Bijlagenboek bestemmingsplan Perceel Dudokdreef
Tekst van het document
Gemeente Barendrecht
Bestemmingsplan ‘‘Perceel Dudokdreef” Bijlagenboek
11 mei 2021
Gemeente Barendrecht
Bestemmingsplan ‘‘Perceel Dudokdreef” Vaststelling
Inhoud: • •
Bijlagen bij de toelichting Bijlagen bij de regels
werknummer: datum: bestand:
619.150.70 11 mei 2021 J:\619\150\70\3.projectresultaat\
Procedureoverzicht Fase
Datum
concept-ontwerp
28 april 2020
Ontwerp
11 december 2020
Terinzagelegging Vaststelling
22 januari 2021 t/m 4 maart 2021 11 mei 2021
KuiperCompagnons BV Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Architectuur, Landschap Rotterdam
Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6:
Oriënterend onderzoek flora en fauna Voordijk 276, Blom Ecologie B.V., d.d. 18 juli 2019 Meting bepaling bestaande verharde oppervlakken, Riede, Mol & Donkers, d.d. 27 januari 2020 Beoordeling archeologie, BOOR, d.d. 3 september 2019 Verkennend bodemonderzoek Voordijk 276, Hopman en Peters, d.d. 15 augustus 2019 Verkennend asbestonderzoek Voordijk 276, Hopman en Peters, d.d. 30 augustus 2019 Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Voordijk 276, KuiperCompagnons, d.d. 15 april 2020 Bijlage 7: Stikstofdepositie-onderzoek bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Barendrecht, KuiperCompagnons, d.d. 5 november 2020 Bijlage 8: Onderzoek aspect externe veiligheid Voordijk 276, KuiperCompagnons, d.d. 30 december 2019 Bijlage 9: Aanmeldnotitie Voordijk 276, KuiperCompagnons, d.d. 16 april 2020 Bijlage 10: Inrichting vervangend water, Riede, Mol & Donkers, d.d. 13 juli 2020 Bijlage 11: Advies Voordijk/Dudokdreef, DCMR Milieudienst Rijnmond, d.d. 23 september 2020 Bijlage 12: Akkoord VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, d.d. 31 augustus 2020 Bijlage 13: Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ – Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan, gemeente Barendrecht, d.d. 12 maart 2021
Inhoudsopgave Bijlagen bij de regels Bijlage 1: Bijlage 2:
Staat van bedrijfsactiviteiten Beplantingsplan Dudokdreef Barendrecht, Riede, De Mol & Donkers, d.d. oktober 2020
Bijlagen bij toelichting
Bijlage 1 Blom Ecologie B.V. (18 juli 2019) Oriënterend onderzoek flora en fauna Voordijk 276
BOLTON ONTWIKKELING T.a.v. dhr. B. Bouwman Voordijk 276 2992 AM Barendrecht
Datum
19-08-2019
Kenmerk
BE/2019/452/r
Uw kenmerk
Email d.d. 18 juli 2019
Auteur(s)
M. Brinkbaumer
Collegiale toets
K.J. Rebergen
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Voordijk 276 te Barendrecht. Aan de Voordijk 276 te Barendrecht zijn één bungalow, één woning, 5 schuren (waarvan 4 dienen als opslag en 1 multifunctionele schuur met een deel opslag en een deel vee stalling) en een carport gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bungalow en de schuren op de planlocatie te saneren en negen woningen (4x 2-onder-1-kap en 1x vrijstaand) te realiseren. Het bestemmingsplan maatschappelijk zal gewijzigd moeten worden naar wonen voor de beoogde ontwikkelingen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Bolton Ontwikkeling heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid.
Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Voordijk 276 te Barendrecht. De planlocatie is een rechthoekig perceel met een woning dicht aan de straat met 5 schuren en een bungalow achter de woning. De bebouwing in het gearceerde blauwe deel zullen gesaneerd worden (figuur 1). De schuren en de bungalow zullen derhalve gesaneerd worden. Na de sanering worden er acht twee-onder-een-kap woningen en één vrijstaande woning gerealiseerd. Verder wordt er op de achterkant van het perceel een dam met duiker gerealiseerd Het perceel bevat veel bomen, deze zijn te vinden in laanvorm rondom het perceel. De planlocatie worden gescheiden van omliggende percelen door een sloot met aanwezige beschoeiing. Op het te saneren deel van het terrein staan zes in formaat verschillende gebouwen (figuur 2), • Gebouw A: de bungalow, is van enkel laags houtenplaten met een plat (leren-) dak, • Gebouw B: is de carport, dit is een houten dakbeschot op ijzeren palen met een plat (leren) dak.
• Gebouw C: is een tunnelloods met een ijzeren geraamte, een deel van het dak/muur is gemaakt van golfplaat en de rest is met plastic zeil eroverheen bedekt, • Gebouw D&F: twee schuren zijn van enkel laags hout met een schuin dakleren dak, • Gebouw E: is een schuur van betonblokken en gipsmuren met een golfplaten dak, in deze schuur staan gemetselde muren, • Buiten de te saneren gebouwen wordt er een dam en duiker geplaatst aan de Noordzijde van het perceel dat zal functioneren als oprit van het perceel. • Op locatie staan verschillende bomen die gekapt en gerooid dienen te worden, op het perceel staan coniferen, platanen en pruimbomen. Verder staan er in laanvorm bomen langs het perceel welke ook gekapt dienen te worden. De weg zichtbaar in figuur 1 is bestraat, vanaf deze weg lopen verharde paden naar de schuren en bungalow. Naast deze paden is geen bestrating aanwezig. Hier groeien overwoekerende vaatplanten. Buiten de sanering van de bebouwing worden er verschillende bomen gekapt op het perceel (oostelijke bomenlaan). Tot slot wordt er in de noordelijke sloot een dam en duiker gerealiseerd. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door stedelijke bebouwing, de planlocatie bevind zich de noord-westelijke kant van de gemeente Barendrecht.
Deze wijk is vrij open gebouwd met verschillende groene plekken/parken. De planlocatie ligt op ongeveer 400 meter afstand van de autosnelweg (A15) in westelijke richting.
2
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Voordijk 276, te Barendrecht. De beoogde ontwikkelingen vinden plaats in het blauw gearceerde deel. (bron: arcgis.com).
Figuur 2
De bebouwing op de planlocatie (rood omkaderd) bestaat uit 6 verschillende gebouwen (A-F). (bron: arcgis.com).
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter en betreffen het saneren van zes gebouwen en de realisatie van negen woningen. Het bestemmingsplan dient te worden gewijzigd van maatschappelijk naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • kap bomen: kap-rooiwerkzaamheden en afvoer groen; • saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed; aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers)werkzaamheden; Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk). Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming.
Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 18 juli 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 18 Celsius en windkracht 1-2 (Bft.)
3
Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen.
Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.
4
Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis
Konijn
Egel
Meerkikker
Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is geen voorkomen van beschermde vaatplanten bekend. (Floron Verspreidingsatlas; NDFF 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen onder andere: gewone braam, klimop, akkerdistel en de grote brandnetel. Op de muren van de gebouwen is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie staan verschillende bomen, namelijk; hazelaar, druif, wilg, plataan, pruim, walnoot, appel en peer. De sloop van de bebouwing leidt niet tot de aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Het plangebied is een stikstofrijke grond met pionier soorten zoals brandnetel. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol en steenmarter (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2009-2019). Behoudens de steenmarter geldt voor deze soorten dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen.
Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter, 2019). In het bijzonder heeft de steenmarter een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Daarbij is de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen die kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belang. Op plangebieden als deze is de aanwezigheid van steenmarter mogelijk. In de laatste 10 jaar zijn er 2 waarnemingen gedaan van steenmarters in een radius van vijf kilometer, dit waren echter verkeersslachtoffers. Verblijven van marterachtigen gaan samen met prooiresten, uitwerpselen en andere geurmarkeringen. Bij de inspectie van de bebouwing zijn deze sporen niet aangetroffen. De aanwezigheid van de steenmarter kan worden uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het niet uit te sluiten dat soorten van de habitatrichtlijn en niet vrijgestelde overige soorten op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis.
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.
5
Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Broekhuizen et al., 2016; BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De woning gelegen aan de Voordijk op de planlocatie heeft potentiële locaties voor vleermuizen. De woning blijft echter behouden en van verstoring is hier geen sprake. De gebouwen op de planlocatie zijn of gemaakt van enkel laags hout, betonblokken en gipsmuren of zeil.
Schuur E is het enige gebouw dat stenen muren heeft, deze muur is gemaakt van gipsblokken (ook geen spouw). De andere gebouwen hebben een enkele laag hout. Hierdoor zijn geen kruipruimtes aanwezig waardoor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen uitgesloten kunnen worden. Gebouw A is een lage bungalow met strak aansluitende daklijsten, plat dak en een ontbrekende spouw. Figuur 3 geeft zichtbaar weer dat de daklijst nauw aansluit op de houten muur, door het vertekenen van de foto is er een zichtbare kier aan de rechterkant van de daklijst, op locatie sluit deze zichtbaar goed aan.
Figuur 3
Aansluitende daklijst, bungalow (A)
Wegens het ontbreken van mogelijke kruipruimtes is het voor vleermuizen onmogelijk om in de gebouwen een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen kan het zijn dat foerageergebied en/of vliegroutes aangetast worden, er zijn echter voldoende alternatieve foerageer en/of vliegroutes aanwezig in de directe omgeving. In de luwte van de gebouwen kunnen migratie en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones.
Tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties
6
worden gemeden door vleermuizen. Tijdens vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast.
de
ontwikkeling
dient
derhalve
Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Het plangebied is deels verhard en wordt matig intensief gebruikt door bewoners van de bungalow en personeel uit het woonhuis., waardoor regelmatig geluid verstoringen kunnen optreden. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander (NDFF 2009-2019). Voor deze soorten geldt dat deze niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocatie is omringd door een sloot en bevat aan weerszijde van de sloot bestaat beschoeiing. Het is hierdoor uitgesloten dat amfibieën het perceel op komen. Verder is er geen functioneel leefgebied aanwezig van beschermde amfibiesoorten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie.
Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkelingen bevindt zich een sloot welke verbonden is tot de stedelijke wateren. Soorten die hier voorkomen; baars, bittervoorn, blankvoorn, brasem, karper, kleine modderkruiper, marmergrondel, rietvoorn, snoek, tiendoornige stekelbaars, vetje en zeelt (NDFF 2009-2019). In een radius van 2 km om het plan gebied zijn in de laatste 10 jaar geen beschermde soorten aangetroffen. Bij het uitvoeren van de ontwikkelingen wordt een dam met duiker gerealiseerd in het noorden van het perceel. De sloot rondom het perceel is verbonden met andere stedelijke wateren. De dam en duiker vooroorzaken geen problemen in de verbinding van deze wateren. Aangezien er geen beschermde vissensoorten zijn waargenomen in de directe omgeving in de laatste 10 jaar en wegens het ontbreken van functioneel leefgebied van dergelijke soorten kan het uitgesloten worden dat de bouw van deze dam en duiker functioneel leefgebied van beschermde soorten aantast.
Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek, naast koolwitje, bont zandoogje, kleine vos en een lantaarntje, geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: houtduif, kokmeeuw, zwarte kraai en de merel. De planlocatie heeft aannemelijk geen essentiële functie voor de waargenomen soorten. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn na en zorgvuldige inspectie geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
Door het ontbreken van functioneel leefgebied, de aanwezigheid van stedelijk gebied en bijbehorende menselijke verstoring kan de aanwezigheid van steenuil uitgesloten worden. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in
7
dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. Huismussen nestelen hoofdzakelijk onder pannendaken met dakgoot. Geregeld worden ook daken met golfplaten gebruikt. In de directe omgeving van het nest dienen jaarrond groene heggen aanwezig te zijn, alsmede zand, grind, badwater en voldoende foerageergebied (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De daken van de bebouwing op de locatie zijn uiterst ongeschikt voor huismus. Geen van de gebouwen beschikt over dakpannen. Door het gebruik van bepaalde materialen en de afwezigheid van kruipruimte, kan de aanwezigheid van nestlocaties uitgesloten worden. Gebouwen van andere percelen hebben zichtbaar duidelijke nestmogelijkheden, omgeven door groen en derhalve voldoende voedselvoorziening, hieruit is te herleiden dat de directe omgeving van de planlocatie beter geschikt is voor de huismus Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De sloop van de bebouwing binnen het plangebied leidt niet tot aantasting van groene delen. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake.
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. De op het perceel aanwezige gebouwen zijn relatief laag, alleen gebouw E is net hoger dan 3 meter. Dit gebouw heeft echter geen kieren of invliegopeningen. Verder is vanuit de binnenkant van de gebouwen zichtbaar dat er geen dergelijk nestmateriaal aanwezig is. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 2,9 km ligt het Natura 2000-gebied De Oude Maas (figuur 4). De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,85 km ten zuidwest van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 5). Op een afstand van 10,3 km ten oosten van het plangebied bevindt zich een strategisch gereserveerd natuurgebied (figuur 6). Op een afstand van 8,16 km ten oosten van de planlocatie ligt een Belangrijk weidevogelgebied (figuur 6). Verder zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig.
8
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van 2,9 km tot het Natura 2000-gebied De Oude Maas (bron: natura2000 Network Viewer, 2019)
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,85 km tot het Natuurnetwerk Nederland, een afstand van 10.3 km tot een strategisch gereserveerd natuurgebied en op een afstand van 8,16 km van een Belangrijk weidevogelgebied (bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van negen woningen, wat leidt tot een beperkte verkeerstoename. De ontwikkeling wordt gerealiseerd in een wijk waar deze verkeerstoename niet gemerkt zal worden. De sloop- en bouwwerkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke toename in stikstofemissie (projecteffect). In de toekomst zal in geval van eventueel nieuwbouw mogelijk sprake zijn van een relatief lage(re) uitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie). Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er geen effecten t.a.v. de stikstofdepositie zullen optreden. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde
9
natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig. Uiterlijk in september 2019 komt er nieuwe versie uit van de AERIUS Calculator beschikbaar. De huidige versie werkt nog met een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar, terwijl ook effecten tussen de 0 en 0,05 inzichtelijk gemaakt dienen te worden. Dit rekenmodel wordt in het najaar landelijk voorgeschreven als rekeninstrument voor de toestemmingverlening. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. Deze komen tegelijk met de voorgeschreven calculator beschikbaar. De herbeoordeling d.m.v. de herziene AERIUS Calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: • Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden.
Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: • Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld (bron:ww.tauw.nl). Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om uw plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Uit herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: • Dat er ook zonder drempelwaarde géén toename van depositie wordt berekend, óf: • Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten.
Tot de vernieuwde AERIUS Calculator er is, verlenen het Rijk en provincies geen toestemming voor activiteiten die extra stikstofdepositie veroorzaken in Natura 2000-gebieden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat er geen significante toename van de stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied wordt verwacht. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren.
Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren.
10
Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan meldingsplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet meldingsplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. In de beoogde ontwikkelingen zijn kapwerkzaamheden gepland van bomen op het erf. Deze kapwerkzaamheden op de planlocatie vallen onder type b.
Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
11
Conclusies Samenvatting De te slopen bebouwingen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland en ligt ver verwijderd van een Strategische Reservering Natuur of Belangrijk Weidevogelgebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort -
-
-
-
-
-
n
n
n
+
-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
+/-
Geschikt habitat overige soort
-
-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura 2000
2,9 km
geen
AERIUS Calculator
Natuurnetwerk Nederland
2,85 km
geen
n.v.t.
Strategische reservering natuur
10,3 km
geen
n.v.t.
Belangrijk weidevogel gebied PV
8,16 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
ja
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
n
-
broedvogels (j)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
zoogdieren
- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)
vaatplanten
Legenda
broedvogels (a)
Tabel 1 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.
Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde ontwikkeling van woningen aan de Voordijk 276 te Barendrecht leidt, mits de juiste maatregelen worden getroffen ten aanzien van de zorgplicht, vleermuizen en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.
12
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
• Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, •
•
te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
13
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.pzh.b3p.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., Mark Brinkbaumer. Bijlage 1 Fotografische impressie
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
Gebouw A, bungalow zonder spouw, goed aansluitende daklijsten en een plat dak.
Figuur 2
Gebouw B, een carport met plat dak en enkel laags houten achterkant.
15
16
Figuur 3
Schuur C, opslag van hout en meubels, stalen constructie met plastic zeil
Figuur 4
Schuur D, hout en schutting opslag, enkel laags houten muur met (schuin) plat dak.
Figuur 5
Gebouw E, houtopslag en veestal functie, beton blokken muren met een golfplaten zadeldak en goot.
Figuur 6
Schuur F, hout en bouwmateriaal opslag, enkel laags houten muren met plat zadeldak.
17
Bijlage 2 Riede, Mol & Donkers (27 januari 2020) Meting bepaling bestaande verharde oppervlakken
P
Bk -1.844 Bob -2.751
V
H
Werkgrens plangebied Oppervlak bebouwd
1213 m2
Oppervlak bestrating
771 m2
Totaal verhard oppervlak:
1984 m2
Ingenieursbureau stads - en landschapsinrichting O v e r s l a g 2 www.r iede.nl tek. nr:
455008
wijzigingen:
blad nr:
02-3
.
.
.
.
Project:
Voordijk 276 Barendrecht
formaat: A3 Tekening:
Meting Bepaling bestaande verharde oppervlakken . .
2771 CE BOSKOOP www.moldonkers.nl
schaal
1:500
.
.
status:
Concept
.
.
datum:
27-01-2020
.
.
get:
bd
file:
455008 MT Voordijk
Bijlage 3 BOOR (3 september 2019) Beoordeling archeologie
Onderwerp: A2019238 BAR-organisatie (Barendrecht), Voordijk 276, Barendrecht Bezoek-/postadres: Archeologie Rotterdam (BOOR) Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Internet: www.rotterdam.nl/archeologie
Retouradres: Ceintuurbaan 213b, 3051 KC Rotterdam
BAR-organisatie Gemeente Barendrecht t.a.v. de heer R. Belder Hofhoek 5 3176 PD POORTUGAAL
Van: dhr. drs. B.A. Corver Telefoon: 010 - 489 4471 E-mail: ba.corver@rotterdam.nl Ons kenmerk: AS19/12531-19/0018281 Datum: 3 september 2019
Geachte heer Belder, De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) heeft op uw verzoek de noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van het aanlegplan ter plaatse van Voordijk 276 in de gemeente Barendrecht beoordeeld. Aan de hand van de beoordeling is onderstaand advies opgesteld. Advies De afdeling Archeologie ziet naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie en adviseert de gemeente Barendrecht dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Wel wordt benadrukt dat er altijd rekening dient te worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016, art. 5.10 het bevoegd gezag, de gemeente Barendrecht, te informeren. Onderbouwing Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Barendrecht (AWK 2009) wordt aan de locatie een redelijk hoge archeologische verwachting toegekend.
Conform het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’ geldt voor de locatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden (inclusief heien) die dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. De grondroerende werkzaamheden bestaan uit de aanleg van negen woningen, acht tweekappers en een vrijstaande woning. De exacte bodemingrepen zijn nog onbekend, maar voor dit soort type woningen wordt uitgegaan van funderingen tot 1 m beneden maaiveld en heipalen. De ingreep overschrijdt bovengenoemde marges van toegestane verstoringsdiepte en verstoringsoppervlakte. Echter, reeds uitgevoerde onderzoeken in de directe nabijheid van het plangebied hebben aangetoond dat binnen het plangebied een lage archeologische verwachting geldt voor de eventuele archeologische waarden. Rivierduinen en stroomgordelafzettingen zijn in het plangebied niet aanwezig. De aanwezige Afzettingen van Calais wijzen op een ligging in een komgebied. Daarnaast is gebleken dat de top van het Hollandveen geërodeerd is tijdens overstroming van de Riederwaard (de top van het
Blad:
2/2
Hollandveen bevindt zich in de directe omgeving op 2,5 tot 3,5 m - mv). Alleen heipalen zullen verstorend zijn. Maar door de combinatie van een te verwachte extensief palenplan bij dergelijke huizen met een lage archeologische verwachting, wordt een onderzoek op de planlocatie niet noodzakelijk geacht. Bij eventuele wijzigingen in het aanlegplan kan een archeologisch vooronderzoek alsnog nodig zijn en dient het bouwplan dan ook opnieuw door de bevoegde overheid te worden beoordeeld. Met een vriendelijke groet, hoogachtend, DIRECTEUR STADSBEHEER OPENBARE WERKEN (voor deze)
drs. A. Carmiggelt Hoofd Archeologie Rotterdam (BOOR)
Bijlage 4 Hopman en Peters (15 augustus 2019) Verkennend bodemonderzoek Voordijk 276
● Bodemonderzoek ● Asbestonderzoek ● Ecologisch onderzoek ● Saneringen ● Milieutechniek ●
Postbus 253 3700 AG Zeist KvK: 16087130 Telefoon: 030 691 59 31 www.hopmanenpeters.nl info@hopmanenpeters.nl IBAN: NL97RABO0385241666 BTW: NL 8023.22.621.B.01
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VOORDIJK 276 TE BARENDRECHT
Rapportnummer: P1900444 Verkennend bodemonderzoek Voordijk 276 te Barendrecht
Opdrachtgever: Bolton Ontwikkeling B. Bouwman Postbus 161 3443 JE WOERDEN
HOPMAN EN PETERS 15 augustus 2019 Opgesteld door: Gecontroleerd door:
R.(Robbin) van Arkel (i.o.) & E.C. (Christy) den Hertog J. (Jasper) Smits, projectleider (contactpersoon)
Disclaimer: Dit rapport is eigendom van de opdrachtgever van Hopman en Peters en mag door hem gebruikt worden voor het doel waarvoor het vervaardigd is. Dit uitsluitend met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit rapport blijven berusten bij Hopman en Peters. Kwaliteit en verbetering van product en processen hebben bij Hopman en Peters hoge prioriteit. Hopman en Peters hanteert daartoe een managementsysteem dat is gecertificeerd volgens: NEN-EN-ISO 9001 en VCA certificering voor veilig werken bij meet-en inspectieactiviteiten en (water)bodem onderzoek en saneringen. Hopman en Peters is erkent voor het uitvoeren van veldwerk bij milieu hygiënische bodem- en waterbodemonderzoeken conform de protocollen 1001, 2001, 2001, 2002, 2003 en 2018.
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ........................................................................................................................................ 4 1.1 AANLEIDING ................................................................................................................................................. 4 1.2 DOEL.............................................................................................................................................................. 4 2. VOORONDERZOEK ......................................................................................................................... 5 2.1 ALGEMENE GEGEVENS .................................................................................................................................. 5 2.2 ACTUELE EN HISTORISCHE GEGEVENS .......................................................................................................... 5 2.3 VOORONDERZOEK ASBEST ............................................................................................................................ 6 2.4 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE.......................................................................................................... 7 2.5 HYPOTHESE ...................................................................................................................................................
7 2.6 ONDERZOEKSOPZET ...................................................................................................................................... 7 3. UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN EN ANALYSES ................................................................. 9 3.1 VELDWERKZAAMHEDEN............................................................................................................................... 9 3.2 VELDWAARNEMINGEN ................................................................................................................................. 9 3.3 LABORATORIUMONDERZOEK ....................................................................................................................... 10 4. ANALYSERESULTATEN ................................................................................................................ 11 4.1 ANALYSERESULTATEN GROND ..................................................................................................................... 11 4.2 BESPREKING GROND ..................................................................................................................................... 11 4.3 ANALYSERESULTATEN GRONDWATER .........................................................................................................
11 4.4 BESPREKING GRONDWATER ........................................................................................................................ 12 5. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN ADVIES .............................................................................. 13 5.1 SAMENVATTING .......................................................................................................................................... 13 5.2 CONCLUSIE .................................................................................................................................................. 13 5.3 ADVIES......................................................................................................................................................... 13
BIJLAGEN BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6.1 BIJLAGE 6.2 BIJLAGE 7.1 BIJLAGE 7.2 BIJLAGE 8
KADASTRALE KAART EN OMGEVINGSKAART SITUATIETEKENING ONDERZOEKSLOCATIE HISTORISCHE INFORMATIE SITUATIETEKENING MET BORINGEN EN PEILBUIS VELDWERKRAPPORTAGE ANALYSECERTIFICAAT GROND ANALYSECERTIFICAAT GRONDWATER TOETSINGSTABELLEN GROND TOETSINGSTABELLEN GRONDWATER TOELICHTING OP UITGEVOERD BODEMONDERZOEK
P1900444 15 augustus 2019
verkennend bodemonderzoek Voordijk 276 te Barendrecht 4
1. INLEIDING Door Bolton ontwikkeling is aan Hopman en Peters opdracht verleend voor het verrichten van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Voordijk 276 te Barendrecht. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Barendrecht, sectie A, percelen 6324 en 6745. De oppervlakte van het te onderzoeken terrein bedraagt circa 3.880 m2. 1.1 Aanleiding In verband met de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie dient een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. 1.2 Doel Het verkennende bodemonderzoek is erop gericht om vast te stellen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor het beoogde gebruik ten behoeve van de bestemmingsplan wijziging. Leeswijzer In hoofdstuk 2 is het vooronderzoek beschreven met daarin een interpretatie van de verkregen informatie en gestelde hypothese. In hoofdstuk 3 zijn de uitgevoerde werkzaamheden beschreven (zowel het veldwerk als het uitgevoerd laboratoriumonderzoek). Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de analyseresultaten waarna in hoofdstuk 5 een samenvatting volgt met conclusies en adviezen.
P1900444 15 augustus 2019
verkennend bodemonderzoek Voordijk 276 te Barendrecht 5
2. VOORONDERZOEK 2.1 Algemene gegevens Adres Kadastraal bekend Oppervlakte onderzoekslocatie Huidig gebruik Toekomstig gebruik Coördinaten
: Voordijk 276 te Barendrecht : Gemeente Barendrecht, sectie A, percelen 6324 en 6745 : circa 3.880 m2 : Maatschappelijk gebied (bestemming) : Woongebied (nieuwbouw woningen) : X – 95.368,40 Y – 430.514,93
In bijlage 1 zijn de kadastrale kaart en de omgevingskaart van de onderzoekslocatie opgenomen. In bijlage 2 is een situatietekening van de onderzoekslocatie opgenomen. 2.2 Actuele en historische gegevens Ten behoeve van het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 1. opdrachtgever 2. het landelijk bodemloket 3. bodemkwaliteitskaart gemeente Barendrecht 4. DCMR Milieudienst Rijnmond 5. Indicatieve kaart Archeologische waarden 6. terreinverkenning 1. Bij de opdrachtgever van de locatie is bekend dat er asbestplaten op de panden/ bouwwerken gevestigd zijn. 2. Volgens het bodemloket zijn in de directe omgeving van het tracé een aantal (historisch) verdachte activiteiten bekend. Het betreft een (voormalig) Stortplaats (watergang) en demping De betreffende locatie is op een afstand van circa 10 meter ten noorden, oosten en westen van de onderzoekslocatie gesitueerd en heeft naar verwachting wel invloed op de bodemkwaliteit. Bijbehorende bodemloket rapportages zijn opgenomen in bijlage 3. 3. Het onderzoeksgebied ligt in zone ‘wonen’ van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Barendrecht. Op basis daarvan voldoet de grond naar verwachting aan bodemkwaliteitsklasse 'wonen'. 4. Bij de DCMR (milieudienst Rijnmond) zijn 2 rapporten geraadpleegd.
Hieruit valt op te maken dat er noordelijk, oostelijk en westelijk gelegen van de onderzoekslocatie, voormalige dempingen en stortplaatsen zijn gesitueerd. Hierbij zijn echter alleen licht verhoogde waarden aan zware metalen, naftaleen en PAK aangetroffen. Bijbehorende rapporten met vermeldingen:
P1900444 15 augustus 2019 -
verkennend bodemonderzoek Voordijk 276 te Barendrecht 6
Verkennend bodemonderzoek Voordijk 274a te Barendrecht, Econsultancy, 08-04-2011, Rapportnummer: 11015020 Milieukundig bodemonderzoek perceel met kadastrale aanduiding 2855 (achter voordijk 280) te Barendrecht, Lexmond milieu-adviezen B.V., 02-1997, Rapportnummer: 96.14251/RDK
Bijbehorende rapporten zijn opgenomen in bijlage 3. 5. Uit raadpleging van de Indicatieve kaart Archeologische waarden blijkt dat de locatie in een gebied ligt met lage trefkans. 6. Direct voorafgaand aan het veldwerk zal een terreinverkenning plaatsvinden. Daarbij zal worden gelet op bodembedreigende activiteiten. Indien nodig zal de onderzoeksopzet daarop worden aangepast. Eventuele bijzonderheden zijn vermeld in paragraaf 3.1. In bijlage 3 is de verkregen relevante historische informatie opgenomen. 2.3 Vooronderzoek asbest In onderstaande tabel is aangegeven welke mogelijke bronnen voor een potentiele bodemverontreiniging met asbest aanwezig zijn. Tabel: overzicht mogelijk aanwezige bronnen voor asbestverontreiniging
bron de eventuele aanwezigheid in het verleden van bedrijven die asbesthoudende producten produceerden1 opstallen met asbestverdacht dak of wandbeplating ophooglaag
aanwezig nee
ja
(eventuele toelichting/ situering) N.V.T.
nee
Enkele opstallen met asbestverdachte daken aanwezig. Niet bekend.
aanwezigheid asbestwegen en erven, -dammen en -dempingen
nee
Niet bekend.
toepassing van asbesthoudende beschoeiingen langs watergangen en afperkingschotten in (volks)tuinen (vroegere) aanwezigheid van glastuinbouw, dan wel afval van kassen op of in de bodem historische calamiteiten met asbest (brand, explosie, storm) (voormalige) aanwezigheid van puinhoudende grond of depots
nee
Niet bekend.
ja
Afvalhopen van voormalige kassen aanwezig.
nee
Niet bekend.
nee
Niet bekend.
1 Dit zijn o.a. de asbestcementfabrieken van Eternit te Goor en Asbestona te Harderwijk, de asbestverwerkende fabrieken Van
Gelder Papier te Wormer, Balamundi in Huizen en Forbo in Assendelft.
P1900444 15 augustus 2019
verkennend bodemonderzoek Voordijk 276 te Barendrecht 7
2.4 Bodemopbouw en geohydrologie Gegevens hieromtrent zijn ontleend aan de Grondwaterkaart van Nederland van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO en/of de website van Dinoloket. In onderstaande tabel is de globale regionale bodemopbouw van het gebied waarin de onderzoekslocatie is gelegen weergegeven. Het maaiveld van de onderzoekslocatie bevindt zich circa 0,6 meter onder NAP. Tabel: regionale bodemopbouw
bodemlaag Deklaag 1e Watervoerend pakket Scheidende laag
traject (m-mv1) 0-15 15-25 25-32
grondsoorten Zandige klei, fijn zand, veen Matig grof zand, soms grindig Klei, sterk zandig en zwak siltig
1meter minus maaiveld
De stromingsrichting van het grondwater in het 1e watervoerend pakket is, in het gebied waarin de onderzoekslocatie is gelegen, globaal noordoostelijk gericht. Het grondwater bevindt zich op circa 0,5 m-mv. 2.5 Hypothese Op basis van de beschikbare informatie wordt de locatie als 'verdacht' beschouwd ten aanzien van bodemverontreiniging. Op basis van het vooronderzoek bestaat onzes inziens geen noodzaak het aantal stoffen uit het standaardpakket te wijzigen of aan te vullen. Op basis van de beschikbare informatie wordt de locatie als ’verdacht’ beschouwd ten aanzien van bodemverontreiniging met asbest. 2.6 Onderzoeksopzet Bij het bepalen van de onderzoeksopzet is uitgegaan van de onderzoekssystematiek zoals die is beschreven in de Nederlandse norm (NEN 5740). Gelet op de actuele en historische gegevens met betrekking tot de onderzoekslocatie is als onderzoekshypothese aangehouden ‘verdachte locatie’. Op basis van een onderzoeksoppervlakte van 3.880 m2 is de onderzoeksopzet als volgt uitgewerkt: Veldwerk: Het verrichten van 12 grondboringen tot 0,5 m-mv. Het verrichten van 2 grondboringen tot 2,0 m-mv. Het verrichten van 1 grondboring tot 1,5 minus grondwaterniveau die wordt afgewerkt tot een peilbuis. Analyses: 3 Grondmengmonsters van de meest verdachte bodemlaag op het standaardpakket grond¹, inclusief organische stof en lutum.
1 grondmengmonster van de ondergrond op het standaardpakket grond¹, inclusief organische stof en lutum. 1 Grondwatermonster op het standaardpakket grondwater². _________________________________ 1 standaardpakket grond: zware metalen (9), PAK-totaal (10 van VROM), PCB's (7), minerale olie.
² standaardpakket grondwater: zware metalen (9), vluchtige aromaten, gehalogeneerde koolwaterstoffen en minerale olie.
P1900444 15 augustus 2019
verkennend bodemonderzoek Voordijk 276 te Barendrecht 8
Asbest In eerste instantie wordt het asbestonderzoek beperkt tot zintuiglijke waarnemingen tijdens het hierboven voorgestelde onderzoek. Het veldwerk zal worden uitgevoerd door een veldmedewerker met ervaring met asbestonderzoek in de bodem die tevens de cursus ‘Asbestherkenning in grond en puin’ heeft gevolgd. Mochten deze waarnemingen aanleiding geven tot verder onderzoek dan kan hiertoe alsnog worden overgegaan. Op deze wijze kan onzes inziens op praktische wijze een eerste indruk worden verkregen van het al dan niet voorkomen van asbest in de bodem.
P1900444 15 augustus 2019
verkennend bodemonderzoek Voordijk 276 te Barendrecht 9
3. UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN EN ANALYSES 3.1 Veldwerkzaamheden Het veldwerk is geheel conform de systematiek uit de BRL SIKB 2000 versie 6.0 ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek’ met de daarbij horende protocollen 2001 (versie 6.0) en 2002 (versie 6.0) uitgevoerd. Er zijn geen afwijkingen vastgesteld. Grond Het veldwerk is uitbesteed aan het externe veldwerkbureau S&R Milieuadvies B.V.. Het registratienummer van S&R Milieuadvies B.V. voor BRL 2000, met bijbehorende protocollen, is EC-SIK-20318. Het veldwerk is door de heer G.J. Peeters op 23-7-2019 uitgevoerd. Voor een overzicht van geplaatste boringen en peilbuis wordt verwezen naar de situatietekening opgenomen in bijlage 4. Grondwater De bemonstering van het grondwater is op 7-8-2019 door de heer A.C. Vermaat uitgevoerd. 3.2 Veldwaarnemingen Grond Vanaf onderzijde van de verharding of het maaiveld tot 0,5 m –mv. bestaat de bodem uit matig fijn zand. Gevolgd door klei tot de maximale boordiepte van 3,0 m-mv. Lokaal, boringen 02, 09 en 11 t/m 13, bestaat de bovengrond tot 0,5 m-mv uit klei. Tijdens het veldwerk is het opgeboorde bodemmateriaal beschreven en zintuiglijk beoordeeld. In de opgeboorde grond zijn door zintuiglijke waarnemingen geen afwijkingen gevonden die wijzen op het vóórkomen van een potentiële verontreiniging in de bodem van de onderzoekslocatie.