CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A Bestemmingsplan De Stationstuinen 1e fase Barendrecht

commissie Ruimte 28 november 2023, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Bestemmingsplan De Stationstuinen 1ste fase34.645 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hoofdstuk 5

48

Hoewel de Wet geluidhinder niet van toepassing is op dergelijke wegen, dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden onderzocht of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hoewel de grenswaarden uit de Wet geluidhinder niet formeel gelden, zijn de kaders uit de Wet wel gehanteerd als maat om de resultaten te kunnen duiden. Railverkeerslawaai Met behulp van het rekenmodel is op het te beoordelen nieuwbouwplan de geluidbelasting vanwege het spoorverkeer bepaald. Uit de rekenresultaten blijkt dat op geen enkel gebouw de voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt overschreden. Er hoeft derhalve ten gevolge van railverkeerslawaai geen hogere waarde te worden aangevraagd. Bedrijvenlawaai Uit de berekeningen blijkt dat de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT wordt overschreden in de dag, avond en nachtperiode door de geluidemissie van bedrijf 1 (Groenland Kip en Kivits-Goes Handling aan de Spoorlaan 12). Het maximale geluidniveau LAmax wordt in de dag- en nachtperiode overschreden door de geluidemissie van bedrijf 7 (nog te realiseren regionale verkeersleidings- en incidentenbestrijdingspost (VL/ICB-post) van ProRail, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend aan het Zuideinde). Ten gevolge van de overige omliggende bedrijven kan wel worden voldaan worden aan de grenswaarden.

Om de geluidemissie van bedrijven 1 en 7 passend te maken met de plansituatie moeten maatregelen aan de bedrijfsvoering dan wel afschermende maatregelen binnen de inrichtingsgrenzen worden overwogen. Voor het bedrijf aan de Spoorlaan 12 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels (artikel 4.4.6 sub a). De nieuw te bouwen woningen nabij Spoorlaan 12 kunnen alleen in gebruik worden genomen en in gebruik worden gehouden wanneer als gevolg van de bedrijfsactiviteiten op het perceel Spoorlaan 12 voldaan wordt aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT) op de gevel van deze nieuwe woningen. Dit moet blijken uit een akoestisch onderzoek dat ten minste drie maanden voor de aanvang van het gebruik van de woningen aan het bevoegd gezag ter beoordeling wordt overgelegd. Dit betekent concreet dat ter plaatse van Spoorlaan 12 alleen nog minder milieubelastende bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan op het moment dat de nieuwe woningen in gebruik worden genomen. De projectontwikkelaar van de Stationstuinen fase 1 heeft het bedrijf aan de Spoorlaan 12 in eigendom en beheer. Het is ook in zijn belang om te zorgen dat de activiteiten die de overschrijding van de geluidvoorschriften veroorzaken tijdig zijn gestaakt.

Bovendien ligt het bedrijf binnen het plangebied van het bestemmingsplan De Stationstuinen, 2e fase, dat waarschijnlijk nog voor 1 januari 2024 als ontwerp ter visie wordt gelegd. En in dat bestemmingsplan krijgen de gronden andere bestemmingen voor onder andere wonen en groenvoorzieningen. Wat betreft de VL/ICB-post van Prorail is het nog maar de vraag of deze daadwerkelijk nabij de Stationstuinen eerste fase wordt gerealiseerd (zie ook paragraaf 4.1. onder het kopje ‘Ontwerpbestemmingsplan ‘Dwarsligger Barendrecht’). Indien deze wel wordt gerealiseerd zijn er twee opties: 1. Er wordt voldoende afscherming gerealiseerd middels een overkapping binnen de inrichtingsgrens, of door mobiele geluidschermen, zodat ter plaatse van fase 1 de inrichting aan de standaard geluidsvoorschriften voldoet.

Hoofdstuk 5

49

2. Het plaatsen van een geluidwerende voorziening op de zuidelijke plangrens van onderhavig bestemmingsplan. Mocht de VC/ICB-post er komen dan is via een voorwaardelijke verplichting (artikel 4.4.6 sub c) geborgd dat deze maatregel ook wordt genomen voordat de woningen in gebruik worden genomen indien Prorail niet de onder optie genoemde maatregelen treft. Cumulatieve geluidbelasting De geprojecteerde gebouwen liggen nabij verschillende geluidbronnen (wegen, rail en bedrijven). Daarnaast wordt op enkele punten de toetsingswaarde voor bedrijvenlawaai overschreden. Hierdoor dient eveneens de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk te worden gemaakt. In onderstaande tabel is de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt.

De cumulatieve geluidbelasting is ten hoogste 62 dB (LVL,CUM). Een wettelijke toets aan het cumulatieve geluidniveau is er niet. Hieronder worden de cumulatieve waarden wel meegenomen in het gemeentelijk geluidbeleid. Gemeentelijk geluidbeleid De hoogst berekende geluidbelasting vanwege industrielawaai bedraagt 59 dB. De hoogste geluidbelasting vindt plaats op bouwvlak A (toetspunt 02, op 13,5m hoogte). Voor wegverkeerslawaai is de cumulatieve geluidbelasting ten hoogste 61 dB (bouwvlak B, toetspunt 19, 4,5m hoogte). Voor railverkeerslawaai is dit 54 dB (bouwvlak B, toetspunt 37, 10,5m hoogte). Voor alle geluidbronnen geldt derhalve dat aan de plandrempels van het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Op basis van de eerste stedenbouwkundige uitwerking binnen de twee bouwvlakken is de verdeling over de geluidklassen weergegeven in onderstaande tabel. Na verdere invulling van het plangebied kan dit standstill-principe opnieuw worden berekend, waarbij de afschermende bebouwing en situering van woningen mee kan worden genomen.

Beschouwing situering hoogteaccenten In het akoestisch onderzoek is gebruik gemaakt van de verbeelding, zoals opgenomen in paragraaf 3.1. van dit onderzoek. Deze verbeelding is nog weer aangepast als het gaat om de maximale bouwhoogtes en de ligging van de hoogteaccenten. Zo heeft het bestemmingsplan een groter gebied aangeduid waar hoogteaccenten toegestaan zijn in verband met de gewenste flexibiliteit. Echter kan

Hoofdstuk 5

50

op basis van de volgende punten worden gesteld dat deze wijzigingen niet leiden tot een wijziging van de conclusies van dit onderzoek. 1. Op elke gevel is de hoogste beoordelingshoogte minimaal 22,5 meter. Gezien de hoogteligging van de geluidbronnen en gelet op de rekenresultaten kan worden gesteld dat de maatgevende geluidbelasting zich op lagere verdiepingen bevindt, waardoor hogere verdiepingen geen hogere geluidbelasting zullen hebben dan is berekend op de bestaande rekenpunten. 2. De plaatsing van de hoogteaccenten is grotendeels als worst-case te beschouwen. Accent A4 ligt in de berekening op de kortst mogelijke afstand van de maatgevende geluidbron (bedrijf 1). Derhalve kan worden gesteld dat aanpassingen aan de situering (verschuiving van de bron af) van dit hoogteaccent niet tot een hogere geluidbelasting zullen leiden. Accent A1 ligt verder van de maatgevende geluidbron (bedrijf 7) verwijderd. 5.2.3 Conclusie Na het nemen van maatregelen kan voldaan worden aan wet- en regelgeving als het gaat om geluid. Voor zover nodig is dit geborgd in de regels.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 5.3.2 Onderzoek Er een onderzoek gedaan naar luchtkwaliteit. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna wordt de conclusie beschreven.

Hoofdstuk 5

51

Toets grenswaarden Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de op het betreffende punt te toetsen grenswaarden. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer vormt dan ook geen belemmering voor verdere besluitvorming (artikel 5.16, lid 1 onder a Wm). Effecten ten gevolge van de ontwikkeling De effecten voor de luchtkwaliteit zijn het meest voornaam op de concentraties NO2. De maximale toename bedraagt 0,6 μg/m3 voor fase 1, 1,7 μg/m3 voor fase 2 en maximaal 1,5 μg/m3 voor fase 2B. Op slechts enkele toetspunten na vallen de effecten van de ontwikkelingen ook voor fase 2 (2 stuks) en fase 2B (1 stuks) binnen de NIBM-grens genoemd in het Besluit NIBM. Uit de rekenresultaten blijkt ook duidelijk dat de effecten ten gevolge van het gehele MER-gebied groter zijn dan voor enkel het bestemmingsplangebied (fase 1). Tevens blijkt duidelijk dat de effecten met betaald parkeren (fase 2B) minder groot zijn dan zonder betaald parkeren (fase 2). WHO-advieswaarden Op geen van de onderzochte locaties wordt, voor de stoffen NO2 en PM2,5, voldaan aan de WHOadvieswaarden. Voor beide stoffen blijkt ook dat op deze locaties reeds de achtergrondconcentraties niet aan deze advieswaarden voldoen. Enkel voor de concentraties PM10 geldt dat de WHO-advieswaarde wordt gerespecteerd. Dit geldt voor alle drie de fasen.

Doordat de achtergrondconcentraties van de stoffen NO2 en PM10 reeds niet voldoen aan de WHOadvieswaarden kan worden gesteld dat het behalen van de WHO-advieswaarden een regionale/nationale aangelegenheid is. Op rijksniveau zijn hiervoor vergaande maatregelen benodigd. De nu voorgestelde ontwikkelingen op zich doen hier niets aan af. 5.3.3 Conclusie Het onderdeel luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.

5.4 Bedrijven en milieuzonering 5.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 5. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten 5

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 5

52

geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 5.4.2 Onderzoek Er is door AnteaGroup een memo opgesteld aangaande bedrijven en milieuzonering. Deze memo is opgenomen in de bijlagen. Hier wordt dan ook naar verwezen. De conclusies van deze analyse zijn als volgt:  Het plangebied bevindt zich ten oosten van het treinstation van Barendrecht. In de huidige situatie is het gebied in gebruik als bedrijventerrein. In de toekomst wordt De Stationstuinen een gemengd woon- en werkgebied. Volgens de VNG-brochure behoren gebieden met een matige tot sterke functiemenging tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’.  Over het plangebied lopen diverse milieucontouren. Met een nader onderzoek naar geluid en externe veiligheid (als bijlagen bij deze toelichting gevoegd) is onderbouwd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (zie ook paragraaf 5.2 en 5.6).  Daarbij is uitgegaan van de huidige vergunde situatie. Bedrijven in de directe omgeving van het bestemmingsplan fase 1 vallen binnen het plangebied van Gebiedsvisie De Stationstuinen.

Alleen het bedrijf Fresh2You ten oosten van het plangebied valt hier buiten. Met dit bedrijf is een overeenkomst gesloten tussen het bedrijf en de ontwikkelaar. Hiermee hebben de gemeente en de ontwikkelaar vastgelegd dat op de lange termijn verplaatsing of beëindiging van bedrijfsactiviteiten op deze locatie gewenst is. Toekomstplannen van bedrijven die leiden tot hogere milieucategorieën zijn hierdoor niet te verwachten. Voor de inventarisatie van milieuhinder is daarom uitgegaan van de huidige vergunde situatie.  Voor de beide mobiliteitshub’s wordt voldaan aan de richtafstand;  De voorzieningen kunnen binnen de gemengde vlakken gecombineerd worden met woningen als voldaan wordt aan de milieuregels zoals opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Functiemenging en milieuregels De Stationstuinen is een gemengd gebied met ruimte voor woningen, maatschappelijke voorzieningen, onderwijs en bedrijvigheid in de vorm van research en development, experience en start-ups. De locatie is aangewezen als ‘versnellingslocatie’ en behoort daarmee tot het kerngebied van de woningbouwopgave in Zuid-Holland. Het doel is een gebied te creëren met een duurzame leefomgeving

Hoofdstuk 5

53

waarin maatschappelijke vraagstukken samenkomen en functies elkaar ondersteunen en meerwaarde voor elkaar hebben. In een gemengd gebied waar wonen en werken wordt vervlochten is aandacht voor de kwaliteit van het woon- en leefklimaat essentieel, zodat onderling geen onevenredige hinder ontstaat en wordt ervaren. In de basis geldt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet ontstaan. In de regels zijn allereerst bepaalde bedrijfsactiviteiten uitgesloten, omdat ze niet passen in de nieuwe wijk (artikel 4.4.1 van de regels). Daarnaast zijn milieuregels opgenomen (artikel 4.4.2). Dit zijn de handvatten en concrete toetsingskader waarmee de aanvragen om een omgevingsvergunning kunnen worden beoordeeld op hun aanvaardbaarheid. Niet-woonfuncties zijn alleen toegestaan als ze voldoen aan deze milieuregels. 5.4.3 Conclusie Het onderdeel bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.

5.5 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels en leidingen van een zodanige omvang gelegen, dat deze bescherming behoeven in dit bestemmingsplan door middel van een dubbelbestemming met een beschermingszone.

5.6 Externe veiligheid 5.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen

Hoofdstuk 5

54

grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

5.6.2 Onderzoek Er is door AnteaGroup een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Ook is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. De memo waarin dit is beschreven is opgenomen in de bijlagen. De conclusie luidt als volgt. Uit de scan blijkt dat er meerdere risicovolle activiteiten plaatsvinden in of nabij deze gebieden. Ten behoeve van de verdere besluitvorming is het volgende geconcludeerd:  Het risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor dient nader beschouwd te worden in relatie tot het explosiescenario, en verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden in relatie tot artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. De aanwezigheid van een landtunnel maakt dat het groepsrisico redelijkerwijs niet berekend kan worden.  De hogedruk aardgastransportleidingen behoeven niet nader beschouwd te worden.  Het groepsrisico van de A15 moet verantwoord worden in relatie tot artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes.  Ten aanzien van het tankstation Berkman moet een QRA worden uitgevoerd als binnen 150 meter rondom het LPG vulpunt c.q. de LPG-tank een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld. Daarnaast moet het groepsrisico worden verantwoord. Verantwoording van het groepsrisico is voor de spoorlijn Kijfhoek – Barendrecht, de Rijksweg A15 en het LPG-tankstation Berkman Barendrecht verplicht.

In de rapportage in de bijlage is een aanzet gedaan voor de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Barendrecht, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. Voor het LPG-tankstation geldt dat voor het ruimtelijk besluit dat gevoelige objecten mogelijk maakt binnen de risicocontour van het tankstation nader onderzoek dient plaats te vinden. Onderhavig bestemmingsplan ligt op een grotere afstand dan 150 meter. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico heeft de gemeente Barendrecht in het kader van de ruimtelijke procedure de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen. Dit advies is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hoe met dit advies wordt omgegaan staat hieronder beschreven:

Hoofdstuk 5

55

In de verdere fase van planvorming wordt gekeken naar de nieuwe energiebronnen en onder andere de installatie hiervan en de daarbij behorende veiligheidseisen. Te zijner tijd zal de VRR hierbij worden betrokken. Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen zal rekening worden gehouden met de volgende adviezen van de VRR:  Draag zorg voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden.  Bij het realiseren van parkeergarages wordt vermoedelijk de stalling van elektrische voertuigen mogelijk gemaakt. Dit brengt veiligheidsrisico’s met zich mee. Hou daar rekening mee.  Construeer gebouwen zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen worden verbeterd (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen.  Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de in het plangebied aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand”. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract kunnen bewoners op de (externe) veiligheidsrisico’s gewezen worden.

Als het gaat om zelfredzaamheid wordt in de quickscan externe veiligheid hierop ingegaan en wordt het groepsrisico verantwoord. Er zal sprake zijn van een goede voorlichting over wat te doen bij calamiteiten. 5.6.3 Conclusie Het onderdeel externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen.

5.7 Ecologie 5.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 5

56

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunning plichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10).

Hoofdstuk 5

57

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.7.2 Onderzoek Natuur Er is door AnteaGroup een natuurtoets gedaan voor onderhavig plan. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies beschreven. Beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 2,7 kilometer afstand van het plangebied. Het betreft de rivier de Oude Maas. Van directe aantasting van de NNN is dan ook geen sprake. (Significant) negatieve effecten ten gevolge van het plan zijn uitgesloten. Er is daarom geen noodzaak voor vervolgstappen of een uitgebreidere toetsing voor wat betreft het NNN. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Oude Maas ligt op circa 2,7 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied.

Daarbij ligt het Natura 2000-gebied de Boezems Kinderdijk op circa 5,9 kilometer van het plangebied. De afstand tussen deze gebieden en het plangebied is dermate groot dat van directe aantasting, zoals verdroging of geluid- en lichtverstoring van de Natura 2000-gebieden geen sprake is. Bovendien heeft de inrichting van het tussenliggend gebied een afschermende werking. In dit geval kunnen alleen effecten via stikstofdepositie van toepassing zijn op de Natura 2000-gebieden omdat deze stoffen zich door de lucht verder verspreiden. Er heeft een onderzoek plaatsgevonden naar stikstofdepositie. Verwezen wordt naar paragraaf 5.7.4 Bescherming van houtopstanden Binnen het plangebied zijn meerdere bomen aanwezig. Alleen de platanen in de middenberm van de Spoorlaan staan op de gemeentelijke Groene Kaart waardoor het kappen van deze bomen vergunningsplichtig is. Dit geldt niet voor de andere bomen. Daarvoor hoeft ook geen kapmelding te worden gedaan bij de provincie Zuid-Holland, aangezien de bomen binnen de bebouwde grens houtopstanden staan van de gemeente Barendrecht. Provinciaal Landschap Midden Delfland. Het plangebied ligt op circa 14 kilometer afstand van het Bijzonder Provinciaal landschap Midden Delfland. Er worden dan ook geen negatieve effecten ten gevolge van het plan verwacht.

Beschermde soorten  Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende - in het kader van de Wet natuurbescherming - beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied;  Algemene broedvogels (mogelijke nesten in de rietkragen, bomen of grasvelden).

Hoofdstuk 5

58

 

Vleermuizen (mogelijk verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes aanwezig in het plangebied). Steenmarter (mogelijk leefgebied in het plangebied).

In tabel 2 van de natuurtoets in de bijlagen is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende project. Aangegeven is of een nader onderzoek nodig is, of er sprake is van een overtreding van de Wet Natuurbescherming, of dit middels maatregelen voorkomen kan worden en of bij de uitvoering van het project een ontheffing nodig is. In Hoofdstuk 5 van deze Natuurtoets staat de onderbouwing voor de gegeven conclusies. Er is vervolgonderzoek nodig naar de steenmarter, de huismus en de vleermuis. In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. In het tekstkader in Bijlage 1 staat het wetsartikel uitgeschreven. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. 5.7.3 Vervolgonderzoeken natuur Steenmarter Er is door AnteaGroup een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de steenmarter. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de conclusies beschreven. Steenmarter Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er binnen het plangebied geen leefgebied van de steenmarter aanwezig is. Er zijn geen waarnemingen gedaan van steenmarters in en rondom het gebouw. Rondom het plangebied zijn wel meerdere katten waargenomen.

Er zijn geen belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied door de steenmarter. Huismus Tijdens verschillende terreinbezoeken zijn foeragerende huismussen waargenomen in de nieuw ingezaaide perken rondom het logistiekgebouw. Het inzaaien van de perken heeft gezorgd voor een verandering van situatie ten opzichte van de periode van veldonderzoek ten behoeve van de natuurtoets. Het nieuwe foerageergebied maakt dat het plangebied nu wordt gebruikt als leefgebied voor de huismussen. In het logistiek centrum kan de huismus potentieel tot broeden komen. Hierdoor is inzicht wenselijk naar het gebruik van het plangebied door de huismus. Het wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren naar het gebruik van het plangebied door de huismus. Onderzoek vindt plaats tijdens twee terreinbezoeken in de periode van april t/m juni. Er is door BRO een vervolgonderzoek gedaan naar de huismus. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen nestlocaties van huismus zijn waargenomen. Er zijn geen belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied door de huismus. Vleermuizen Er is door Natuurinclusief een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de conclusies beschreven. Binnen het plangebied zijn geen kraam- of zomerverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen.

Het plangebied bevat één paarterritorium van gewone dwergvleermuis waardoor de aanwezigheid van

Hoofdstuk 5

59

een paarverblijfplaats binnen het plangebied niet is uit te sluiten. Er zijn geen essentiële vliegroutes of foerageergebieden aangetroffen. De geplande werkzaamheden resulteren in het vernietigen van één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis wat in overtreding is met de Wet natuurbescherming. Daarom is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij de Provincie Zuid-Holland en zijn er aanvullende mitigerende maatregelen nodig. Deze ontheffingsaanvraag staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg, omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze ontheffing kan worden verleend. Deze moet zijn verleend voordat begonnen wordt met de daadwerkelijke aanvang van de werkzaamheden. Tevens is het noodzakelijk dat zorgvuldig handelen wordt gegarandeerd. Een ecologisch werkprotocol wordt daarom aanbevolen zodat alle medewerkers op locatie op de hoogte zijn en weten wat te doen. 5.7.4 Onderzoek Stikstofdepositie Wat betreft Natura 2000 is er een stikstofonderzoek uitgevoerd. Voor de voorgenomen ontwikkeling toont AERIUS Calculator voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg.

Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 5.7.5 Conclusie Wat betreft het aspect Natuur zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Er dient wel een ontheffing aangevraagd te worden in verband met de aanwezigheid van één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Deze ontheffingsaanvraag staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg, omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze ontheffing kan worden verleend voordat begonnen wordt met de daadwerkelijke aanvang van de werkzaamheden.

5.8 Bodem 5.8.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.

Hoofdstuk 5

60

5.8.2 Onderzoek Door adviesbureau RSK is een Vooronderzoek Landbodem (vooronderzoek NEN 5725) uitgevoerd op de gehele Stationstuinen-locatie (proj.nr. 516545.001(01), 28-03-2022). Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Voor het gedeelte waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft zijn de deelgebieden Zuideinde en Dwarsligger van toepassing. Over deze deellocaties wordt in de rapportage het volgende opgemerkt: 1. Zuideinde: Op basis van de beschikbare bodem(kwaliteit)gegevens wordt geconcludeerd dat de bodem binnen het deelgebied Zuideinde over het algemeen niet verdacht is op bodemverontreiniging als gevolg van puntbronnen of (voormalige) verdachte bedrijfsactiviteiten. Een uitzondering vormt de locatie Zuideinde 21 waar in 2006 een restverontreiniging met minerale olie is achtergebleven onder het pand. Aandachtspunt hier is ook een met zand afgevulde tank die nog onder het pand is gelegen. De bodem binnen deelgebied Zuideinde is wel verdacht op bodemverontreiniging als gevolg van de aanwezigheid van gedempte sloten. 2. Dwarsligger: Op basis van de beschikbare bodem(kwaliteit)gegevens wordt geconcludeerd dat de bodem binnen het deelgebied Dwarsligger niet verdacht is op bodemverontreiniging als gevolg van puntbronnen of (voormalige) verdachte bedrijfsactiviteiten.

De bodem is wel verdacht op bodemverontreiniging als gevolg van de aanwezigheid van gedempte sloten. De conclusie is, dat de restverontreiniging ter plaatse van Zuideinde 21, de met zand afgevulde tank en de mogelijk aanwezige gedempte sloten binnen het plangebied geen belemmering zullen vormen voor de (economische) uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Door Waders Milieu is voor het noordwestelijke en zuidwestelijke deel van het plangebied een Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd (rapp.nr. 21416501A, 20-07-2021). Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten zware metalen (kwik, lood en zink), minerale olie en PAK aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In de grond zijn bijmengingen met baksteen, beton, kooldeeltjes, plastic en keramiek aangetroffen. Het beton is eenduidig te herkennen en wordt als niet asbestverdacht beschouwd. De andere bijmengingen zijn tevens niet asbestverdacht. Ook tijdens eerdere onderzoeken is geen asbest boven de grenswaarde voor nader onderzoek aangetoond. Er zijn geen aanwijzingen dat zich asbest in de bodem bevindt. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium, zink en xylenen aangetoond. De licht verhoogde concentratie barium heeft waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong (niet veroorzaakt door menselijk handelen).

De vastgestelde milieu hygiënische bodem- en grondwaterkwaliteit vormt geen belemmering voor de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.8.3 Conclusie De vastgestelde milieu hygiënische bodem- en grondwaterkwaliteit vormt geen belemmering voor de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5

61

5.9 Water 5.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 5.9.2 Onderzoek In het kader van het MER is ook onderzoek gedaan naar het aspect water. Het MER heeft betrekking op De Stationstuinen als geheel. Voor onderhavig bestemmingsplan is een watertoets uitgevoerd. Deze is dus gericht op het plangebied van De Stationstuinen 1ste fase. Deze toets is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hieronder volgt een korte samenvatting. Fusering peilgebieden De hoofdwatergang die door De Stationstuinen als geheel stroomt komt vanaf de Waal, en stroomt door naar de Nieuwe Maas. Er zijn in totaal 3 peilgebieden rondom de ontwikkeling De Stationstuinen. Het waterpeil van de peilgebieden scheelt niet veel van elkaar (10cm), daarnaast hebben twee peilgebieden in de winter al hetzelfde waterpeil. Er is gekozen voor het fuseren van de drie peilgebieden. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar de watertoets, maar ook naar het document ‘Fusering Peilgebieden De Stationstuinen’, dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Door het fuseren van de drie peilgebieden wordt een robuust systeem gecreëerd dat geen nadelige effecten heeft op het omliggende gebied.

De grondsoorten van omliggende gebieden zijn gewend aan de waterpeil daling in de wintersituatie en dit heeft dus geen effect op de peilgebieden. Omdat er van het peilgebied met een waterpeilverschil van 0,10m alleen een beperkte aftakking in het gebied zit, zijn de effecten minimaal. Aanvullend heeft het omliggende gebied voldoende drooglegging (0,95m tot 1,3m) in de situatie met het voorgestelde waterpeil. Voor de procedure van het peilbesluit zal eerst een vergunning worden aangevraagd voor de fusering van twee peilgebieden, om zo een tijdelijke situatie te creëren waardoor de geduikerde hoofdwatergang binnen de ontwikkeling eerder verlaten kan worden en er zo geen belemmeringen zijn voor de realisatie van de Stationstuinen 1ste fase. De verdere fusering verloopt via een formeel peilbesluit. Het toepassen van één peilgebied zorgt niet alleen voor een robuust systeem, maar ook voor meer ontwerpruimte voor een klimaat adaptieve wijk, waardoor de ontwikkeling De Stationstuinen kan voldoen aan de ambities van de gemeente Barendrecht en waterschap Hollandse Delta. Effecten van het project op de waterhuishouding Grondwater Voor de grondwaterstand zijn in par. 2.4 de volgende inschattingen gemaakt:  GG: NAP -1,20 m  GHG: NAP -0,95 m  GLG: NAP -1,35 m

Hoofdstuk 5

62

Het maaiveld bevindt zich tussen NAP -0,25 m en NAP -1,0 m. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de grondwaterstand relatief hoog ligt.

Waterpeil Het bestaande peilgebied wordt uitgebreid. Er komt één vast peil van NAP -1,90 m. Op basis van de nu beschikbare gegevens wordt verwacht dat deze structuur in alle fasen zal voldoen. Bij iedere volgende fase wordt getoetst of dit inderdaad nog steeds het geval is. Eventueel zal per fase bijgestuurd worden. Verhard- en onverhard oppervlak In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak met circa +21.870 m 2 toe, het onverhard oppervlak met circa 23.345 m2 af en het wateroppervlak neemt met circa +1.475 m 2 toe. Wel dient als kanttekening te worden opgemerkt dat de geschatte oppervlaktes een eerste inschatting betreffen. In de toekomst dient het plan nog verder in detail te worden uitgewerkt. Beleidsregel 11 waterschap Hollandse Delta: Beleidsregel 11 dat betrekking heeft op artikel 3.3. uit de Keur stelt dat 10% van de toename aan verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in de vorm van open water. Dit houdt in dat er ca. 2190 m2 aan oppervlaktewater moet worden gegraven. Er is ingeschat dat er ca. +1475 m2 aan extra wateroppervlak in het plangebied komt, dit is dus ontoereikend. De oplossing hiervoor is gevonden buiten het plangebied. Ten zuidoosten van het plangebied op een afstand van circa 440 m vindt in het kader van de ontwikkeling van De Stationstuinen als geheel watercompensatie plaats in de vorm van oppervlaktewater.

Deze watercompensatie is van een dergelijke omvang dat hier ook de nog benodigde watercompensatie vanwege onderhavig bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Een en ander is geborgd in het de regels via een toetsingsregel (artikel 4.4.5). De aanleg van de watercompensatie is gepland in 2023. Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland: In het “convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland” staat dat op privaat terrein een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui dient te worden opgevangen. Het is nog onbekend hoe groot het oppervlak publiek en privaat terrein is. Er is daarom als uitgangspunt aangenomen dat de gebouwen (18.320 m 2) behoren tot privaat terrein. Op basis hiervan dient er in het plangebied ca. 920 m3 (18.320 m2 * 0,05 m) aan waterberging aanwezig te zijn. Klimaatadaptatie Binnen het plangebied bestaat de mogelijkheid om klimaat adaptieve maatregelen te nemen. Er is voor De Stationstuinen een ‘Beleidsregel duurzaamheid’ vastgesteld, waaraan moet worden getoetst. De slecht doorlatende toplaag in combinatie met de relatief hoge grondwaterstand maakt het gebied

Hoofdstuk 5

63

ongeschikt voor infiltratie. Wel kan de aanleg van groen in de wijk worden gestimuleerd. Groene daken leveren verschillende voordelen op:  Het vangt regenwater op, dit vermindert de belasting op het rioolstelsel.  Het draagt bij aan de vermindering van CO2-uitstoot. Het werkt isolerend waardoor stookkosten worden verminderd.  Gedurende hoge temperaturen straalt het groene dak minder warmte uit. Dit heeft een gunstig effect op de omgevingstemperatuur. Ook vermindert het aanwezige oppervlaktewater hittestress in het plangebied. Hittestress binnen het plangebied kan verder worden verminderd door de aanleg van bomen en/of andere vegetatie. Dit heeft als voordeel dat het plangebied robuuster is gedurende langdurige periodes van droogte doordat het water beter wordt vastgehouden. Om wateroverlast tijdens extreme situaties te voorkomen moet bij de inrichting van het plangebied rekening worden gehouden dat overtollig hemelwater tot afstroom kan komen naar pekken waar dit niet tot wateroverlast leidt. Bij voorkeur wordt het water bovengronds afgevoerd richting oppervlaktewater. In de aanvulling MER, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd, is nog nader ingegaan op een aantal aspecten van het watersysteem. Er zullen voorzieningen worden getroffen, zodat de grondwaterstand wordt aangevuld in perioden van droogte en afgevangen in natte periodes.

Vuil- en hemelwater In de huidige situatie ligt er een hemelwaterriool. In de toekomstige situatie dient er een gescheiden rioolstelsel in het plangebied aanwezig te zijn. Het vuilwaterriool dient te lozen op een rioollwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van Waterschap Hollandse Delta. Hemelwater dient lokaal te infiltreren of vertraagd te worden afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. De geschikte rioolcapaciteit zal later bij de vergunningverlening moeten worden uitgezocht en nader worden uitgewerkt. Indien nodig kan het blijken dat het afvalwaterriool nog verder moet worden uitgebreid. Waterkwaliteit In de toekomstige situatie mag de waterkwaliteit niet verslechteren. Dit houdt in dat er geen negatieve gevolgen zijn op het omliggende grond en/of oppervlaktewatersysteem. Derhalve dient gewerkt te worden met niet-uitlogende materialen. Ook moet afstromend hemelwater zoveel mogelijk gescheiden afgevoerd worden om vervuiling te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is dat hemelwater dat op het dak valt schoner is dan hemelwater dat valt op een intensief gebruikte parkeerplaats of weg. Bij de aanleg van nieuw oppervlaktewater moeten doodlopende watergangen worden voorkomen in verband met de waterkwaliteit. De toepassing van natuurvriendelijke oevers wordt aanbevolen.

De aanleg van natuurvriendelijke oevers draagt bij aan een verhoging van de natuurwaarde, ofwel de ecologische waterkwaliteit, verbetering van de chemische waterkwaliteit en een verbetering van de belevings- en recreatiewaarde Waterveiligheid Op basis van de legger van waterschap Hollandse Delta ligt in het oosten op een afstand van ca. 200 m een regionale waterkering. Het plangebied ligt binnendijks. Ten noorden van het plangebied ligt de rivier de Waal.

Hoofdstuk 5

64

5.9.3 Conclusie Het onderdeel water zorgt niet voor belemmeringen voor de gewenste ontwikkelingen, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

5.10 Archeologie 5.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 5.10.2 Onderzoek Er is door AnteaGroup een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plan. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder is een samenvatting beschreven. Resultaten Op eventueel in de ondergrond aanwezige rivierduinen kunnen resten uit de steentijd worden aangetroffen.

Op afzettingen van de stroomgordel van Ridderkerk kunnen resten uit het neolithicum en de bronstijd worden verwacht. Bij eerder onderzoek in het zuidelijke deel van het plangebied (Zaakid. 4599435100) werden binnen 5m -mv geen rivierduin- of stroomgordelafzettingen aangetroffen. In de top van het Hollandveen kunnen resten uit de ijzertijd, romeinse tijd en middeleeuwen aanwezig zijn. Het Hollandveen werd bij eerder onderzoek in het zuidelijke deel van het plangebied (Zaakid.4599435100) aangetroffen tussen 3,5 en 3,75m -NAP (circa 2,35 á 2,7m -mv). Bij onderzoek op circa 35m ten noorden van het plangebied werd het Hollandveen aangetroffen van circa 2,20 á 3,40m -mv. In en op de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren kunnen resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd verwacht worden. Mogelijk was het grootste deel van gebied echter te nat voor bewoning en vond bewoning voor de inpoldering voornamelijk plaats op kreekoevers. Na de inpoldering vond bewoning hoofdzakelijk plaats langs dijken en ontginningsassen. Op basis van de historische kaarten worden in het plangebied geen resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd verwacht, behalve eventuele resten van een molen uit circa 1940.

Hoofdstuk 5

65

Advies In het zuidelijke deel van het plangebied heeft reeds een verkennend booronderzoek plaatsgevonden. Dit deel van het terrein kan op basis van de bevindingen van dat onderzoek worden vrijgegeven tot 5m -mv. Omdat er in het overige deel van het plangebied een middelhoge kans is op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied, adviseert Antea Group om een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, uit te voeren op de locaties waar graafwerkzaamheden dieper dan 80cm -mv gepland zijn. De methode – een verkennend booronderzoek bestaande uit 6 boringen per hectare - is er niet primair op gericht om archeologische resten aan te treffen (hiervoor is de gehanteerde boordichtheid en –intensiteit te gering), maar is wel uitermate geschikt om: 1) de aard van bodemopbouw en 2) de mate van intactheid van de oorspronkelijke bodemopbouw inclusief de archeologische sporendragende niveaus te bepalen. Bovenstaande is een advies; het hierop nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Barendrecht. Het advies is namens het bevoegd gezag beoordeeld door Archeologie Rotterdam (voorheen BOOR). Het rapport wordt akkoord bevonden en het advies voor een (aanvullend) booronderzoek indien de bodemverstoringen dieper reiken dan 80 cm onder het maaiveld wordt onderschreven.

Indien alleen heiwerkzaamheden de genoemde dieptemarge overschrijden, dan dient door middel van maatwerk (een planbeoordeling door Archeologie Rotterdam) te worden vastgesteld of een vervolgonderzoek noodzakelijk is. 5.10.3 Conclusie Het aanvullende archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning(en). In het plan is de al vigerende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’ gehandhaafd, zodat op die manier de bescherming van archeologische waarden is geborgd.

5.11 Cultuurhistorie 5.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Hoofdstuk 5

66

5.11.2 Onderzoek Binnen het plangebied liggen geen rmonumenten. Ook is het gebied geen onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht. In en rondom het plangebied liggen in de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland geen cultuurhistorisch waardevolle structuren. De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied tast geen cultuurhistorische waarden in de omgeving aan. In het archeologisch onderzoek (zie bijlage bij deze toelichting) wordt verwezen naar eventuele resten van een molen uit 1940 binnen het plangebied. Naar alle waarschijnlijkheid is dit een klein poldermolentje geweest, een zogenaamd Bosman-molentje. Deze molentjes waren vroeger wel meer te vinden in het tuindersdorp Barendrecht en omgeving en dragen zeker bij aan de (her)beleving van de gloriedagen van de groente en fruitveiling en de bedrijvigheid van tuinders rondom de veiling. Vanuit cultuurhistorisch perspectief en de beleving daarvan (zeker in combinatie met de oude loodsen die blijven staan en het voormalige veilinghuis in het gemeentelijk monument aan de Gebroken Meeldijk 68, welke net buiten het plangebied gelegen) is het een optie dit element terug te brengen in De Stationstuinen. Deze cultuurhistorische elementen kunnen zo samen een ‘verband’ brengen in het ‘verhaal’ van De Stationstuinen. 5.11.3 Conclusie Het onderdeel cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.

Hoofdstuk 5

67

6.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

6.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

6.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. Bij het opstellen van de regels is waar mogelijk aangesloten op de regeling zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Barendrecht Noordoost’ en ‘Woongebied Oost’. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Barendrecht. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 6

68

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 2 start met een artikel, waarin de doelen van het bestemmingsplan worden beschreven (artikel 3). Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.  algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

 algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Hoofdstuk 6

69

een regel met een zorgplicht. Degene die een activiteit verricht als bedoeld in dit bestemmingsplan en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen in artikel 3, is verplicht: o alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; o voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en o als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

6.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Gemengd Voor een groot deel van het plangebied is de bestemming ‘Gemengd’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn de functies wonen en andere (commerciële) voorzieningen toegestaan. Als het gaat om wonen is van belang, dat wonen is uitgesloten  ter hoogte van De Loods 38 – 40;  in enkele plinten, o.a. langs de Spoorlaan;  in de mobilityhubs. Voor de gewenste flexibiliteit is niet gekozen voor een strakke regeling per bouwblok, maar een meer algemene regeling. Wel is het maximale aantal woningen en het maximale oppervlak van de verschillende toegestane functies vastgelegd (in sommige gevallen ook per vestiging). Voor de toekomstige bebouwing zijn bouwvlakken opgenomen met daarin aangegeven de maximum bouwhoogte. Ook zijn er vlakken aangewezen, waar hoogteaccenten zijn toegestaan. Daarnaast zijn andere bouwwerken toegestaan mits voldaan wordt aan de maatvoeringseisen. De bouwwerken moeten voldoen aan de beoogde duurzaamheidseisen zoals bepaald in de beleidsregel ‘Duurzaamheid De Stationstuinen’. Er is een meldingsplicht opgenomen voor meldingsplichtige activiteiten onder het Activiteitenbesluit artikel 4.4.2). De niet-woonfuncties zijn alleen maar toegestaan als ze geschikt zijn voor functiemenging met woningen. Daarvoor is een toetsingskader opgenomen in artikel 4.4.3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13557789/1