jabaaij
Bijlage(n):
Cluster:
DVB
Telefoon:
140180
Datum:
30 september 2025
Onderwerp:
Zienswijze participatieverordening
2025-060389
Geachte raadsleden, Per 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau van kracht geworden. Deze wet beoogt dat inwoners een grotere rol krijgen bij alle stappen van de beleidsvorming. Dit brengt voor gemeenten een aanzienlijke aanpassing in zowel werkwijze als organisatiecultuur met zich mee. Gemeenten zijn op grond van de wet gehouden om uiterlijk 1 januari 2027 een participatieverordening vast te stellen. Vanuit uw raad heeft een werkgroep participatie een concept Participatieverordening 2025 opgesteld. U heeft gevraagd om een zienswijze hierop vanuit het college. Met deze brief ontvangt u die. Zienswijze De verordening heeft tot doel kaders en voorwaarden te scheppen voor samenwerking tussen inwoners, maatschappelijke partijen, bestuursorganen en gemeenteambtenaren. Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van participatie. Het college deelt dit uitgangspunt en we begrijpen de bedoeling van de verordening. Ons inziens biedt de voorliggende verordening echter onvoldoende handvatten om dit te kunnen implementeren. Onze belangrijkste argumenten zetten we hieronder uiteen.
1. Reikwijdte: Wij delen het uitgangspunt uit artikel 3 dat elk bestuursorgaan voor zijn eigen taken en bevoegdheden zelf bepaalt of participatie wordt toegepast. In dit artikel staat een aantal uitzonderingsgronden. Niet helder is hoe deze uitzonderingsgronden in de praktijk moeten worden toegepast. In de toelichting op het artikel staat immers dat terughoudend met de uitzonderingsgronden moet worden omgegaan en dat er steeds aandacht moet zijn voor het feit dat participatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie uitstrekt. Zonder een uitwerking hiervan kan moeilijk worden afgewogen hoe in de geest van de verordening gehandeld moet worden. Wanneer is er bijvoorbeeld sprake van een lopend uitvoerings- en evaluatietraject en vindt er dus geen participatie plaats? In welke situaties is lid d van toepassing: participatie vindt niet plaats als de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen. Wanneer is er sprake van spoedeisendheid en hoeft er geen participatie plaats te
pagina 1 van 4
vinden? In artikel 7 wordt ‘informeren’ ook gedefinieerd als een participatievorm. Bij bijvoorbeeld een spoedeisende ingreep in de openbare ruimte is het wenselijk om omwonenden hierover te informeren, terwijl de verordening hier juist ook een uitzondering op maakt. Kortom, de reikwijdte van de verordening vraagt nadere uitwerking om onze organisatie in staat te stellen in elk soort traject de juiste afweging te maken en college en raad goed te adviseren. Dit is ook relevant voor onze inwoners. Het is belangrijk dat zij een juist beeld hebben van welke invloed en participatie in beleid en uitvoering zij mogen verwachten. 2. Uitvoerbaarheid: De verordening mist een uitvoeringsparagraaf. Onze organisatie heeft praktische handvatten nodig om participatietrajecten zelfstandig uit te kunnen voeren. We geven een aantal voorbeelden: In artikel 7 wordt ‘informeren’ ook gedefinieerd als een participatievorm. Deze vorm passen we vaak toe. Ook hiervoor eist de verordening dat er een plan wordt opgesteld met proces en planning en dat dit binnen twee weken openbaar wordt gemaakt. Na afloop van deze participatie moet een eindverslag worden opgesteld dat moet voldoen aan verschillende eisen. Als we dit voor elk informatietraject gaan toepassen, betekent dat een forse extra belasting van de organisatie.
Ook voorzien we dat met name in de uitvoering processen een langere doorlooptijd gaan krijgen en dus vertraagd zullen worden. Participatie moet worden toegepast bij voorbereiding van beleid en ook bij uitvoering en evaluatie. Hoe ver moeten we hierin gaan? Voor het opstellen van bijvoorbeeld minimabeleid is het vanzelfsprekend dat betrokkenen kunnen participeren en dat dit verder gaat dan alleen informeren. Moeten we bijvoorbeeld altijd participatie toepassen als we een evaluatie opstellen van de pilot bewaakte fietsenstalling, de aanpak weesfietsen of de inzet van cameratoezicht? Of bij het vervangen van een riolering of groenperkje? En zo ja, welke vorm moet dan gekozen worden? Een beslisboom voor het bepalen of participatie nodig is en op welk participatieniveau kan hierbij helpen. In een aantal artikelen wordt gesproken over het leveren van ondersteuning aan participanten door het college. In de toelichting wordt de term ‘laagdrempelige ondersteuning’ gebruikt. Wat wordt hieronder verstaan en hoever moeten we hierin gaan? 3. Omgevingswet: Op 17 december 2024 heeft uw raad het ‘Participatiebeleid Omgevingswet’ vastgesteld. De voorliggende verordening vervangt voor een groot deel de participatieverplichting uit dit beleidskader (zie art. 3 reikwijdte van de verordening).
Het ondervangt echter de inhoudelijke uitwerking van de participatieplicht zoals die nu in het ‘Participatiebeleid Omgevingswet’ is opgenomen onvoldoende. Het gaat hier specifiek om de participatieplicht voor omgevingsvisie, programma’s en omgevingsplan op grond van de Omgevingswet. Het ‘Participatiebeleid Omgevingswet’ bevat daarnaast ook kaders en een handreiking voor het participeren door initiatiefnemers van omgevingsvergunningen. Deze participatie is verplicht in geval de activiteit niet past binnen het omgevingsplan en er sprake is van adviesrecht voor de raad. Deze kaders zijn geen onderdeel van de voorliggende participatieverordening (en kunnen dat ook niet worden). In het traject van totstandkoming van de voorliggende participatieverordening is door onze organisatie aan u meegegeven dat de verordening op deze punten in lijn moet worden gebracht met het ‘Participatiebeleid Omgevingswet’. Wij constateren dat dit nu nog onvoldoende is gebeurd. Daarom adviseren wij: de bestaande participatieplichten voor omgevingsvisie, programma’s en omgevingsplan uit het ‘Participatiebeleid Omgevingswet’ te verwerken in de participatieverordening; of de
pagina 2 van 4
participatieverordening zo aan te passen dat kan worden verwezen naar het bestaande participatiebeleid om deze plichten juridisch te borgen. het bestaande ‘participatiebeleid Omgevingswet’ aan te passen zodat het aansluit op de participatieverordening en opnieuw voor te leggen aan de raad parallel aan de participatieverordening.
4. Juridisch: De modelverordening van de VNG is grotendeels gevolgd. Dat laat onverlet dat een aantal artikelen ons inziens niet helder genoeg zijn geformuleerd. Voorgesteld wordt een aantal artikelen nader uit te werken of te vervangen:
Artikel 1: Bij de omschrijving van de definitie 'participatie' moeten de ondernemers nog worden meegenomen. Overigens is het vanuit wetstechnisch oogpunt beter om de begrippen in alfabetische volgorde te zetten; Artikel 3, derde lid, aanhef en onder f: ter verduidelijking kan 'organisatorische' voor het woord 'aangelegenheden' worden toegevoegd; Artikel 6, eerste lid: Hiermee is niet duidelijk wie het ontwikkelprogramma nu vaststelt, het college of de raad. Uit de toelichting bij de modelverordening blijkt dat het de bedoeling is dat de raad zijn kaderstellende rol kan uitoefenen. Dat betekent dat de raad het vaststelt. Voorstel: “Het college legt eens per vier jaar aan de gemeenteraad ter vaststelling een ontwikkelprogramma voor om de ontwikkeling van participatie te bevorderen.” Artikel 7, eerste lid: Het is onduidelijk wat hierbij de rol van het Participatiebeleid Omgevingswet is. Hieraan zou een regel kunnen worden toegevoegd die daar duidelijkheid over geeft: “Gaat het over participatie bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie op het terrein van de Omgevingswet dan wordt het plan opgesteld aan de hand van het geldende Participatiebeleid Omgevingswet.” Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b: Duidelijk moet zijn dat dit ook geldt voor ondernemers; Artikel 8, tweede lid: Het is onduidelijk wat er wordt bedoeld met 'waarborgen'.
Artikel 9: Het is onduidelijk wat onder ‘ondersteuning’ wordt verstaan. Artikel 13, vierde en vijfde lid: De termijn voor de raad lijkt te kort. Bij het indienen van een verzoek binnen vier weken voor aanvang van het zomerreces lijkt eveneens te kort wanneer het verzoek aan het begin van de genoemde vier weken wordt ingediend. Dan zou er bij de eerste vergadering na het zomerreces een beslissing moeten worden genomen, waardoor het verzoek niet in een raadscommissie behandeld kan worden. Artikel 17, tweede lid: Wetstechnisch is aan te raden om geen jaartal te noemen. In een citeertitel wordt alleen een jaartal opgenomen als daaraan behoefte bestaat om de regeling te onderscheiden van een andere regeling, bijvoorbeeld van haar voorgangster, of wanneer ze alleen voor dat jaar of die jaren zal gelden.
5. Organisatie: Binnen onze organisatie is binnen de verschillende vakteams en beleidsterreinen kennis over participatie. We hebben geen beleidsmedewerker participatie die in algemene zin over participatiebeleid adviseert, de voorliggende verordening verder kan uitwerken en hier na vaststelling ook uitvoering aan kan geven. Onze inschatting is dat hierop extra inzet nodig is. Een (ingehuurde) adviseur zou samen met uw raad, het college en onze organisatie de participatieverordening verder kunnen uitwerken, in lijn brengen met het participatiebeleid Omgevingswet, een handelingsperspectief ontwikkelen en een start kunnen maken met de implementatie hiervan in onze organisatie. Deze adviseur kan dan ook advies uitbrengen over wat er structureel aan capaciteit en kunde nodig is in onze organisatie om het participatiebeleid uit te kunnen
pagina 3 van 4
voeren. Gezien het aantal verwachte participatietrajecten gerelateerd aan de Omgevingswet en voortvloeiend uit deze verordening verwachten wij dat hiervoor structureel budget nodig zal zijn. Verder is het op voorhand moeilijk in te schatten hoeveel inwoners en maatschappelijke organisaties zich gaan beroepen op de mogelijkheden binnen de nieuwe verordening. Dit kan ook gevolgen hebben voor de druk op de beschikbare capaciteit binnen onze organisatie. Conclusie en advies Om de participatieverordening goed te kunnen implementeren in beleid en uitvoering is het noodzakelijk dat het op verschillende punten verder wordt uitgewerkt en van een handelingsperspectief wordt voorzien. Hiervoor is binnen onze organisatie geen capaciteit beschikbaar. U zou hiervoor een adviseur in kunnen huren die hier samen met uw raad, het college en onze organisatie mee aan de slag gaat. Tevens zou deze adviseur een start kunnen maken met de implementatie ervan en ook advies uitbrengen over wat nodig is om het participatiebeleid structureel te borgen in onze organisatie. Hoogachtend, Het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht, de secretaris,
de burgemeester,
L. van Zanten MSc
drs. R.E. Schneider
pagina 4 van 4