CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Beschikking Wet natuurbescherming Omgevingsdienst Haaglanden.pdf

commissie Ruimte 17 september 2024, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Zuidpolder fase 2 (adviserend)7.471 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bezoekadres Zuid-Hollandplein 1 2596 AW Den Haag

Zaaknummer Ons Kenmerk Datum

: : :

01041336 ODH807409 15-08-2024

Postadres Postbus 14060 2501 GB Den Haag (070) 21 899 02 vergunningen@odh.nl www.odh.nl

Beschikking Wet natuurbescherming - Soortenbescherming Onderwerp Op 23 augustus 2022 hebben wij een aanvraag om ontheffing geregistreerd als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, in samenhang met artikel 3.10, van de Wet natuurbescherming. De aanvraag heeft betrekking op het realiseren van woningbouw, aanleggen van watergangen, de aanleg van een recreatieve voorzieningen (fiets- en wandelpaden) en de aanleg van natuur op akkerpercelen ter hoogte van de Achterzeedijk 60 te Barendrecht en wordt aangevraagd namens GKB Realisatie B.V. De aanvraag heeft betrekking op het opzettelijk doden, opzettelijk verstoren, opzettelijk vernielen van eieren, alsmede het vernielen en beschadigen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de platte schijfhoren en het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de kleine wolfsmelk in zijn natuurlijke verspreidingsgebied. Ontheffing wordt gevraagd voor het overtreden van de verbodsbepalingen zoals genoemd in: -

artikel 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het opzettelijk doden en vangen van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus);

-

artikel 3.5, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus);

-

artikel 3.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het opzettelijk vernielen van eieren van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus);

-

artikel 3.5, vierde lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus).

-

artikel 3.6, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het anders dan voor verkoop onder zich hebben van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus) en kleine wolfsmelk (Euphorbia exigua)

-

artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet natuurbescherming voor wat voor het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de kleine wolfsmelk (Euphorbia exigua) in zijn natuurlijke verspreidingsgebied.

De ontheffing wordt aangevraagd voor de periode 15 augustus 2023 tot en met 1 januari 2029 Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht in de Aanvullingswet natuur Omgevingswet is de Wet natuurbescherming nog van toepassing op deze procedure.

Besluit Wij besluiten: I.

de aangevraagde ontheffing te verlenen aan GKB Realisatie B.V;

II.

voor het vangen van de platte schijfhoren de volgende vangmiddelen aan te wijzen als bedoeld in artikel 3.25, eerste lid, van de Wet natuurbescherming: fijnmazig schepnet met een maaswijdte van maximaal 3 millimeter;

III.

de in het vervolg van dit besluit opgenomen voorschriften te verbinden aan deze ontheffing;

IV.

de aanvraag en de aanvullende gegevens van 11 maart 2024 onderdeel te laten zijn van deze ontheffing;

V.

dat deze ontheffing geldig is vanaf bekendmaking van dit besluit tot en met 1 januari 2029.

Ondertekening Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen,

ing. L. Hopman Hoofd Toetsing & Vergunningverlening Milieu van de Omgevingsdienst Haaglanden Appendix 1. Appendix I maatregelen platte schijfhoren 2. Appendix II waarnemingen en monsterpunten platte schijfhoren 3. Appendix III waarnemingen en maatregelen kleine wolfsmelk

Rechtsmiddelen Voor de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden tegen deze beschikking wijzen wij op de desbetreffende tekst in het begeleidende schrijven. ODH807409

2 / 18

VOORSCHRIFTEN Algemene voorschriften 1 De ontheffinghouder dient: a. de start van de werkzaamheden te melden (startmelding); b. het ecologisch werkprotocol op te sturen bij de startmelding van de werkzaamheden; c. relevante wijzigingen in de uitvoering één week van tevoren te melden. Het betreft wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de effectbeoordeling van de aanvraag en/of de uitvoering van de voorgestelde mitigerende en/of compenserende maatregelen; d. de datum van beëindiging van de werkzaamheden uiterlijk één week van tevoren te melden. Bovenstaande meldingen dienen gericht te worden aan de Unit Groen, Bodem en Opsporing van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, Postbus 550, 3300 AN te Dordrecht, telefoonnummer 078-7708585, e-mailadres toezichtnatuur@ozhz.nl onder vermelding van ‘flora en fauna’. De meldingen mogen schriftelijk of digitaal worden gedaan. 2

De ontheffinghouder is ervoor verantwoordelijk dat zijn personeel of derden die betrokken zijn bij de uitvoering van het project, op de hoogte zijn van de voorschriften in deze ontheffing en de maatregelen in het rapport ‘Activiteitenplan Zuidpolder te Barendrecht Fase 2’ van 11 maart 2024. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld en op de locatie aanwezig te zijn. In het ecologisch werkprotocol dient in ieder geval het volgende te worden opgenomen: a. de voorwaarden zoals opgenomen in deze ontheffing; b. aanduiding van de locatie van het plangebied; c. de uit te voeren werkzaamheden; d. de periode waarin de werkzaamheden uitgevoerd worden; e. de mitigerende en compenserende maatregelen; f. de momenten waarop ecologische begeleiding ingeschakeld wordt; g. het logboek van de ecologische begeleiding dat door de deskundige wordt bijgehouden.

3

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een afschrift van deze ontheffing, het ecologisch werkprotocol inclusief het logboek van de ecologische begeleiding (i.c. controle, vrijgave werkzaamheden) op de locatie van de werkzaamheden aanwezig te zijn en op verzoek te worden getoond aan de daartoe bevoegde toezichthouders of opsporingsambtenaren. De genoemde documenten mogen, mits leesbaar, digitaal worden getoond.

4

De werkzaamheden dienen ecologisch begeleid te worden door een deskundige 1 op het gebied van de platte schijfhoren en kleine wolfsmelk.

1

Onder een deskundige wordt verstaan: Een ecologisch deskundige is iemand die ecologisch advies geeft of werkzaamheden begeleidt op het gebied van leefgebieden en/of (beschermde) soorten. Hij of zij heeft schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis, voortkomend uit of vergelijkbaar met een afgeronde mbo-, hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt Nederlandse ecologie. De ecologisch deskundige heeft voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek uit te kunnen voeren en advies te kunnen geven. Hij of zij: - (her)kent de functionaliteit van leefgebieden van (beschermde) soorten; - heeft kennis van de algemeen erkende onderzoeks- en monitoringsmethoden; - kan resultaten onderbouwd rapporteren en ecologische werkprotocollen uitwerken; - kan ontheffing aanvragen opstellen of daarbij ondersteunen; - kan anticiperen op en heeft voortschrijdend inzicht in het uitvoeren van ecologisch werk in de praktijk (inclusief vrijstellingen en gedragscodes); - kan specifieke ecologische maatregelen toepassen en begeleiden; - zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam bij Nederlandse natuurorganisaties, (semi)overheidsinstanties en/of een ecologisch adviesbureau dat bij voorkeur is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus. ODH807409 3 / 18

5

De ontheffinghouder dient, met inachtneming van de voorschriften in deze ontheffing, de maatregelen uit te voeren zoals beschreven in het rapport ‘Activiteitenplan Zuidpolder te Barendrecht Fase 2’ van 11 maart 2024 en de Beheerovereenkomst Kleine Wolfsmelk Zuidpolder fase 2, GKB, A-PLA-0001, van 11 maart 2024.

6

Indien een of meerdere in voorschrift 5 bedoelde maatregelen onverhoopt niet uitvoerbaar zijn, dienen hiervoor minimaal gelijkwaardige maatregelen voor wat betreft de functionaliteit en effectiviteit te worden getroffen.

7

Tijdig, uiterlijk één maand voordat de in voorschrift 6 bedoelde maatregelen worden uitgevoerd, dienen deze ter goedkeuring aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid te worden voorgelegd.

Specifieke voorschriften Platte schijfhoren 8

De ecologisch deskundige op het gebied van de platte schijfhoren dient te bepalen of de minimale temperatuur – ten behoeve van de activiteit van de platte schijfhoren – ten tijde van het verplaatsen van de (aquatische) vegetatie naar de nieuwe watergang(en), voldoende is om de werkzaamheden uit te voeren. Hiervan dient verslag te worden gedaan in het logboek.

9

De werkzaamheden dienen in onderstaande volgorde uitgevoerd te worden. Overige randvoorwaarden worden in de overige voorschriften beschreven. De hier beschreven volgorde dient ten aller tijden gevolgd te worden: I. zichtbare individuen dienen met een fijnmazig schepnet verwijderd te worden en dienen direct verplaatst te worden naar de nieuwe locatie; II. de ondergedoken water vegetatie dient met een schepnet verwijderd te worden en dient direct verplaats te worden naar de nieuwe locatie; III. riet en oevervegetatie dienen los gestoken te worden van de oever zodat deze in plaggen verplaatst kunnen worden naar de nieuwe locatie.

10 Voor het vangen van de platte schijfhoren dient gebruik worden gemaakt van een fijnmazig schepnet met een maaswijdte van maximaal 3 millimeter. 11 Het verplaatsen van de platte schijfhoren, de ondergedoken watervegetatie en de oevervegetatie met (potentieel) aanwezige individuen - dient door een deskundige op het gebied van deze soort te worden uitgevoerd. Hierbij dient minimaal rekening te worden gehouden met de volgende zaken: a te dempen watergangen worden voorafgaand aan de werkzaamheden afgesloten met een dam en daarmee geïsoleerd van de overige watergangen; b het verplaatsen van de platte schijfhoren dient te worden uitgevoerd onder voor de soort gunstige watercondities (temperatuur niet rond vriespunt) en zodra de watervegetatie zich voldoende heeft ontwikkeld maar nog niet afgestorven/ bezonken is (1 september tot 1 december), zulks ter bepaling van de ecologisch deskundige. Hiervan dient verslag te worden gedaan in het logboek; c bij het verplaatsen van de platte schijfhoren dient zoveel mogelijk geschikt watervegetatie met kluit, doch minimaal 50 procent, van de delen van watergangen die gedempt worden, mee te worden verplaatst naar de compenserende watergangen, buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden; d de waterbodem van de ontvangende watergang dient zo min mogelijk te worden beroerd.

ODH807409

4 / 18

12 De watergangen dienen. na de werkzaamheden geschikt worden gemaakt voor de platte schijfhoren. Nadat de watergangen na de werkzaamheden geschikt zijn gemaakt voor de platte schijfhoren, moeten deze watergangen in een geschikte staat te blijven. Hiervoor dient een beheerplan te worden opgesteld ter behoudens van een

geschikt waterpeil en vegetatiedekking, om het behoud van de lokale populatie van de platte schijfhoren te waarborgen. Binnen drie maanden na verlening van het besluit dient ter goedkeuring een concreet beheerplan van het aquatisch habitat van de platte schijfhoren en de oevers te worden overlegd aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (voorschrift 1) waaruit in ieder geval duidelijk blijkt: a dat het beheer gefaseerd wordt uitgevoerd; b hoe een gunstig waterpeil wordt gewaarborgd; c hoe het beheer wordt uitgevoerd, door wie en hoe dit is verzekerd; d welke aanvullende maatregelen worden getroffen indien blijkt dat het huidige beheerplan niet afdoende is om de populatie van de platte schijfhoren te kunnen waarborgen. Kleine wolfsmelk 13 Voorafgaand de werkzaamheden dient een nulmeting te worden uitgevoerd. Alle akkers dienen vlakdekkend onderzocht te worden op het voorkomen van kleine wolfsmelk. De aanwezig individuen dienen zichtbaar te worden gemarkeerd. De vergunninghouder dient er op toe te zien dat de gemarkeerde individuen zichtbaar te blijven tot het moment van translocatie. 14 De translocatie van de kleine wolfsmelk dient drieledig uitgevoerd te worden in de onderstaande volgorde: I. Zaden dienen gewonnen te worden van de gemarkeerde planten die reeds zaaddozen bevatten met rijpe zaden ten tijde van de translocatie.

De zaden worden uitgestrooid op de nieuwe akker waarna ze via het reguliere beheer (al dan niet door grondbewerking) de bodem kunnen penetreren of ondergewerkt worden; II. Individuen die nog geen volledige zaadrijping hebben dienen getransplanteerd te worden naar de ontvangstlocatie. Het volstaat om de bloeiwijzen van de te transplanteren planten af te snijden aan de basis en op de ontvangstlocatie in de bodem te steken. Indien nodig dient de bloeiwijze ondersteund te worden met houten stokjes zodat zaaddozen niet op de bodem terecht komen; III. Het substraat in een ruime zone rondom de aanwezige planten dient getransplanteerd te worden naar de ontvangstlocatie. i) Het afgraven en opbrengen van het substraat dient uitgevoerd te worden met een (kleine) kraan. Het substraat dient direct naar de ontvangstlocatie gebracht worden; ii) Het is niet toegestaan om grond op depot te zetten. 15 Voorafgaand aan het moment van transplantatie dient de ontvangende akker voorbereid te zijn op de ontvangt van de donorplanten. a Werkzaamheden zoals ploegen en roteren dienen uitgevoerd te worden voordat inzaai plaatsvindt; b De translocatie (drieledig, zie voorschrift 14) dient gesynchroniseerd te worden met het stadium van de vruchtwisseling op de ontvangende akker. 16 Van de translocatie en transplantatie dient verslag te worden te worden gedaan in de het logboek (voorschrift 2 en 3).

17 Voorwaarde voor het verlenen van onderhavige ontheffing is een geldige beheerovereenkomst tussen de gemeente Barendrecht en initiatiefnemer waarin het beheer van de nieuwe akker is vastgelegd, nadat translocatie en transplantatie van de kleine wolfsmelk heeft plaatsgevonden.

ODH807409

5 / 18

18 De effectiviteit van de translocatie en de nieuwe akker dient gemonitord te worden. Uit de monitoring moet blijken of de translocatie succesvol was en de nieuwe akker functioneert. De monitoring dient te worden uitgevoerd conform inventarisatie protocol van FLORON. Op de monitoring zijn de volgende voorwaarden van toepassing: a In het eerste en derde jaar, na de uitgevoerde translocatie, dient de nieuwe akker te worden geïnventariseerd op het voorkomen van de kleine wolfsmelk door een ecologisch deskundige (zie voorschrift 4). b Planten worden individueel ingemeten en genoteerd volgens het protocol ‘staat deze plant er nog’ van FLORON2; c De resultaten van de monitoring dienen jaarlijks voor 1 februari van het opvolgende jaar te worden aangeleverd bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (zie voorschrift 1).

In deze rapportage dienen tenminste te worden opgenomen: i) het ingevulde Excel sheet volgens protocol ‘staat deze plant er nog?’ van FLORON; ii) een heldere conclusie over de effectiviteit van het alternatieve en nieuwe essentiële leefgebied in het vervullen van elk van de functie; d Indien blijkt dat de translocatie en nieuwe akker niet is geslaagd of functioneert en dat dit aanwijsbaar is toe te schrijven aan het uitblijven van de functionaliteit dient een plan van aanpak te worden aangeleverd bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid met daarin een voorstel voor extra maatregelen en/of optimalisatie; e Indien de monitoringsresultaten hiertoe aanleiding geven, kunnen er aanvullende maatregelen worden opgelegd.

AANWIJZINGEN VOOR GEBRUIK - Op alle van nature in het wild levende planten en dieren en hun leefgebied geldt de specifieke zorgplicht zoals opgenomen in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Gelet op deze specifieke zorgplicht dient inzicht verkregen te worden met betrekking tot de aanwezigheid van soorten op de locatie van de activiteit. Hierbij geldt dat objectief vastgesteld moet worden of soorten negatieve gevolgen ondervinden van de voorgenomen activiteiten. Indien noodzakelijk moeten maatregelen getroffen worden om negatieve gevolgen zoveel als redelijkerwijs verwacht kan worden te voorkomen. Indien negatieve gevolgen redelijkerwijs niet te voorkomen zijn, dient de activiteit gestaakt te worden. - In het kader van de specifieke zorgplicht dient tevens rekening gehouden te worden met broedgevallen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient te worden voorkomen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. - Indien de ontheffinghouder de onderhoudsverplichting wenst over te dragen aan een derde, dan moet de ontheffinghouder zorgdragen voor het contractueel vastleggen daarvan.

2

Staat deze plant er nog? (floron.nl)

ODH807409

6 / 18

OVERWEGINGEN Aanleiding Op 23 augustus 2022 hebben wij een aanvraag om ontheffing geregistreerd als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, in samenhang met artikel 3.10, van de Wet natuurbescherming. De aanvraag heeft betrekking op het realiseren van woningbouw, aanleggen van watergangen, de aanleg van een recreatieve voorzieningen (fiets- en wandelpaden) en de aanleg van natuur op akkerpercelen ter hoogte van de Achterzeedijk 60 te Barendrecht en wordt aangevraagd namens GKB Realisatie B.V. De aanvraag heeft betrekking op het opzettelijk doden, opzettelijk verstoren, opzettelijk vernielen van eieren, alsmede het vernielen en beschadigen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de platte schijfhoren en het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de kleine wolfsmelk in zijn natuurlijke verspreidingsgebied. Ontheffing wordt gevraagd voor het overtreden van de verbodsbepalingen zoals genoemd in: -

artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb voor wat betreft het opzettelijk doden en vangen van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus);

-

artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus);

-

artikel 3.5, derde lid, van de Wnb voor wat betreft het opzettelijk vernielen van eieren van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus);

-

artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb voor wat betreft het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus).

-

artikel 3.6, tweede lid, van de Wnb voor wat betreft het anders dan voor verkoop onder zich hebben van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus) en kleine wolfsmelk (Euphorbia exigua)

-

artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wnb voor wat voor het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de kleine wolfsmelk (Euphorbia exigua) in zijn natuurlijke verspreidingsgebied.

De ontheffing wordt aangevraagd voor de periode 15 augustus tot en met 1 januari 2029 Bij de aanvraag zijn de volgende, voor dit besluit relevante, documenten toegevoegd: - Beheerovereenkomst Kleine Wolfsmelk Zuidpolder fase 2, GKB, A-PLA-0001, 11-03-2024 (ODH1091171); - Activiteitenplan Zuidpolder te Barendrecht fase 2, toelichting aanvraag ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming, ANL23-7843, 11-03-2024 (ODH1091169); - Flora- en faunaonderzoek Zuidpolder te Barendrecht, ANL22-6585.V2 (ODH808749); - Analyserapport grote modderkruiper en platte schijfhoren, Sylphium Molecular Ecology (ODH808748); - Soortgericht onderzoek platte schijfhoren en kleine wolfsmelk zuidpolder 2.1 oost ontmoet west fase 1 te Barendrecht, Van der Hel, ROBA20211131 (ODH808745); - Ecologische quickscan zuidpolder 2.1 oost ontmoet west fase 1 te Barendrecht, Van der Helm, ROBA20210996 (ODH808744); - Activiteitenplan Zuidpolder fase 2.1 te Barendrecht In het kader van de Wet natuurbescherming Versie 2, BsR, bSR-rapport 459 (ODH471561); - Herziening inrichtingsplan zuidpolder gemeente Barendrecht Definitief Ontwerp 16 april 2013 v2.6, Arcadis, C01041.000085 (ODH395987); - Gebiedsvisie Zuidpolder fase 2 te Barendrecht Definitieve versie v1.3 26-8-2021, Bureau Stroming, GKB, gemeente Barendrecht (ODH395979); - Bestemmingsplan Zuidpolder – toelichting, Adviesbureau RBOI, 148.13817.00 (ODH395978);

- Structuurvisie, Deel A: Visie, RBOI, 048900.15020.00 (ODH395976); ODH807409

7 / 18

-

Structuurvisie Kaart, RBOI (ODH395977); Kaart Fasering Zuidpolder, gemeente Barendrecht, ZP-15-09-A (ODH395975).

Procedure Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht in de Aanvullingswet natuur Omgevingswet is de Wet natuurbescherming nog van toepassing op deze procedure. Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 5.1 van de Wnb zijn toegepast op deze aanvraag. Verlenging Met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, van de Wnb hebben wij op 23 augustus 2022 de termijn voor de afhandeling van de aanvraag met zeven weken verlengd. Bevoegd gezag De activiteit wordt verricht binnen de provincie Zuid-Holland. Gelet op de bepalingen in artikel 1.3 van de Wnb zijn wij bevoegd gezag voor de beoordeling van de aanvraag.

Toetsingskader en grondslag beschikking De aanvraag is getoetst aan de artikelen 3.5, 3.8, 3.10, 3.24 en 3.25 van de Wnb en de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland. De platte schijfhoren is een van nature in Nederland in het wild levend dier genoemd in bijlage IV Habitatrichtlijn. De kleine wolfsmelk is een van nature in Nederland in het wild voorkomende plant genoemd in bijlage A bij de Wet natuurbescherming. Op grond van artikel 3.5 van de Wnb is het verboden: - de platte schijfhoren opzettelijk te doden of te vangen (eerste lid); - de platte schijfhoren opzettelijk te verstoren (tweede lid); - eieren van de platte schijfhoren opzettelijk te vernielen (derde lid); - voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de platte schijfhoren te beschadigen of te vernielen (vierde lid). Op grond van artikel 3.6 van de Wnb is het verboden: - het anders dan voor verkoop onder zich hebben van de platte schijfhoren (Anisus vorticulus) en kleine wolfsmelk (tweede lid). Op grond van artikel 3.10 van de Wnb is het verboden: - de kleine wolfsmelk opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen in zijn natuurlijke verspreidingsgebied (eerste lid, aanhef en onder c).

Op grond van artikel 3.8 van de Wnb wordt een ontheffing slechts verleend indien: - er geen andere bevredigende oplossing bestaat; - de ontheffing nodig is omdat één van de belangen genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wnb aan de orde is; en - er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

ODH807409

8 / 18

Op grond van het bepaalde in artikel 3.25, eerste lid, van de Wnb, moeten in een ontheffing expliciet de middelen worden aangewezen die voor het vangen van dieren mogen worden gebruikt.

Beoordeling Aanvraag In opdracht van de GKB Realisatie bv wordt in de Zuidpolder fase 2 van het natuur- en recreatiegebied uitgevoerd. Het betreft feitelijk de samenvoeging van twee projecten (fase 2 en fase 2.1) die vanaf nu aangeduid worden met Zuidpolder fase 2. De Zuidpolder ligt aan de oostkant van de A29 tussen de Kilweg en de Achterzeedijk. Er worden onder andere watergangen gedempt. Ter compensatie voor de platte schijfhoren worden elders in het plangebied watergangen en vijvers gegraven. Deze worden middels duikers met elkaar in verbinding gesteld. Voor recreatieve doeleinden worden er wandelpaden aangelegd. Als één van de laatste werkzaamheden wordt het geheel aangeplant. De initiatiefnemer heeft het voornemen de bebouwing, zijnde agrarische bebouwing in de zin van kassen en enkele schuren, te slopen en woningen voor privé, zorg en maatschappelijk te realiseren. Het plangebied bestaat nu uit agrarische percelen die lopen van de woningen aan de Achterzeedijk tot de Groote Duiker. Het gehele gebied behoort tot het plan Zuidpolder. Ter compensatie voor de kleine wolfsmelk wordt elders in het plangebied een natuurakker ingericht. Overtreding verbodsbepaling(en) Om te bepalen of sprake is van overtreding van de Wnb voor de platte schijfhoren heeft in 2021, 2022 en 2023 nader onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van de platte schijfhoren binnen het plangebied.

In 2021 zijn watergangen -zowel binnen als buiten het plangebied- bemonsterd (op zicht) en zijn waterplanten verzameld. De platte schijfhoren is aangetroffen in een watergang. In 2022 en 2023 zijn de watergangen aanvullend onderzocht middels eDNA-analyse. Hieruit blijkt dat elders binnen het plangebied geen platte schijfhoren aanwezig is. Waterplanten zijn verzameld en onderzocht op het voorkomen van de platte schijfhoren zoals eveneens beschreven in de inventarisatiemethode van Stichting Anemoon. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat de functies van het plangebied voor de platte schijfhoren in kaart zijn gebracht. Hiermee zijn wij van mening dat de onderzoeksinspanning voldoende is geweest. Om te bepalen of sprake is van overtreding van de Wnb voor de kleine wolfsmelk heeft in 2021 en 2022 nader onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van de kleine wolfsmelk binnen het plangebied. In het plangebied zijn akkers onderzocht op het voorkomen van de soort. Planten zijn individueel ingemeten met een gps. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat de functies van het plangebied voor de kleine wolfsmelk in kaart zijn gebracht. Hiermee zijn wij van mening dat de onderzoeksinspanning voldoende is geweest.

Voorgestelde maatregelen Om negatieve effecten van de werkzaamheden op de platte schijfhoren tot een minimum te beperken, worden maatregelen voorgesteld zoals beschreven in het ‘Activiteitenplan Zuidpolder te Barendrecht fase 2’ van 11 maart 2024. Deze maatregelen zien toe op het wegvangen van individuen van de platte schijfhoren indien aanwezig in de te dempen watergangen en het verplaatsen van deze individuen naar nabijgelegen watergangen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Met uitzondering van twee watergangen, aangegeven met een rode kleur (zie Appendix I), blijven de overige watergangen behouden. Voor deze watergangen wordt een concreet beheerplan opgesteld dat zich concreet richt op de platte schijfhoren. Door de werkzaamheden neemt het leefgebied weliswaar af, maar door het beheer -dat zich specifiek richt op de platte schijfhoren- neemt het overige leefgebied in kwaliteit toe. Hiermee wordt het leefgebied van de platte schijfhoren dat verloren gaat ruimschoots gecompenseerd. De werkzaamheden worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecologisch deskundige.

ODH807409

9 / 18

Om de negatieve effecten van de werkzaamheden op de kleine wolfsmelk tot een minimum te beperken worden maatregelen voorgesteld zoals beschreven in het ‘Activiteitenplan Zuidpolder te Barendrecht fase 2’ van 11 maart 2024. Deze maatregelen zien erop toe dat er drieledige translocatie plaatsvindt van de kleine wolfsmelk. In de huidige situatie zijn de planten aanwezig in de marges van een akker die in agrarische productie is. De translocatie vindt plaats naar een ander deel van de akker. De translocatie vindt dus enkel plaats binnen hetzelfde akkerperceel. Doordat in de nieuwe situatie specifiek akkerbeheer wordt toegepast, de akker beheert zal worden als natuur akker en planten niet meer beperkt zijn tot de akkerranden, neemt het geschikte oppervlak toe van 9000 m2 naar 15000 m2. Hiermee wordt de groeiplaats die verloren gaat ruimschoots gecompenseerd. De werkzaamheden worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecologisch deskundige met kennis van de kleine wolfsmelk. Geen andere bevredigende oplossing Voor beide soorten geldt dat er geen andere bevredigende oplossing in de tijd. De periode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd (september tot november), zijn voor translocatie van zowel platte schijfhoren als kleine wolfsmelk het meest gunstig.

Wanneer de werkzaamheden later het jaar starten betekend dat er meer potentiële slachtoffers vallen omdat dieren reeds in winterrust zijn. Planten zijn in deze periode niet meer bovengronds zichtbaar waardoor translocatie deels onmogelijk is. Vroeger in het jaar werkzaamheden uitvoeren betekend voor de platte schijfhoren dat de voortplantingsperiode begint, bezig is, of net voorbij is. Voor zowel volwassen als jonge dieren betreft dit de meest kwetsbare periode. Voor de kleine wolfsmelk geldt dat in het vroege voorjaar de soort nog niet bovengronds zichtbaar is en mogelijk planten worden gemist of het betekent dat translocatie plaatsvindt van kiemplanten. Voor de kleine wolfsmelk geldt dat translocatie gedurende de kiemfase, maar ook reproductieve fase (bloei) een kwetsbare periode is. Tot slot geldt voor de kleine wolfsmelk dat translocatie gedurende de reproductieve fase mogelijk impact heeft op de zaadzetting. Omdat de soort eenjarig is en zich elk jaar opnieuw dient uit te zaaien is enkel de periode in de herfst -wanneer zaadzetting plaatsvindt of heeft plaatsgevonden- de meest geschikte periode. Omwille van bovengenoemde redenen is er geen andere bevredigende oplossing in de tijd. Voor zowel de platte schijfhoren als de kleine wolfsmelk geldt dat er geen andere bevredigende oplossing is in de ruimte.

De reguliere en tamelijk intensieve landbouw zorgt ervoor dat uitspoeling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen plaatsvindt naar de watergang met platte schijfhoren. Op lange termijn zal de soort hierdoor verdwijnen als gevolg van deze invloeden. Voor de kleine wolfsmelk geldt dat de reguliere bedrijfsvoering nauwelijks ruimte biedt aan de soort om zich te ontwikkelen. Er wordt immers een bedrijfsvoering gevoerd die zich richt op agrarische productie. Het plangebied is voorafgaand aan de ontheffingsaanvraag een jaar lang niet bewerkt, wat ertoe heeft geleid dat de soort zich kon vestigen. Dat toont aan dat bij extensief akkerbeheer de soort zich wel kan ontwikkelen op een akkerperceel. Om de kleine wolfsmelk meer kansen te bieden dienen op hetzelfde akkerperceel maatregelen te worden getroffen om de soort te behouden. De voorgestelde ontwikkeling houdt rekening met het voorkomen van de kleine wolfsmelk en zorgt ervoor dat een deel van de akker ingericht wordt als natuurakker. Het beheer is specifiek gericht op instandhouding van kleine wolfsmelk. Om deze reden is het project locatie gebonden en is er geen andere bevredigende oplossing in de ruimte.

Wat betreft de werkzaamheden worden alle mogelijke mitigerende uitvoeringsmaatregelen getroffen om effecten op de platte schijfhoren en de kleine wolfsmelk te verminderen, hetgeen wordt opgenomen en geborgd in een ecologisch werkprotocol. Zo wordt er rekening gehouden met de kwetsbare perioden van de platte schijfhoren en de kleine wolfsmelk en worden er maatregelen genomen om effecten tijdens de werkzaamheden te verminderen. Gelet op de noodzaak en wijze van uitvoering zijn wij van mening dat voldoende is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Door de gekozen wijze en periode van uitvoering, wordt schade aan de platte schijfhoren en de kleine wolfsmelk zoveel mogelijk voorkomen.

ODH807409

10 / 18

Belangenonderbouwing De ontheffing is aangevraagd op grond van het belang van ‘volksgezondheid of de openbare veiligheid of andere redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’ en ‘belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats’ zoals genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, sub 1 en sub 3 van de Wnb Belang van volksgezondheid of de openbare veiligheid of andere redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten De aanleg van Zuidpolder fase 2 vormt een reden voor de volksgezondheid of andere redenen van groot openbaar belang doordat er een natuur- en recreatieverbinding wordt gevormd voor de bewoners uit Barendrecht, Rhoon en Rotterdam-Zuid. De volgende redenen van groot openbaar belang zijn van toepassing op het plangebied: 1 De aanleg van de verbindingszone maakt deel uit van de Omgevingsvisie van de Provincie ZuidHolland en deel uit van de Structuurvisie3 van de gemeente Barendrecht. 2 De verbindingszone is noodzakelijk voor het goed functioneren van het natuur- en recreatiegebied in de omgeving van het plangebied. 3 De aanleg zorgt voor waterberging.

Omgevingsvisie Zuid-Holland en Structuurvisie Barendrecht Ter plaatse van het plangebied vigeert bestemmingsplan 'Zuidpolder', welke is vastgesteld op 15 februari 2010. Het plangebied bestaat uit verschillende percelen die zijn voorzien van de bestemming 'Natuur' en ‘Agrarisch’. Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie' opgenomen. Uit de Omgevingsvisie van de Provincie Zuid-Holland is de Zuidpolder vastgesteld als ‘Groene Buffer’ en aangewezen voor ‘Grootschalige natuur en recreatieve ontwikkelingen’. De Zuidpolder valt onder de ‘Bescherminscategorie 2’ en betreft gebied met een speciale kwaliteit waarbij de Provincie Zuid-Holland specifieke waarden in stand wil houden omdat de gebieden landschappelijk of ecologisch kwetsbaar zijn. Hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit van de Provincie Zuid-Holland. Specifiek wordt over de functie als ‘Groene Buffer’ het volgende vermeldt in de Omgevingsvisie: …‘Als landschap zijn deze gebieden relatief klein, soms ruimtelijk versnipperd en altijd medebepaald door stadsranden. Behoud van deze ruimtes is van belang voor de identiteit en leef kwaliteit van het stedelijk gebied. De stedelijke druk is relatief groot, maar tegelijkertijd vormen ze op de schaal van de provincie een onmisbare ‘tegenhanger’ van de stedelijke dynamiek en verdichting.

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden.’… Fase 2 vormt binnen de Zuidpolder een essentiële verbinding tussen het oostelijke en westelijke deel om de functie als Groene Buffer goed invulling te kunnen geven. Op gemeentelijk niveau is deze visie vastgelegd in de ‘inrichtingsvisie Regiopark Midden IJsselmonde‐Zuidpolder Barendrecht’ (hierna: de inrichtingsvisie) en is later overgenomen in de ‘Structuurvisie Barendrecht’ (hierna: de Structuurvisie De belangrijkste keuze uit deze Structuurvisie is het benutten van bestaand stedelijk gebied voor nieuwe woningbouwfuncties en het toekennen van een groen en recreatief perspectief voor het buitengebied. De bijzondere functie van Barendrecht als groen en recreatief uitloopgebied van de regio wordt versterkt door investeringen in de natuur- en recreatieve functie van het “Zuidpark” (Zuidpolder en Zuidrand, samen als onderdeel 3

De Structuurvisie geeft op hoofdlijnen richting aan de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente en vormt een afwegingskader voor nieuwe initiatieven. De uitwerking van het in de Structuurvisie beschreven beleid vindt plaats in gebiedsvisies, bestemmingsplannen, beleidsnota’s en projecten. ODH807409 11 / 18

van Deltapoort) en het Zuidelijk Randpark. Hier is duidelijk sprake van een (onderscheidende) regionale kwaliteit. De Structuurvisie zet in op herinrichting van de Zuidpolder, Polder Ziedewij en Koedoodzone om zo een gevarieerd aanbod aan extensieve recreatie en natuur te kunnen bieden. Zo ontstaat een aaneengesloten groengebied van Rhoon naar Ridderkerk/Hendrik-Ido Ambacht. Zo ontstaat een aaneengesloten groengebied van Rhoon naar Ridderkerk/Hendrik-Ido- Ambacht. Om de aanleg van fase 2 van de Zuidpolder mogelijk te maken is het bestemmingsplan aangepast. De inrichtingsvisie is door middel van een herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' juridisch‐ planologisch vastgelegd in het bestemmingsplan 'Zuidpolder'. Diverse gronden met een agrarische bestemming worden in dit bestemmingsplan voorzien van de natuurbestemming. Voor enkele gronden werd een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een gefaseerde inrichting mogelijk te maken en enige mate van flexibiliteit in te bouwen bij het zoeken naar nieuwe gebruiksmogelijkheden voor (voormalige) agrarische bebouwing. Een natuurzone ten zuiden van de Kilweg blijft de verbinding vormen tussen het oostelijke en het westelijke deel van de natuurontwikkeling.

Daarnaast zorgt het bestaande fietspad voor een goede noord‐zuid verbinding tussen het westelijke deel van Barendrecht en het natuur- en recreatiegebied aan de Oude Maas ten zuiden van de Achterzeedijk. Functioneren natuur- en recreatiegebied in de omgeving van het plangebied De verbindingszone, die versterkt gaat worden, is noodzakelijk voor een goed functioneren van het natuur- en recreatiegebied. In de huidige situatie kunnen wandelaars, fietsers en andere recreanten alleen gebruikmaken van de parallelweg langs de Kilweg. Hier rijdt ook bestemmingsverkeer, zoals agrarische voertuigen. Dit kan tot gevaarlijke verkeerssituaties leiden, omdat de verschillende gebruikers elk met hun eigen snelheid op de weg voortbewegen. Bovendien biedt de huidige inrichting geen verbinding over het water. Eén van de doelstellingen van de Zuidpolder is om het mogelijk te maken per kano naar het Zuiderpark in Rotterdam te varen. Een groot deel van deze Blauwe Verbinding is al gerealiseerd door de gemeente Rotterdam. De waterverbinding in het plangebied vormt één van de laatste onderdelen om de kanoroute compleet te maken Waterberging Het gebied bevat veel mogelijkheden om tijdelijk water op te vangen. Het vormt een soort waterreservoir voor zijn omgeving. In natte tijden wordt het water opgevangen en gebufferd.

Het verzilten van rivierwater in tijden dat de waterafvoer minder is vormt een probleem. Het peil kan 20 cm worden verhoogd zodat in droge tijden IJsselmonde niet afhankelijk is van de Oude Maas. En de voedselrijkdom van het rivier water zou een algenbloei kunnen veroorzaken daarom wordt relatief schoon water uit het Waaltje ingelaten. De Kleine Duiker (vroeger ook deels de Kromme Duiker genoemd) voert het water door het gebied. De historische watergang is flink verbreed om natte zones te creëren. Via een pomp kan het zuidelijke deel van de polder van water worden voorzien, uit eindelijk vloeit het water weer in de Kleine Duiker. Als het water onder de 3e Barendrechtseweg door stroomt heet het water op eens de Groote Duiker. In dit deel van de polder zijn nog niet alle benodigde gronden verworven. Er zijn procedures in gang gezet om de aangrenzende gebieden te verwerven. Nu al is een groot gebied gerealiseerd. Het zal nog enige tijd duren voor het totale project is afgerond. Zuidpolder fase 2 draagt bij aan de afronding van dit project. Hiermee is het groot openbaar belang gediend.

Belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats Door het vervallen van de agrarische functie in het plangebied is het vrijwel zeker dat kleine wolfsmelk op den duur verdwijnt vanwege het ontbreken van essentiële bodemdynamiek als gevolg van het verbouwen van gewassen op een akker. De soort is eenjarig en dient zich elk jaar opnieuw uit te zaaien. Hoewel de kleine wolfsmelk voorkomt aan de randen van akkers waarop extensieve teelt van gewassen plaatsvindt is de soort kwetsbaar voor de grillen van agrarische bedrijfsvoering. Een dergelijke bedrijfsvoering heeft niet als doel om de populatie met de kleine wolfsmelk in stand te houden. Daarnaast zorgt het vervallen van de agrarische functie mogelijk voor het vervallen ODH807409

12 / 18

van de continuïteit die de kleine wolfsmelk nodig heeft om zich duurzaam op een akker te handhaven. Gericht beheer, zoals een natuurakker zorgt voor deze essentiële dynamiek met als gevolg dat de soort zich kan handhaven. Daarom wordt de ontheffing voor kleine wolfsmelk aangevraagd in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats. Conclusie Gelet op het voorgaande zijn wij van oordeel dat de genoemde belangen voldoende zijn onderbouwd om de negatieve effecten op de platte schijfhoren en de kleine wolfsmelk, welke als gevolg van de uitvoering van het project zullen optreden, te rechtvaardigen. Staat van instandhouding Platte schijfhoren Als gevolg van de werkzaamheden gaat een watergang verloren waar in 2021 vier individuen van de platte schijfhoren in werden aangetroffen. In 2022 en 2023 werden middels analyse van eDNA monsters geen aanwijzingen gevonden van de aanwezigheid van de soort in de bestaande watergangen van het plangebied. Desalniettemin wordt met de uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden dat de soort nog voorkomt in het plangebied en worden specifieke maatregelen getroffen. De watergang, waarin de platte schijfhoren is vastgesteld, vormt leefgebied van de soort. Onder water is voldoende vegetatie aanwezig waardoor de sloot kan dienen als voortplantingsgebied.

De watergang staat in verbinding met omringende sloten. Hiermee vormt het onderdeel van een watersysteem dat in het geheel leefgebied vormt voor de slak. Bij de uitvoering van het project worden twee watergangen gedempt, waarvan in één watergang in 2021 het voorkomen van de platte schijfhoren is vastgesteld (zie kaart Appendix II). Voorafgaand aan werkzaamheden worden de te dempen watergangen door eDNA onderzoek nogmaals onderzocht op de aanwezigheid van platte schijfhoren. Indien aanwezig dan wordt de ondergedoken vegetatie met platte schijfhoren verplaatst naar de watergang tussen de twee te dempen watergangen. Deze watergang wordt vrijgehouden van bomen langs de watergang, zodat de onderwatervegetatie onder dezelfde omstandigheden blijft functioneren zoals voorheen en voorkomt schaduwwerking (zie Activiteitenplan). Aanvullend hierop dienen zichtbaar aanwezige individuen met een fijnmazig schepnet gevangen te worden en dient de oevervegetatie (inclusief kluit) eveneens naar de nieuwe watergang te worden verplaatst. Dit is geborgd in voorschriften 9, 10 en 11. Om ervoor te zorgen dat de translocatie van de waterplanten (zowel ondergedoken als oevervegetatie) slaagt is voorschrift 11 opgenomen. Tot slot gedijt de platte schijfhoren bij specifiek beheer van de nieuwe watergangen. Om deze continuïteit te borgen is voorschrift 12 opgenomen.

Het voorkomen van Platte schijfhoren in Nederland is onvoldoende onderzocht om een trend te berekenen en de landelijke staat van instandhouding met zekerheid te bepalen. Op basis van een analyse op het niveau van een inventarisatie-eenheid van 1x1 of 5x5 kilometer komt wel een beeld naar voren. De verspreiding na 1990 is in vergelijking met de periode er voor afgenomen (bron: verspreidingatlas NDFF). Dit heeft dan ook geleid tot een vermelding op de Rode lijst van de Nederlandse zoetwatermollusken als ‘Kwetsbaar’. Recent lijkt het echter iets beter te gaan met de soort; met name in natuurgebieden. De landelijke staat van instandhouding beoordeeld als ‘matig ongunstig’ De enige andere vindplaats op het eiland IJsselmonde is in het huidige Waalbos bij Ridderkerk-Rijsoord. Voor de aanleg van het recreatiegebied is destijds onderzoek gedaan naar aanwezigheid van beschermde soorten. Te midden van de agrarische percelen werden toen enkele exemplaren gevonden. De soort werd in verschillende watergangen verspreid over het gebied gevonden. Een aantal van deze watergangen is bij de herinrichting behouden gebleven. Recente waarnemingen uit 2022 (NDFF) tonen aan de soort hier nog voorkomt.

ODH807409

13 / 18

Er zijn geen verleende ontheffingen bekend uit de omgeving die een cumulatie van negatieve effecten tot gevolg kunnen hebben. In de directe omgeving zijn tevens geen projecten gepland waarbij de platte schijfhoren betrokken is. Het dichtstbijzijnde project betreft de gemeente Sliedrecht. Door deze voorgenomen maatregelen, de beperkte omvang van het effect op de staat van instandhouding (lokaal, regionaal en landelijk), er geen sprake is van cumulatie en gericht beheer van de watergangen in de nieuwe situatie is het aannemelijk dat de platte schijfhoren in het gebied aanwezig blijft. Vangmiddelen Op grond van het in artikel 3.25, eerste lid, van de Wnb bepaalde, moet in een ontheffing de middelen worden aangewezen die voor het vangen en doden van dieren worden gebruikt. Hiervoor wijzen wij het fijnmazig schepnet aan. Op grond van het vorenstaande zijn wij van mening dat de voorgestelde maatregelen, met inachtneming van de voorschriften, voldoende zijn om negatieve effecten te voorkomen dan wel tot een minimum te beperken en dat de werkzaamheden niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de platte schijfhoren. Kleine wolfsmelk Als gevolg van de werkzaamheden gaat 9000 m2 met (potentiële) groeiplaats van de kleine wolfsmelk verloren.

Na inrichting van het gebied is er 15000 m2 (potentiële) groeiplaats beschikbaar voor de kleine wolfsmelk (zie appendix III). Daarnaast is de huidige groeiplaats van de kleine wolfsmelk in agrarische productie. Doordat het akkerperceel een jaar braak lag heeft de soort zich hier kunnen ontwikkelen. Het huidige beheer van de akkerpercelen is niet gericht op de instandhouding van de kleine wolfsmelk en de soort is daarom dan ook beperkt tot de randen van deze percelen. De kleine wolfsmelk betreft een eenjarige soort die zich elk jaar opnieuw dient uit te zaaien. Het is van essentieel belang dat specifiek akkerbeheer voor de kleine wolfsmelk wordt toegepast. Het toekomstige beheer is beschreven in het activiteitenplan. Aanvullend hierop zijn voorschriften 13, 14 en 15 opgenomen die ervoor zorgen dat de translocatie goed wordt uitgevoerd. Voorschrift 13 schrijft voor dat er voorafgaand aan de translocatie een nulmeting plaats dient te vinden waarmee alle (bovengronds) zichtbare planten in kaart worden gebracht. Voorschrift 14 schijft voor dat de translocatie drieledig is: 1. Translocatie van individuen middels gewonnen zaden; 2. Translocatie van bloeiwijzen waarbij nog geen volledige zaadrijping het plaatsgevonden; en: 3. Translocatie van substraat, waarmee ook de zaadbank wordt verplaatst.

Doordat de soort zichzelf opnieuw dient uit te zaaien en planten in een populatie dit nooit tegelijk doen; er is altijd een range aan verschillende stadia aanwezig in een populatie en daarom is dit in voorschrift 14 opgenomen. Hiermee wordt geborgd dat alle stadia verplaatst worden en de soort via een natuurlijke weg kan kiemen op de nieuwe akker. Om de soort een goede start te geven is middels voorschrift 15 opgenomen dat de translocatie gesynchroniseerd dient te worden met het akkerbeheer van de nieuwe akker. Dat betekent ook dat voorafgaand aan de translocatie de nieuwe akker gereed dient te zijn. Dit is eveneens vastgelegd in voorschrift 15. Duurzaam voortbestaan van de kleine wolfsmelk is gebonden aan continuïteit van het gevoerde akkerbeheer. Hiervoor is een beheerovereenkomst (Beheerovereenkomst Kleine Wolfsmelk Zuidpolder fase 2, GKB, A-PLA-0001, 11-03-2024 (ODH1091171) gesloten en is voorschrift 17 opgenomen (vanaf nu aangeduid als beheeroverkomst kleine wolfsmelk) De ‘beheerovereenkomst kleine wolfsmelk’ maakt onderdeel uit van onderhavige ontheffing. De ‘beheerovereenkomst kleine wolfsmelk’ betreft geen beheerovereenkomst in strikte zin maar een inspanningsverplichting van de gemeente Barendrecht die verklaart dat zij een overeenkomst afsluiten met een aannemer voor het beheer van de toekomstige akker.

In de ‘beheerovereenkomst kleine wolfsmelk’ heeft de gemeente Barendrecht aangegeven wie de opdrachtgever en -nemer is en de eisen waaraan de opdrachtnemer moet voldoen voor beheer van de toekomstige akker met kleine wolfsmelk. Door deze voorgenomen maatregelen en gericht akkerbeheer in de nieuwe situatie is het aannemelijk dat de kleine wolfsmelk in het gebied aanwezig blijft. Bovenstaande dient te worden vastgelegd in het logboek, conform voorschrift 16. Aan de ontheffing is een ODH807409

14 / 18

monitoringsverplichting (voorschrift 18) verbonden waarmee de effectiviteit van de genomen maatregelen wordt gemonitord. Indien nodig dienen maatregelen te worden bijgesteld waarmee de effectiviteit wordt geoptimaliseerd. Kleine wolfsmelk is landelijk een vrij zeldzame soort die vooral in de zuidelijke helft van Nederland gevonden wordt (FLORON 2022). Het zwaartepunt van de verspreiding ligt in Zeeland, het Rivierengebied en Zuid-Limburg (afbeelding 12). De soort staat op de Rode Lijst als ‘Kwetsbaar’. Naast de locatie in het plangebied zijn er in de periode van 2010 tot heden zijn op het eiland IJsselmonde twee groeiplaatsen van Kleine wolfsmelk bekend, te weten één uit de Molenpolder (mogelijk niet wild) en één uit de Zegenpolder. Respectievelijk op ca 3 en 6 kilometer afstand van het plangebied (bron: NDFF). Beide groeiplaatsen liggen in terreinen waar op natuurvriendelijke wijze akkerbouw wordt bedreven en het voorkomen van onder meer kleine wolfsmelk tot de beheerdoelen behoort. Op grond van het vorenstaande zijn wij van mening dat de voorgestelde maatregelen, met inachtneming van de voorschriften, voldoende zijn om negatieve effecten te voorkomen dan wel tot een minimum te beperken en dat de werkzaamheden niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de platte schijfhoren.

Ecologisch werkprotocol De start van de werkzaamheden dient gemeld te worden bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. De werkzaamheden en de wijze waarop de maatregelen worden uitgevoerd dienen in een ecologisch werkprotocol te worden opgenomen. Dit protocol dient bij het melden van de start van de werkzaamheden meegestuurd te worden. Voorts dient het protocol op de locatie aanwezig te zijn. Hierdoor weten ook de uitvoerders op welke wijze de werkzaamheden zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Wij hebben dit in de voorschriften 1, 2 en 3 vastgelegd. Samenhangende besluiten Bij deze beoordeling is uitsluitend gekeken naar mogelijke effecten op de platte schijfhoren en de kleine wolfsmelk. op basis van de aangeleverde informatie. Er kunnen nog andere toestemmingen nodig zijn om de gevraagde activiteiten te kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld van het waterschap.

Conclusie Op grond van het vorenstaande kan de gevraagde ontheffing op grond van artikel 3.8, eerste lid, in samenhang met artikel 3.10, van de Wnb worden verleend.

ODH807409

15 / 18

Appendix I maatregelen platte schijfhoren

ODH807409

16 / 18

Appendix II waarnemingen en monsterpunten platte schijfhoren

ODH807409

17 / 18

Appendix III waarnemingen en maatregelen kleine wolfsmelk

ODH807409

18 / 18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14464828/1