Bijlage 2. Afwegingen en advies over wijzingen GR NRIJ (1).docx
Tekst van het document
Bijlage 2. Afwegingen en advies over wijzingen in de gemeenschappelijke regeling Natuur- en recreatieschap IJsselmonde (NRIJ) Inleiding In deze bijlage leest u onze afwegingen bij de door de regeling voorgestelde wijzingen die voortvloeien uit de recente wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Per onderwerp leest u eerst een korte toelichting op de wetswijziging. Dan wat daarover in de voorgelegde regeling is voorgesteld. Vervolgens leest u de eventuele voor- en nadelen voor de gemeente Barendrecht en ons advies wat op te nemen in de zienswijze.
Wijzigingen in de regeling a. Zienswijze bij besluiten In de regeling moeten afspraken zijn opgenomen over welke besluiten van het bestuur van een GR vatbaar zijn voor een zienswijze van de raden.
Voorgestelde regeling en toelichting Toegevoegd is een nieuw artikel 26. Hierin is uitgewerkt dat de raden van deelnemende gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen bij besluiten van het algemeen bestuur die ingrijpende ruimtelijke wijzigingen tot gevolg hebben of kunnen hebben. Artikel 26 1. Ten aanzien van de volgende besluiten kunnen de raden van de deelnemende gemeenten, voorafgaand aan het nemen van het besluit, een zienswijze naar voren brengen: besluiten door het algemeen bestuur die ingrijpende ruimtelijke wijzigingen tot gevolg hebben of kunnen hebben. 2. Het dagelijks bestuur stelt vast of er sprake is van een besluit als vermeld in lid 1. Indien daarvan sprake is, zendt het dagelijks bestuur het ontwerp- besluit toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur binnen acht weken na ontvangst van het ontwerp hun zienswijze over het ontwerp- besluit naar voren brengen. 4. Het dagelijks bestuur stelt, voorafgaand aan de besluitvorming door het algemeen bestuur, de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen en de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Ook het algemeen bestuur wordt daarvan op de hoogte gesteld. 5.
Het algemeen bestuur zendt, na definitieve besluitvorming, de raden van de deelnemende gemeenten het besluit ter informatie toe.
1
Nieuw zijn ook de artikelen 43 en 44 met bepalingen dat raden een zienswijze kunnen geven over een conceptuittredingsplan. Advies hierover nemen wij mee onder kopje e (Afspraken over uittreding), waar deze artikelen verder aan de orde komen.
Advies aan de gemeenteraad Gelet op onze eigen vergadercyclus is de termijn van tenminste acht weken om een zienswijze te geven erg krap. Wij adviseren u te verzoeken de termijn van ten minste acht weken uit artikel 26 te wijzigen in 10 weken. Naar de mening van ons college heeft de raad op dit moment verder ruime mogelijkheden om invloed uit te oefenen op het beleid en zijn er daarom geen andere besluiten waarop de raden eerst hun zienswijze zouden moeten geven.
b. Afspraken over participatie In elke regeling moeten afspraken worden opgenomen of, en zo ja op welke wijze burgers de mogelijkheid krijgen tot inspraak over bepaalde onderwerpen die tot de taak van de GR horen. In de regeling kan worden opgenomen dat die participatie niet wordt geboden.
Voorgestelde regeling en toelichting Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 21. Hierin is uitgewerkt dat het dagelijks bestuur bij besluiten over ontwikkelingen aangaande de fysieke leefomgeving beslist of de mogelijkheid tot burgerparticipatie wordt aangeboden. Artikel 21
1.
2.
3. 4.
Het dagelijks bestuur beslist per ontwikkeling aangaande de fysieke leefomgeving, of de mogelijkheid tot burgerparticipatie aan ingezetenen van de deelnemende gemeente en/of belanghebbenden wordt geboden. Ingezetenen en belanghebbenden worden, indien de mogelijkheid tot burgerparticipatie wordt geboden, zowel bij de voorbereiding, de uitvoering als de evaluatie van voornoemde ontwikkeling betrokken. Indien de mogelijkheid tot burgerparticipatie op grond van lid 1 van dit artikel wordt geboden, wordt gebruik gemaakt van het participatiebeleid van de deelnemende gemeente waarbinnen de ontwikkeling zich afspeelt. Het recreatieschap en de deelnemende gemeente zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel, zullen het participatieproces in gezamenlijkheid toepassen. Er is geen participatie mogelijk: a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. als sprake is van uitvoering van wetgeving waarbij het bestuur geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft of als daarbij niet meer dan één belanghebbende betrokken is; d. bij beslissingen over financiën van het recreatieschap, zoals maar niet uitsluitend, het opstellen en vaststellen van de begroting en het vaststellen van tarieven; e.
als de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat participatie niet kan worden afgewacht; f. bij beslissingen of beleidsvoornemens die uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking hebben op interne of organisatorische aangelegenheden, waaronder de inrichting en samenstelling van het bestuur; g. als de aard van de door het bestuur uit te oefenen bevoegdheid zich hiertegen verzet.
Advies aan de gemeenteraad Ten aanzien van participatie is de zienswijze van uw raad dat belanghebbenden bij het Algemeen Bestuur moeten kunnen inspreken over de onderwerpen die geagendeerd staan op de agenda van de betreffende vergadering, met uitzondering van de verslagen van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur. Het
2
spreekrecht voor belanghebbenden is niet geregeld in de voorliggende gemeenschappelijke regeling. Wij adviseren u te verzoeken om het spreekrecht voor belanghebbenden op te nemen in de gemeenschappelijke regeling.
c. Actieve en passieve informatieplicht Actieve informatieplicht De actieve informatieplicht bestaat al: in de regeling moeten afspraken worden opgenomen over het moment waarop, de wijze van en het onderwerp van de informatievoorziening.
Voorgestelde regeling en toelichting Deze verplichting is doorgevoerd in artikel 20. Dit artikel geeft aan dat het bestuur aan de raden, alle inlichtingen geeft die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Artikel 20 Het bestuur van het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde en ingestelde commissies geven de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Deze informatie delen zij door: Rechtstreekse schriftelijke verzending aan de raden van de deelnemende gemeenten; of Mededeling in een raadsinformatiebijeenkomst bij alle deelnemende gemeenten.
Advies aan de gemeenteraad De bepaling in artikel 20 is te summier en geeft geen duidelijke richtlijnen welke informatie minimaal moet worden verstrekt. Wij adviseren u om in uw zienswijze te verzoeken om aan de bepaling toe te voegen dat: de verslagen van het Algemeen Bestuur, de vastgestelde begroting, de vastgestelde jaarrekening en bijbehorende accountantsrapportage in ieder geval beschouwd dienen te worden als informatie die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Passieve informatieplicht Deze is opgenomen in artikel 13 en is ten opzichte van het huidige artikel 12 niet gewijzigd. Dit geeft geen reden tot het maken van opmerkingen in de zienswijze.
d. Afspraken over evaluatie Het is verplicht afspraken te maken over evaluatie van de regeling. Waar de evaluatie op gericht moet zijn, hoe vaak die moet plaatsvinden en op welke wijze die wordt uitgevoerd, is niet voorgeschreven. Dat kan worden opgenomen in de regeling. In de regeling kan ook worden opgenomen dat deze niet geëvalueerd wordt.
Voorgestelde regeling en toelichting In artikel 3 is bepaald dat de raden en colleges van de deelnemende gemeenten het algemeen bestuur ieder vierde jaar van de zittingstermijn kunnen verzoeken, de in artikel 2, vierde lid, beschreven taak, te evalueren.
3
Artikel 3 1. De raden en colleges van de deelnemende gemeenten kunnen het algemeen bestuur ieder vierde jaar van de zittingstermijn verzoeken, de in artikel 2 lid 4 beschreven taak, te evalueren. 2. De raden en colleges van de deelnemende gemeenten die hiertoe verzoeken, zullen het verzoek motiveren. 3. Het algemeen bestuur stelt na een verzoek als bedoeld in lid 1 van dit artikel vast op welke wijze de taakstelling van de Gemeenschappelijke Regeling zal worden geëvalueerd.
Advies aan de gemeenteraad Uit het bepaalde blijkt niet of aan een verzoek moet worden voldaan en of bijvoorbeeld één verzoek al voldoende is. Het advies is om in uw zienswijze te verzoeken om artikel 3 stelliger te formuleren en te vervangen door een artikel dat luidt: 1. Op een gezamenlijk verzoek van de raad en het college van één of meer van de deelnemers zal het algemeen bestuur de toepassing en werking van deze regeling evalueren. Dit verzoek kan ieder vierde jaar van de zittingstermijn worden gedaan. Het algemeen bestuur kan hiertoe ook op eigen initiatief besluiten. 2. De in het eerste lid bedoelde evaluatie heeft onder meer, doch niet uitsluitend, tot doel na te gaan: a. of, en zo ja in welke mate de in deze regeling geformuleerde doelstellingen zijn behaald; b. of, en zo ja in welke mate de in deze regeling vastgelegde overdracht van taken en bevoegdheden, in het licht van de doelstelling van deze regeling, aanpassing behoeft. 3. Door het algemeen bestuur wordt een regeling vastgesteld, volgens welke procedure de in het eerste lid bedoelde evaluatie zal plaatsvinden. 4. De raden worden op de hoogte gesteld van de resultaten van de evaluatie, de conclusies en de wijzigingen die naar aanleiding van de evaluatie worden/zijn doorgevoerd.
e. Afspraken over uittreding Er kan niet langer worden volstaan met de afspraak dat het bestuur de uittredingsvoorwaarden vaststelt. In ieder geval moeten afspraken worden opgenomen over de gevolgen voor het vermogen, waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen.
Voorgestelde regeling en toelichting In de gewijzigde artikelen 42 tot en met 49 zijn de bepalingen over uittreding opgenomen. Deze zijn: Artikel 42 1. Voorafgaand aan een besluit tot uittreding, maken de raden en colleges van de deelnemende gemeente het voornemen tot uittreding kenbaar aan het algemeen bestuur. Direct na het kenbaar maken van het voornemen tot uittreding, wordt conform artikel 43 gestart met het opstellen van een conceptuittredingsplan met daarin de financiële, juridische, personele en organisatorische gevolgen van de uittreding alsmede een voorlopige uittreedsom. 2. De gevolgen voor de eigendomspositie van, of de zakelijke rechten op, de gronden van de het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde zullen door de projectgroep als bedoeld in artikel 43, bij de voorbereiding van het concept-uittredingsplan buiten beschouwing worden gelaten. De deelnemende gemeenten onderhandelen hier zelf over en de uitkomst hiervan zal als bijlage worden toegevoegd aan het conceptuittredingsplan. 3. Het algemeen bestuur maakt het concept-uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom aan de deelnemende gemeente die wenst uit te treden, kenbaar. 4.
De deelnemende gemeente die wenst uit te treden heeft na ontvangst van het concept-uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom, de mogelijkheid definitief uit het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde te treden bij daartoe strekkend besluit, dat binnen twee weken nadat het is genomen aan het algemeen bestuur wordt toegezonden. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen.
4
5.
6. 7.
De uittreding als bedoeld in het vierde lid heeft plaats op het einde van het jaar volgend op het jaar waarin de uittredende deelnemende gemeente het besluit tot uittreding kenbaar heeft gemaakt aan het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur zendt de besluiten tot uittreding aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. De besluiten tot uittreding worden door het dagelijks bestuur van het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde toegezonden aan het college van gedeputeerde staten.
Artikel 43 1. Het dagelijks bestuur stelt ten behoeve van het opstellen van het concept-uittredingsplan een projectgroep samen die onder leiding van een onafhankelijke (externe) deskundige het concept-uittredingsplan voorbereidt. 2. Het dagelijks bestuur geeft de accountant van het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde opdracht om het door de projectgroep voorbereide concept-uittredingsplan te toetsen. 3. De kosten voor het toetsen van het concept- uittredingsplan zoals genoemd in lid 2 van dit artikel, zijn voor rekening van de uittredende deelnemende gemeente. 4. Alvorens het dagelijks bestuur het voorstel voor het uittredingsplan ter vaststelling zendt aan het algemeen bestuur, zendt het dagelijks bestuur het voorstel voor het concept-uittredingsplan aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen gedurende acht weken na verzending van het voorstel hun zienswijzen over het voorstel voor het concept-uittredingsplan bij het dagelijks bestuur indienen. Het dagelijks bestuur voegt de ingediende zienswijzen bij het voorstel voor het concept- uittredingsplan dat het dagelijks bestuur zendt aan het algemeen bestuur. 5. Uiterlijk 8 maanden na het kenbaar maken van het voornemen tot uittreding, stelt het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Artikel 44 1.
Het uittredingsplan bevat de systematiek voor de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding, te betalen door de uittredende deelnemende gemeente, hierna te noemen de uittreedsom. 2. Alvorens het dagelijks bestuur het voorstel voor het uittredingsplan ter vaststelling zendt aan het algemeen bestuur, zendt het dagelijks bestuur het voorstel voor het uittredingsplan toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen gedurende acht weken hun zienswijzen over het voorstel bij het dagelijks bestuur indienen. Het dagelijks bestuur voegt de ingediende zienswijzen bij het voorstel dat het dagelijks bestuur zendt aan het algemeen bestuur. 3. Vaststelling van het uittredingsplan geschiedt bij unaniem besluit. 4. Uiterlijk 8 maanden na ontvangst van het definitieve besluit tot uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan met daarin de uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het tweede lid en op een gemiddelde van de jaarrekeningen van de voorafgaande vier begrotingsjaren. Artikel 45 1.
De voorlopige respectievelijk definitieve uittreedsom bestaat uit een vergoeding ter compensatie van directe kosten van uittreding (frictiekosten en desintegratiekosten), verminderd met het aandeel van de uittredende deelnemende gemeente in het eigen vermogen minus de bestemmingsreserves van het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde op de datum van uittreding. 2. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten te maken door de gemeenschappelijke regeling die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van een deelnemende gemeente, zoals maar niet uitsluitend, de inhuur van deskundigen, een accountant en advocaat. 3. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de gemeenschappelijke regeling die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. Onder desintegratiekosten wordt
5
4.
5.
6.
mede verstaan alle kosten uit overige verplichtingen, zoals de afbouw van risico’s alsmede de door deelnemende gemeenten aangegane langlopende contractuele betalingsverplichtingen. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op kosten te dragen door het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan binnen een periode van 5 jaar vanaf het moment van uittreding als direct gevolg van de uittreding. Het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van het eigen vermogen van de uittredende deelnemende gemeente minus de bestemmingsreserves van de gemeenschappelijke regeling zoals genoemd in lid 1, in rekening bij de uittredende deelnemende gemeente. De uittredende deelnemende gemeente is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, op de wijze zoals genoemd in artikel 49. Kosten die de uittredende deelnemende gemeente maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van die deelnemende gemeente.
Artikel 46 1. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 2. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van daadwerkelijke uittreding kunnen niet leiden tot wijziging van de hoogte van de uittreedsom, tenzij de uitgetreden deelnemende gemeente dan wel het algemeen bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald indien: a. de wederpartij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt waarvan deze diende aan te nemen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden indien deze onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt; b. de wederpartij inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uittreedsom bekend waren niet heeft verstrekt terwijl de wederpartij redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 3.
De tussen de deelnemende gemeenten bestaande verhoudingen en afspraken met betrekking tot milieuproblematiek, waaronder bodemverontreiniging, zullen gedurende een periode van 30 jaren ongewijzigd gecontinueerd worden, als waren zij nog gezamenlijk deelnemende gemeenten aan het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde. Het vorenstaande geldt voor wat betreft besluitvorming ten aanzien van vraagstukken betreffende milieuproblematiek, als ook financiële inbreng van de deelnemende gemeenten met betrekking tot de aan dit onderwerp verbonden kosten, voor zover die voor rekening en risico van het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde komen en voor zover de bestemmings- en algemene reserves bezien vanuit de reservepositie van het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde, niet toereikend zijn om die schade (geheel of gedeeltelijk) te dekken. Artikel 47 Na uittreding van de uittredende deelnemende gemeente, zal de gemeenschappelijke regeling gewijzigd dienen te worden conform artikel 40 van deze regeling. Artikel 47 Na uittreding van de uittredende deelnemende gemeente, zal de gemeenschappelijke regeling gewijzigd dienen te worden conform artikel 40 van deze regeling. Artikel 48 1. Het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden.
Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemende gemeente. 6
2.
3.
De vertegenwoordiger van de uittredende deelnemende gemeente in het algemeen bestuur, houdt gedurende de periode vanaf het besluit tot uittreding tot de daadwerkelijke uittreding, bij de beraadslaging en besluitvorming door het algemeen bestuur rekening met de belangen van het Natuur- en recreatieschap IJsselmonde zoals deze zich kunnen voordoen vanaf het moment van daadwerkelijke uittreding. Indien nodig onthoudt deze vertegenwoordiger zich van beraadslaging en besluitvorming. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen.
Artikel 49 1. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uitredende deelnemende gemeente de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in één keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemende gemeente of de uittredende deelnemende gemeente de uittreedsom in een aantal termijnen (het aantal termijnen zal naar redelijkheid door het algemeen bestuur bepaald worden) of in één keer dient te betalen. In geval van betaling in één termijn, dient die betaling binnen 6 maanden na uittreding plaats te vinden.
Advies aan de gemeenteraad De voorliggende ontwerpregeling geeft op dit punt reden tot het maken van opmerkingen. Voorgesteld wordt om bij artikel 42 lid 2 de volgende toevoegingen te doen, om meer recht te doen aan de positie van een uittredende gemeente: “Bij deze onderhandelingen is het uitgangspunt dat gronden in eigendom en/of waarop zakelijke rechten berusten ten gunste van het natuur- en recreatieschap op het grondgebied van de uittredende gemeente, worden overgedragen aan de uittredende gemeente. Mocht vanwege de rustende bestemming op de gronden, die gelegen zijn in op het grondgebied van de uittredende gemeente, een verkoop benodigd zijn op grond van het arrest van de Hoge Raad in de casus Didam, dan zal in de kennisgeving van deze voorgenomen verkoop van grond en/of zakelijke rechten die op deze gronden berusten, de uittredende gemeente als enige serieuze gegadigde voor de aankoop van deze gronden en/of zakelijke rechten worden vermeld. De aankoopprijs van deze gronden bedraagt de niet afgeschreven investeringen met betrekking tot deze gronden.” Wat onder kopje a (Zienswijzen bij besluiten) is opgemerkt t.a.v. artikel 26, geldt ook voor artikel 43 lid 4: Gelet op onze eigen vergadercyclus is de termijn van tenminste acht weken om een zienswijze te geven erg krap.
Wij adviseren u te verzoeken de termijn van ten minste acht weken uit artikel 43 lid 4 te wijzigen in 10 weken. Artikel 44 lid 2 bevat vervolgens nogmaals een regeling dat de raden van de deelnemende gemeenten ook op het uittredingsplan een zienswijze kunnen geven. Naar ons oordeel is dit dubbel en wij adviseren daarom te verzoeken om artikel 44 lid 2 te laten vervallen. Daarnaast is nog een opmerking te maken: artikel 43 lid 5 (“Uiterlijk 8 maanden na het kenbaar maken van het voornemen tot uittreding, stelt het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast.”) bevat een termijn van uiterlijk 8 maanden, maar artikel 44 lid 4 bevat opnieuw die termijn van acht maanden. Daarom is het advies om bij artikel 44 lid 4 de vraag te stellen of het nodig is dat de termijn tussen het definitieve besluit tot uittreding en het vaststellen van het uittredingsplan opnieuw (uiterlijk) 8 maanden dient te bedragen, of dat dit een kortere termijn kan zijn. Gezien de lange doorlooptijd van het totale proces tot uittreding kan naar onze mening bij artikel 44 lid 4 een kortere termijn worden aangehouden van maximaal 3 maanden. In artikel 46 lid 3 is benoemd dat een uittredende gemeente gedurende een termijn van 30 jaar als deelnemende gemeente wordt gezien bij verhoudingen en afspraken rondom milieuproblematiek (waaronder bodemverontreiniging).
Geadviseerd wordt bij de NRIJ na te vragen welke gevallen van bodemverontreiniging
7
bekend zijn binnen het grondgebied van de NRIJ. Hiermee kan dan beter een inschatting worden gemaakt van de impact van deze termijn van 30 jaar. Aangezien ook Rotterdam (die inmiddels is uitgetreden) aan deze termijn gebonden is en blijft, is het raadzaam deze termijn niet te verlagen. Zo blijft ook Rotterdam risicodrager.
f. Aanpassing begrotingscyclus Daar waar in de regeling hierover termijnen zijn opgenomen, moeten deze voldoen aan de wet. De wet geeft in sommige gevallen de vrijheid de termijn in de regeling te bepalen. Bijvoorbeeld kan, op grond van het bepaalde in artikel 35, zesde lid, Wgr, voor bepaalde categorieën begrotingswijzigingen een andere termijn (dan 12 weken) voor het indienen van een zienswijze worden bepaald in de regeling. De raad kan zijn zienswijze desgewenst zijn mening geven over de in de regeling opgenomen termijn.
Voorgestelde regeling en toelichting In artikel 34, eerste lid, van de regeling is bepaald dat het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toestuurt aan de raden van de deelnemende gemeenten. Artikel 34
1. 2.
3. 4.
5. 6.
Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging wordt openbaar kennis gegeven. De raden van de deelnemende gemeenten beraadslagen over de ontwerpbegroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving als in het tweede lid bedoeld. De raad van een deelnemende gemeente kan bij het dagelijks bestuur zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting aan de raden der deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid van dit artikel is mede van toepassing op een besluit tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de hoogte van de totale begroting (lasten) of in de bijdragen van de deelnemers.
Advies aan de gemeenteraad Voldaan is aan de wettelijke termijn van 12 weken. Ons advies is in de zienswijze op te nemen het verzoek om het derde lid te schrappen. Dat is geen wettelijke voorschrift en naar onze mening is een regeling daaromtrent aan de gemeenten zelf. In het voorgestelde artikel is niet opgenomen de wettelijke eis (artikel 35, vierde lid, Wgr) dat het dagelijks bestuur, voorafgaande aan het vaststellen van de begroting, schriftelijk en gemotiveerd de raden in kennis moet stellen van zijn oordeel over de zienswijzen. In de zienswijze is daarom opgenomen het verzoek om in artikel 34 een lid op te nemen dat luidt: “Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt”.
g. De instelling van adviescommissies Een raadsadviescommissie zou gebruikt kunnen worden om de raden met elkaar te laten overleggen, bijvoorbeeld over een gezamenlijke zienswijze. Een raadsadviescommissie zou advies kunnen geven aan de raden, maar ook aan het algemeen bestuur. Ze zou een voorbereidende rol kunnen hebben in de beleidscyclus van de GR. De raadsadviescommissie is nadrukkelijk niet bedoeld om de rol van de gemeenteraden over te
8
nemen of om tot besluitvorming te komen. De rechtsgrond voor de instelling van een adviescommissie staat in de Wet gemeenschappelijke regelingen en behoeft niet in de regeling zelf te worden opgenomen.
Voorgestelde regeling en toelichting Overeenkomstig de huidige regeling bevat de gewijzigde regeling bepalingen over de instelling van commissies, waaraan bevoegdheden kunnen worden overgedragen. Dat is opgenomen in artikel 25. Dit zijn andere commissies dan de zogeheten raadsadviescommissie. In de aanbiedingsbrief is niet gevraagd of uw raad tot instelling van zo’n raadsadviescommissie zou willen verzoeken.
Advies aan de gemeenteraad Onzes inziens is het instellen van een raadsadviescommissie zoals hierboven bedoeld, niet nodig. In de zienswijze is wel een opmerking gemaakt over de formulering van artikel 25, eerste lid, van de regeling. De daarin opgenomen artikelen van de Gemeentewet zijn vervallen per 1 juli 2021. Voor de juiste formulering wordt verwezen naar artikel 25, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Overige wijzigingen In de voorliggende ontwerpregeling is nog een aantal technische wijzigingen aangebracht. De overige wijzigingen geven geen reden tot het maken van opmerkingen.
9