Bestemmingsplan Perceel Dudokdreef
Tekst van het document
Gemeente Barendrecht
Bestemmingsplan ‘‘Perceel Dudokdreef” Vaststelling
11 mei 2021
Gemeente Barendrecht
Bestemmingsplan ‘‘Perceel Dudokdreef” Vaststelling
Inhoud: • • •
Toelichting Regels Geometrische plaatsbepaling (verbeelding)
werknummer: datum: bestand:
619.150.70 11 mei 2021 J:\619\150\70\3.projectresultaat\
Procedureoverzicht Fase
Datum
concept-ontwerp
28 april 2020
Ontwerp
11 december 2020
Terinzagelegging Vaststelling
22 januari 2021 t/m 4 maart 2021 11 mei 2021
KuiperCompagnons BV Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Architectuur, Landschap Rotterdam
Toelichting
Inhoudsopgave
1
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding en doel van het plan Ligging en begrenzing plangebied Voorgaande bestemmingsplannen Leeswijzer
1 1 2 3
2
Planbeschrijving
4
2.1 2.2
Bestaande situatie Ontwikkelingen
4 4
3
Ruimtelijke Ordening
6
3.1 Kader 3.1.1 Nationaal beleid 3.1.2 Provinciaal beleid 3.1.3 Gemeentelijk beleid 3.2 Conclusies
7 7 8 11 14
4
Natuur en ecologie
15
4.1 4.2 4.3
Kader Onderzoek Conclusie
15 16 17
5
Water
18
5.1 5.2 5.3
Kader Onderzoek Conclusie
18 19 23
6
Parkeren en Verkeer
24
7
Archeologie en cultuurhistorie
26
7.1 Archeologie 7.1.1 Kader 7.1.2 Onderzoek 7.1.3 Conclusie 7.2 Cultuurhistorie 7.2.1 Kader 7.2.2 Onderzoek 7.2.3 Conclusie
26 26 26 27 27 27 28 28
8
29
Milieu
8.1 M.e.r.-beoordeling 8.2 Bodemkwaliteit 8.2.1 Kader
29 29 29
8.2.2 Onderzoek 8.2.3 Conclusie 8.3 Akoestische aspecten 8.3.1 Kader 8.3.2 Onderzoek 8.3.3 Conclusie 8.4 Luchtkwaliteit 8.4.1 Kader 8.4.2 Onderzoek 8.4.3 Conclusie 8.5 Externe veiligheid 8.5.1 Kader 8.5.2 Onderzoek 8.5.3 Conclusie 8.6 Bedrijven en milieuzonering 8.6.1 Kader
30 31 31 31 33 34 34 34 35 36 36 36 38 38 38 38
9
Uitvoerbaarheid
40
9.1 9.2 9.3
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Handhavingsaspecten
40 40 40
10
Juridische plantoelichting
42
10.1 Planmethodiek 10.2 Regels 10.3 Geometrische plaatsbepaling
42 42 44
11
Procedure
45
11.1 Voorbereidingsfase 11.2 Ontwerpfase 11.3 Vaststellingsfase
45 46 46
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1:
Oriënterend onderzoek flora en fauna Voordijk 276, Blom Ecologie B.V., d.d. 18 juli 2019 Bijlage 2: Meting bepaling bestaande verharde oppervlakken, Riede, Mol & Donkers, d.d. 27 januari 2020 Bijlage 3: Beoordeling archeologie, BOOR, d.d. 3 september 2019 Bijlage 4: Verkennend bodemonderzoek Voordijk 276, Hopman en Peters, d.d. 15 augustus 2019 Bijlage 5: Verkennend asbestonderzoek Voordijk 276, Hopman en Peters, d.d. 30 augustus 2019 Bijlage 6: Akoestisch onderzoek wegen railverkeerslawaai Voordijk 276, KuiperCompagnons, d.d.15 april 2020 Bijlage 7: Stikstofdepositie-onderzoek bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Barendrecht, KuiperCompagnons, d.d. 5 november 2020 Bijlage 8: Onderzoek aspect externe veiligheid Voordijk 276, KuiperCompagnons, d.d. 30 december 2019 Bijlage 9: Aanmeldnotitie Voordijk 276, KuiperCompagnons, d.d. 16 april 2020 Bijlage 10: Inrichting vervangend water, Riede, Mol & Donkers, d.d. 13 juli 2020 Bijlage 11: Advies Voordijk/Dudokdreef, DCMR Milieudienst Rijnmond, d.d. 23 september 2020 Bijlage 12: Akkoord VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, d.d. 31 augustus 2020 Bijlage 13: Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ – Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan, gemeente Barendrecht, d.d. 12 maart 2021
1
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel van het plan
Achter het perceel aan de Voordijk 276, ten westen van de Dudokdreef te Barendrecht is een gebied gelegen waarvoor het voornemen bestaat om acht woningen te ontwikkelen. In de huidige situatie kent het gebied een maatschappelijke bestemming. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’ is deze ontwikkeling niet mogelijk. Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van deze woningen mogelijk. 1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied, waar de ontwikkeling plaats zal vinden, is gelegen in het oostelijk woongebied van Barendrecht. Het plangebied ligt op het perceel achter de bestaande woning aan de Voordijk 276. Deze woning blijft in de toekomstige situatie behouden. In het zuiden, westen en noorden wordt het plangebied begrensd door de perceelsgrenzen van bestaande woningen. Aan de oostzijde van het plangebied ligt de Dudokdreef. Het toekomstige plangebied zal zich oriënteren op deze Dudokdreef. Aan drie zijdes wordt het plangebied omkaderd door bestaande woningbouw, water en groen. In afbeelding 1.1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 1.1: ligging plangebied.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
2
1.3
Voorgaande bestemmingsplannen
Ter plaatse van het plangebied vigeert, tot op het moment dat het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’. Dit bestemmingsplan is op 27 mei 2014 door de gemeenteraad van de gemeente Barendrecht vastgesteld. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 1.2: uitsnede vigerend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied.
In de huidige situatie kent het plangebied de bestemmingen ‘Maatschappelijk’, ‘Tuin’ en ‘Water’. Daarnaast ken het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 3’. Binnen de bestemmingen ‘Maatschappelijk’, ‘Tuin’ en ‘Water’ is de ontwikkeling van woningen niet toegestaan. Daarmee is de ontwikkeling in functioneel opzicht strijdig. In de vigerende situatie is in het zuidelijk deel van het plangebied één bouwvlak opgenomen. De woningen zijn vrijwel volledig buiten dit bouwvlak geprojecteerd. Hierdoor bestaat ook in ruimtelijk opzicht strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan. Om voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
3
1.4
Leeswijzer
Na de inleiding volgt in hoofdstuk 2 een korte omschrijving van het plangebied en de ontwikkelingen. Hoofdstuk 3 behandelt de beleidskaders die relevant zijn voor de ontwikkeling. Daarna volgen de planologisch relevante aspecten, zoals natuur en ecologie in hoofdstuk 4, water in hoofdstuk 5, parkeren en verkeer in hoofdstuk 6, archeologie en cultuurhistorie in hoofdstuk 7 en de milieuaspecten in hoofdstuk 8. In hoofdstuk 9 wordt de uitvoerbaarheid van het plan besproken. In hoofdstuk 10 wordt een juridische toelichting gegeven op het bestemmingsplan en tot slot wordt de procedure omschreven in hoofdstuk 11.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
4
2
Planbeschrijving
2.1
Bestaande situatie
Het plangebied kent in de huidige situatie een maatschappelijke functie. In het plangebied is een paardenbak aanwezig in het midden van het perceel. Op het perceel zijn daarnaast een zestal bouwwerken aanwezig. In afbeelding 2.1 is de huidige situatie in het plangebied weergegeven.
Afbeelding 2.1: plangebied in bestaande situatie.
In het zuiden van het plangebied staat een grote schuur. Deze schuur doet deels dienst als opslag. In het oostelijk deel van het plangebied is een drietal bouwwerken ten behoeve van opslag aanwezig. In het noordelijk van het plangebied staat een bungalowwoning. Ten zuiden van deze bungalow is ten slotte een carport, behorend bij deze woning, aanwezig. Het plangebied wordt aan vrijwel alle zijden door water omrand. Aangrenzend aan deze watergang zijn verschillende privétuinen gelegen van de aangrenzende woningen, en aan de Dudokdreef is sprake van openbaar groen. Alleen in het zuidelijk deel van het plangebied is geen sprake van een groene of blauwe afscheiding. 2.2
Ontwikkelingen
Voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van acht woningen. In afbeelding 2.2 is de stedenbouwkundige verkaveling weergegeven. De exacte situering van de woningen ligt nog niet definitief vast. Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
5
Afbeelding 2.2: stedenbouwkundige verkaveling toekomstige situatie (variant dempen watergang, september 2020).
Van deze woningen worden er waarschijnlijk zes uitgevoerd als twee-onder-een-kapwoning en de andere twee woningen worden waarschijnlijk ontwikkeld als vrijstaande eenheid. De woningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap. De woningen worden ontsloten middels een nieuw aan te leggen weg die aansluit op de Dudokdreef. In het openbaar gebied is voorzien in de realisatie van zes parkeerplaatsen. Naast de openbare parkeerplaatsen is ook voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
6
De bestaande watergang langs de west- en noordgrens van het plangebied wordt gedempt. Deze gronden worden betrokken bij de tuinen van de omliggende percelen. Daaraan grenzend zal een groenstrook worden aangelegd, die zal functioneren als afscheiding tussen de bestaande en nieuwe woningen. Ruimtelijke inpassing De ontwikkeling van acht nieuwe woningen sluit aan bij de bestaande functie en bebouwing van het omliggende gebied. Het plangebied ligt binnen een overwegend woongebied. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt als het ware de woonbebouwing aan de west- en oostzijde van het plangebied verder doorgetrokken. De nieuwe woningen sluiten qua bebouwingstypologie aan bij de directe omgeving, waar ook verschillende vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen gelegen zijn. In het ontwerp van de woningen wordt tevens zorg gedragen voor een goede stedenbouwkundige inpassing.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
7
3
Ruimtelijke ordening
3.1
Kader
3.1.1 Nationaal beleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. De structuurvisie geeft een integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het Rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste Rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het Rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden.
In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. (Samenwerkende) gemeenten zorgen voor (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering die past binnen de provinciale kaders. Ook zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningbouwprogramma’s. Ter versterking van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s rondom de main-, brain- en greenports geldt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak. In krimpregio’s wordt het interbestuurlijke programma bevolkingsdaling doorgezet. In het SVIR worden geen specifiek uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds wordt het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 inwerking getreden.
Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster,
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
8
de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Ter bescherming van deze belangen zijn reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones opgenomen. In het besluit is aangegeven op welke wijze bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien geldende bestemmingsplannen niet voldoen aan het Barro dan moeten deze binnen drie jaar na inwerkintreding van het besluit zijn aangepast. Bij besluit van 28 augustus 2012 (inwerking getreden op 1 oktober 2012) is het Barro aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen hoofdinfrastructuur (reserveringen voor hoofdwegen en landelijke spoorwegen en vrijwaring rond Rijksvaarwegen), de elektriciteitsvoorziening, het regime van de herijkte ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied). In het Barro worden geen specifiek uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee en drie Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd.
De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De voorgenomen ontwikkeling maakte de realisatie van maximaal acht woningen mogelijk. Gelet op de kleinschaligheid van voorliggende ontwikkeling is geen sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Om deze reden hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.2 Provinciaal beleid Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.
Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
9
Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Ad. 1 Ruimtelijke hoofdstructuur
Ad. 2 Omgevingsbeleid: ambities en sturing De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. Naar een klimaatbestendige delta 2. Naar een nieuwe economie: the next level 3. Naar een levendige meerkernige metropool 4. Energievernieuwing 5. Best bereikbare provincie 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Ad. 3 Omgevingskwaliteit
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
10
Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De Omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Het plangebied is opgenomen in twee van de vier kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is projectgebied aangeduid als ‘Rivierdeltacomplex – jonge zeeklei’. Ontwikkelingen in het gebied ‘jonge zeeklei’ dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een verslechtering hiervan. Daarnaast is het plangebied in de laag van de stedelijke occupatie aangeduid als ‘Steden en dorpen’. Ontwikkeling in het gebied dienen bij te dragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp en de versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Voorgenomen ontwikkeling wordt ingepast in de structuren en karakteristieken van de omgeving. Er is sprake van een nadere invulling van een gebied met hoofdzakelijk een woonfunctie.
Qua verkaveling en bebouwingstypologie wordt aangesloten bij de bestaande bebouwing in de omgeving. Daarnaast wordt een stedelijke groenstructuur en goede aansluiting op de omliggende percelen tot stand gebracht door het opnemen van een groene strook rondom het plangebied. De ontwikkeling is hiermee in lijn met de provinciale kwaliteitskaart. Ad. 4 Beleidskeuzes De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. Hieronder zijn de voor het plangebied relevante opgaven uiteengezet. Gezondheid en veiligheid
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
11
Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder. Ruimte en verstedelijking Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Wonen Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijk leefomgeving, aansluitend op de behoefte van verschillende doelgroepen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een gezonde en veilige leefomgeving. De diverse relevante milieuaspecten worden in hoofdstuk 8 verder uiteengezet en afgewogen. De ontwikkeling van woningen, op onderbenutte gronden, draagt bij een de versterking van een compact en kwalitatief bebouwd gebied. Omdat de gronden momenteel niet optimaal gebruikt worden is in de nieuwe situatie sprake van zorgvuldiger ruimtegebruik, waarmee tevens wordt bijgedragen aan de woningbouwopgave die de regio kent. Voorgenomen ontwikkeling draagt dus bij aan de provinciale opgaven. Programma ruimte Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering.
Het document is toegespitst op de thema’s Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. In het programma ruimte is het plangebied aangeduid als ‘stedelijke ontwikkeling’. Op basis van de het programma dient voor bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling een toelichting op de ladder voor duurzame verstedelijking worden gegeven. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking is in paragraaf 3.1.1 reeds aandacht besteed. 3.1.3 Gemeentelijk beleid Strategische visie ‘Samen Bouwen aan Barendrecht’ In 2008 is een duidelijke koers bepaald voor de gemeente, neergelegd in “Barendrecht investeert in ontmoeting”, visie op Barendrecht 2025. In de tijd tussen 2008 en 2017 is veel veranderd en verschillende ontwikkelingen maakten het nodig om opnieuw het gesprek aan te gaan over de toekomst van Barendrecht. Naar aanleiding hiervan is begin 2018 de strategische visie ‘Samen Bouwen aan Barendrecht’ vastgesteld. Door middel van deze visie maakt de gemeente de kansen en ontwikkelingen inzichtelijk waar de gemeente de komende jaren mee te maken krijgt. De visie is een leidraad en het toetsingskader voor alle gemeentelijke beleidsterreinen. Daarnaast geeft de visie een politiek draagvlak voor te maken beleidskeuzes in de toekomst. Ten slotte geeft de visie een duidelijke koers aan voor de bestuurlijke en ambtelijke organisatie.
Het is een levend document en is niet
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
12
uitputtend. De visie kan richting geven aan het nieuwe coalitieakkoord. De strategische visie vormt bovendien input voor de omgevingsvisie, die de komende tijd zal worden opgesteld. Voor wat betreft het thema ‘Wonen’ wordt in de strategische visie ingezet op de onderwerpen duurzaamheid (bewust gebruik van energie), groen en recreatie (mooie veilige wijken) en wonen (woningen voor iedereen). Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de verdichting van het bestaand stedelijk gebied. Het achterfgebied van een bestaande woning wordt getransformeerd van maatschappelijke functie tot woongebied met plaats voor acht woningen. Hiermee wordt aangesloten bij de gedachte uit de visie om in een stedelijk gebied waar ruimte schaars is in te zetten op woningbouw op kleinschalige binnenstedelijke locaties. Daarnaast is aandacht voor de ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing van de woningen en wordt zoveel mogelijk groen behouden. Daarmee sluit de ontwikkeling aan bij de bebouwing in de omgeving en het dorpse karakter van de gemeente. Woonvisie Barendrecht 2016-2025 In navolging van de Woonvisie 2006 tot en met 2015 en de Herijking woonvisie 2010 is de Woonvisie 2016 tot en met 2025 opgesteld. In de afgelopen periode is er veel gebeurd op het gebied van wonen.
De kredietcrisis en de daarop volgende crisis op de woningmarkt, waarvan het eind inmiddels in zicht lijkt te komen, stonden daarin centraal. Verder is de positie van woningcorporaties veranderd voor wat betreft hun kerntaken en financiële mogelijkheden. Ook de decentralisatie van rijksoverheidstaken naar gemeenten heeft gevolgen en komt hier met name tot uiting in de scheiding van wonen en zorg. Tot slot komen de bouwgrenzen van Barendrecht langzamerhand in zicht waardoor een verschuiving plaatsvindt van het bouwen op grootschalige uitbreidingslocaties naar het bouwen op kleinschaligere binnenstedelijke locaties en het aanpassen van de bestaande woningvoorraad. Duurzaamheid staat hierbij centraal. De wens om op een duurzame wijze alle Barendrechters in alle levensfasen een kwalitatief goede en financieel passende woning te bieden, resulteert in een woonopgave naar prijs en kwaliteit. Bij het realiseren van balans tussen vraag en aanbod zijn het lokale beleid, waarin duurzaamheid de groene draad vormt, en de subregionale samenwerkingsafspraken de uitgangspunten. Met enerzijds een dynamische vraag vanuit de bevolking en anderzijds een overwegend statisch aanbod van de woningvoorraad is het verkrijgen van balans een uitdaging. Daarnaast blijft er, zelfs als er geen sprake is van kwantitatieve schaarste, altijd sprake van kwalitatieve schaarste.
Barendrecht is een aantrekkelijke gemeente met een suburbaan woonmilieu. De gemeente is gebaat bij een goed functionerende subregio Zuidrand. Dit betekent dat Barendrecht rekening houdt met de subregionale afspraak om de concurrentiepositie ten opzichte van Rotterdam Zuid te minimaliseren door vooral in te spelen op de vraag van de lokale bevolking. Concreet leidt dit tot de inzet op het minimaal behouden van de 22% sociale woningvoorraad, het realiseren van circa 1.300 nieuwbouwwoningen tot 2025 en het bouwen binnen het suburbane woonmilieu. Binnen de subregio ontleent Barendrecht haar kwaliteit aan het suburbane woonmilieu. De gemeente zet voor een groot deel in op een suburbaan grondgebonden woonmilieu (vooral
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
13
eengezinswoningen), en een suburbaan exclusief woonmilieu (vrijstaande en twee-onder-eenkapwoningen) op locaties waar daarvoor de potentie aanwezig is. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in binnenstedelijke herstructurering, waarbij acht vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen worden gerealiseerd. Hierbij wordt in stedenbouwkundig opzicht aangesloten bij de bestaande woningbouw in de omgeving. Er is zodoende potentie voor de realisatie van een exclusief suburbaan woonmilieu op de locatie, waarmee een kwalitatieve bijdrage wordt geleverd aan de woonopgave uit de Woonvisie Barendrecht. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de woningbehoefte in het duurdere segment, wat veruit de grootste doelgroep in de gemeente betreft. Indirect levert het ook een bijdrage aan de woningopgave voor het goedkope en middeldure segment, waarin via de verhuisketen woningen beschikbaar komen. Uitvoeringsprogramma duurzaam energiebeleid Als nadere uitwerking van het Schetsplan Duurzaam Energiebeleid is het Uitvoeringsprogramma Energiebeleid Barendrecht opgesteld. Het duurzaam energiebeleid heeft vier pijlers of aandachtsgebieden, te weten: 40% energie besparen, 60% duurzame warmte inzetten, 60% duurzame stroom opwekken, en mobiliteit op basis van een 100% duurzame brandstof mix in 2030.
Om dit te realiseren is een aantal activiteiten en projecten benoemd, toegespitst op de verschillende sectoren in de samenleving. Het college heeft de gemeenteraad geadviseerd dit Schetsplan nader uit te werken en de projecten nader te specificeren. Dat is gedaan in dit Uitvoeringsprogramma Duurzaam Energiebeleid, wat kan worden beschouwd als een plan van aanpak voor de komende jaren. Hierbij is de nodige flexibiliteit ingebouwd voor fasering en prioritering van activiteiten en technologisch oplossingen. Visiedocument Klimaatopgave Barendrecht In de afgelopen decennia is steeds duidelijker geworden dat menselijke activiteiten invloed hebben op ons klimaat. Het klimaat verandert wat blijkt uit diverse wetenschappelijke onderzoeken. Ondanks het feit dat het klimaat in het verleden ook schommelingen kende is de afwijking die nu ontstaan is niet meer toe te schrijven aan “natuurlijke” schommelingen. De Klimaatopgave Barendrecht geeft nadrukkelijk de lokale inzet weer op deze grote opgave waarmee bijgedragen wordt aan de regionale, landelijke en internationale doelstellingen. Kort samengevat is het doel van het visiedocument: • Het behouden en versterken van een goede en gezonde leefomgeving • Comfortabel kunnen blijven wonen, werken en recreëren • De kosten voor energie, in welke vorm ook blijven voor een ieder betaalbaar.
Op basis van het vastgestelde visiedocument wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld waarbij bij de uitwerking van de visiepunten per onderwerp wordt aangegeven wat de specifieke planning wordt en wat dit aan menskracht en middelen vraagt. In 2030 zijn er geen woningen meer met energielabel E en F. In 2050 heeft onze woningvoorraad gemiddeld een energielabel B met als minimum label C.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
14
De nieuwe woningen worden zonder gasaansluiting gerealiseerd. Daarnaast worden de nieuwe woningen gebouwd conform de duurzaamheidseisen zoals vastgesteld in het Bouwbesluit. 3.2
Conclusies
Het hiervoor opgesomde beleid verzet zich niet tegen de voorgenomen ontwikkeling van de woningen.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
15
4
Natuur en ecologie
4.1
Kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
16
Gebiedsbescherming Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). 4.2
Onderzoek
Soortenbescherming Door Blom Ecologie B.V. is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 1. Uit dit onderzoek blijkt dat de te slopen bebouwing geen essentiële betekenis voor beschermde soorten heeft. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het bovendien de ambitie om natuurinclusief te bouwen. Zo wordt een groenstrook aangelegd die geschikt is voor diverse flora en fauna. Daarnaast is het voornemen op de te realiseren bebouwing zaken als vleermuiskasten en gierzwaluwkasten aan te brengen, om het gebied voor deze soorten geschikt te maken.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland en ligt ver verwijderd van een Strategische Reservering Natuur of Belangrijk Weidevogelgebied.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
17
Het plangebied ligt buiten beschermde Natura 2000-gebieden. De directe effecten op deze beschermde gebieden in het kader van voorgenomen ontwikkeling zijn dan ook op voorhand uit te sluiten. Om de externe effecten van de ontwikkeling op de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is door KuiperCompagnons een stikstofdepositie-onderzoek verricht. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 7. In deze notitie is de aanleg- en gebruiksfase van de nieuwe woningen beoordeeld, met behulp van het rekenmodel AERIUS 2020. Beoordeeld is of sprake is van een waarneembare stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat significante negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. 4.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling van woningen aan de Dudokdreef te Barendrecht leidt, mits de juiste maatregelen worden getroffen ten aanzien van de zorgplicht, vleermuizen en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. Dit vereiste is ook verwerkt als voorwaardelijke verplichting in de regels. Voorgenomen ontwikkeling leidt ook niet tot significante negatieve effecten binnen Natura 2000gebieden.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
18
5
Water
5.1
Kader
Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet. Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast.
Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit is Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water.
Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
19
Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig. Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan 2016-2021, Waterschap Hollandse Delta In het Waterbeheerplan 2016-2021 (d.d. 26 november 2015) staat hoe het Waterschap Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Het nieuwe Waterbeheerprogramma van waterschap Hollandse Delta bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode 2016-2021. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren en gaat op hoofdlijnen in op de financiële consequenties daarvan. In het statisch deel komen de belangrijkste externe en interne (beleids-)kaders waarbinnen het Waterbeheerprogramma is opgesteld aan bod.
Deze kaders zijn overigens continu in beweging; zo zijn vanuit het Deltaprogramma onlangs de deltabeslissingen uitgebracht en is de nieuwe Omgevingswet in aantocht. In het dynamisch deel van het Waterbeheerprogramma zijn per thema maatregeltabellen uitgewerkt. Deze maatregelen zijn nodig om de doelen die in het statisch deel zijn geformuleerd te kunnen bereiken. De maatregeltabellen hebben het karakter van een ‘groslijst’ die jaarlijks uitwerking behoeft. Bij deze jaarlijkse uitwerking kunnen, mits het bereiken van de doelen niet in gevaar komt, maatregelen worden geschrapt of worden vervangen door andere maatregelen. Desgewenst kunnen ook nieuwe maatregelen worden toegevoegd. De (jaarlijkse) uitwerking van het maatregelenprogramma verloopt via de Kadernota, de Programmabegroting en de jaarplannen/afdelingsplannen. Op die wijze worden ook de financiële consequenties van het Waterbeheerprogramma geborgd. Gemeentelijk beleid Gemeentelijk waterplan Komen tot een goed, veilig, beheersbaar en aantrekkelijk watersysteem met gezond water en gevarieerde oevers, dat op de gewenste gebruiksfuncties is afgestemd’ is de doelstelling van het Waterplan Barendrecht. Het gemeentelijke waterplan is vastgesteld op 1 oktober 2004. In het Waterplan worden aan de hand van vier thema’s de doelstellingen en streefbeelden van het waterschap beschreven.
Ook wordt een maatregelenpakket aan de hand van een aantal knelpunten gegeven. De thema’s betreffen: • voorkomen van wateroverlast; • verbeteren van waterkwaliteit en ecologie; • verbeteren belevingswaarde. 5.2
Onderzoek
Ontwikkelingen dienen rekening te houden met de in deze waterparagraaf genoemde eisen en uitgangspunten. In deze waterparagraaf wordt naast de beschrijving van de waterstaatkundige
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
20
situatie en kenmerken bepaald wat de invloed is van de uitvoering van de ontwikkeling op de waterhuishouding. Huidige situatie Het plangebied kent een omvang van circa 4834 m2. In het plangebied is in de huidige situatie bebouwing aanwezig. Aan de randen van het plangebied is water aanwezig. Een deel van het plangebied is verhard, in de vorm van bouwwerken en bestrating. De huidige situatie op het gebied van verharding is bepaald middels een meting, zie bijlage 2.
Inrichting Water Bouwwerken Bestrating Overig Totaal
Oppervlakte Onverhard oppervlak Verhard oppervlak 410 410 0 1213 0 1213 771 0 771 2481 2481 0 4875 2891 1984
Tabel 5.1: huidige situatie verharding in plangebied.
In het plangebied is oppervlaktewater gelegen (zie afbeelding 5.1). De watergangen binnen en aangrenzend aan het plangebied betreffen secundaire watergangen. De ‘blauwe’ watergangen zijn in het beheer bij de waterschap. De ‘oranje’ watergangen zijn in beheer bij de gemeente.
Afbeelding 5.1: Uitsnede leggerkaart waterschap Hollandse Delta. Het plangebied is rood omkaderd.
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Het plangebied is niet gelegen in een gebied met een overstromingsrisico.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
21
Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is voorzien in de realisatie van acht woningen. Bij elk van deze woningen is voorzien in de realisatie van zowel een voor- als achtertuin. Om de woningen te kunnen ontsluiten, wordt een nieuwe erftoegangsweg gerealiseerd. De benodigde parkeeropgave wordt deels op eigen terrein gerealiseerd en is deels voorzien in parkeervoorzieningen in het openbaar gebied. De bestaande watergangen langs de rand van het plangebied worden gedempt, en vervangen door een groenstrook.
Dit is in lijn met het advies van het waterschap Hollandse Delta, om het oppervlaktewaterlichaam niet te verbreden maar te dempen vanwege de matige kwaliteit en problematisch onderhoud. Compensatie zal elders in het peilgebied worden gerealiseerd (zie ook hierna). Waterkwantiteit Omdat de geschetste verkaveling geen exact eindbeeld is, wordt voor de berekening van het toekomstige verharde oppervlak gebruikt gemaakt van de opgelegde bestemmingen en wordt per bestemming een inschatting gemaakt voor het verharde percentage. Dit heeft geleid tot de berekening in tabel 5.2. Bestemming Oppervlakte Percentage verharding Onverhard oppervlak Verhard oppervlak Tuin 993 50 496,5 496,5 Verkeer - Verblijfsgebied 737 100 0 737 Water 0 0 0 0 Wonen 2490 75 622,5 1867,5 Groen 655 0 655 0 Totaal 4875 1119 3101 Tabel 5.2: toekomstige situatie verharding in plangebied.
Uit tabel 5.3 is op te maken dat het verhard oppervlakte toeneemt met circa 1117 m2. Vanuit het waterschap Hollandse Delta geldt een compensatieregel van 10% van de toename van het verhard oppervlak. Dit leidt tot een benodigde waterberging van 111,7 m2.
Verhard oppervlak huidige situatie Verhard oppervlak toekomstige situatie Toename verhard oppervlak Compensatieregel Benodigde compensatie
1984 3101 1117 0,1 111,7
Tabel 5.3: verschil in verharding en benodigde watercompensatie.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
22
Zoals gezegd wordt het oppervlaktewaterlichaam langs de randen van het plangebied gedempt. Dit zal geheel worden gecompenseerd, bovenop de hierboven berekende compensatie als gevolg van de toename van het verhard oppervlak. Om de benodigde watercompensatie te kunnen realiseren wordt elders binnen het peilgebied extra oppervlaktewater toegevoegd. Hiervoor zijn twee locaties gevonden waar bestaande waterlichamen worden uitgebreid, nabij en ten westen van het plangebied (zie bijlage 10). Hiermee wordt 415 m2 plus 135 m2 aan extra water gerealiseerd, waarmee wordt voorzien in compensatie voor demping van de watergang en de toename verhard oppervlak. Riolering Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool (droogweerafvoer - DWA). Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt, moet als dat mogelijk is worden afgekoppeld van het DWA en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Indien nieuwe wateren worden gerealiseerd en/of oevers van bestaande wateren worden vergraven, verdient het aanbeveling flauwe, natuurvriendelijke oevers te creëren.
Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het bestaande oppervlaktewaterlichaam is van matige kwaliteit. Het betreft een beperkt doorstromende watergang, waar soms sprake is van stank- en ongedierteoverlast. Bovendien is uitvoering van onderhoud er problematisch. In lijn met het advies van het waterschap, wordt het waterlichaam in de toekomstige situatie gedempt. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het waterschap Hollandse Delta.
Het waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met de afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Het onderhoud van de bestaande watergang is problematisch, omdat de percelen direct grenzen aan het waterlichaam. Onderhoud is daardoor niet machinaal vanaf de kant uit te voeren. Dit zorgt in de huidige situatie voor overlast. Om dit in de toekomst te vermijden wordt, in overleg en afstemming met het waterschap, de watergang gedempt.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
23
5.3
Conclusie
Het aspect water vormt, indien voorzien wordt in de benodigde watercompensatie, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
24
6
Parkeren en Verkeer
Verkeersgeneratie en -afwikkeling Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling die met dit plan wordt gefaciliteerd, is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. De kencijfers die gegeven zijn in de CROW-publicatie geven een minimaal en een maximaal kencijfer weer. Bij onderstaande berekeningen wordt uitgegaan van een gemiddelde van deze twee cijfers. Het plan voorziet in de realisatie van vijf vrijstaande woningen en vier twee-onder-eenkapwoningen. Op grond van de CROW-richtlijnen geldt voor vrijstaande woningen een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 motorvoertuigbewegingen per woning1. Voor twee-onder-eenkapwoningen geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 motorvoertuigbewegingen per woning1. Gelet hierop leidt de totale ontwikkeling tot 63 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag. Het verkeer wordt in de toekomstige situatie via de Dudokdreef afgewikkeld. Afgaande op de weginrichting van de Dudokdreef en de omliggende wegen is geconcludeerd dat deze wegen over voldoende capaciteit beschikken om deze toename, als gevolg van de ontwikkeling, te verwerken. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een onacceptabele verkeerstoename.
Ook als uiteindelijk wordt gekozen voor een andere verdeling tussen vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen zal dit niet voor grote verschillen (of een gewijzigde conclusie) zorgen. Parkeren Om inzicht te bieden in de parkeerbehoefte is ook gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De kencijfers die gegeven zijn in de CROW-publicatie geven een minimaal en een maximaal kencijfer weer. Bij onderstaande berekeningen wordt uitgegaan van een gemiddelde van deze twee cijfers. Op grond van de CROW-richtlijnen geldt voor vrijstaande woningen een gemiddelde parkeerbehoefte van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Voor de twee-onder-een-kapwoningen geldt een gemiddelde parkeerbehoefte van 2,1 parkeerplaatsen per woning 1. Gelet hierop leidt de totale ontwikkeling tot een behoefte aan 17 parkeerplaatsen. In de openbare ruimte wordt voorzien in 6 parkeerplaatsen. De aanleg en instandhouding hiervan is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Daarnaast is bij elke woning voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein. Bij 7 woningen is voorzien in een dubbele oprit met garage. Bij één woning is sprake van een garage met enkele oprit. Dit leidt tot het volgende aantal parkeerplaatsen op eigen terrein:
1 Uitgaande van een locatie in de rest van de bebouwde kom, in matig stedelijk gebied.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
25
Parkeervoorziening Garage met enkele oprit Garage met dubbele oprit Totaal
Aantal 1 7 8
Berekeningsaantal 1,0 1,8
Totaal 1 12,6 13,6
Naast de 6 parkeerplaatsen in de openbare ruimte is op eigen terrein zodoende voorzien in 13,6 parkeerplaatsen. In totaal worden daarmee dus 19,6 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt voorzien in het benodigd aantal parkeerplaatsen en bestaan geen belemmeringen op het gebied van parkeren. Op basis van de flexibele bestemmingsregeling is ook een andere verdeling van het aantal vrijstaande woningen en tweekappers mogelijk. Om bij elke denkbare verdeling te voorzien in (de aanleg en instandhouding van) voldoende parkeergelegenheid is in de algemene gebruiksregels opgenomen dat het aantal parkeervoorzieningen in overeenstemming moet zijn met de geldende gemeentelijke nota parkeernormen. Deze is weer gebaseerd op de normen uit de CROWpublicatie.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
26
7
Archeologie en cultuurhistorie
7.1
Archeologie
7.1.1 Kader Erfgoedwet In de Erfgoedwet van 1 juli 2016 is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten 7.1.2 Onderzoek Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Barendrecht blijkt dat het plangebied een redelijk hoge archeologische verwachting kent, zie afbeelding 7.1. De archeologische waarden zijn in het plangebied dieper dan 80 cm beneden het maaiveld te verwachten. Het voorliggend bouwplan is voorgelegd aan de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) om de noodzaak voor het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek te bepalen. In bijlage 3 is het advies van de afdeling opgenomen.
De afdeling ziet naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden tot archeologisch vooronderzoek omdat reeds uitgevoerde onderzoeken in de directe nabijheid van het plangebied hebben aangetoond dat binnen het plangebied een lage archeologische verwachting geldt voor de eventuele archeologische waarden. Rivierduinen en stroomgordelafzettingen zijn in het plangebied niet aanwezig. De aanwezige Afzettingen van Calais wijzen op een ligging in een komgebied. Daarnaast is gebleken dat de top van het Hollandveen geërodeerd is tijdens overstroming van de Riederwaard (de top van het Hollandveen bevindt zich in de directe omgeving op 2,5 tot 3,5 m mv). Alleen heipalen zullen verstorend zijn. Maar door de combinatie van een te verwachte extensief palenplan bij dergelijke huizen met een lage archeologische verwachting, wordt een onderzoek op de planlocatie niet noodzakelijk geacht.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
27
Afbeelding 7.1.: uitsnede archeologische beleidskaart.
7.1.3 Conclusie Met voorgenomen ontwikkeling worden geen archeologische waarden geschaad. 7.2
Cultuurhistorie
7.2.1 Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ (juni 2011) In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
28
verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. 7.2.2 Onderzoek Uit de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied en de directe omgeving geen belangrijke cultuurhistorische waarden en kenmerken bezit. Daarnaast zijn in of in de directe omgeving van het plangebied geen monumenten gelegen. 7.2.3 Conclusie Met voorgenomen ontwikkeling worden geen cultuurhistorische waarden geschaad.
Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021
29
8
Milieu
Algemeen In dit hoofdstuk worden de milieukundige (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen. 8.1