Bijlage C - Externe veiligheid Vaanplein v0.9 220709
Tekst van het document
Bosch & van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht 030 – 677 6466
Auteurs Stephan Woninck
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Opdrachtgever Gemeente Barendrecht
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Datum
11 mei 2022
Versie
0.8
Auteur
Stephan Woninck
Tweede lezer
Martijn Maan
Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:
030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl
© Bosch & Van Rijn 2022 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Inhoudsopgave H OOFDSTUK 1
INLEIDING
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Alternatieven Beoordelingscriteria MER Leeswijzer
3 3 4 4
H OOFDSTUK 2
RISICO INVENTARISATIE
FOUT! BLADWIJZER NIET GEDEFINIEERD.
2.1 2.2 2.3
H OOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
H OOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
H OOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
BIJLAGE A BIJLAGE B BIJLAGE C
Faalscenario’s Werpafstanden en risicocontouren Risico inventarisatie
5 6 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
BEOORDELINGSKADER
8
(Beperkt) kwertsbare objecten Risicovolle installaties Hoogspanningsinfrastructuur Infrastructuur Spoorwegen IJsafworp
8 9 9 10 11 11
RISICOANALYSE
12
(Beperkt) kwetsbare objecten Risicovolle installaties Wegen Hoogspanningskabels Spoorwegen IJsafworp
12 15 17 21 24 27
CONCLUSIE
31
(beperkt) kwetsbare objecten Risicovolle installaties Wegen Hoogspanningsinfrastructuur Spoorwegen IJsworp
BEREKENING WERPAFSTAND (BEPERKT) KWETSBARE OBJECTEN TREFKANSBEREKENING WEGEN
31 31 31 32 32 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
36 38 40
Inleiding 2
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1
Inleiding Ten behoeve van een milieueffectrapportage (MER) heeft Bosch & Van Rijn een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s van drie opstellingsalternatieven voor windturbines rondom het knooppunt Vaanplein in de gemeente Barendrecht. Deze studie volgt de beoordelingscriteria zoals opgenomen in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van Windpark Vaanplein.
1.2
Alternatieven Het PlanMER beschouwt drie opstellingsalternatieven, die verschillen in het aantal windturbines en windturbinelocaties. In onderstaande figuren zijn de opstellingsalternatieven weergegeven.
Figuur 1
Opstellingsalternatieven
3
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Voor de drie alternatieven in het MER en dit externe veiligheidsonderzoek wordt gerekend met twee formaten windturbines. Eén formaat wordt toegepast voor alternatief 1, het tweede formaat wordt toegepast voor alternatief 2 en 3. Om de gemiddelde effecten te modeleren voor de externe veiligheidseffecten is per formaat gekozen voor een representatief type. Deze rekenwijze is in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. nader toegelicht. De PlanMER-alternatieven zijn in Tabel 1 samengevat. Tabel 1
Samenvatting van de PlanMER-alternatieven Alternatief Type 1 2 3
1.3
Vestas V126 Siemens SG6.6 Siemens SG6.6
Aantal 3 2 3
Rotor Ashoogte (m) (m) 126 87 170 165 170 165
Beoordelingscriteria MER In de milieueffectrapportage waar dit onderzoek een bijlage van is wordt het milieueffect externe veiligheid beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: ➢ ➢ ➢ ➢
Bebouwing Wegen, waterwegen en spoorwegen Industrie en Inrichtingen (risicovolle installaties) Transportleidingen en hoogspanningsleidingen
In onderhavig kwantitatieve risicoanalyse worden alle beoordelingscriteria voor het PlanMER onderzocht.
1.4
Leeswijzer In Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. worden de externe veiligheidseffecten van de windturbine beschreven en wordt geïnventariseerd welke objecten voor het externe veiligheidsonderzoek relevant zijn. Hoofdstuk 3 bevat het toetsingskader voor de beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s. In Hoofdstuk 4 worden de risico’s van de windturbines op de relevante objecten geanalyseerd. Waar nodig zijn in dit hoofdstuk ook berekeningen opgenomen. Hoofdstuk 5 bevat de conclusies waarin de berekende waarden worden getoetst aan het in Hoofdstuk 3 beschreven beoordelingskader.
4
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Hoofdstuk 2 Risico-inventarisatie
2.1
Faalscenario’s Risico’s van een windturbine voor de omgeving bestaan uit drie typen falen: 1.
het afbreken van (een gedeelte van) een windturbineblad; Het risico voor de omgeving van een afgebroken blad is afhankelijk van: • De kans dat een blad afbreekt en de omstandigheden waaronder dit gebeurt; • De baan die het afgebroken blad aflegt, de plek waar hef afgebroken blad zal inslaan en de snelheid bij inslag; • De aanwezigheid van personen of objecten op de plaats waar het afgebroken blad terecht komt; • De gevolgen voor personen en of objecten als ze door een afgebroken blad worden getroffen De risico’s van het afbreken van een windturbineblad vormen een risico binnen de straal van de maximale werpafstand. Hierbij worden twee scenario’s onderscheiden: -
2.
Werpafstand bij nominaal toerental; Werpafstand bij overtoeren;
het omvallen van een windturbine door mastbreuk; Als gevolg van mastbreuk kan een persoon of object getroffen worden door de mast of door de gondel met rotor die op de grond terecht komt. Het omvallen van een windturbine vormt een risico binnen de maximale valafstand (rotordiameter + 1/2de rotordiameter) van de windturbine.
3.
het naar beneden vallen van de gondel en/of rotor. Het risicogebied van het omvallen van de gondel en/of rotor is beperkt tot maximaal de wieklengte. Als gevolg van gondelafworp kan een persoon of object getroffen worden door de gondel die op de grond terecht komt.
5
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
2.2
Werpafstanden en risicocontouren Op basis van de afmetingen (zie paragraaf 1.2) zijn windturbine types gekozen. Voor deze windturbinetypes zijn op basis van generieke faalfrequenties (Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid – Module IV – Windturbines (versie oktober 2020), het kogelbaanmodel (Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid – Module IV – Windturbines (versie oktober 2020)) en parameters van de specifieke windturbinetypes de werpafstanden en risicocontouren berekend. Uit de berekening met de windturbine types volgen de in Tabel 2 getoonde risicocontouren en werpafstanden.
Tabel 2
Risicocontouren en maximale werpafstanden van onderzochte windturbinetype
Alt.
Wtb type
Ashoogte (m)
Risicocontouren (m) 10-5 10-6
Max. werpafstand (m) Bij nominaal toerental
Bij overtoeren
1 Vestas V126 87 63 150 99 247 2&3 Siemens SG6.6 165 85 192 141 327 * als worst-case benadering is bij het type windturbine als 10-5 contour een afstand gelijk aan de halve rotordiameter aangehouden
2.3
Risico-inventarisatie De beoogde windturbines kunnen een risico verhogend effect hebben op nabijgelegen gebouwen, installaties en infrastructuur. Zoals benoemd in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van het MER wordt in eerste aanleg gekeken naar de volgende onderwerpen: ❖ ❖ ❖ ❖ ❖
(Beperkt) kwetsbare objecten (bebouwing) Risicovolle installaties (industrie en inrichtingen) Buisleidingen & Hoogspanning Wegen Spoorwegen
Naar aanleiding van de binnengekomen zienswijzen is ook besloten om te toetsen aan ‘IJsafworp’ gezien de positionering van de windturbines in een wandel en recreatiegebied. De maximale werpafstand geeft de grootst mogelijke afstand waarbinnen de windturbine veiligheidsrisico’s voor de omgeving kan opleveren. Om te bepalen welke objecten in de omgeving van de windturbine voor het externe veiligheidsonderzoek daadwerkelijk relevant zijn, is daarom de maximale werpafstand bij overtoeren in kaart gebracht (Figuur 2). Hieruit volgt dat er geen buisleidingen gelegen zijn binnen de maximale werpafstand, deze worden zodoende dus ook niet beoordeeld in deze rapportage.
6
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Figuur 2
Aanwezigheid van voor de externe veiligheidsbeoordeling relevante objecten binnen het projectgebied
NB. Voor windturbines geldt dat het groepsrisico, vanuit het Activiteitenbesluit, geen beoordelingskader is voor windturbines. Hierdoor hoeft er niet worden ingegaan op het groepsrisico in onderhavig document. Indien een windturbine een risico verhogend effect heeft op een risicovolle installatie, is het mogelijk dat het groepsrisico van de installatie om hoog gaat. Indien dit gebeurt moet er wel getoetst worden aan het groepsrisico.
7
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Hoofdstuk 3 Beoordelingskader
3.1
(Beperkt) kwetsbare objecten In het besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn definities voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten opgenomen (zie ook Bijlage B). Dit zijn objecten die bij een externe veiligheidsbeoordeling bijzondere bescherming verdienen, omdat zij zijn bestemd voor het (langdurig) verblijf van kwetsbare of grote aantallen personen. Welk extern veiligheidsrisico bij (beperkt) kwetsbare objecten als aanvaardbaar wordt beschouwd wordt in normen omschreven met het plaatsgebonden risico (PR). Hiermee wordt de kans omschreven dat een persoon die zich onafgebroken op een bepaalde locatie bevindt komt te overlijden als direct gevolg van een ongeval bij de te beoordelen inrichting. Een persoon die zich onafgebroken op de PR 106 contour rondom een inrichting bevindt heeft een kans op overlijden van 10-6 per jaar (één op de miljoen per jaar) als direct gevolg van een ongeval bij de te beoordelen inrichting. Op de PR 10-5 contour is de kans op overlijden één op de honderdduizend per jaar. In het Activiteitenbesluit milieubeheer waren normen voor het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen, veroorzaakt door een windturbine of combinatie van windturbines. Door een uitspraak van de Raad van State in het kader van windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding zijn deze normen in 2020 buiten werking verklaard.
Dit geldt enkel voor alternatief 1 en 3. Voor alternatief 2 zijn deze nog wel van toepassing. De bescherming van (beperkt) kwetsbare objecten was echter niet alleen in het Activiteitenbesluit milieubeheer geregeld, maar ook in diverse andere externe veiligheidsbesluiten zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en Besluit externe veiligheid trans-portroutes (Bevt). Hierin wordt telkens een grenswaarde voor het PR gesteld van 10-6 per jaar, terwijl voor (geprojecteerd) beperkt kwetsbare objecten een richtwaarde voor het PR wordt gesteld van 10-6 per jaar. Nu de normen voor windturbines uit het Activiteitenbesluit buiten werking zijn verklaard, is in dit externe veiligheidsrapport gekozen bij deze normen aan te sluiten. Van een grenswaarde mag niet worden afgeweken, terwijl van de richtwaarde wel gemotiveerd mag worden afgeweken. Ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten is daarom niet alleen beoordeeld of hier aan de richtwaarde voor het PR van 10-6 wordt voldaan, maar ook of hier aan een tienmaal zo hoog PR van 10-5 kan worden voldaan. 8
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
3.2
Risicovolle installaties Indien de windturbines niet substantieel bijdragen aan een verhoging van de risico’s van de inrichting zullen de voor de inrichting geldende risicoafstanden niet significant wijzigen. Dat betekent dat toetsing aan de afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten ook na plaatsing van de windturbines niet tot belemmeringen leidt. Om dit te toetsen kan in eerste instantie naar de toename van de catastrofale faalfrequentie van risicovolle installaties behorende tot de inrichting worden gekeken. Indien deze toename een bepaalde richtwaarde niet overschrijdt is plaatsing van de windturbine uit oogpunt van risicobeoordeling toegestaan. Als uitgangspunt voor deze richtwaarde wordt volgens het Handreiking Risicozonering Windturbines1 10% gehanteerd. Indien de toename deze richtwaarde overschrijdt, is plaatsing niet direct uitgesloten, maar wordt door een uitgebreidere analyse bepaald of er na plaatsing nog steeds voldaan wordt aan de normen uit het Bevi en Bevb. In het Bevi en Bevb zijn ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten de volgende normen opgenomen: -
De grenswaarde, bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor kwetsbare objecten is 10-6 per jaar. De richtwaarde, bedoeld in artikel 4, tweede lid, voor beperkt kwetsbare objecten is 10-6 per jaar.
Artikel 4 Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen 1. Het bevoegd gezag neemt bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de grenswaarde, genoemd in artikel 6, eerste lid, in acht. 2. Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid rekening met de richtwaarde, genoemd in artikel 6, tweede lid. Artikel 6 Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen 1. De grenswaarde, bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten is 10 –6per jaar. 2. De richtwaarde, bedoeld in artikel 4, tweede lid, voor al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten is 10 –6 per jaar.
3.3
Hoogspanningsinfrastructuur Er bestaat geen wettelijke kader voor de invloed van windturbines op hoogspanningsleidingen. TenneT heeft in het Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020) een adviesafstand opgenomen voor het transportnetwerk van 110kV 1 Handreiking Risicozonering Windturbines, 2020.
9
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
tot en met 380kV. Deze adviesafstand is gelijk aan de maximale werpafstand bij nominaal toerental of indien deze groter is, de ashoogte + 1/2 rotordiameter. Dit betreft echter geen wettelijke grenswaarde. Wanneer er niet wordt voldaan aan de afstandseis, vraagt TenneT om met hen in overleg te treden. TenneT zal op basis van het concrete geval bepalen welk risico voor de betreffende asset op dat moment aanvaard kan worden. Als eerste richtlijn kan gebruikt worden dat windturbine(s) de kans op falen van de verbinding met 10% mag verhogen. Deze additionele faalkans wordt gerelateerd aan de al aanwezige faalkans van de verbinding tussen de aangrenzende verdeel- of transformatorstations. Aangezien er geen standaard faalfrequentie van een hoogspanningsverbinding bestaat, dient in alle gevallen overleg en afstemming met TenneT plaats te vinden.
3.4
Infrastructuur Rijkswegen Voor Rijkswegen zijn generieke afstanden berekend waarbuiten er geen ontoelaatbare risico’s voor passanten plaatsvinden. Het document “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken” staan de minimale afstanden tot Rijkswegen gegeven: “Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter”. Voor de overige openbare wegen bestaan geen genormeerde afstanden, waardoor kleinere afstanden mogelijk zijn. In de beleidsregel “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen – Beoordeling van veiligheidsrisico’s” staan de richtlijnen gegeven (zie kaders): “Individuele passantenrisico (IPR) Voor het risico voor de passant is een risicomaat gekozen die aansluit bij de individuele beleving van de passant, namelijk de overlijdenskans per passant per jaar. Hierbij wordt de passant gevolgd gedurende zijn bezigheden in de nabijheid van het windturbinepark. De initiatiefnemer die een of meerdere windturbines wil plaatsen dient aan te tonen dat het maximale toelaatbare Individueel Passanten Risico IPR niet wordt overschreden op de infrastructuur in de nabijheid van de turbine. De grens is vastgesteld van honderdzestig kilometer per uur.
Een generiek IPR van 10-6 wordt aangehouden voor alle infrastructuur waarop de wettelijk toelaatbare snelheden de honderdzestig kilometer per uur niet overschrijden, en een generiek IPR van 10-7 op infrastructuur waarop wettelijk toelaatbare snelheden boven de honderdzestig kilometer per uur bestaan. Maatschappelijk risico (MR) Er zijn verschillenden maten te kiezen voor het maatschappelijk risico. Rijkswaterstaat en ProRail hanteren het criterium dat er jaarlijks niet meer dan 2*10-3 passanten mogen overlijden. In het externe-veiligheidsbeleid voor stationaire installaties of vervoersactiviteiten wordt uitgegaan van groepsrisicocurven of FN-curven. 10
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Groepsrisicocurves hebben alleen betekenis voor ’kleine-kans-groot-gevolg’-ongevallen met slachtofferaantallen groter dan 10 per ongeval. Uit studies ref. [2, 4, 5, 6] blijkt dat bij windturbineparken in de nabijheid van rijkswegen altijd ruimschoots aan de groepsrisiconorm wordt voldaan.
3.5
Spoorwegen Op grond van artikel 19 van de Spoorwegwet dient bij ProRail een vergunning te worden aangevraagd voor plaatsing van windturbines wanneer een (deel van een) rotorblad binnen de vergunningsgrenzen komt. Deze grens ligt op 11 meter van het hart van het buitenste spoor. In verband met de spoorwegveiligheid hanteert ProRail een afstandseis tussen windturbines en de spoorweg en dient het veiligheidsrisico voor personen en gevaarlijke stoffen te worden bepaald. Voor spoorwegen hanteert ProRail een adviesafstand waarbuiten geen substantiële negatieve invloed van een windturbine is te verwachten. Hiervoor geldt het volgende plaatsingsadvies: •
3.6
De afstand tussen windturbines en het dichtst bij gelegen spoor dient minimaal 7,85 meter + halve rotordiameter te zijn, gemeten vanuit het hart van het dichtstbijzijnde spoor, met een minimum van 30 meter (Handreiking Risicozonering Windturbines, versie mei 2020).
IJsafworp In het Handboek Risicozonering Windturbines staat beschreven dat loslatende ijsbrokken bij een turbine met een ashoogte van 65 meter op 10 tot 15 meter van het rotorvlak terecht zijn gekomen. Ten behoeve van het bepalen van het risicogebied voor ijsafval is in dit PlanMER de valafstand van 15 meter lineair doorgetrokken op basis van de ashoogte van de windturbines voor de verschillende alternatieven. De ashoogte van de windturbines in alternatief 1 is 87m, waardoor de aangehouden valafstand (87/65) * 15 = 20,0 meter is. De ashoogte van de windturbines in alternatief 2 en 3 is 165m, waardoor de aangehouden valafstand (165/65) * 15 = 38,0 meter is.
11
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Hoofdstuk 4 Risicoanalyse
4.1
(Beperkt) kwetsbare objecten De berekende 10-5 en 10-6 contouren zijn weergegeven op onderstaande kaarten. Per windturbinelocatie is nagegaan of (geprojecteerde) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen de risicocontouren aanwezig zijn. Voor de gebouwen binnen de 10-6 contour is nagegaan of er sprake is van een kwetsbaar object (BAG, risicokaart.nl/ luchtfoto). In onderstaande figuren zijn de risicocon-touren van de verschillende alternatieven te vinden.
4.1.1
Alternatief 1
Figuur 3
Plaatsgebonden risicocontouren en panden rondom de beoogde windturbines
Er bevinden zich geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten of kwetsbare objecten binnen respectievelijk de 10-5 en 10-6 contour.
12
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.1.2
Alternatief 2
Figuur 4
Plaatsgebonden risicocontouren en panden rondom de beoogde windturbines
Er bevinden zich geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten of kwetsbare objecten binnen respectievelijk de 10-5 en 10-6 contour.
13
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.1.3
Alternatief 3
Figuur 5
Plaatsgebonden risicocontouren en panden rondom de beoogde windturbines
Er bevinden zich geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten of kwetsbare objecten binnen respectievelijk de 10-5 en 10-6 contour. Wel is binnen de 10-6 contour van de meest linker turbine een recreatiestrand gelegen. Het betreft hier geen bouwwerk maar een openbare ruimte waar er personen kunnen verblijven. Conform artikel 1 van het Bevi kunnen recreatiestranden gezien worden als ‘terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet bestemd zijn voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen’. Aangenomen wordt dat in de zomermaanden voldaan wordt aan bovenstaande beschrijving en er zodoende sprake is van een beperkt kwetsbaar object. Tabel 3
Beschrijving en beoordeling van objecten binnen de PR 10-6 contour van de windturbines Locatie Beschrijving locatie Kwetsbaar? 1 Recreatiestrand Beperkt kwetsbaar
14
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.2
Risicovolle installaties Op basis van de risicokaart, luchtfoto’s en streetview foto’s is nagegaan welke risicovolle installaties zich binnen de maximale werpafstanden en valafstand rondom de beoogde winturbines bevinden. De berekende maximale werpstanden (bij overtoeren) zijn ingetekend op de kaart en voor de locatie is nagegaan of binnen deze maximale werpafstanden risicovolle installaties aanwezig zijn.
4.2.1
Alternatief 1
Figuur 6
Maximale werpafstand bij overtoeren van de windturbines en risicovolle installaties.
Op basis van de ingetekende werpafstanden, luchtfoto’s en risicokaart.nl zijn er geen risicovolle installaties aanwezig binnen de maximale werpafstanden.
15
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.2.2
Alternatief 2
Figuur 7
Maximale werpafstand bij overtoeren van de windturbines en risicovolle installaties.
Op basis van de ingetekende werpafstanden, luchtfoto’s en risicokaart.nl zijn er geen risicovolle installaties aanwezig binnen de maximale werpafstanden.
16
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.2.3
Alternatief 3
Figuur 8
Maximale werpafstand bij overtoeren van de windturbines en risicovolle installaties.
Op basis van de ingetekende werpafstanden, luchtfoto’s en risicokaart.nl zijn er geen risicovolle installaties aanwezig binnen de maximale werpafstanden.
4.3
Wegen Voor de alternatieven is nagegaan of een windturbine over een (openbare) weg draait. Indien er geen overdraai plaatsvindt wordt er voldaan aan de in paragraaf 3.4 genoemde beleidsregel van Rijkswaterstaat voor rijkswegen. Wanneer niet wordt voldaan aan de beleidsregel wordt middels een trefkansberekening onderzocht of het toegevoegd risico aanvaardbaar is.
17
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.3.1
Alternatief 1
Figuur 9
Overdraai boven wegen
Uit bovenstaande figuur blijkt dat er sprake is van overdraai van turbine 1 en turbine 2 over het Vaanpad. Omdat beide windturbines over de gemeentelijke weg zullen overdraaien is voor deze wegen de trefkans per passage berekend (zie paragraaf 4.3.4). De volledige berekening is opgenomen in Bijlage C.
18
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.3.2
Alternatief 2
Figuur 10
Overdraai boven wegen
Uit bovenstaande figuur blijkt dat er sprake is van overdraai van turbine 2 over het Vaanpad. Omdat deze windturbine over de gemeentelijke weg zal overdraaien is voor deze weg de trefkans per passage berekend (zie paragraaf 4.3.4). De volledige berekening is opgenomen in Bijlage C.
19
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.3.3
Alternatief 3
Figuur 11
Overdraai boven wegen
Uit bovenstaande figuur blijkt dat er sprake is van overdraai van turbine 1 (Vrijenbrugpad) en turbine 2 (Vaanpad). Omdat beide windturbines over de gemeentelijke weg zullen overdraaien is voor deze wegen de trefkans per passage berekend (zie paragraaf 4.3.4). De volledige berekening is opgenomen in Bijlage C.
20
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.3.4
Faalkansberekening wegen Binnen de invloedsfeer van de windturbines bevinden zich meerdere openbare wegen. De meeste van deze wegen bevinden zich op meer dan een halve rotordiameter afstand van de windturbinemast. Omdat hiermee wordt voldaan aan de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken” kan het externe veiligheidsrisico bij deze wegen op voorhand als toelaatbaar worden beschouwd. In onderstaande tabellen is de trefkans per passage, evenals het maximaal toelaatbaar individueel passantenrisico (IPR) en maatschappelijk risico (MR) berekend om tot een beoordeling van de externe veiligheidseffecten te komen.
Tabel 4
Berekening van de IPR en MR voor alternatief 1 Trefkans per pasWindturbine Weg sage Vaanpad 8,28*10-13 1 2
Tabel 5
Vaanpad
8,43*10-13
Berekening van de IPR en MR voor alternatief 2 Trefkans per pasWindturbine Weg sage 1 Vaanpad 8,20*10-13
Tabel 6
Berekening van de IPR en MR voor alternatief 3 Trefkans per pasWindturbine Weg sage 6,70*10-13 Vrijen1
IPR2
MR3
1.207.471
Passage per dag 3.308
1.185.633
3.248
2.371.266.018
IPR
Passage per dag 3.340
MR
MR
1.491.906
Passage per dag 4.087
993.583
2.722
1.987.167.943
1.219.124
IPR
2.414.942.018
2.438.248.535
2.983.813.099
brugpad
2
Vaanpad
1,01*10-12
Gelet op de aard van de weg is het niet realistisch dat het IPR of MR wordt overschreden voor elk van deze alternatieven.
4.4
Hoogspanningskabels Voor het plangebied is nagegaan of zich hoogspanningsinfrastructuur in buurt van de windturbines bevindt. Indien dit het geval is wordt er gekeken of er wordt voldaan aan de afstandseis van TenneT (maximale werpafstand bij nominaal toerental of tiphoogte).
2
3
Aann het IPR (10-6) wordt voldaan zolang één passant de windturbines niet vaker passeert dan de genoemde waarde in de tabel Er wordt aan het MR (2*10-3) voldaan zolang het aantal passanten dat de windturbines passeert niet meer is dan de genoemde waarde in de tabel
21
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.4.1
Alternatief 1 Voor Alternatief 1 geldt dat er geen hoogspanningsinfrastructuur is gelegen binnen de adviesafstanden van TenneT. Er zijn derhalve geen aandachtspunten.
Figuur 12
Hoogspanningsinfrastructuur
22
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.4.2
Alternatief 2 Voor Alternatief 2 geldt dat er geen hoogspanningsinfrastructuur is gelegen binnen de adviesafstanden van TenneT. Er zijn derhalve geen aandachtspunten.
Figuur 13
Hoogspanningsinfrastructuur
23
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.4.3
Alternatief 3 Voor Alternatief 3 geldt dat er geen hoogspanningsinfrastructuur is gelegen binnen de adviesafstanden van TenneT. Er zijn derhalve geen aandachtspunten.
Figuur 14
Hoogspanningsinfrastructuur
4.5
Spoorwegen In onderstaande figuren is nagegaan of de windturbines zich op een afstand van tenminste 7,85 meter + ½ rotordiameter van het hart van het buitenste spoor bevinden en daarmee voldoen aan de afstand eis van ProRail ten aanzien van spoorwegen. Ook is nagegaan of de windturbines zich binnen de vergunningsgrenzen tot de spoorlijn bevinden (11 meter + ½ rotordiameter tot het hart van het buitenste spoor).
24
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.5.1
Alternatief 1
Figuur 15
Spoorlijnen, afstandseis en vergunningsgrens rondom de windturbines – alternatief 1
De windturbines bevinden zich op een afstand tot het hart van het buitenste spoor die groter is dan ½ rotordiamater + 11 meter4. Daarom wordt in geval van alle windturbines aan de afstandseis van ProRail voldaan en is ook geen vergunning in het kader van artikel 19 van de Spoorwegwet benodigd.
4
Op bovenstaande figuren is dit niet altijd even goed zichtbaar, echter heeft dit te maken met de schaalgrootte en lijndikte die op de figuren van toepassing is.
25
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.5.2
Alternatief 2
Figuur 16
Spoorlijnen, afstandseis en vergunningsgrens rondom de windturbines – alternatief 2
De windturbines bevinden zich op een afstand tot het hart van het buitenste spoor die groter is dan ½ rotordiamater + 11 meter5. Daarom wordt in geval van alle windturbines aan de afstandseis van ProRail voldaan en is ook geen vergunning in het kader van artikel 19 van de Spoorwegwet benodigd.
5
Op bovenstaande figuren is dit niet altijd even goed zichtbaar, echter heeft dit te maken met de schaalgrootte en lijndikte die op de figuren van toepassing is.
26
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.5.3
Alternatief 3
Figuur 17
Spoorlijnen, afstandseis en vergunningsgrens rondom de windturbines – alternatief 3
Windturbines 1 en 3 bevinden zich op een afstand tot het hart van het buitenste spoor die groter is dan ½ rotordiamater + 11 meter6. Daarom wordt in geval van deze windturbines aan de afstandseis van ProRail voldaan en is ook geen vergunning in het kader van artikel 19 van de Spoorwegwet benodigd. Voor windturbine 2 ligt de vergunningsgrens van ProRail precies op het hart van het buitenste spoor. Aan de afstand eis wordt voldaan echter is er wel een vergunning in het kader van artikel 19 van de Spoorwegwet benodigd.
4.6
IJsafworp In onderstaande figuren is nagegaan in welke mate er (wandel)paden gelegen is binnen de mogelijke werpafstand van ijs. Hierbij is per windturbine gezocht naar de optimale kruipositie om het gebied waarbinnen ijs kan vallen zo beperkt mogelijk te houden.
6
Op bovenstaande figuren is dit niet altijd even goed zichtbaar, echter heeft dit te maken met de schaalgrootte en lijndikte die op de figuren van toepassing is.
27
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
4.6.1
Alternatief 1 De windturbines zijn dusdanig gedraaid dat het gebied voor mogelijke ijsafworp zo beperkt mogelijk is. In totaal is er in alternatief 1 voor 83,50 meter aan pad gelegen binnen de contour.
Tabel 7
Overzicht paden binnen ijsafworpbuffer Windturbine Wandelpad binnen buffer 1 Ja 2 Nee 3 Ja Totaal alternatief
Figuur 18
Mogelijke ijsafworp alternatief 1
4.6.2
Alternatief 2
Afstand (m) 40 0 43.50 83.50
De windturbines zijn dusdanig gedraaid dat het gebied voor mogelijke ijsafworp zo beperkt mogelijk is. In totaal is er in alternatief 2 voor 422.83 meter aan pad gelegen binnen de contour. Bij windturbine 2 is het mogelijk de windturbine dusdanig te draaien en dat er minder wandelpad binnen de contour valt. Echter in die situaties ligt dan wel de rijksweg binnen de contour, hiervoor is gekozen om dit nu niet toe te staan. 28
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht Tabel 8
Overzicht paden binnen ijsafworpbuffer Windturbine Wandelpad binnen buffer 1 Ja 2 Ja Totaal alternatief
Figuur 19
Mogelijke ijsafworp alternatief 2
4.6.3
Alternatief 3
Afstand (m) 185,59 237,27 422,86
De windturbines zijn dusdanig gedraaid dat het gebied voor mogelijke ijsafworp zo beperkt mogelijk is. In totaal is er in alternatief 1 voor 633.57 meter aan pad gelegen binnen de contour. Tabel 9
Overzicht paden binnen ijsafworpbuffer Windturbine Wandelpad binnen buffer 1 Ja 2 Ja 3 Ja Totaal alternatief
Afstand (m) 404.48 82.05 177.04 663.57
29
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht Figuur 20
Mogelijke ijsafworp alternatief 3
30
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Hoofdstuk 5 Conclusie
5.1
(Beperkt) kwetsbare objecten Omdat zich geen (geprojecteerd) kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour van de windturbines van alle planMER-alternatieven bevinden wordt in geval van alle alternatieven voldaan aan de grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar bij kwetsbare objecten. Binnen de PR 10-6 contour van één planMER-alternatieven bevindt zich wel een recreatieterrein dat (mogelijk) als beperkt kwetsbaar objecten moeten worden beschouwd. Tabel 10 geeft een overzicht. Hieruit volgt dat in geval van alternatief 1 niet wordt voldaan aan de richtwaarde voor het PR van 10-6 bij beperkt kwetsbare objecten. In alle gevallen wordt bij beperkt kwetsbare objecten wel voldaan aan een PR van 10-5.
Tabel 10
Beschrijving en beoordeling van gebouwen binnen de PR 10 -6 contour van de windturbines Alternatief Beschrijving locatie Kwetsbaar? 1 Recreatiestrand Beperkt kwetsbaar
5.2
Risicovolle installaties Uit de analyse volgt dat bij alle alternatieven er geen sprake is van een risicovolle installatie gelegen binnen de werpafstand bij overtoeren. Hieruit volgt dat er geen faalkansverhoging is voor nabijgelegen risicovolle installaties en zodoende voldaan wordt aan de gestelde richtlijnen.
5.3
Wegen In alle alternatieven is er sprake van overdraai bij twee gemeentelijke wegen (het Vaanpad en het Vrijenbrugpad). Voor deze wegen is daarom berekend wat de kans is dat een persoon die de windturbines op de weg passeert door (delen van) een falende windturbine wordt getroffen. Deze trefkans is: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
8,28*10-13 per passage (Alternatief 1, Vaanpad windturbine 1) 8.43*10-13 per passage (Alternatief 1, Vaanpad windturbine 2) 8.20*10-13 per passage (Alternatief 2, Vaanpad windturbine 1) 6.70*10-13 per passage (Alternatief 3, Vrijenbrugpad) 1.01*10-12 per passage (Alternatief 3, Vaanpad)
31
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Hieruit volgt dat aan het IPR (10-6) wordt voldaan zolang één passant de windturbines niet vaker passeert dan: ➢ 1.207.471 keer per jaar; oftewel 3.308 passages per dag gedurende een heel jaar door dezelfde persoon. (Alternatief 1, Vaanpad windturbine 1) ➢ 1.185.633 keer per jaar; oftewel 3.248 passages per dag gedurende een heel jaar door dezelfde persoon. (Alternatief 1, Vaanpad windturbine 2) ➢ 1.219.124 keer per jaar; oftewel 3.340 passages per dag gedurende een heel jaar door dezelfde persoon. (Alternatief 2, Vaanpad windturbine 1) ➢ 1.491.906 keer per jaar; oftewel 4.087 passages per dag gedurende een heel jaar door dezelfde persoon. (Alternatief 3, Vrijenbrugpad) ➢ 993.583 keer per jaar; oftewel 2.722 passages per dag gedurende een heel jaar door dezelfde persoon. (Alternatief 3, Vaanpad) Er wordt aan het MR (2*10-3) voldaan zolang het aantal passanten dat de windturbines passeert niet meer is dan: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
5.4
2.414.942.018 (Alternatief 1, Vaanpad windturbine 1) 2.371.266.018 (Alternatief 1, Vaanpad windturbine 2) 2.438.248.535 (Alternatief 2, Vaanpad windturbine 1) 2.983.813.099 (Alternatief 3, Vrijenbrugpad) 1.987.167.943 (Alternatief 3, Vaanpad)
Hoogspanningsinfrastructuur Uit de analyse volgt dat bij alle alternatieven geldt dat de hoogspanningsinfrastructuur met bijbehorend transformatorstation zich bevinden buiten de tiphoogte of werpafstand bij nominaal toerental. Hiermee wordt voldaan aan de adviesafstanden van TenneT.
5.5
Spoorwegen In geval van twee van de drie opstellingsalternatieven bevindt de mast van alle windturbines zich buiten de vergunningsgrens van 11 meter + ½ rotordiameter tot het hart van het buitenste spoor. Zodoende wordt voor deze twee opstellings-alternatieven ook aan de afstandseis van ProRail tot spoorwegen voldaan en hoeft bovendien geen vergunning op grond van artikel 19 van de Spoorwegwet te worden aangevraagd. Omdat wordt voldaan aan de afstandeis van ProRail zal geen van deze opstellingsalternatieven tot een ontoelaatbare verhoging van de veiligheidsrisico’s ten aanzien van spoorwegen leiden. Voor alternatief 3 is wel mogelijk sprake van een benodigde vergunning. De middelste windturbine uit dit opstellingsalternatief raakt precies aan het hart van het buitenste spoor. Aan de afstandseis wordt wel voldaan. 32
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
5.6
IJs worp Voor alle drie de alternatieven is getoetst hoeveel (wandel)pad er gelegen is binnen de ijsafworp contour van de verschillende windturbines. In alle drie de alternatieven is er sprake van wandelpaden die gelegen zijn binnen deze contour.
Tabel 11
Paden in meters binnen contouren van het alternatief Alternatief Wandelpad binnen buffer 1 Ja 2 Ja 3 Ja
Afstand (m) 83.50 422.86 663.57
33
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Hoofdstuk 6 Beoordelingskader
6.1
Beoordelingskader Vanwege de kans op falen kunnen windturbines een risico opleveren voor de omgeving. Bij de toetsing op veiligheidsaspecten wordt gebruik gemaakt van verschillende (wettelijke) kaders. Onderstaande tabel toont de beoordelingscriteria waarop het MER de MER-alternatieven beoordeelt op het milieuthema externe veiligheid.
Tabel 12
Beoordelingscriteria externe veiligheid
Beoordelingscriterium Ligging t.o.v. hoogspanningsinfrastructuur Ligging t.o.v. buisleidingen Ligging t.o.v. wegen, spoorwegen en waterwegen Aantal (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 en PR 10-5 contour Aantal risicovolle installaties binnen de werpafstand
De effectbepaling in dit MER wordt gegeven in de genoemde 5-punts schaal van ‘- - ‘tot ‘+ +’. In onderstaande tabel wordt de specifieke invulling van deze schaal voor het milieuaspect ´externe veiligheid’, onderverdeeld in vijf beoordelingscriteria, toegelicht. Tabel 13
Beoordelingstabel externe veiligheid.
Bebouwing
-0
+ ++
Kwetsbaar object binnen de PR 10-6 contour of beperkt kwetsbaar object binnen de PR 10-5 contour. Beperkt kwetsbaar object binnen de PR 10-6 contour maar buiten de PR 10-5 contour. Met zekerheid geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour. n.v.t. n.v.t.
Wegen, waterwegen en spoorwegen
--
Locatie voldoet niet aan beleidsregels t.a.v. Rijkswegen, waterwegen of spoorwegen.
0
Locatie voldoet aan beleidsregels t.a.v. wegen, waterwegen of spoorwegen.
Locatie voldoet niet aan beleidsregels t.a.v. overige openbare wegen.
+ n.v.t. ++ n.v.t. Industrie en inrichtingen
--
≥ 10% faalkansverhoging bij risicovolle installaties als gevolg van de windturbines.
0
Geen risicovolle installaties binnen de maximale werpafstand bij overtoeren.
< 10% faalkansverhoging bij risicovolle installaties als gevolg van de windturbines.
34
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
+ n.v.t. ++ n.v.t. Transportleidingen en hoogspanningsleidingen
-0
Transportleidingen binnen de adviesafstand van Gasunie of hoogspanningsinfrastructuur binnen de adviesafstand van TenneT. Transportleidingen of hoogspanningsinfrastructuur binnen de maximale werpafstand bij overtoeren maar buiten de adviesafstanden van Gasunie en TenneT. Geen hoogspanningsinfrastructuur binnen de maximale werpafstand bij overtoeren. n.v.t.
+ ++ n.v.t. IJsafworp
--
> 500 meter aan wandelpaden binnen ijsafworp contour
0
< 250 meter aan wandelpaden binnen ijsafworp contour n.v.t.
Tussen 250 en 500 meter aan wandelpaden binnen ijsafworp contour
+ ++ n.v.t.
6.2
Conclusie De alternatieven scoren op basis van de MER-beoordelingscriteria voor externe veiligheid als volgt:
Tabel 14
Conclusie externe veiligheid
1
2
3
Bebouwing Wegen
Alternatief
-
0 -
0 -
Spoorwegen Industrie en inrichtingen Hoogspanningsinfrastructuur
0 0 -
0* 0 -
0 0 -
IJsafworp 0 -* Het alternatief heeft de score neutraal gekregen doordat er met een simpele mitigerende maatregel alsnog kan worden voldaan aan de vergunningseis.
35
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Bijlage A Berekening werpafstand
36
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
37
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Bijlage B (Beperkt) kwetsbare objecten Kwetsbare objecten
a) woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen of woonwagens als bedoeld in onderdeel b, onder a;
b) gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen, of 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
c)
gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren: 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object, of 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m 2 per winkel, voorzover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd, en
d) kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 per-
sonen gedurende meerdere aaneengesloten dagen; Beperkt kwetsbare objecten
a)
1°.verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, en 2°.dienst- en bedrijfswoningen van derden;
b) kantoorgebouwen, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten, onder c, vallen; c)
hotels en restaurants, voorzover zij niet kwetsbare objecten, onder c, vallen;
d) winkels, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten, onder c, vallen; e)
sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
f)
kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten, onder d, vallen;
g)
bedrijfsgebouwen, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten, onder c, vallen;
h) objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voorzover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en;
i)
objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleiding apparatuur, voorzover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval;
38
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
39
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
Bijlage C Trefkansberekening wegen
Trefkansberekening weg Rekenmethode mastbreuk
De kans dat dat de weg wordt getroffen door een onderdeel van een omvallende windturbine wordt gelijk verondersteld aan de kans dat een gedeelte van een onderstaand cirkelsegment (Figuur 21) in aanraking komt met de wegstrook, hetgeen is geïllustreerd in Figuur 22Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. (HRW, 2020). Figuur 21
Windturbine als cirkelsegment
Figuur 22
Turbine in aanraking met weg
De kans dat de windturbines het faalscenario mastbreuk de weg zal treffen is dan:
Alternatief
Windturbine
1 1 2 3 3
1 2 1 1 2
Afstand windturbine tot weg 44,85 m 33,04 m 37.94 m 30.76 m 41.40 m
Valhoek (graden)
Mastbreuk frequentie (per jaar)
Trefkans weg
207 206 210 146 287
1,3*10-4 1,3*10-4 1,3*10-4 1,3*10-4 1,3*10-4
7,475*10-5 7,436*10-5 7,579*10-5 5,265*10-5 1,036*10-4
Rekenmethode wiekbreuk
Conform het Handboek Risicozonering Windturbines kan de kans dat een persoon die permanent op dezelfde locatie aanwezig is wordt geraakt als gevolg van een afgebroken wiek met de volgende formule worden berekend:
40
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
𝑃 = 1,5 ∙ 𝐴𝑐 (𝐾𝑟𝑖𝑡𝑖𝑒𝑘 𝑜𝑝𝑝𝑒𝑟𝑣𝑙𝑎𝑘𝑡𝑒 𝑤𝑖𝑒𝑘) ∙ 𝑝𝑧𝑤𝑝𝑡 (𝑇𝑟𝑒𝑓𝑘𝑎𝑛𝑠 𝑧𝑤𝑎𝑎𝑟𝑡𝑒𝑝𝑢𝑛𝑡 𝑤𝑖𝑒𝑘)
Hieruit volgt de kans de windturbine een persoon op de weg zal treffen volgens het scenario wiekbreuk: Alternatief 1 1 2 3 3
Windturbine 1 2 1 1 2
Ac 202.05 202.05 178 178 178
Pzwpt 2,377*10-8 3,245*10-8 1,878*10-8 2,272*10-8 1,729*10-8
P 7,220*10-6 9,856*10-6 5,014*10-6 6,066*10-6 4,616*10-6
Rekenmethode gondelafworp
Voor het berekenen van de trefkans bij personen en objecten ten gevolge van het afvallen van een gondel met rotor of alleen een rotor kan dezelfde aanpak worden gevolgd als bij mastbreuk. De masthoogte wordt voor deze berekening nul verondersteld. Het risicogebied blijft dan beperkt tot een gebied rondom de toren dat gelijk is aan de rotordiameter. Daarmee is de trefkans van de weg gelijk aan de kans dat het scenario zich voordoet: 4,0*10-5 per jaar. Totale trefkans per passage
De totale kans dat de weg door (onderdelen van) de windturbine wordt getroffen volgt uit de som van bovenstaande trefkansen: Alternatief 1 1 2 3 3
Windturbine 1 2 1 1 2
Mastafbreuk
Wiekafbreuk
Godelafworp
Totaal
7,475*10-5 7,436*10-5 7,579*10-5 5,265*10-5 1,036*10-4
7,220*10-6 9,856*10-6 5,014*10-6 6,066*10-6 4,616*10-6
4,0*10-5 4,0*10-5 4,0*10-5 4,0*10-5 4,0*10-5
1,22*10-4 1,24*10-4 1,21*10-4 9,87*10-5 1,48*10-4
De kans dat een passant wordt getroffen kan worden berekend door de trefkans te vermenigvuldigen met de verblijfsfactor van de passant: 𝜏=
0,3 1 𝑣𝑜 365 ∙ 24 ∙ 3600
waar 𝑣𝑜 = 𝑠𝑛𝑒𝑙ℎ𝑒𝑖𝑑 𝑣𝑎𝑛 𝑑𝑒 𝑝𝑎𝑠𝑠𝑎𝑛𝑡 (m/s) Ten behoeve van het bepalen van de verblijfsfactor gaan we uit van een worstcasescenario, dat wil zeggen van een passant die een lage snelheid en dus een lange verblijfstijd heeft. Dit is een boot, waarvoor wij een ge2de snelheid van 5 km per 41
Rapportage externe veiligheid Vaanplein Barendrecht
uur (1,4 meter per seconde) aannemen. De resulterende verblijfsfactor per passage is dan: 6,79*10-9.
Door de trefkans met de verblijfsfactor te vermenigvuldigen kan de trefkans per passage berekend worden: Alternatief 1 1 2 3 3
Windturbine 1 2 1 1 2
Trefkans weg 1,22*10-4 1,24*10-4 1,21*10-4 9,87*10-5 1,48*10-4
Verblijfsfactor passant 6,79*10-9 6,79*10-9 6,79*10-9 6,79*10-9 6,79*10-9
Trefkans per passage 8,28*10-13 8,43*10-13 8,20*10-13 6,70*10-13 1,01*10-12
42