Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Noldijk.pdf
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
35
Stof Stikstofdioxide (NO2)
Toetsing van Grenswaarde Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie Uurgemiddelde Max. 18 keer p.j. meer dan 200 concentratie µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24‐uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. Meer dan concentratie 50 µg / m³ Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m³ concentratie Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van acht woningen. Dit valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.
Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving, en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2020 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Noldijk ten oosten van het plangebied, ter hoogte van Noldijk 2 en 4. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2020: 20,5 µg/m³voor NO2, 18,3 µg/m³voor PM10 en 11,1 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,4 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
36
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft een milieugevoelige functie. Gezien de ligging aan een doorgaande weg en de aanwezigheid van bedrijvigheid in de directe omgeving kan het gebied getypeerd worden als gemengd buitengebied. De realisatie van de burgerwoningen kan worden gezien als milieugevoelig. Het plangebied wordt omgeven door een bedrijventerrein, agrarische gronden, glastuinbouw en de Noldijk met diverse woningen. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een glastuinbouwbedrijf. Conform de VNG‐publicatie kunnen kassen zonder of met verwarming geschaald worden onder milieucategorie 2 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter voor geluid. De afstand van het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak tot het bouwvlak van de dichtstbijzijnde woningen bedraagt minimaal 220 meter.
De afstand van de kassen tot de dichtstbijzijnde te realiseren woning is meer dan 30 meter. Aan de genoemde richtafstand wordt voldaan. Rondom de woningen zijn delen van het (plan‐)gebied bestemd als 'Agrarisch'. Een deel van deze bestemming, die ten westen van de coulissenwoningen zullen in gebruik worden genomen door de eigenaren van deze woningen als weiland. Verder wordt het gebruik van deze gronden beperkt tot akkerbouw en koude grond tuinbouw. Het bedrijventerrein aan de Noordzijde van het plangebied, bedrijventerrein Barendrecht Noordoost, kent percelen waarbij bedrijvigheid is toegelaten tot en met milieucategorie 4.1. In een gemengd gebied geldt vanuit deze milieucategorie een richtafstand van 100 meter. De afstand van de dichtstbijzijnde te realiseren woning bedraagt net iets meer dan 100 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden. Overigens zijn langs de dijk, tussen de ontwikkeling en het bedrijventerrein ook verschillende bestaande woningen aanwezig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de woningen binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
37
4.8
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.
In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
38
Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn verschillende risicobronnen aanwezig, zie figuur 4.2 De volgende risicobronnen zijn van belang:
Rangeerterrein Kijfhoek; Rijksweg A16; Spoorlijn Barendrecht‐Dordrecht.
Figuur 4.2 Overzicht relevante risicobronnen (bron Professionele risicokaart) Rangeerterrein Kijfhoek Overeenkomstig de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) waarin relevante risicobronnen getoond worden, bevindt het plangebied zich niet binnen de PR10‐6 contour van het rangeerterrein Kijfhoek (figuur 4.2). Voor het Rangeerterrein Kijfhoek is door de Omgevingsdienst Zuid‐Holland Zuid (OZHZ) het ‘Beheersplan Groepsrisico Kijfhoek’ opgesteld (d.d. april 2012). In dit beheersplan is aangegeven dat het invloedsgebied circa 1.380 meter bedraagt en wordt bepaald door een incident met waterstoffluoride (toxisch). Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van het rangeerterrein. Conform het beheerplan wordt één keer per jaar gerapporteerd over de invloed van ruimtelijke ontwikkelingen op het groepsrisico. In de monitoring groepsrisico Kijfhoek juli 2019 (kenmerk D‐19‐1925162, zaaknummer Z‐19‐359474) is de onderhavige ontwikkeling meegenomen en is het groepsrisico berekend, te weten 0,89 x de oriëntatiewaarde. Kanttekening die hierbij moet worden gemaakt is dat er in de monitoring uit juli 2019 rekening is gehouden met 3 woningen, terwijl het gaat om 7 woningen. De 7 woningen zijn al wel opnieuw berekend door de Omgevingsdienst en vormen geen verhoogd risico. In de nieuwste monitoring van 2021 wordt dit aangepast.
De Omgevingsdienst geeft hierbij aan dat de oriëntatiewaarde niet wijzigt. Gezien de hoogte van het berekende groepsrisico vormt de ligging in het invloedsgebied van het rangeerterrein geen belemmering voor het voorgenomen plan. Wel is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
39
Inventarisatie transportroutes (spoorlijn Barendrecht‐Dordrecht) en rijksweg A16 De beoogde woningen zijn niet gelegen binnen het verantwoordingsgebied van 200 meter van de beide transportroutes. Hierdoor is er geen berekening van het groepsrisico vereist. Het invloedsgebied van verschillende stofcategorieën, vanwege het transport over de Rijksweg A16 en de spoorlijn Barendrecht‐Dordrecht, ligt wel over het plangebied. Volgens artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transport is wel een verantwoording benodigd dat ingaat op de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Beknopte verantwoording van het groepsrisico Gelet op de grote afstand tussen het plangebied, de spoorlijn, de rijksweg A16 en het Rangeerterrein Kijfhoek is het toxisch scenario maatgevend. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Ter plaatse van het plangebied worden woonfuncties mogelijk gemaakt. Deze functie is niet specifiek bedoeld voor minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen. Dit betekent dat personen zich, bij een eventuele dreigende situatie, over het algemeen op eigen kracht (of onder begeleiding van) goed in veiligheid kunnen brengen.
Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of personen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de spoorlijn Barendrecht‐Dordrecht, de Rijksweg A16 of het Rangeerterrein Kijfhoek is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe‐haven‐principe). Indien dit niet mogelijk is, kan ervoor gekozen worden om te vluchten. Bij een toxische wolk dient gevlucht te worden haaks op de wolk. Bij een incident met toxische stoffen op de spoorlijn Barendrecht‐Dordrecht of het Rangeerterrein Kijfhoek kan in noordelijke richting van de transportroute af vluchten via de Noldijk. In het geval een incident met toxische stoffen op de Rijksweg A16 plaatsvindt kan in zuidelijke richting via de Noldijk worden gevlucht. Bestrijdbaarheid Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is.
Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. De meest voorkomende windrichting in Nederland is zuidwestenwind. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Door een snelle ontruiming/evacuatie is ook slachtofferreductie m Conclusie Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van de spoorlijn Barendrecht‐Dordrecht, de rijksweg A16 en het rangeerterrein Kijfhoek. Uit de groepsrisicoberekening die is uitgevoerd vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van het rangeerterrein Kijfhoek blijkt dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Daarnaast blijkt uit de beknopte verantwoording dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende kan worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid staat de boogde ontwikkeling niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
40
4.9
Bodem
Beleid en normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek en conclusie In geval van functiewijziging dient een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemgesteldheid in het plangebied. De bestemming binnen het plangebied verandert van 'Agrarisch' naar 'Wonen/Tuin'. Vanwege deze functiewijziging dient verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Voor de Noldijk 4 blijft de bestemming Wonen gehandhaafd. Bodemonderzoek is hier dan ook niet noodzakelijk.
Figuur 4.2 ‐ bodemfuncties met in het zwart omcirkelt het plangebied (bron: Regionale bodemkwaliteitskaart)
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
41
Op basis van de Regionale bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Barendrecht is het plangebied ingedeeld in het deelgebied 'overig', zie figuur 4.2. Ter plaatse van het plangebied zijn zowel de boven‐ als ondergrond ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse 'achtergrondwaarde' (AW). Ter plaatse van de klasse AW zijn alle gemiddelden lager dan de maximale waarden voor de klasse 'wonen'. Op basis hiervan kan gesteld worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie wonen.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
42
Figuur 4.3 indeling plangebied volgens regionale bodemkwaliteitskaart ondergrond en bovengrond (bron: Regionale bodemkwaliteitskaart) Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen dient wel actueel bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
4.10
Archeologie
Toetsingskader De gemeente Barendrecht heeft een archeologisch beleidskaart en instrument ontwikkeld, waaronder de Archeologische Waardenkaart Barendrecht (vastgesteld op 23 maart 2009). Op de 'archeologische waarden‐ en beleidskaart' van de gemeente heeft het grootste deel van het plangebied een 'redelijk hoge archeologische verwachting'. Dit betekent dat ontwikkelingen die dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 m2 beslaan, getoetst moeten worden op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Een klein gedeelte van het plangebied (de plas in het westen) heeft een 'lage archeologische verwachting'. Voor dit deel geldt dat ontwikkelingen die dieper reiken dan de huidige onderwaterbodem en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 m2 beslaan, getoetst moeten worden op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
43
Onderzoek en conclusie Alle ontwikkelingen vinden plaats in het gedeelte waar 'Waarde Archeologie ‐ 5' geldt. Hier geldt dat wanneer de grond over een oppervlakte van meer dan 200 m² en dieper dan 80 cm onder maaiveld wordt bewerkt er archeologisch onderzoek verplicht is. Indien deze voorwaarden niet worden overschreden dan is er geen belemmering voor de onderhavige ontwikkelingen.
Figuur 4.4 ‐ archeologische waardenkaart gemeente Barendrecht (in paars het plangebied) (bron: Archeologische waardenkaart Barendrecht)
4.11
Cultuurhistorie
Toetsingskader De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads‐ en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Toetsing en conclusie Conform het vigerende bestemmingsplan 'Zuidrand' kent het gebied geen dubbelbestemming voor cultuurhistorische waarden. De planlocatie ligt in de historische lintstructuur van de Noldijk. Deze lintstructuur dient behouden te blijven. Er wordt één dijkwoning herbouwd en achter deze woning worden nog eens zeven woningen gerealiseerd. Doordat de kassen in het gebied worden gesaneerd levert dit per saldo een kwaliteitswinst op voor het lineaire karakter van de Noldijk. De historische lintstructuur wordt daarmee versterkt.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
44
4.12
M.e.r.‐beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Met de realisatie van zeven nieuwe woningen en herbouw van één bestaande woning blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde.
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Op deze wijze is invulling gegeven aan de vormvrije mer‐beoordeling. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer‐procedure of mer‐beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.. Dit besluit zal aan de hand van de toelichting in dit bestemmingsplan worden genomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
45
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch‐juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van de ontwikkeling een belangrijke beheer‐ en gebruiksfunctie. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling. De planopzet biedt enige flexibiliteit voor de beoogde herinrichting en tegelijkertijd rechtszekerheid voor de gebruikers van de aangrenzende gebieden. De in het plan vastgelegde omvang van de diverse functies is vastgelegd op de verbeelding en in de bestemmingsregeling. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd. Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q.
landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De regeling is zo veel mogelijk afgestemd op het gemeentelijk handboek voor bestemmingsplannen en het vigerende bestemmingsplan 'Zuidrand'.
5.2
Opbouw regels
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan (zie paragraaf 5.3). Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs‐ en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
5.3
Bestemmingen
Agrarisch Deze bestemming is gegeven aan gronden binnen het plangebied die hun agrarische functie behouden. Binnen deze bestemmingen liggen alleen nog productiegronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in bijvoorbeeld akkerbouw of tuinbouw (volle grond). Ook kunnen de agrarische percelen achter de kavels gebruikt worden als weiland. Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
46
Groen De groenbestemming is opgenomen om de landschappelijke inpassing uit het kavelpaspoort te waarborgen. Er is tevens een voorwaardelijke bepaling opgenomen om de inrichting te regelen en in stand te houden. Ook is er een aanduiding 'ontsluiting' in deze bestemming opgenomen via waar de woningen bereikt kunnen worden vanaf de Noldijk. Deze ontsluiting wordt ook gebruikt voor aangrenzende agrarische percelen en de schuur. Tuin Grote delen van de bij burgerwoningen behorende tuinen hebben deze bestemming gekregen om zo de coulissenstructuur te beschermen. Wonen ‐ Lintbebouwing Deze bestemming is gegeven aan alle burgerwoningen in het plangebied die op, of direct aan de dijk staan. Binnen de bestemming zijn opgenomen de woning zelf, met de daarbij bijbehorende bijgebouwen, tuinen en erven. Beroepsuitoefening aan huis is onder bepaalde voorwaarden toegestaan. De goot hoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 4,5 m. Bestaande hoogten mogen niet worden vergroot. Ook wordt binnen deze bestemming een aparte schuur mogelijk gemaakt voor de eigenaar van Noldijk 2. Deze schuur heeft een aanduiding 'wonen uitgesloten' om te voorkomen dat hier gewoond kan worden. De schuur wordt opgericht voor hobbymatig gebruik, zoals de stalling van een tractor en enkele paarden.
Ook zijn er enkele voorwaardelijke verplichtingen opgenomen om de inrichting van het gebied conform kavelpaspoort en landschappelijke inrichting te regelen en deze in stand te houden. Ook is er een voorwaardelijke verplichting voor de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid geregeld. De laatste voorwaardelijke verplichting ziet toe op de aanleg en instandhouding van bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid van deze bluswatervoorzieningen. Archeologie 2, 5 en 7 Iedere stuk grond binnen dit bestemmingsplan heeft een archeologische waarde. Deze waarden zijn overgenomen uit het bestemmingsplan 'Zuidrand', waar de waarden 1 t/m 7 voorkomen. Iedere dubbelbestemming Archeologie kent andere randvoorwaarden bij ontwikkelingen. In het plangebied komen de waarden 2, 5 en 7 voor. Waterstaat ‐ Waterkering Gronden met de bestemming Waterstaat ‐ Waterkering zijn bestemd voor de bescherming, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, met bijbehorende andere bouwwerken zoals duikers, keerwanden en merktekens. Er geldt een bouwhoogte van maximum 3 meter. Ter bescherming van de waterkering geldt een omgevingsvergunningenstelsel.
5.4
Aanduidingen
'geluidzone ‐ industrie' De gronden zijn bestemd voor bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een inrichting als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder. Binnen deze aanduiding mogen geen nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten worden gebouwd anders dan in dit bestemmingsplan toegestaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
47
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De uitvoering en kosten van het voornemen berusten volledig bij de initiatiefnemer. Met de gemeente Barendrecht is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is geregeld dat de eventuele uitgekeerde (tegemoetkomingen in) planschade door de initiatiefnemer aan de gemeente worden vergoed. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de verschillende overlegpartners. De overlegpartners hebben 6 weken de tijd gehad om te reageren. Er zijn reacties binnengekomen van de Veiligheidsregio Rotterdam‐Rijnmond (VRR) en het waterschap Hollandse Delta (WSHD). De reacties vanuit VRR en WSHD zijn beide positief en leiden niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Ook is het plan via het e‐forumulier aangeboden aan de provincie Zuid‐Holland. Hieruit zijn geen strijdigheden met provinciale belangen naar voren gekomen en daarom hoeft het plan niet te worden opgestuurd naar de provincie. Ter inzagelegging Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken, van 24 september 2021 tot 5 november 2021, ter inzage gelegen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode is aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Er zijn in totaal 2 zienswijzen binnengekomen. Deze zijn samengevat en voorzien van een beantwoording in Bijlage 4. Naar aanleiding van deze zienswijzen zijn er twee wijzigingen doorgevoerd: 1. Op de verbeelding is op perceel 9335 (Noldijk 2) de bestemming 'Agrarisch' gewijzigd naar bestemming 'Wonen ‐ Lintbebouwing'. 2. Op de verbeelding is het bouwvlak op perceel 7732 (Noldijk 4) met 5 meter naar het oosten verplaatst.
Hiervoor is tevens het kavelpaspoort en de berekening in het akoestisch onderzoek aangepast. De resultaten uit het akoestisch onderzoek wijzigen niet. Daarnaast zijn enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Het gaat met name om kleine tekstuele wijzigingen en het vervangen/toevoegen van enkele voorwaardelijke verplichtingen. Een overzicht van alle ambtshalve wijzigingen is te vinden in Bijlage 4.
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
48
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Stikstofonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
memo Plan:
Noldijk, Barendrecht
Onderwerp:
Stikstofberekening
Datum:
24 februari 2021
Auteur:
ing. M. Enthoven
Postbus 150, 3000 AD Rotterdam Telefoon: 010-2018555 E-mail: info@rho.nl
Inleiding Op de locatie aan de Noldijk in Barendrecht bestaat het voornemen om kassen te amoveren en daarvoor in de plaats 7 woningen te realiseren. Daarnaast wordt een al aanwezige dijkwoning aan de Noldijk 4 geamoveerd en opnieuw gebouwd en een schuur gerealiseerd. Het betreft zodoende een realisatie van totaal 8 woningen en één schuur. Het oppervlakte te verwijderen kas is 28.000 m2. De beoogde locatie ligt op circa 2,5 kilometer afstand van Natura 2000-gebied de Oude Maas en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘De Biesbosch’ ligt op circa 13 kilometer afstand (figuur 1). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen gezien de afstand worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Met het programma AERIUS Calculator (2020) is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De berekeningen voor zowel aanleg- als gebruiksfase zijn opgenomen in de bijlage bij deze memo.
Figuur 2: Globale ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden. (Bron: AERIUS Calculator)
blz. 1
Uitgangspunten aanlegfase Bij de invoer van de gegevens in AERIUS is gebruik gemaakt van twee invoervlakken voor het amoveren van de dijkwoning en de kas en één invoervlak voor het realiseren van de woningen en de schuur. De materieelinzet en transportbewegingen zijn gebaseerd op kengetallen en referentieprojecten. Er is uitgegaan van een bouwperiode van circa 200 dagen met gemiddeld 3 persoonsauto’s per dag die het plangebied aandoen. In tabel 1 is de cumulatieve materieelinzet opgenomen. In tabel 2 zijn de cumulatieve benodigde transportbewegingen opgenomen. Voor het rekenjaar is uitgegaan van 2022. De verkeersafwikkeling vindt plaats via de Noldijk, de Rijksstraatweg, de Voorweg en de Veren Ambachtseweg in noordelijke richting naar de A15. Op de A15 gaat het extra verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het betreffende verkeer slechts enkele procenten van het totale verkeersbeeld uitmaakt. Tabel 1: Materieelinzet aanlegfase.
Soort materieel Sloopkraan Hoogwerker Betonmixer Betonstorter/pomp Graafmachine Heistelling Kiepbak Mobiele kraan Ruw terrein heftruck Minigraver
Stage klasse
Brandstofverbruik (L/uur)
Draaiuren
Verbruikte brandstof (L/Jaar)
20
24
480
6
32
960
14
48
672
14
48
672
15
84
1.260
20
24
480
10
84
840
15
128
1.920
10
32
320
8
24
192
Stage IIIA, 130-560 kW, 2006 Stage IIIA, 37-75 kW, 2008 Stage IIIA, 130-560 kW, 2006 Stage IIIA, 130-560 kW, 2006 Stage IIIA, 75-130 kW, 2007 Stage IIIA, 130-560 kW, 2006 Stage IIIA, 75-130 kW, 2007 Stage IIIA, 75-130 kW, 2007 Stage IIIA, 37-75 kW, 2008 Stage IIIA, 37-75 kW, 2008
Tabel 2: Verkeersgeneratie aanlegfase.
Aan-/afvoer Aan-/afvoer materiaal Aanvoer medewerkers
Aantal voertuigen 72 600
Aantal verkeersbewegingen (mvt/jaar) 144 zwaar verkeer 1.200 licht verkeer
Uitgangspunten gebruiksfase De woningen zullen gasloos zijn en kennen derhalve geen gebouwemissies. De verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe bewoners zullen echter wel leiden tot extra stikstofemissie. Voor het bepalen van de extra verkeersgeneratie zijn berekeningen uitgevoerd op basis van de kengetallen van het CROW (Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381). De verkeerstoename is opgenomen in tabel 3. In totaliteit is er sprake van een verkeersgeneratie van 65,6 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag, daarbij gaat het om licht verkeer. De uitgangspunten voor de verkeersafwikkeling zijn gelijk aan de aanlegfase. Aan de hand van deze gegevens is de berekening met AERIUS Calculator gemaakt. Tabel 3: Verkeersgeneratie gebruiksfase.
Functie Vrijstaande koopwoning
Aantal woningen
CROW norm in mvt/per eenheid
Verkeersgeneratie in mvt/etmaal
8
8,2
65,6
blz. 2
Resultaten en conclusie Uit de rekenresultaten blijkt dat voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Derhalve is in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunning noodzakelijk. De AERIUS-berekeningen zijn als PDF bijlage toegevoegd aan deze memo. De uitkomsten van de AERIUS-berekeningen dienen 5 jaar te worden bewaard, zodat bij controle aangetoond kan worden dat dit aspect onderzocht is.
blz. 3
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. S5ScHfAujP8D (24 februari 2021) pagina 1/7
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Rho adviseurs
Noldijk 4, 2991 VK Barendrecht
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Noldijk, Barendrecht
S5ScHfAujP8D
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
24 februari 2021, 13:07
2022
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
141,10 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Vervanging van huidige kassenbouw door woningen.
Situatie 1
S5ScHfAujP8D (24 februari 2021) pagina 2/7
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Resultaten
Bron Sector
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
Amovatie van kas Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
22,90 kg/j
Amovatie dijkwoning Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
4,40 kg/j
Realisatie woningen + Schuur Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
111,34 kg/j
Verkeersafwikkeling Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
2,46 kg/j
S5ScHfAujP8D (24 februari 2021) pagina 3/7
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
NOx NH3
Voertuig
Omschrijving
STAGE IIIa, 37 <= kW < 56, bouwjaar 2008 (Diesel)
Brandstof verbruik (l/j)
Stationair bedrijf (uren/j)
Cilinder Stof inhoud (l)
Emissie
Hoogwerker
320
11
2,7 NOx NH3
4,26 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIa, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2007 (Diesel)
Mobiele kraan
480
39
6,4 NOx NH3
9,98 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIa, 37 <= kW < 56, bouwjaar 2008 (Diesel)
Ruw terrein heftruck
320
11
2,7 NOx NH3
4,26 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIa, 130 <= Sloopkraan kW < 300, bouwjaar 2006 (Diesel)
240
4
7,4 NOx NH3
4,40 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Voertuig
Resultaten
Amovatie van kas 98348, 429484 22,90 kg/j < 1 kg/j
Amovatie dijkwoning 98411, 429570 4,40 kg/j < 1 kg/j
Omschrijving
Brandstof verbruik (l/j)
Stationair bedrijf (uren/j)
Cilinder Stof inhoud (l)
Emissie
STAGE IIIa, 130 <= Sloopkraan kW < 300, bouwjaar 2006 (Diesel)
240
4
7,4 NOx NH3
4,40 kg/j < 1 kg/j
Situatie 1
S5ScHfAujP8D (24 februari 2021) pagina 4/7
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Voertuig
Resultaten
Realisatie woningen + Schuur 98364, 429488 111,34 kg/j < 1 kg/j
Omschrijving
Brandstof verbruik (l/j)
Stationair bedrijf (uren/j)
Cilinder Stof inhoud (l)
Emissie
STAGE IIIa, 130 <= Betonmixer kW < 300, bouwjaar 2006 (Diesel)
672
16
14,9 NOx NH3
13,46 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIa, 130 <= Betonstorter/pomp kW < 300, bouwjaar 2006 (Diesel)
672
16
14,9 NOx NH3
13,46 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIa, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2007 (Diesel)
1.260
28
6,4 NOx NH3
22,61 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIa, 130 <= Heistelling kW < 300, bouwjaar 2006 (Diesel)
480
8
14,9 NOx NH3
9,24 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIa, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2007 (Diesel)
Kiepbak
840
28
6,4 NOx NH3
15,52 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIa, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2007 (Diesel)
Mobiele kraan
1.920
43
6,4 NOx NH3
34,46 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIa, 37 <= kW < 56, bouwjaar 2008 (Diesel)
Minigraver
192
8
2,7 NOx NH3
2,59 kg/j < 1 kg/j
Situatie 1
Graafmachine
S5ScHfAujP8D (24 februari 2021) pagina 5/7
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Verkeersafwikkeling 98480, 430375 2,46 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
1.200,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
144,0 / jaar NOx NH3
1,53 kg/j < 1 kg/j
Situatie 1
S5ScHfAujP8D (24 februari 2021) pagina 6/7
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Situatie 1
S5ScHfAujP8D (24 februari 2021) pagina 7/7
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. S3a5PSY48HvL (24 februari 2021) pagina 1/5
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Rho adviseurs
Noldijk 4, 2991 VK Barendrecht
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Noldijk, Barendrecht
S3a5PSY48HvL
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
24 februari 2021, 13:10
2023
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
17,27 kg/j
NH3
1,20 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Gebruiksfase 8 nieuwe woningen aan de Noldijk.
Situatie 1
S3a5PSY48HvL (24 februari 2021) pagina 2/5
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Bron Sector
Verkeersafwikkeling Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
Resultaten
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
1,20 kg/j
17,27 kg/j
S3a5PSY48HvL (24 februari 2021) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
NOx NH3
Resultaten
Verkeersafwikkeling 98480, 430375 17,27 kg/j 1,20 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
65,6 / etmaal NOx NH3
17,27 kg/j 1,20 kg/j
Situatie 1
S3a5PSY48HvL (24 februari 2021) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Situatie 1
S3a5PSY48HvL (24 februari 2021) pagina 5/5
Bijlage 2 QuickScan Flora en Fauna Noldijk
Rho adviseurs voor leefruimte
048900.20170197.001
Eindrapport
QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN NOLDIJK TE BARENDRECHT
Eindrapport
QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN NOLDIJK TE BARENDRECHT
rapportnr. 2018.2960 juli 2020 In opdracht van: Rho adviseurs voor leefruimte Postbus 150 3000 AD ROTTERDAM Adviesbureau Mertens B.V. Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en ecotoxicologie Bezoekadres: Dr. Willem Dreeslaan 1 te Bennekom Postadres: Postbus 367, 6700 AJ te Wageningen
T: 0317-428694 M: 06-29458456 E: info@adviesbureau-mertens.nl I: www.adviesbureau-mertens.nl
© Adviesbureau Mertens BV, Renkum, 2020. Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noldijk te Barendrecht. Eindrapport juli 2020
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING ....................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED EN DE PLANNEN ............................................................................................................. 2 1.3 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 5 1.4 OPBOUW RAPPORT................................................................................................................................... 6 2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ........................................................................................... 7 2.1 WET NATUURBESCHERMING ..................................................................................................................... 7 2.2 RODE LIJST .............................................................................................................................................. 7 3. METHODE ....................................................................................................................................................... 8 4.
RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING ................................................................................... 9 4.1 FLORA ..................................................................................................................................................... 9 4.2 VLEERMUIZEN .......................................................................................................................................... 9 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN ............................................................................................................................. 9 4.4 BROEDVOGELS....................................................................................................................................... 10 4.5 AMFIBIEËN ............................................................................................................................................. 10 4.6 VISSEN .................................................................................................................................................. 10 4.7 REPTIELEN............................................................................................................................................. 11 4.8 OVERIGE................................................................................................................................................ 11 5.
SAMENVATTENDE CONCLUSIE ................................................................................................................. 12 GERAADPLEEGDE LITERATUUR................................................................................................................... 13
BIJLAGEN ......................................................................................................................................................... 14 1. PLANGEBIED ........................................................................................................................................ 15 2. BEGRIPPEN........................................................................................................................................... 16 3. VOORWAARDEN................................................................................................................................... 18
Adviesbureau Mertens
1
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noldijk te Barendrecht. Eindrapport juli 2020
1. INLEIDING 1.1 Inleiding Er is het voornemen voor de ruimtelijke ontwikkeling van een gebied aan de Noldijk te Barendrecht. De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens B.V. uit Wageningen gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd. 1.2 Het plangebied en de plannen Het plangebied is gelegen aan de Noldijk te Barendrecht, ten westen van de nummers 2 en 4 (zie figuur 1 en bijlage 1 voor de exacte ligging). Dit gebied bestaat uit tuinbouwkassen, enkele woningen en een schuur, akkers en wateren. Het plan bestaat uit sanering van kassen en bedrijfsbebouwing, bouw van zeven nieuwe woningen; sloop en herbouw van woning Noldijk 4 (bouwvlak wordt aangepast) en omzetten van agrarische bedrijfswoning in burgerwoning (Noldijk 2). Voor de Noldijk 2 is het plan derhalve conserverend. Aan de westzijde is een water gelegen. Het plan is conserverend qua water. Wel wordt er een nieuwe sloot gegraven achter de te realiseren woningen.
De nieuwe sloot is derhalve gelegen in het oosten van het plangebied; op afstand van het westelijk gelegen bestaand water. In figuur 2 wordt een beeld gegeven van het plangebied op dinsdag 27 maart 2018 en in figuur 3 wordt een beeld gegeven van de plannen.
N▲
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan de Noldijk te Barendrecht.
Adviesbureau Mertens
2
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noldijk te Barendrecht. Eindrapport juli 2020
Figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Noldijk te Barendrecht.
Adviesbureau Mertens
3
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noldijk te Barendrecht. Eindrapport juli 2020
Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Noldijk te Barendrecht.
Adviesbureau Mertens
4
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noldijk te Barendrecht. Eindrapport juli 2020
Figuur 3. Impressie van de plannen aan de Noldijk te Barendrecht. 1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord:
Adviesbureau Mertens
5
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noldijk te Barendrecht. Eindrapport juli 2020 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebied? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie? 3. Hoe dient te worden omgegaan met eventuele negatieve effecten van de plansituatie op wettelijk beschermde planten- en diersoorten?
1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten (hoofdstuk 4). - Een beoordeling van de effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 5). In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen. In bijlage 3 worden de voorwaarden van het onderzoek weergegeven.
Adviesbureau Mertens
6
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noldijk te Barendrecht. Eindrapport juli 2020
2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN
2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet integreert de Flora- en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet 1998 tot één wet. Deze wet implementeert tevens de Vogelen Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. De nieuwe Wet natuurbescherming sluit aan bij de internationale kaders zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.3) beschermd via de Nieuwe Wet natuurbescherming. Tevens geldt voor alle soorten de algemene zorgplicht, zoals deze ook al gold onder de Flora- en faunawet. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten).
De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die van de Flora- en faunawet omdat de ontheffingsgronden van de Vogel- en Habitatrichtlijn gelijk zijn gebleven. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de provincie Zuid-Holland wordt voor een aantal soorten vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 herzien. Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten.
Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.
Adviesbureau Mertens
7
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noldijk te Barendrecht. Eindrapport juli 2020
3. METHODE Op dinsdag 27 maart 2018 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Er is beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied. Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen.
Adviesbureau Mertens
8
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noldijk te Barendrecht. Eindrapport juli 2020
4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING
4.1 Flora Het plangebied is voor een deel verhard (bebouwing en bestrating), bestaat uit gecultiveerde gronden, kassen en wateren met onderhouden oevers. Planten die beschermd worden door de Wet natuurbescherming komen alleen voor in specifieke natuurlijke ecotopen. Dergelijke specifieke natuurlijke ecotopen komen niet voor. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. De aanwezige muren zijn te droog voor muurplanten of ongeschikt. Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt het voorkomen van beschermde plantensoorten uitgesloten. 4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie- en paarplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In de schuren, woning en kassen zijn geen geschikte openingen vastgesteld waarin vleermuizen kunnen verblijven. De bebouwing en kassen zijn een onderdelen in lijnvormige landschapselementen waarop vleermuizen zich kunnen oriënteren.
De bebouwing wordt gedeeltelijk gesloopt en er komt vervangende bebouwing waardoor vleermuizen zich kunnen blijven oriënteren. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen kunnen derhalve worden uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in het plangebied of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er gewone dwergvleermuis, laatvlieger en/of ruige dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen; het gebied is voor een groot deel verhard met kassen. In de omgeving zijn alternatieve foerageerplaatsen. Effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. 4.3 Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen in het plangebied, de ligging in de stad en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt het de aanwezigheid van internationaal beschermde overige zoogdieren uitgesloten. Mogelijk komen in het plangebied bosmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze algemeen voorkomende zoogdieren bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de provincie Zuid-Holland.
Adviesbureau Mertens
9
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Noldijk te Barendrecht. Eindrapport juli 2020
4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 27 maart 2018 zijn geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Voor huismus en gierzwaluw zijn de te slopen opstallen volledig ongeschikt. Gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 27 maart 2018 zijn geen sporen aangetroffen van steen- en/of kerkuil. In het opgaand groen en langs de sloten en wateren kunnen algemene broedvogels broeden zoals roodborst, merel, kauw, spreeuw, winterkoning, meerkoet en waterhoen. Gedurende het veldonderzoek op dinsdag 27 maart 2018 zijn merel en roodborst vastgesteld. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien en opstallen te slopen buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.
4.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied, de ligging in intensief agrarisch gebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Voor rugstreeppad is het gebied geen leefgebied omdat de rugstreeppad niet is vastgesteld in de omgeving van het plangebied gedurende de afgelopen drie jaar (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009, waarneming.nl). Mogelijk komen in het plangebied wel gewone pad en bruine kikker voor (bijvoorbeeld in de verwilderde tuin). Voor deze soorten is het plangebied geen essentieel leefgebied omdat in en rond het plangebied geen geschikt oppervlaktewater voorkomt. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling.