CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2_Visie op onderwijshuisvesting IHP Barendrecht.pdf

commissie Samenleving 24 september 2024, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Integraal huisvestingsplan onderwijs (IHP) 20246.481 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Visie op onderwijshuisvesting IHP Gemeente Barendrecht

Opdrachtgever Gemeente Barendrecht

Datum 3 oktober 2023

Referentienummer 2220424

Auteurs Leonoor Clemens & Bram Treffers

│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV

1. Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Barendrecht heeft behoefte aan een nieuw IHP waarin de koers voor de onderwijshuisvesting voor de komende 4 jaar en de richting voor de daaropvolgende twaalf jaren worden vastgesteld. Hierin worden lokale en landelijke ontwikkelingen verankerd en is het doel om met draagvlak van de schoolbesturen een toekomstbestendig plan vast te stellen. De eerste stap in het opstellen van het IHP is het op- en vaststellen van een visie. Hierin komen de belangrijkste thema’s aan bod voor wat betreft de prioriteiten en uitgangspunten op het gebied van onderwijshuisvesting voor de gemeente Barendrecht. Met de te maken afspraken in het IHP willen de gemeenten en schoolbesturen gezamenlijk bereiken dat leerlingen en personeel in het onderwijs kunnen leren en werken in prettige, passende en duurzame gebouwen die bijdragen aan de leer- en werkprestaties. De uitgangspunten zoals opgenomen in deze visie vertalen zich in duurzame, inspirerende en functionele gebouwen, die een goed binnenklimaat hebben en voor alle partijen binnen de beschikbare middelen te exploiteren zijn. In een tweetal gezamenlijke bijeenkomsten waar de schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en de beleidsadviseur onderhuisvesting van de gemeente Barendrecht aan deelnamen is er op tal van actuele thema’s een visie geformuleerd.

Hierbij is naast het formuleren van een visie ook nagedacht over de implementatie van de visie en de kaders die van belang zijn voor het IHP. De uitkomsten uit de werksessies zijn besproken met een vertegenwoordiging van de gemeente Barendrecht en de uitkomsten daarvan zijn verwerkt in dit document. Dit document zal dienen als onderdeel van het IHP en bevat een uitwerking op de volgende thema’s:

www.icsadviseurs.nl

2/18

Bij ieder thema wordt het ervaren belang vanuit de stakeholders benoemd. In de werksessies hebben de betrokken partijen aan kunnen geven welke thema’s binnen de visie voor hen het belangrijkste is. Per thema wordt dit uitgedrukt op een schaal van 1 tot 3 (+, + + of + + +).

1.2 Wettelijke zorgplicht De wettelijk vastgelegde rolverdeling tussen gemeente en schoolbesturen is in het kader van visievorming belangrijke context. Hierin wordt vastgelegd wat de verplichtingen van beide partijen zijn en waar hun vrijheden liggen. De figuur hieronder toont het onderscheid in wettelijke taken en verantwoordelijkheden.

VO

De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het onderwijs en bewegingsonderwijs. De zorgplicht is verankerd in de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) en de Wet op de Expertise Centra (WEC). De “Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs” van de gemeente Barendrecht uit 2009 legt de grondslag voor het aanvragen en toetsen van voorzieningen en processen. De gemeente is verantwoordelijk voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Vooruitlopend op de wetswijziging wordt de gemeente tevens verantwoordelijk voor levensduur verlengende renovatie (ook wel: vernieuwbouw). Voor de gymzalen die in eigendom zijn van schoolbesturen in het basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs dient de gemeente te voorzien in het zogenaamde buitenonderhoud zoals daken, kozijnen en andere zaken (die onderdelen die voorheen ten aanzien van de schoolgebouwen vielen onder het ‘groot onderhoud’). Voor de uitvoering van de zorgplicht ontvangt de gemeente jaarlijks ongelabeld budget in het gemeentefonds vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De gemeente is vrij om deze middelen naar eigen inzicht te besteden en weegt daarvoor de investeringen in onderwijshuisvesting af tegen haar andere taken en verantwoordelijkheden.

Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de instandhouding van het schoolgebouw. Taken als het onderhouden, exploiteren en het uitvoeren van inpandige (onderwijskundige) aanpassingen zijn belegd bij het schoolbestuur. Voor het in stand houden van de schoolgebouwen ontvangen de besturen jaarlijks vanuit het Rijk een lumpsum vergoeding. Deze vergoeding wordt gebaseerd op het aantal scholen en ingeschreven leerlingen. Wat de gymzalen betreft zijn de schoolbesturen binnen het basisonderwijs verantwoordelijk voor het klein- en binnenonderhoud (van gymzalen waarvan zij juridisch eigenaar zijn). Voor de uitvoering van dit onderhoud ontvangen zij een klokuurvergoeding. Het buitenonderhoud van de gymzalen in het primair onderwijs is een verantwoordelijkheid van de gemeente.

1.2.1 Wetswijzigingsvoorstel Er is een wetswijziging in behandeling waardoor het wettelijk kader voor onderwijshuisvesting gaat veranderen. De streefdatum voor de inwerkingtreding van het wetswijzigingsvoorstel is 1 januari 2025. Het voorstel bevat de volgende elementen: www.icsadviseurs.nl

3/18

▪ ▪ ▪ ▪

Het IHP wordt een wettelijke verplichting van gemeenten. Het IHP heeft een scope van 16 jaar en daarbinnen een perspectief van een beschikking voor alle projecten in de eerste 4 jaar; Renovatie wordt een voorziening in de huisvesting en valt onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid; Het investeringsverbod voor het primair en speciaal onderwijs wordt gedeeltelijk opgeheven; Gemeente en schoolbesturen hebben de verplichting te zorgen voor een gezond binnenklimaat. Waarbij de gemeente bij (ver)nieuwbouw verantwoordelijk is voor het creëren van een goed binnenklimaat en het schoolbestuur verantwoordelijk is om het gezonde binnenklimaat te behouden.

Het voorliggend IHP sluit aan op het wijzigingsvoorstel. Zowel in de visie als in bij het formuleren van scenario’s en het berekenen van investeringen zijn bovenstaande thema’s onder de aandacht gebracht en vertaald naar concrete voorstellen.

www.icsadviseurs.nl

4/18

2. Visie op onderwijshuisvesting 2.1 Verbreding Steeds vaker is er in plaats van een schoolgebouw sprake van een kindcentrum: een brede voorziening met een sterke relatie met de wijk waarin voorzieningen geclusterd worden die verder gaan dan alleen het onderwijs. De scholen in Barendrecht worden door de gemeente en de schoolbesturen gezien als centrale knooppunten waarin onderwijs, kinderopvang en zorg voor kinderen en ouders samenkomen. Het kindcentrum wordt gezien als logische plek om zorg en begeleiding rondom het kind te organiseren. Er wordt in de gemeente Barendrecht gestreefd naar kindcentra met een aanbod aan functies dat passend is bij de wijk. Bij nieuwbouwprojecten staat een integrale, ruimtelijke blik centraal. Het uitgangspunt is dat huisvesting de doorgaande leerlijn ondersteunt. Dat betekent dat minimaal kinderopvang bij de ontwikkeling betrokken Ervaren belang: + + + wordt, maar er ook onderzoek gedaan wordt naar de ontwikkeling van bredere voorzieningen. Hierbij worden verschillende domeinen van de gemeente bij de initiatieffase van het bouwproces betrokken om de specifieke behoeften en synergiekansen van de wijk in kaart te brengen. Dit zorgt ervoor dat de gebouwen en hun functionaliteiten aansluiten bij de wensen en eisen van de buurt.

Door bij de nieuwe ontwikkelingen functionele flexibiliteit op te nemen als uitgangspunt worden de gebouwen ook toekomstbestendig: bij krimp of groei van voorzieningen binnen één gebouw kunnen ruimtes relatief gemakkelijk uitgewisseld worden zonder verregaande investeringen. Het realiseren van de brede voorzieningen wordt gefinancierd door de gemeente, de ruimtes worden kostprijsdekkend verhuurd om de investering terug te kunnen verdienen. Gemeenten hebben de bevoegdheid om leegstaande ruimten in scholen te vorderen in het geval dat de gemeente deze wil inzetten voor het huisvesten van een andere onderwijsinstelling of andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het invullen van leegstaande ruimten kan echter voor zowel de gemeente als het schoolbestuur meerwaarde hebben om de bestaande voorzieningen te verbreden met maatschappelijke functies. Daarom is het voorstel dat in gebouwen met grotere normatieve ruimteoverschotten (vanaf 2 lokalen, totaal 110 m2 bvo) de gemeente en het schoolbestuur in gesprek gaan over de ervaren leegstand en het inzetten van deze leegstand ten behoeve van verbreding en mogelijke meerwaarde voor het type leerling op de school. De normatieve leegstand voor ieder gebouw wordt in dit IHP in beeld gebracht.

Als de gemeente en het schoolbestuur beide een meerwaarde zien voor een alternatieve invulling van deze ruimte wordt een project opgestart om vanuit een wijkvisie een passende invulling te zoeken. Hierbij wordt ook een passende beheersvorm onderzocht. Binnen de huidige wettelijke kaders is het niet mogelijk om permanent onderwijscapaciteit aan de voorraad te onttrekken om kinderopvang een bedrijfszekere huisvesting te bieden. Dit is slechts mogelijk voor opeenvolgende periodes van maximaal 3 jaar, met toestemming van het college van B&W. Kinderopvang wordt nog gezien als commerciële functie, het permanent onttrekken/vorderen van onderwijscapaciteit kan alleen voor het huisvesten van een andere school of het huisvesten van een andere instelling met cultureel, maatschappelijk of recreatief doel.

www.icsadviseurs.nl

5/18

Bij het realiseren van nieuwe brede kindvoorzieningen kan wel rekening gehouden worden met de bedrijfszekerheid van de niet-onderwijsfuncties. Hiervoor zijn duidelijke afspraken nodig tussen de gemeente en de gebruikers. Deze hebben betrekking op het eigendom, beheer, risico van leegstand, verdeling van exploitatielasten en (kostprijsdekkende) huurprijzen. Dit zorgt voor een efficiënt en effectief gebruik van de ruimtes en middelen. Om meer bedrijfszekerheid voor de niet-onderwijsfuncties te garanderen is het bij nieuwe ontwikkelingen mogelijk om deze ruimtes niet te bestempelen als onderwijscapaciteit. Hoewel het schoolbestuur eigenaar wordt van het kindcentrum en de ruimte verhuurd aan derden, worden er heldere en langjarige afspraken gemaakt over het gebruik van de ruimten door de kinderopvang. De gebruiker huurt daarmee van het schoolbestuur, die vervolgens een deel van de huur afdraagt aan de gemeente. Met dit model wordt tevens rekening gehouden met de gevolgen van het Didam arrest. Voorstel IHP In het IHP is de doorgaande leerlijn het uitgangspunt. Bij zowel nieuwe ontwikkelingen als bestaande gebouwen wordt met een integrale blik naar de wijk gekeken om koppel- en synergiekansen te signaleren en waar van toepassing een plaats te bieden in het gebouw.

Daarnaast wordt inzichtelijk gemaakt in welke gebouwen een situatie kan ontstaan waarbij door leerlinggroei het medegebruik van onderwijsruimte in de toekomst mogelijk niet meer door kan gaan. Een aandachtspunt bij nieuwe ontwikkelingen is het faciliteren van de eigenheid en bedrijfszekerheid van iedere functie. Om dit te kunnen faciliteren werkt de gemeente na het vaststellen van het IHP verdere beleidsuitgangspunten op ten behoeve van het vormgeven van kindcentra in de volgende situaties: ▪ ▪ ▪

nieuwbouw bestaande gebouwen met leegstand in de onderwijscapaciteit bestaande gebouwen zonder leegstand in de onderwijscapaciteit

In de beleidsuitgangspunten wordt voor bovenstaande situaties uitgewerkt welke opties er zijn ten aanzien van het eigendom, de investering en het beheren van kindcentra. Onderdeel hiervan is het uitwerken van de mogelijkheden voor voorfinanciering van opvangcapaciteit door de gemeente. Gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties werken gezamenlijk aan de totstandkoming van dit beleid.

www.icsadviseurs.nl

6/18

2.2 Inclusie Sinds de komst van de Wet passend onderwijs in 2014 wordt in het onderwijs verplicht gewerkt aan passend onderwijs: alle leerlingen moeten een plek krijgen op een school die past bij hun kwaliteiten en mogelijkheden. Alle samenwerkende scholen in een regio bepalen vanuit een samenwerkingsverband samen wat er onder hun basisondersteuning passend onderwijs valt en zorgen samen voor een dekkend aanbod in de regio. Een kind gaat naar een gewone school als dat kan en naar het speciaal onderwijs als er intensieve begeleiding nodig is. In de gemeente Barendrecht worden inclusievere schoolgebouwen gerealiseerd door bij nieuwe projecten basisvoorzieningen voor kinderen met een zorgbehoefte op te nemen. Hierdoor wordt een toegankelijke leeromgeving gecreëerd voor kinderen zonder én met een lichte tot middelzware zorgbehoefte. Voor kinderen met een zware zorgbehoefte blijven specialistische onderwijsvoorzieningen noodzakelijk.

Ervaren belang: + + +

Bij (ver)nieuwbouwprojecten wordt nauw samengewerkt tussen verschillende domeinen van de gemeente en het schoolbestuur om samen te komen tot een set basisvoorzieningen voor zorgbehoevende kinderen. De afweging welke voorzieningen in een nieuw project exact gerealiseerd gaan worden is maatwerk en afhankelijk van de lokale behoeftes, het huidig aanbod van specialistisch onderwijs en ondersteuning in de directe omgeving. De exacte invulling van ‘inclusiever onderwijs’ kan daardoor per locatie verschillen, het is aan het schoolbestuur om bij een nieuw project de behoeftes en concrete invulling te definiëren. Er moet minimaal rekening gehouden worden met basisvoorzieningen voor toegankelijkheid, per casus dient het schoolbestuur te onderbouwen of extra ruimtes in het gebouw nodig zijn om inclusief onderwijs volgens hun visie te faciliteren. Denk daarbij aan spreekruimtes voor extra voorzieningen zoals logopedie en schoolmaatschappelijk werk, een ruimte voor voorschoolse en vroegschoolse educatie (vve), maar ook zodat kinderen kunnen leren op de plek die bij de leerling/activiteit past (bijv. in stilte of in groepsverband samenwerken aan een project). Met een heldere onderbouwing en visie vanuit het schoolbestuur investeert de gemeente in extra ruimtes om inclusiever onderwijs te faciliteren.

De exploitatielasten en het leegstandsrisico voor deze extra m 2’s zijn voor rekening van het schoolbestuur, die hierover eventueel afspraken maakt met de zorg verlenende partijen binnen het kindcentrum. Het gaat hierbij om extra ruimtes/ oppervlaktes die multifunctioneel inzetbaar zijn om het kind extra ondersteuning te bieden, niet om separate delen van een gebouw waarbij een vaste huurder/zorgverlener de ruimte bezet. De extra ruimtebehoefte voor inclusieve Normatief aantal Opslag voor ruimte voor passend voorzieningen bij nieuwe projecten in het groepen leerlingen onderwijs en zorg (bvo) PO en SO is afhankelijk van de 2 0 m2 schoolgrootte. In de initiatieffase van een 3 0 m2 4 30 m2 nieuwbouwproject kan een extra 5 35 m2 ruimtebehoefte zoals hiernaast 6 40 m2 weergegeven in tabel toegekend worden 7 45 m2 om inclusiever onderwijs te realiseren, deze 8 50 m2 maatvoering wordt ook in Ridderkerk 9 55 m2 gehanteerd. Op deze manier wordt binnen 10 60 m2 het samenwerkingsverband voor dezelfde 11 70 m2 aanpak gekozen. Deze extra ruimte geeft 12 75 m2 bij (ver)nieuwbouw die ‘aan de maat’ 13 80 m2* gebouwd wordt de mogelijkheid om meer individuele werkplekken, overlegplekken *Vervolgens te verhogen met 5 m2 bvo ten behoeve van één en spreekkamers te realiseren.

De groep leerlingen betrokken ambtenaar onderwijshuisvesting is bevoegd om deze oppervlaktetoeslag tijdens de initiatieffase van het bouwproces toe te kennen. De wens is om zo ruim en slim mogelijk te bouwen, dit kan ook zijn grenzend aan een openbaar park om buitenonderwijs mogelijk te maken. Indien de school groeit, dan wordt de toegenomen ruimtebehoefte verdisconteerd met de oppervlakte uit de tabel.

www.icsadviseurs.nl

7/18

Bij bestaande gebouwen kan het ook voorkomen dat een schoolbestuur vanuit hun eigen onderwijsvisie inpandige aanpassingen wil doen om inclusiever onderwijs te faciliteren. In dat geval zijn zij conform de wettelijke zorgplicht zelf verantwoordelijk voor de hiervoor noodzakelijke investeringen. Ook ligt bij instandhouding van een gebouw de verantwoordelijkheid voor het vinden van een samenwerkingspartner (bijvoorbeeld een zorg verlenende partij) bij het schoolbestuur. De leegstand in schoolgebouwen biedt een kans om inclusief onderwijs vorm te geven. Het schoolbestuur kan geen aanspraak maken op uitbreiding indien de aanvullende ruimtevraag voor inclusief onderwijs niet in het bestaande gebouw aanwezig is.

Voorstel IHP In nieuwe projecten wordt rekening gehouden met inclusief onderwijs door minimaal basisvoorzieningen voor toegankelijkheid te realiseren. Daarnaast wordt aan de hand van het lokale aanbod per casus bekeken of er extra ruimtelijke voorzieningen nodig zijn om inclusiever onderwijs te faciliteren. Om dit te faciliteren is de gemeente bereid om bij het realiseren van een nieuw of vernieuwd schoolgebouw financiële ruimte te reserveren voor aanvullende voorzieningen. De extra ruimtebehoefte waar een school recht op heeft wordt vastgelegd in het IHP en wordt pas toegekend bij een heldere onderbouwing en visie van het schoolbestuur op het faciliteren van inclusiever onderwijs. Door het faciliteren van extra ruimte bij nieuwe projecten voldoet de gemeente aan haar verplichting om op eigen wijze invulling te geven aan het realiseren van inclusiever onderwijs. Daarnaast ontvangen gemeente en scholen geld van de Rijksoverheid om voorschoolse en vroegschoolse educatie (vve) aan te bieden. Dit is bedoeld om onderwijsachterstanden op de basisschool te voorkomen, het aanbieden van vve is één van de voorbeelden voor inclusiever onderwijs.

www.icsadviseurs.nl

8/18

2.3 Bewegingsonderwijs De gemeente en schoolbesturen zien de vitaliteit en gezondheid van (jonge) kinderen als belangrijk thema waar het onderwijs aan bij kan dragen. Vanaf het schooljaar 2023/2024 is het voor ieder kind in het PO verplicht om minimaal 1,5 klokuur onder begeleiding van een vakdocent te gymmen. In de gemeente Barendrecht dient de basis in orde te zijn door voor deze nieuwe beweegnorm minimaal voldoende binnensportcapaciteit beschikbaar te hebben, binnen de in de verordening vastgestelde reisafstand. Binnen het IHP wordt getoetst of dat voor deze 1,5 klokuur voor iedere school binnen de normafstand een sportaccommodatie beschikbaar is. Er wordt naar gestreefd om het bewegingsonderwijs zo dicht mogelijk bij de school te laten plaatsvinden om de reistijd voor de leerlingen te beperken. De gemeente Barendrecht wil stimuleren om de leerlingen méér dan de 1,5 normklokuren per week te laten bewegen. Hiervoor kunnen scholen gebruik maken van onbenutte capaciteit in de bestaande binnensportaccommodaties. Een alternatief is om extra bewegingsonderwijs te faciliteren op het schoolplein. Als er geen overcapaciteit is in de binnensportaccommodaties en ook het Ervaren belang: + + + schoolplein niet geschikt is om te sporten, kan ook gebruik gemaakt worden van de openbare buitenruimte.

Als hier behoefte aan is gaat het schoolbestuur hierover in gesprek met de gemeente waarbij in gezamenlijkheid naar een passende oplossing wordt gezocht. Als hiervoor kleine investeringen nodig zijn, zoals een afsluitbare berging bij bestaande openbare speelpleinen en grasvelden, kan de gemeente daar in overleg in voorzien. Vandalisme is daarbij een aandachtspunt. Het is van belang dat daar bij het plaatsen van de voorzieningen rekening mee wordt gehouden, bijvoorbeeld door het kiezen van een locatie met voldoende zicht. Op deze manier wordt multifunctioneel gebruik gemaakt van de al schaarse openbare ruimte. Voorstel IHP In het IHP wordt inzichtelijk gemaakt of er voldoende binnensportaccommodaties binnen de gemeente aanwezig zijn om aan de wettelijke kaders te voldoen. In het geval hier knelpunten in ontstaan wordt in het IHP gezocht naar een oplossing. In het geval dat schoolbesturen meer dan de 1,5 klokuur bewegingsonderwijs willen faciliteren gaan zij daarover met de gemeente in gesprek. Door voldoende binnensportcapaciteit binnen de gestelde normen beschikbaar te hebben voldoet de gemeente aan haar wettelijke zorgplicht. Het faciliteren van buitensportvoorzieningen in de publieke ruimte om extra bewegingsonderwijs te kunnen realiseren is een bovenwettelijke ambitie.

www.icsadviseurs.nl

9/18

2.4 Renovatie Renovatie is een actueel thema, maar vooralsnog hanteert de (onderwijs)wet het begrip renovatie niet. PO-Raad, VO-Raad en VNG hebben recent de minister geadviseerd om renovatie een formele status te geven en een wetwijziging wordt momenteel voorbereid. Het is de ambitie om, vooruitlopend op de aanstaande wetwijziging, in het IHP, naast de in de verordening opgenomen voorzieningen ‘nieuwbouw’ en ‘uitbreiding’ uitgangspunten op te nemen ten aanzien van de oplossingsrichting ‘renovatie’. Gemeente en schoolbesturen zien renovatie als een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw. We spreken in het vervolg daarom van het begrip ‘vernieuwbouw’ in plaats van renovatie. Met een vernieuwbouw wordt gestreefd naar hetzelfde kwaliteitsniveau als Ervaren belang: + + nieuwbouw (zie hoofdstuk 2.5.1). Met als voordeel dat bij vernieuwbouw een deel van het gebouw behouden blijft, op zijn minst de constructie. Een vernieuwbouw draagt zodoende bij aan het verminderen van het grondstofgebruik en hergebruik van materiaal. Er is geen principevoorkeur voor vernieuwbouw of nieuwbouw, de beste optie is altijd afhankelijk van de specifieke situatie. De doorslag voor vernieuwbouw of nieuwbouw wordt gemaakt in een businesscase met afwegingskader waarbij de volgende zaken worden gewaarborgd: ▪ ▪

▪

▪

▪

Er wordt een afweging gemaakt of de benodigde flexibiliteit en functionaliteit die hoort bij het Programma van Eisen/de onderwijsvisie behaald kan worden bij vernieuwbouw; Er wordt een afweging gemaakt tussen de klimaateffecten van verbeterde energieprestaties van het gebouw enerzijds, versus de klimaateffecten die het realiseren van het project (nieuwbouw of vernieuwbouw) zelf met zich meebrengen; In het bouwproces worden duidelijke afspraken gemaakt over het te behalen kwaliteitsniveau. Deze moet gelijkwaardig zijn aan nieuwbouw zodat de gemeente hiervoor dezelfde afschrijftermijn van 40 jaar kan hanteren; Er dient een goed onderbouwde vergelijking op diverse facetten, o.a. onderwijsinhoudelijk, bouwkundig en planologisch, gemaakt te worden. Per situatie wordt er een weging aan deze facetten toegekend. Gemeente en schoolbesturen dienen vooraf een eenduidig afwegingskader op te stellen. Eventuele monumentale kwaliteit van het gebouw en de waarde van het gebouw in zijn omgeving wordt meegewogen. In de businesscase wordt de afschrijftermijn in combinatie met de investering voor de vernieuwbouw van een monumentaal gebouw integraal afgewogen.

Het afwegingskader voor vernieuwbouw of nieuwbouw is verder uitgewerkt in bijlage 1. Voorstel IHP In het IHP wordt vernieuwbouw als een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw gezien. De afweging voor nieuwbouw of vernieuwbouw wordt gemaakt na het opstellen van het IHP, in een businesscase. In de businesscase wordt de haalbaarheid van vernieuwbouw ten opzichte van nieuwbouw nader onderzocht op basis van een technische, functionele, ruimtelijke en financiële verkenning, met aandacht voor de impact die vernieuwbouw of nieuwbouw heeft op het milieu/klimaat. Uitgangspunt is dat bij vernieuwbouw een gelijkwaardige kwaliteit als bij nieuwbouw wordt behaald, daarmee is ook het budget en de afschrijftermijn voor vernieuwbouw gelijk aan die voor nieuwbouw. Met het gelijkstellen van vernieuwbouw aan (vervangende) nieuwbouw sorteert de gemeente voor op de aankomende wetswijziging zoals beschreven in paragraaf 1.2.1.

www.icsadviseurs.nl

10/18

2.5 Duurzaam en gezond Duurzaamheid en gezondheid is een belangrijk thema bij het creëren van toekomstbestendige onderwijshuisvesting. In het Klimaatakkoord zijn concrete doelstellingen geformuleerd voor het reduceren van de CO2-emissie. Voor 2030 is het streefdoel een reductie van 55% (t.o.v. 1990) en voor 2050 is een hard einddoel van een reductie van 95% afgesproken. In dat kader is tevens het doel gesteld om in 2050 volledig aardgasvrij te zijn. We zitten inmiddels aan het begin van deze energietransitie. Daarnaast geeft het Programma van Eisen Frisse Scholen1 duidelijke richtlijnen ten aanzien van luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid in schoolgebouwen. De normen die in het vigerende bouwbesluit voor nieuwbouw worden gehanteerd, zijn vergelijkbaar met Frisse Scholen Klasse B. De beleidsregel buitenklimaat: luchtkwaliteit op scholen en kinderdagverblijven 2 worden eisen gesteld aan de afstand van een school en/of kinderdagverblijf t.o.v. rijkswegen en binnenstedelijke wegen. Bij nieuwbouw voldoen we aan deze eisen. De onderwijsportefeuille in Barendrecht moet aan deze landelijke en lokale eisen gaan voldoen. Gemeenten en schoolbesturen hebben nog 27 jaar de tijd om dit te bereiken. Aan nieuwbouw en aan verbouwing (aanpassing, renovatie) van bestaande gebouwen worden wettelijk gezien verschillende eisen gesteld.

Maar de verduurzamingsopgave waar we als maatschappij voor staan, geldt feitelijk voor de gehele vastgoed voorraad. Ook is de ambitie dat het binnenklimaat van onze gebouwen een positieve impact op de gezondheid en leerprestaties van leerlingen en docenten opleveren. Onderstaand wordt voor zowel voor nieuwe als bestaande bouw beschreven hoe wordt bijgedragen aan het realiseren van duurzame en gezonde onderwijsgebouwen.

2.5.1 Nieuwe gebouwen Onder nieuwe gebouwen worden de schoolgebouwen verstaan die in het IHP binnen een afzienbare tijd een grootschalige ingreep krijgen in de vorm van nieuwbouw of vernieuwbouw. Het doel van de ingreep is het verhogen van de kwaliteit en levensduur van het gebouw. De gemeente is bij nieuwe projecten verantwoordelijk voor het realiseren van een gebouw met de BENG-prestatie. Het is de ambitie om bij nieuwe (of vernieuwde) schoolgebouwen boven op het wettelijke kader te gaan voor een hogere duurzaamheidsambitie. Het streven is, daar waar dat financieel haalbaar blijkt, te gaan voor energie neutrale gebouwen (ENG). Dit houdt in dat het gebouwgebonden energieverbruik volledig wordt opgewekt op de locatie zelf en daarmee ook een neutrale CO2-emissie wordt bereikt. Op het gebied van gezondheid wordt Frisse Scholen Klasse B gezien als Ervaren belang: + + ondergrens. Het streven is Frisse Scholen Klasse A te behalen. Gezocht wordt naar een optimaal samenspel tussen het reduceren van de energiebehoefte en een gezond binnenklimaat. De gehanteerde eisen kunnen dus per gebouw verschillen. Bij ieder project wordt een Total Cost of Ownership (TCO) berekening gemaakt om de extra investering van BENG naar ENG, de besparingen in het energieverbruik én de extra lasten in het onderhoud in kaart te brengen.

Als blijkt dat de extra investering van BENG naar ENG in de exploitatie voordelig is voor het schoolbestuur, kunnen zij zelf deze investering doen. Hiervoor wordt als uitgangspunt de afschrijftermijn van de investering gehanteerd, binnen die termijn moet de investering zich financieel terugverdienen. Als uit de TCO-berekening blijkt dat er geen financiële meerwaarde is voor het schoolbestuur, gaan de gemeente en het schoolbestuur in gesprek over de ambities voor wat betreft energieprestatie voor het project. Een mogelijke oplossingsrichting is (afhankelijk van de exacte kosten en de financiële situatie van de gemeente) in dat geval dat de gemeente een deel van de financieel onrendabele extra investering bekostigt.

1 https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/06/PvE-Frisse-Scholen-2021.pdf 2

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR339320/1#:~:text=Bij%20de%20advisering%20van%20de,geldt%20het%20nee%2Dtenzij%20 principe.

www.icsadviseurs.nl

11/18

Om deze ambities te bereiken hanteren we realistische budgetten. In het verleden is gebleken dat het VNG-normbedrag verouderd is en dat daarvoor in 2023 geen prettige, gezonde onderwijsgebouwen voor gerealiseerd kunnen worden3. In plaats daarvan hanteren we in het IHP budgetten gebaseerd op recente referenties van gerealiseerde onderwijsgebouwen.

Voorstel IHP De gemeente en schoolbesturen dragen gezamenlijk bij aan het behalen van bovenwettelijke ambities (met andere woorden: ambities die verder gaan dan het bouwbesluit). De gemeente bekostigt het wettelijke deel (nu nog BENG, aardgasvrij en minimaal Frisse Scholen B). Binnen dit budget wordt per project bekeken op welke onderdelen Frisse Scholen Klasse A behaald kan worden. In het IHP passen we de VNG-normbudgetten aan het huidige prijspeil aan, zodat wordt gerekend met marktconforme budgetten.

Met een TCO-berekening wordt onderzocht wordt of de stap van BENG naar ENG te realiseren is met een bijdrage vanuit de schoolbesturen. Uitgangspunt is dat de schoolbesturen deze eenmalige bijdrage kunnen dekken uit besparing op de energielasten, uit (rijks)subsidies en uit eventuele besparingen op het meerjaren onderhoudsplan (MJOP). In basis draagt het schoolbestuur hier zelf aan bij of sluit hiervoor een lening af. In een businesscase wordt de haalbaarheid van deze aanvullende bijdrage onderzocht en onderbouwd. De gemeente onderzoekt of een leenfaciliteit beschikbaar kan worden gesteld in het geval dat een schoolbestuur deze investering niet kan bekostigen met eigen middelen. Als blijkt dat de investering zich financieel niet terugverdient gaan het schoolbestuur en de gemeente in gesprek over een eventuele bijdrage vanuit de gemeente. Bij nieuwbouw of locatieonderzoeken wordt in het IHP getoetst of wordt voldaan aan de eisen zijn opgenomen in de beleidsregel buitenklimaat. Met het realiseren van gebouwen conform het bouwbesluit voldoet de gemeente aan haar wettelijke verplichting bij (ver)nieuwbouw. Het (samen met de schoolbesturen) onderzoeken van de mogelijkheden om tot een duurzamer en gezonder schoolgebouw te komen is een bovenwettelijke ambitie om ook in de toekomst aan klimaatdoelstellingen te kunnen voldoen.

2.5.2 Bestaande gebouwen Onder bestaande gebouwen vallen de gebouwen die binnen de looptijd van het huidige IHP in stand worden gehouden. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep in de vorm van nieuwbouw of vernieuwbouw krijgen is het ook voor deze categorie de ambitie om bij te dragen aan de verduurzaming en het binnenklimaat te verbeteren. We grijpen hierbij natuurlijk momenten in de onderhoudscyclus aan. Uitgangspunt is immers dat over 27 jaar alle gebouwen CO2 neutraal zijn.

Ervaren belang: + +

3

https://www.bouwstenen.nl/normbedragen_onderwijshuisvesting_te_laag

www.icsadviseurs.nl

12/18

Binnen de huidige regelgeving is het schoolbestuur verantwoordelijk voor het in stand houden en onderhouden van het schoolgebouw. Zij stellen hiervoor onder andere een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) op en verrichten metingen naar de luchtkwaliteit. Het schoolbestuur is tevens verplicht om de Erkende Maatregelenlijst (EML, Wet Milieubeheer) uit te voeren. Dit betreft duurzame maatregelen met een terugverdientijd van minimaal 5 jaar. Voor het onderhouden en het uitvoeren van de Erkende Maatregelen zet het schoolbestuur een deel van haar vergoeding vanuit het Rijk in. Deze regeling blijft gehandhaafd. Toch vraagt het behalen van de doelstellingen uit het klimaatakkoord om aanvullende maatregelen. Hieronder is een voorstel opgenomen hoe hiermee om te gaan.

Voorstel IHP Binnen het IHP wordt door middel van de Meerjaren Onderhoudsplanningen inzichtelijk gemaakt in welke jaren grote investeringen gepland staan voor de schoolbesturen. Meestal gaat dit om grootschalige investeringen in de installatietechniek of in de bouwkundige schil. Dit zijn natuurlijke momenten om zonder kapitaalvernietiging te investeren in de duurzaamheid en een gezond binnenklimaat van een gebouw. Op deze manier worden de ingrepen genomen in combinatie met de instandhouding van het gebouw, voor deze investeringen is het schoolbestuur verantwoordelijk. Het IHP geeft ook inzicht of een school op korte- of langere termijn toe is aan een vernieuwde huisvesting. Dit geeft schoolbesturen meer inzicht in de investeringen die ze nog in hun gebouwen kunnen maken, zonder daarbij vroegtijdig af te moeten schrijven. Niet alle ingrepen (zoals isoleren of het plaatsen van zonnepanelen) hoeven namelijk onderdeel uit te maken van een grotere onderhoudsopgave. Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk om deze verduurzamingsopgaves te onderzoeken en hierin te investeren. Er zijn in de afgelopen jaren verschillende subsidiemogelijkheden geweest om te investeren in duurzaamheid en het binnenklimaat, zoals de SUVIS- en DUMAVA-regelingen. Hierbij wordt een deel van de investering door het rijk gedekt en is het schoolbestuur verantwoordelijk om de rest van de investering te maken.

Het kan voorkomen dat een schoolbestuur niet over de middelen beschikt om bij zo’n grootschalige ingreep extra maatregelen te nemen om te verduurzamen of het binnenklimaat te verbeteren. De bekostiging voor schoolbesturen is immers gebaseerd op investeringen voor instandhouding op sober en doelmatig niveau, niet voor grootschalige uitbreidingsinvesteringen in installaties. De gemeente onderzoekt daarom de mogelijkheid om voor deze gevallen een gunstige leenfaciliteit beschikbaar te stellen. Daarnaast blijft het onderwerp over een eventuele financiële bijdrage vanuit de gemeente ten behoeve van deze investeringen bij bestaande gebouwen de komende jaren op de agenda staan. Dit onderwerp is al een aantal jaar actueel binnen de gemeente Barendrecht, tot op heden heeft de gemeente niet financieel kunnen bijdragen aan deze investeringen. De gemeente is bij bestaande schoolgebouwen niet verplicht om te investeren in duurzaamheid en gezondheid. Het (samen met de schoolbesturen) onderzoeken van de mogelijkheden om tot een duurzamer en prettiger schoolgebouw te komen is een bovenwettelijke ambitie om ook in de toekomst aan klimaatdoelstellingen te kunnen voldoen.

www.icsadviseurs.nl

13/18

2.6 Circulariteit Het streven naar een toekomstbestendige samenleving vraagt om een bewust en verantwoordelijk gebruik van grondstoffen. De ontwikkeling naar een circulaire economie, een economie zonder verspilling van grondstoffen en uitputting van de hulpbronnen van de aarde, vormt hiervoor de basis. Nederland wil in 2050 een volledig circulaire economie zijn4 en in 2030 het grondstofgebruik halveren. Het realiseren van schoolgebouwen maakt integraal onderdeel uit van de ontwikkeling naar een circulaire economie en levert hieraan een bijdrage. In Barendrecht onderzoeken we, bij de bouw van scholen, welke circulaire principes kunnen worden toegepast. Om deze doelstelling te verwezenlijken, hebben gemeenten en schoolbesturen de ambitie om bij projecten te onderzoeken welke Ervaren belang: + circulaire maatregelen er binnen het projectbudget en exploitatiemiddelen mogelijk zijn. De komende jaren zetten de gemeente en schoolbesturen zich in om kennis op te doen over de mogelijkheden van onderwijshuisvesting in de ontwikkeling van de circulaire economie.

Voorstel IHP In het IHP wordt bij de eerste projecten onderzocht welke circulaire maatregelen haalbaar zijn binnen het vastgestelde budget en een meerwaarde hebben. We denken hier aan: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

het aanleggen van een materialen paspoort (in Madaster); flexibel bouwen, zodat multifunctioneel van het gebouw gebruikgemaakt wordt; demontabel bouwen; toepassen van biobased materialen (waar wenselijk en mogelijk); gebruikmaken van hergebruikte materialen (waaronder het behouden van de constructie bij vernieuwbouw, mits passend bij onderwijsvisie); circulair slopen en sloopmaterialen inzetten in de nieuwe gebouwen;

Om een circulair gebouw en -gebruik te realiseren wordt bij de initiatieffase van de projecten advies ingewonnen van partijen die ervaring hebben met circulair bouwen. Hierin wordt onderzocht welke circulaire uitgangspunten haalbaar zijn binnen het gestelde budget. Ook wordt er in de voorbereidingsfase voldoende tijd ingeruimd om de circulaire principes te vertalen naar een haalbaar ontwerp. Met het onderzoeken van de circulaire mogelijkheden binnen het bestaande budget van projecten draagt de gemeente bij aan een bovenwettelijke ambitie om ook aan de toekomstige klimaatdoelstellingen (circulaire economie in 2050) te kunnen voldoen.

4 Nederland Circulair in 2050 – Rijksoverheid

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/circulaire-economie/nederland-circulair-in-

2050

www.icsadviseurs.nl

14/18

2.7 Flexibiliteit Maatschappelijke ontwikkelingen hebben invloed op de vraag naar onderwijshuisvesting. Om in te spelen op groei en krimp en mogelijke veranderingen in het gebruik (functionaliteit) is het de ambitie om flexibele kindcentra te realiseren. Met name de onvoorspelbaarheid van leerlingprognoses zorgen ervoor dat er zich vaak onverwachte ontwikkelingen voordoen waar het gebouw op in moet kunnen spelen. Flexibele schoolgebouwen zijn gebouwen die eenvoudig aanpasbaar zijn aan een veranderende ruimtevraag. Het zijn gebouwen die over ruimten beschikken die voor verschillende doeleinden kunnen worden ingezet en waar verschillende gebruikers multifunctioneel gebruik van maken. Dit vraagt om een flexibele inrichting en het mogelijk maken van dubbel/naschools gebruik. Voor bestaande gebouwen is het streven om hiermee zo flexibel mogelijk om te gaan binnen de grenzen die het gebouw toelaat. Als het schoolbestuur interne aanpassingen wil realiseren in een bestaand schoolgebouw om bijvoorbeeld te kunnen voldoen aan een veranderde onderwijsbehoefte, zijn zij zelf verantwoordelijk voor deze investering.

Ervaren belang: + + +

Het realiseren van flexibele onderwijshuisvesting vraagt na het IHP, in de planvormingsfase voor (ver)nieuwbouw, rekening te houden met: ▪

▪

▪

De toekomstige uitbreidbaarheid van het gebouw. Dit kan in de vorm van een grondgebonden aanbouw of als verdieping op het bestaande gebouw. In ruimtelijk-planologische zin dient hier rekening mee gehouden te worden, door in het bestemmingsplan en bij het bepalen van het terrein oppervlak te anticiperen op een toekomstige uitbreiding van zowel het gebouw als voor buitenruimte; De toekomstige (interne) aanpasbaarheid. Denk hierbij aan flexibele indeelbaarheid van het gebouw en de snelheid waarmee intern ruimtes aangepast kunnen worden naar bijvoorbeeld onderwijs, kinderopvang of een andere functie. Hierbij dient onder andere aandacht te zijn voor een passend installatieconcept. Modulaire bouwmethoden, waarbij gewerkt wordt met gestandaardiseerde en demontabele onderdelen, worden als een kans gezien. Speciale aandacht geldt hiervoor bij vernieuwbouw, daar zijn de mogelijkheden vaak beperkt; De mogelijkheid het schoolgebouw in de toekomst te transformeren naar een andere functie ( zoals maatschappelijk of wonen), zonder de bruikbaarheid van het gebouw voor het onderwijs teniet te doen. Voorstel IHP Flexibiliteit houdt ook verband met het aanpassen van de onderwijscapaciteit en -kwaliteit aan de wijkbrede behoefte. In het IHP wordt de behoefte aan onderwijscapaciteit, nu en in de toekomst per wijk, op basis van de leerling prognoses bepaald.

Daarbij wordt ook inzichtelijk gemaakt of dat de leerlingontwikkeling ervoor kan zorgen dat andere gebruikers van onderwijscapaciteit (zoals KOV) niet langer in het gebouw zou passen. In iedere wijk dient in deze toekomstbestendige huisvestingsbehoefte te worden voorzien. Dit kan in de vorm van passende nieuwbouw of vernieuwbouw. Maar ook een wijkgerichte verwijzing van leerlingen en het inzetten van leegstaande onderwijsruimten wordt gezien als een middel om flexibel met de bestaande capaciteit om te gaan. Het huisvesten van onderwijs voor nieuwkomers vraagt ook de nodige flexibiliteit. Hierbij kan nagedacht worden over huisvesting in bestaande scholen op wijkniveau, of juist een gemeentebrede oplossing. Een oplossing voor de huisvesting voor nieuwkomers wordt in het IHP uitgewerkt. Het sturen op flexibiliteit in onderwijshuisvesting is geen wettelijke verplichting, maar zorgt op de lange termijn voor beter te exploiteren gebouwen en voorkomt vroegtijdig afschrijven door een veranderende functionaliteit.

www.icsadviseurs.nl

15/18

2.8 Standaardisatie Nederland staat voor een enorme opgave rond onderwijshuisvesting. Zeker nu de bouwbudgetten onder druk staan is het zaak slimmer te bouwen, met meer kwaliteit voor hetzelfde geld. Standaardisatie kan daar een oplossing voor bieden. Vanuit de PO-raad, VO-raad en RuimteOK worden verschillende handreikingen gedaan 5. Daarnaast zijn er inmiddels voldoende voorbeelden te vinden voor deze landelijke trend, zo heeft de metropoolregio Amsterdam een Innovatiepartnerschap opgezet die marktpartijen de ruimte geeft on innovaties door te ontwikkelen en tegelijkertijd met standaard bouwmethodes meerdere duurzame, flexibele en kwalitatief hoogwaardige schoolgebouwen te realiseren binnen budget. De kansen voor standaardisatie in Barendrecht worden met name gezien in de processen. Het standaardiseren van Ervaren belang: + procesonderdelen leidt tot kortere doorlooptijden wat een beter beheersbaar en betaalbaar proces oplevert. Bij het standaardiseren van procesonderdelen weten partijen vooraf beter welke input wanneer van hen wordt verwacht. Het werken met vaste formats voor onder andere businesscases, Programma van Eisen, overeenkomsten en selectieprocedures is hierin een eerste stap. Het standaardiseren van deze documenten zorgt daarnaast voor een uniforme beoordeling, wat de besluitvorming ten goede komt.

Voorstel IHP Bij de uitvoering van de in het IHP voorgestelde projecten gaan de partijen aan de slag met het standaardiseren van procedures en processen. Gemeente en schoolbesturen stellen gezamenlijk diverse formats vast. Een concreet voorbeeld is om aan het begin van de initiatieffase één sessie te organiseren met het schoolbestuur en alle betrokken afdelingen van de gemeente (stedenbouw, verkeer, groen, etc.) om de kaders van het project vast te stellen. Dit zorgt voor een snellere doorlooptijd en meer beperkte inzet van alle betrokkenen. De bouwheer werkt met deze formats in bouwtraject. Na het doorlopen van het bouwtraject met gestandaardiseerde formats wordt een evaluatie uitgevoerd. Het werken met standaard formats in onderwijshuisvesting is geen wettelijke verplichting, maar is wel een kans om meer kostenefficiënt nieuwe projecten te realiseren.

5 Standaardisatie: beter bouwen binnen budget, november 2022

https://www.poraad.nl/werkgeverschap/onderwijshuisvesting/standaardisatie-beter-bouwen-binnen-je-budget

www.icsadviseurs.nl

16/18

De hoogste kwaliteitseisen aan onze dienstverlening. Een goed gebouw begint met het beste idee. Colofon Datum: Auteurs:

3 oktober 2023 Leonoor Clemens & Bram Treffers

info@icsadviseurs.nl 088 - 235 04 27

www.icsadviseurs.nl www.icsadviseurs.nl

17/18 Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV

Bijlage 1: afwegingskader vernieuwbouw of nieuwbouw Als de bestaande huisvesting aan vervanging toe is, kan vernieuwbouw (= casco levensduurverlengende renovatie) een gelijkwaardig alternatief zijn voor nieuwbouw. In de in ontwikkeling zijnde onderwijswetgeving wordt renovatie als huisvestingsvoorziening opgenomen. Vooruitlopend op deze wetgeving wordt een afwegingskader geschetst om te komen tot een keuze tussen vernieuwbouw of vervangende nieuwbouw. Er moet een integrale afweging tussen vernieuwbouw of nieuwbouw worden gemaakt vanuit diverse invalshoeken, resulterend in een ‘businesscase’ per project. De term businesscase betreft meer dan alleen het financiële aspect, ook kwalitatieve aspecten spelen een belangrijke rol in de afweging. De diverse aspecten worden in onderstaande tabel toegelicht. De opsomming is niet limitatief; voor specifieke projecten kunnen andere aspecten evenzeer een rol spelen in de te maken afweging. Aspect

Afwegingen

Financieel

Vergelijking op kapitaallasten (afhankelijk van investering en te verwachten resterende levensduur). Wat zijn de te verwachten exploitatielasten (energielasten, onderhoudskosten)? Bestaande boekwaarden kunnen bij renovatie blijven staan, bij nieuwbouw moeten deze doorgaans worden afgeboekt. Bij renovatie en vervangende nieuwbouw kan het schoolbestuur financiële middelen inbrengen uit de reserveringen voor gebouwonderhoud en toekomstige energiebesparingen.

Kwaliteit: Ruimtelijk Functioneel Technisch

Cultuurhistorisch

Is de toekomstige ruimtebehoefte goed in te passen bij renovatie? Kan overmaat worden afgestoten, is in geval van ruimtetekort uitbreiding mogelijk? Is het gebouw bij renovatie geschikt voor modern onderwijs en aanpasbaar? Of legt de bestaande draagstructuur veel beperkingen op? Is het programma efficiënt in te passen? Is het bij renovatie mogelijk om te voldoen aan de technische eisen van onder andere Frisse Scholen? Is sprake van een monument of beschermd dorpsgezicht? Heeft het gebouw waarde voor de omgeving?

Duurzaamheid: Energieprestatie Materiaalgebruik Tijd/procedures

www.icsadviseurs.nl

Is het bij renovatie mogelijk om een (bijna) energieneutraal gebouw te realiseren? Renovatie heeft een kleinere ecologische footprint, omdat de huidige materialen voor een langere periode gebruikt blijven en voor renovatie minder nieuwe materialen nodig zijn dan voor nieuwbouw. Is voor nieuwbouw een wijziging van bestemmingsplan nodig? Worden problemen voorzien bij vergunningverlening als gevolg van stikstofproblematiek?

18/18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14486615/1