CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen CDA Verordening leerlingenvervoer

commissie Samenleving 8 april 2025, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Verordening en beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer 20252.198 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan de gemeenteraad

R. Bol Wethouder

Uw brief van: 4 april 2025

Ons kenmerk:

Uw kenmerk: -

Contactpersoon: M. Bijl

2025-016736

Bijlage(n):

-

Cluster:

Onderwerp:

Beantwoording technische vragen CDA

Doorkiesnummer: 14 0180

Verordening leerlingenvervoer

Datum:

Maatschappij 7 april 2025

Geachte raadsleden, Op 4 april 2025 heeft de fractie van CDA Barendrecht technische vragen gesteld over het voorstel Verordening en beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer 2025. In deze de beantwoording van de vragen: 1. Het belang wordt benadrukt van het ouders bewust maken en laten nadenken over hun eigen verantwoordelijkheid en zorgplicht. Op welke wijze wordt hier uitvoering gegeven aan bewustwording van leerlingvervoer als faciliteit vanuit de overheid als dit echt niet anders geregeld kan worden? Leerlingenvervoer is een vangnetvoorziening, bedoeld voor situaties waarin ouders het vervoer naar school redelijkerwijs niet zelf kunnen organiseren. Het uitgangspunt van de gemeente Barendrecht is dat ouders – in lijn met hun wettelijke zorgplicht – primair verantwoordelijk zijn voor het regelen van het vervoer van hun kind naar school. Om deze bewustwording te versterken, worden verschillende stappen genomen. Zo wordt na de vaststelling van de nieuwe verordening de informatie op de gemeentelijke website aangepast. Er komt meer aandacht voor het uitgangspunt dat leerlingenvervoer geen vanzelfsprekendheid is, maar een aanvullende voorziening. Ook wordt op de website duidelijker uitgelegd wat ouders zelf kunnen doen en welke rol zij daarin hebben. Bij de aanvraag van leerlingenvervoer wordt dit principe actief onder de aandacht gebracht.

Ouders wordt gevraagd welke dagen of dagdelen zij zelf het vervoer kunnen verzorgen, wat zij zelf al geprobeerd hebben en waarom het niet lukt om het vervoer op eigen kracht te organiseren. Vervolgens voert de klantmanager een gesprek met de ouders. In dat gesprek worden mogelijke alternatieven besproken en wordt uitgelegd waarom de gemeente het belangrijk vindt dat ouders eerst kijken wat ze zelf kunnen doen, eventueel samen met anderen, voordat er een beroep wordt gedaan op leerlingenvervoer. Op deze manier wil de gemeente ouders helpen om bewust keuzes te maken, hun eigen mogelijkheden te benutten en het leerlingenvervoer in te zetten voor situaties waarin het echt nodig is.

pagina 1 van 5

2. Waarom wordt bij ‘Beoogd effect’ wordt niet genoemd het reduceren van vermoeiende lange reistijden en het positieve effect daarvan op het dagelijkse ritme van ouders en leerlingen? Het verminderen van lange reistijden is inderdaad een belangrijk aandachtspunt binnen het leerlingenvervoer, vanwege het directe effect op het welzijn en de dagstructuur van zowel leerlingen als ouders. In de praktijk wordt hier al rekening mee gehouden: de gemeente en de vervoerder doen hun uiterste best om ritten zo efficiënt mogelijk in te plannen, met zo kort mogelijke reistijden. De wettelijke maximale reistijd bedraagt 1,5 uur per enkele reis. Binnen die grens proberen we altijd een zo gunstig mogelijke route te realiseren. Tegelijkertijd zijn er factoren die we niet volledig kunnen beïnvloeden, zoals reisafstanden, verkeersdrukte en het feit dat leerlingen uit verschillende woonwijken naar diverse scholen reizen. De voorgestelde wijzigingen in de verordening zijn met name gericht op het stimuleren van eigen verantwoordelijkheid, het beperken van kosten en het zorgvuldig toekennen van voorzieningen. Hoewel kortere reistijden daarbij zeker wenselijk zijn, bieden de aanpassingen geen garantie op structureel kortere routes voor alle leerlingen. Het optimaliseren van reistijden blijft echter wel onderdeel van de uitvoering en de samenwerking met vervoerders. 3.

In hoeverre lost de nieuwe verordening het probleem van bijbetalen voor het leerlingvervoer door de ouders op wat voor veel gezinnen een zware financiële last kan zijn? De eigen bijdrage voor leerlingenvervoer is landelijk wettelijk geregeld en wordt opgelegd op basis van het verzamelinkomen van de ouders. Voor het aankomende schooljaar geldt dat ouders met een gezamenlijk inkomen onder de €31.500 geen eigen bijdrage hoeven te betalen. Dit voorkomt dat de regeling voor deze inkomensgroep een financiële drempel vormt. Daarnaast is er binnen de regeling ruimte voor maatwerk. Als ouders te maken hebben met een aantoonbare of verwachte inkomensdaling, kunnen zij dit bij de gemeente melden. Hier wordt dan rekening mee gehouden bij het vaststellen van de eigen bijdrage. Op basis van de aanvragen in het afgelopen schooljaar blijkt dat slechts een beperkt aantal ouders daadwerkelijk een eigen bijdrage heeft moeten betalen. We hebben daarbij geen signalen ontvangen dat deze bijdrage onbetaalbaar was of tot financiële knelpunten heeft geleid. De nieuwe verordening verandert niets aan de hoogte of inkomenssystematiek van de eigen bijdrage, maar bevestigt en verduidelijkt het bestaande beleid. Mocht de situatie in de toekomst veranderen of signalen daar aanleiding toe geven, dan is er ruimte om het beleid opnieuw te bezien. 4.

In hoeverre en op welke wijze wordt een afweging gemaakt tussen de meest passende vorm van onderwijs en vervoersopties die voldoende aansluiten bij de ondersteuningsbehoeften van de jeugdigen? Bij elke aanvraag voor leerlingenvervoer wordt per leerling een zorgvuldige afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt naar zowel de onderwijsbehoefte als de vervoersmogelijkheden. In overleg met de ouders (en waar passend de leerling) onderzoekt de klantmanager welke vorm van vervoer het meest passend en noodzakelijk is, afgestemd op de ondersteuningsbehoeften van de leerling. De afweging gebeurt op basis van het principe van de meest passende én minst kostbare oplossing. Daarbij wordt stapsgewijs gekeken naar de volgende opties:

pagina 2 van 5

1. 2. 3. 4. 5.

Zelfstandig lopen, eventueel met begeleiding. Fietsen, zelfstandig of onder begeleiding. Openbaar vervoer, met of zonder begeleiding. Vervoer door ouders, als zij beschikken over eigen vervoer. Aangepast vervoer (bijvoorbeeld per taxi), als alle voorgaande opties niet passend zijn.

Voor elke stap wordt beoordeeld of deze realistisch en verantwoord is gezien de fysieke, cognitieve of emotionele situatie van het kind. Daarbij wordt ook bekeken of een vergoeding of aanvullende ondersteuning nodig is. Als een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het reizen, ligt de verantwoordelijkheid voor het organiseren van die begeleiding primair bij de ouders. Als begeleiding in het aangepast vervoer nodig is, zorgt de gemeente voor een extra zitplaats. Op deze manier wordt telkens gezocht naar een vervoersoplossing die aansluit bij wat de leerling nodig heeft, maar ook recht doet aan de eigen verantwoordelijkheid van ouders en aan het zorgvuldig omgaan met publieke middelen. 5. De verordening spreekt over “de dichtstbijzijnde toegankelijke school”. Is bij aanpassing van de verordening overwogen om deze tekst te vervangen in termen van ‘dichtstbijzijnde vorm van passend onderwijs’? Aangezien passend onderwijs ook binnen regulier onderwijs wordt aangeboden doet deze terminologie meer recht aan het streven naar passend onderwijs. In de verordening wordt bewust vastgehouden aan de term “dichtstbijzijnde toegankelijke school”, omdat deze rechtstreeks voortkomt uit de landelijke wetgeving. Deze term omvat zowel passend onderwijs als onderwijs dat past bij de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting van ouders.

Dat maakt de reikwijdte breder dan alleen het pedagogisch of didactisch passende aanbod. Ik wil hier nadrukkelijk bij aantekenen dat ik het niet eens ben met de wettelijke verplichting om leerlingenvervoer te bekostigen naar scholen op religieuze grondslag. Zeker in tijden waarin we zorgvuldig met publieke middelen moeten omgaan, is het lastig uit te leggen dat deze kosten collectief worden gedragen – temeer daar in Barendrecht voldoende kwalitatief goed onderwijs beschikbaar is op korte afstand, ongeacht levensbeschouwelijke richting. Desondanks is het een landelijke wettelijke plicht, waar wij ons als gemeente aan moeten houden. Tegelijkertijd wil ik het ook in perspectief plaatsen: in Barendrecht gaat het jaarlijks om een beperkt aantal leerlingen waarvoor deze vorm van vervoer wordt toegekend. Het is dus geen grootschalige regeling, maar een relatief kleinschalig onderdeel binnen het totale leerlingenvervoer. Wat betreft het vaststellen van passend onderwijs: dit gebeurt door het onderwijskundig samenwerkingsverband, eventueel in overleg met een Regionaal Expertise Centrum (REC). Zij bepalen of een leerling het onderwijs kan volgen binnen het reguliere aanbod, of dat een indicatie voor speciaal (basis)onderwijs noodzakelijk is. De gemeente sluit in haar beleid aan bij deze onderwijskundige beoordelingen.

pagina 3 van 5

6. Er is nu geen contact tussen de chauffeur en ouders en het advies van de Maatschappelijke Adviesraad (MAB) om dat wel te initiëren in plaats van uitsluitend via een app of de planningsafdeling neemt u niet over. Is hiermee rekening gehouden met de stress die het leerlingvervoer voor sommige jeugdigen met zich meebrengt, zeker als zaken anders verlopen dan afgesproken? Bij aanvang van het schooljaar of bij de start van een nieuwe chauffeur op de geplande rit, maakt de chauffeur kennis met ouders en leerling. Tijdens dit gesprek wordt ook besproken wat ouders van de chauffeur kunnen verwachten met betrekking tot de leerling en andersom wat de chauffeur van de ouders mag verwachten. Wanneer de chauffeur tijdens de rit later of juist eerder is, wordt dit via de app gecommuniceerd en pas later wordt hierover telefonisch contact opgenomen. De chauffeur dient zich voor de veiligheid van de kinderen te focussen op de verkeersveiligheid tijdens het rijden en niet op telefonisch contact met ouders. Wanneer de chauffeur de rit moet pauzeren voor dit telefonisch contact, betekent het dat de rit nog langer gaat duren. Het is duidelijk en bekend dat dit invloed kan hebben op het functioneren van de leerling en daardoor ook op ouders. De chauffeur zal zich tijdens de rit ook focussen op de leerlingen die in de taxi aanwezig zijn.

Voor Barendrecht geldt dat er in de ochtend en in de middag ongeveer 45 ritten uitgevoerd worden voor het leerlingenvervoer. Vanuit de vervoerder ligt op dat moment de prioriteit op het zo goed en snel mogelijk uitvoeren van de planning en de ritten zelf. Pas daarna is er ruimte om telefonisch contact te hebben met ouders over de oorzaak waarom de rit anders verlopen is dan gepland. 7. Sommige jeugdigen kunnen zich niet veilig voelen in het verkeer, bijvoorbeeld vanwege de onvoorspelbaarheid van een situatie. Is er ruimte bij de vervoersaanbieder om hier van te voren afspraken over te maken met jeugdigen en hun ouders in het kader van maatwerk? Tijdens het gesprek met de klantmanager wordt specifiek gekeken naar de persoonlijke situatie van de leerling. Daarbij wordt aandacht besteed aan eventuele belemmeringen, gedrag of gevoeligheden die van invloed zijn op het reisgedrag of het gevoel van veiligheid. Wanneer hier sprake van is, wordt dit betrokken bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer. Indien relevant, worden deze bijzonderheden gedeeld met de vervoerder, zodat hiermee bij de uitvoering van het vervoer rekening kan worden gehouden. Aan het begin van het vervoerstraject vindt een kennismaking plaats tussen de chauffeur, de leerling en de ouders.

Tijdens dit moment kunnen ouders aanvullende informatie geven over wat hun kind nodig heeft om zich veilig en begrepen te voelen tijdens de rit. Hoewel het niet altijd mogelijk is om volledig aan alle wensen te voldoen, wordt in de uitvoering zoveel mogelijk maatwerk geleverd, binnen de beschikbare kaders. Een goede afstemming tussen ouders, vervoerder en gemeente draagt bij aan een veilig en voorspelbaar verloop van het vervoer voor jeugdigen die daar extra behoefte aan hebben. 8. In leerlingvervoer op basis van de Jeugdwet wordt alleen voorzien als het vervoer naar een behandelings- of zorglocatie betreft. Vraag 8a: Waarom wordt er dan toch gesproken over leerlingvervoer, terwijl het hier gaat om jeugdigen in het algemeen, los van het feit dat ze ook leerling zijn? Vraag 8b: Wat is de visie (voor de toekomst) van het college op leerlingvervoer als er sprake is van een gecombineerde vorm van onderwijs en zorg voor jeugdigen? 8a: Leerlingenvervoer betreft het vervoer van een leerling naar of van een schoollocatie.

pagina 4 van 5

Jeugdwetvervoer betreft het vervoer van of naar een jeugdwetlocatie (met geïndiceerde zorg die daar geboden wordt). Wanneer een leerling vanuit huis naar school gaat, is dit leerlingenvervoer. Wanneer een leerling van school naar een behandellocatie gaat, zal dit in de meeste gevallen jeugdwetvervoer zijn. Beide vervoerssoorten worden door dezelfde vervoerder uitgevoerd. Achter de schermen is er alleen een verschil in facturering en betaling. 8b: Zoals hierboven beschreven, worden beide vervoerssoorten door dezelfde vervoerders uitgevoerd. Hierin zit voor de jeugdige geen verschil. Wanneer een jeugdige onderwijs krijgt in een jeugdwetinstelling, zal deze daar ook hoogstwaarschijnlijk verblijven of na het weekend daarheen gaan. Omdat het dan een jeugdwetinstelling betreft met verblijf, valt dit onder jeugdwetvervoer. 9. Er wordt gesproken over inzicht in contractbeheer/regievoering en aanbesteding met minder partijen en kortere lijnen. Kan de gemeente de taak zelf weer gaan uitvoeren? Op dit moment onderzoekt het college de mogelijkheid om het leerlingenvervoer – en ook het vervoer op basis van de Jeugdwet – (deels) weer in eigen beheer uit te voeren. Het gaat daarbij zowel om de regievoering en het contractbeheer als om het zelf organiseren van het vervoer.

Het zelfstandig uitvoeren van deze taken vraagt om specifieke kennis en ervaring, met name op het gebied van logistiek, routeplanning, prestatiecontrole, klachtenafhandeling en toezicht op naleving van contractafspraken. Deze expertise is momenteel niet structureel beschikbaar binnen de gemeentelijke organisatie. Bij regievoering hoort onder andere het toetsen van ritten op planning en uitvoering, om vast te kunnen stellen of de geleverde prestaties overeenkomen met wat is afgesproken. De vraag is of het opbouwen en structureel in stand houden van deze capaciteit opweegt tegen de kosten en de organisatorische voordelen van de huidige uitbesteding. Het lopende onderzoek brengt deze aspecten in kaart, inclusief een vergelijking van kosten, kwaliteit, flexibiliteit en dienstverlening. De uitkomsten daarvan worden betrokken bij een afweging over mogelijke toekomstige wijzigingen in de organisatie van het leerlingenvervoer. Met vriendelijke groet,

Roeland Bol

pagina 5 van 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15390733/1