CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

BD Zuidpolder Fase 2 Toelichting.pdf

gemeenteraad 1 oktober 2024, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Zuidpolder fase 222.335 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Barendrecht

Bestemmingsplan “Zuidpolder Fase 2” Vaststelling

622.103.40 KUIPERCOMPAGNONS Datum: Augustus 2024

GEMEENTE BARENDRECHT

Bestemmingsplan “Zuidpolder Fase 2”

TOELICHTING, REGELS, VERBEELDING

werknummer 622.103.40 datum Augustus 2024 bestand J:\622\103\40\3.projectresultaat

Procedureoverzicht Fase

Datum

Ontwerp

November 2023

Vaststelling

Oktober 2024

TOELICHTING

1

Inhoudsopgave van de toelichting 1.

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding en doel van het plan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 6

2.

Planbeschrijving

7

2.1 Visie Zuidpolder Fase 2 2.2 Ontwikkeling

7 8

3.

Ruimtelijke Ordening

16

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie

16 19 23 26

4

Natuur

27

4.1 Kader 4.2 Onderzoek 4.3 Conclusie

27 28 30

5

Water

31

5.1 Kader 5.2 Onderzoek 5.3 Conclusie

31 32 36

6

37

Archeologie en cultuurhistorie

6.1 Kader 6.2 Onderzoek 6.3 Conclusie

37 37 38

7

Milieu

39

7.1 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 7.9

Milieueffectrapportage Bodemkwaliteit Akoestische aspecten Luchtkwaliteit Milieuzonering Externe veiligheid Overige belemmeringen Duurzaamheid

39 40 44 47 49 50 52 52

8

Juridische planbeschrijving

56

8.1 Planvorm 8.2 Artikelsgewijze toelichting

56 57

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

2

9.

Uitvoerbaarheid

61

9.1 Economische uitvoerbaarheid 9.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 9.3 Handhavingsaspecten

61 61 62

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1: Gebiedsvisie Zuidpolder fase 2, gemeente Barendrecht, 26 augustus 2021 Bijlage 2: Beeldkwaliteitsplan, RoosRos Architecten, 3 november 2023 Bijlage 3: Flora- en faunaonderzoek, ABO-Milieuconsult, 19 juli 2022 Bijlage 4: Quickscan ecologie, Breur Ecologie & onderzoek, 8 februari 2023 Bijlage 5: Activiteitenplan, ABO-Milieuconsult, 4 oktober 2023 Bijlage 6: Aanmeldnotitie, KuiperCompagnons, 23 oktober 2023 Bijlage 7: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, KuiperCompagnons, 20 oktober 2023 Bijlage 8: Mobiliteitsvisie, Future Mobility Network, 30 oktober 2023 Bijlage 9: Stikstofonderzoek, KuiperCompagnons, 15 november 2023 Bijlage 10: Rapportage bodemonderzoek 2 percelen Zuidpolder te Barendrecht, ABO-Milieuconsult, 12 april 2022 Bijlage 11: Rapportage bodemonderzoek deellocatie 1 Zuidpolder te Barendrecht, ABOMilieuconsult, 25 augustus 2023 Bijlage 12: Rapportage bodemonderzoek deellocatie 2 Zuidpolder te Barendrecht, ABOMilieuconsult, 25 augustus 2023 Bijlage 13: Rapportage bodemonderzoek deellocatie 4 Zuidpolder te Barendrecht, ABOMilieuconsult, 25 augustus 2023 Bijlage 14: Rapportage bodemonderzoek deellocatie 6 Zuidpolder te Barendrecht, ABOMilieuconsult, 25 augustus 2023 Bijlage 15: Planstudie Natuurinclusieve Erven Zuidpolder Fase 2 Barendrecht, JP Projectontwikkeling, Lindeloof, GKB, RoosRos, 14 september 2023 Bijlage 16:

Archeologisch vooronderzoek, Vestigia, 4 april 2024 Bijlage 17: Advies, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, 2 oktober 2023 Bijlage 18: Nota van beantwoording zienswijzen

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

3

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel van het plan De afgelopen jaren is de Zuidpolder in Barendrecht, circa 170 ha groot, stapsgewijs veranderd van landbouwgebied naar een veelzijdig natuur- en recreatiegebied (110 ha). Recreatie, water en natuur vormen de belangrijkste bestanddelen voor het plan.

Afbeelding 1.1: Fasering Zuidpolder

In afbeelding 1.1 zijn de verschillende fasen van de ontwikkeling naar natuur- en recreatiegebied weergegeven. Zuidpolder fase 2 is het laatste gedeelte van het project Zuidpolder. Om het geheel te kunnen bekostigen wordt voor de laatste, afrondende fase gedacht aan het toevoegen van woonzorgeenheden, seniorenwoningen (maatschappelijk) en reguliere woningen met een klimaatadaptieve inrichting. Langs de Achterzeedijk zullen daarom binnen dit gebied naast hoofdzakelijk natuurontwikkeling enkele kavels met woningbouw, zorgwoningen en/of maatschappelijke voorzieningen gerealiseerd worden. Deze nieuwe opzet past niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Zuidpolder’. Op dit moment hebben de kavels een agrarische en natuurbestemming. Om het plan te kunnen realiseren is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan vormt een nieuw juridischplanologisch kader voor de ontwikkeling. 1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied bestaat uit meerdere percelen aan de Achterzeedijk te Barendrecht. De percelen maken onderdeel uit van de ‘Zuidpolder’, ten zuiden van de kern Barendrecht en ten noorden van de Oude Maas. Dit gebied bevindt zich ten oosten van de A29, tussen de Kilweg in het noorden en de Achterzeedijk in het zuiden. De globale ligging van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.2. De exacte ligging van het plangebied is weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

4

Afbeelding 1.2: Ligging plangebied

1.3

Vigerende bestemmingsplannen Ter plaatse van het plangebied geldt, tot op het moment dat het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, het bestemmingsplan ‘Zuidpolder’, dat op 15 februari 2010 is vastgesteld door de gemeenteraad van Barendrecht. In dit bestemmingsplan kent het plangebied grotendeels de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Natuur’. Daarnaast komen de bestemmingen ‘Water’ en ‘Verkeer’ voor. In het zuidoosten van het plangebied liggen twee woonbestemmingen en één bedrijfsbestemming. De percelen waar de bestemming ‘Agrarisch’ geldt kennen daarnaast de gebiedsaanduiding ‘wro- zone – wijzigingsgebied – 1’. Binnen dit wijzigingsgebied zijn transformatiemogelijkheden opgenomen voor de situatie dat er een agrarisch bedrijf wordt opgeheven. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen gebruik van deze wijzigingsbevoegdheid. Langs de gehele zuidelijke rand van het plangebied loopt een de bestemming ‘Verkeer’, over de Achterzeedijk. Een klein deel van deze weg valt binnen het momenteel vigerende bestemmingsplan ‘Zuidrand’, dat is vastgesteld op 17 februari 2015. Tevens kent het plangebied voor een gedeelte de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Afbeelding 1.3 toont de vigerende planologische situatie van bestemmingsplan ‘Zuidpolder’ uit 2010.

Ter plaatse van een paar percelen in het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2.1’, dat op 3 juli 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Barendrecht. Het gaat hierbij om de percelen 2808, 8314, 11969, 11967 en 11977. In dit bestemmingsplan kennen de percelen de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Afbeelding 1.4 toont de vigerende planologische situatie van bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2.1’ uit 2018. Het gehele plangebied kent binnen beide vigerende bestemmingsplannen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Verder kent het zuidelijke gedeelte van het plangebied de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – archeologie - 2’ en het noordelijke gedeelte van het plangebied de Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

5

functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – archeologie – 3’. In hoofdstuk 6 wordt hier nader op ingegaan.

Afbeelding 1.3: Uitsnede vigerende bestemmingsplannen ‘Zuidpolder’ 2010 (voorliggend plangebied is rood omkaderd)

Afbeelding 1.4: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2.1’ (voorliggend plangebied is rood omkaderd)

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

6

1.4

Leeswijzer Deze toelichting is als volgt ingedeeld. In dit hoofdstuk, hoofdstuk 1, zijn een aantal algemene planaspecten opgenomen. Hoofdstuk 2 bevat een planbeschrijving, waarin de huidige situatie, toekomstige ontwikkelingen en juridische vertaling in dit bestemmingsplan aan bod komen. Hoofdstuk 3 tot en met 7 vormt feitelijk de achterliggende onderbouwing voor dit bestemmingsplan en gaat onder andere in op ruimtelijke beleidskaders, natuur en ecologie, water, archeologie en cultuurhistorie en de verschillende milieuaspecten. Ten slotte worden in hoofdstuk 8 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aangetoond, waarbij ook wordt ingegaan op het overleg- en inspraaktraject.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

7

2.

Planbeschrijving

2.1

Visie Zuidpolder Fase 2 Voor fase 2 van de ontwikkeling van de Zuidpolder is in augustus 2021 een gebiedsvisie opgesteld. Deze visie is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. In Fase 2 wordt circa 45 ha natuur/recreatie en circa 4 ha bebouwing toegevoegd. De uitgewerkte visie gaat ervan uit verschillende doelen te verwezenlijken door het stapelen van functies: waterkwaliteitsverbetering, natuur, recreatie, toekomstbestendig wonen. Het gebied wordt in hoofdzaak natuur en recreatie, met landschappelijk ingepaste bebouwing als dé economische drager. Hierbij wordt aangesloten op de aanwezige verkavelingsstructuur waarbij de woonclusters ofwel erven landschappelijk zijn ingepast. Er komen recreatieve doorgaande verbindingen met de omgeving, met ruimte voor circulaire vormen van grondgebruik, in aansluiting op een klimaatadaptieve inrichting. Het gebied wordt grotendeels openbaar toegankelijk. Hiermee wordt een groot natuur-/recreatiegebied gecreëerd voor de inwoners van Barendrecht, waarmee de kwaliteit van leven zal verbeteren. Er is ruimte voor toekomstbestendige vormen van wonen waar grote vraag naar is en die uitstekend in een groene omgeving kan worden ingepast, bijvoorbeeld zorgwonen en groepswonen, wonen in het groen en de natuur. De aankleding en inpassing van de bebouwing wordt afgestemd op de bestaande bebouwing in het plangebied.

Het woonprogramma biedt een brede verscheidenheid aan doelgroepen de mogelijkheid om in een gezonde en groene omgeving te wonen, wat de kwaliteit van leven bevordert. Het beheer van het gebied zal worden uitgevoerd door de gemeente.

Afbeelding 2.1: Schetsontwerp (bron: Gebiedsvisie Zuidpolder Fase 2)

De vier belangrijkste punten van het ontwerp zijn: 1. Richting van de polder als structuurdrager van ontwikkelingen; 2. Gevarieerde natuurlijke landschappelijke inrichting; Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

8

3. Ontwikkeling recreatief netwerk; 4. Ontwikkeling nieuwe erven langs Achterzeedijk. 2.2

Ontwikkelingen Voor de ontwikkeling van de erven is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat richting geeft aan de kwaliteit van de architectuur, openbare ruimte en natuur in de Zuidpolder. Dit beeldkwaliteitplan is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. In het ontwerp uit de gebiedsvisie wordt rekening gehouden met de inpassing van bebouwing die ontsloten wordt via de Achterzeedijk. Hierbij wordt voortgebouwd op een verdichting van de Achterzeedijk in de vorm van landelijke erven. Deze erven passen bij het ruimtelijk beeld en de historische structuur van bouwen in de polder. Het historische slagenlandschap wordt zo benadrukt. In de gebiedsvisie zijn uitgangspunten voor de erfopzet, ontsluiting, bouwvolumes, architectuur, eigendomssituatie en erfbeplanting meegegeven (zie afbeelding 2.2 en 2.3). Ten opzichte van de door de gemeente vastgestelde gebiedsvisie is er een erf toegevoegd (erf 1B), waardoor er nu de mogelijkheid is ontstaan om een integraal plan te ontwikkelen voor het gehele gebied.

Afbeelding 2.2: Locaties van de bestaande erven (bron: Planstudie Natuurinclusieve erven Zuidpolder)

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

9

Afbeelding 2.3: Uitgangspunten erven (bron: Gebiedsvisie Zuidpolder Fase 2)

In het beeldkwaliteitsplan zijn deze uitgangspunten verder uitgewerkt, waarbij het gebied is opgesplitst in drie deelgebieden. Afbeelding 2.4 toont het landschapsontwerp en afbeelding 2.5 de voorziene opzet van de erven. Deze zijn afkomstig uit de planstudie Natuurinclusieve erven Zuidpolder Fase 2, die is bijgevoegd als bijlage 15. Aan de noordkant zal een gebied gerealiseerd worden dat vooral bestaat uit natuur en bos. In het middengebied is natuurontwikkeling het uitgangspunt. Hier bevindt zich de oude kreekrug met een open structuur. Er zal hier een fietspad worden aangelegd. Er ontstaan kansen voor meer biodiversiteit (o.a. gebruik door (broed)vogels en andere dieren). Dit in combinatie met de mogelijkheid tot afsluiting tijdens (broed)periodes. De zuidrand zal worden ontwikkeld als een bos- en waterrijk gebied tussen de erven. Er ontstaat zo een aantrekkelijke woonomgeving voor bestaande en nieuwe erven aan de Achterzeedijk. Daarnaast zijn de uitgangspunten voor de inrichting en bebouwing van de erven nader uitgewerkt, afbeelding 2.5 toont de voorlopige opzet van de erven. In afbeeldingen 2.6 t/m 2.8 zijn referentiebeelden opgenomen voor voorliggende ontwikkeling. Zo geeft afbeelding 2.6 een impressie van hoe delen van het open gebied er uit kan komen te zien, en hoe dit gebied recreatieve waarde toevoegt voor geheel Barendrecht.

In afbeelding 2.7 is een impressie weergegeven van hoe de toekomstige bebouwing er uit zou kunnen zien. Er wordt veel hout gebruikt, waardoor de bebouwing mooi aansluit op de aanliggende omgeving. In afbeelding 2.8 is een impressie weergegeven van hoe de erven er uit zou kunnen zien. Er is ruimte voor ontmoeting in het autoluwe binnengebied. De bebouwing is kleinschalig en wordt als een ensemble gerealiseerd. De bebouwing sluit bij elkaar aan, maar er is wel ruimte voor variatie. De traditionele erfinrichting sluit goed aan bij het landelijke gebied waarin de ontwikkeling wordt gerealiseerd. Het beeldkwaliteitsplan moet nog worden vastgesteld door de gemeenteraad, voordat het een kader kan zijn voor de welstandscommissie. Het programma bestaat uit maximaal 288 wooneenheden, in verschillende typologieën en verdeeld over de verschillende erven. Er wordt gedacht aan zorgwoningen, senioren woningen, betaalbare woningen, NHG woningen en dure woningen. De uiteindelijke stedenbouwkundige uitwerking laat ruimte om de precieze indeling in typologie verder uit te werken. In het geval van zorgwoningen dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van collectieve ruimte. Daarnaast is in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen dat er moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

10

Afbeelding 2.4: Schets landschapsontwerp (Bron: Lindeloof Tuin- en Landschapsarchitecten BV)

Afbeelding 2.5: Voorziene opzet van de erven (Bron: Lindeloof Tuin- en Landschapsarchitecten BV)

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

11

Afbeelding 2.6 impressie recreatief gebied (Bron: Beeldkwaliteitsplan RoosRos)

Afbeelding 2.7: Impressie toekomstige bebouwing (Bron: Beeldkwaliteitsplan RoosRos)

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

12

Afbeelding 2.8 Impressie toekomstige erfopzet (Bron: Beeldkwaliteitsplan RoosRos)

2.2.4 Verkeersgeneratie en parkeren Op basis van het toekomstige programma is de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling berekend, gebruikmakend van de cijfers uit de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De mate van stedelijkheid en de ligging van het plangebied zijn bepalend voor de hoogte van de verkeersgeneratie en de parkeernormen. Het CBS schaalt Barendrecht in als sterk stedelijke gemeente. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Voor de omgeving van het plangebied wordt het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ uit de CROW-richtlijnen gehanteerd. Parkeren De gemeente Barendrecht wil het autoverkeer efficiënt en veilig afhandelen met minimale negatieve gevolgen. De gemeente streeft naar verminderd autogebruik om toekomstige bereikbaarheid te waarborgen en willen sluipverkeer voorkomen. Er wordt gefocust op het herinrichten van de verkeersinfrastructuur en niet op het uitbreiden van het wegennet. Het fietsgebruik moet worden gestimuleerd met verbeterde fietsinfrastructuur, aansluitingen op regionale routes en veilige fietsenstallingen. Voetgangers moeten veilig kunnen bewegen en gelijke voorrangsregels gelden voor fietsers en wandelaars. Openbaar vervoer moet goed bereikbaar zijn vanuit woonwijken en werklocaties, met voldoende fietsenstallingen en parkeergelegenheid.

Door Future Mobility Network is een mobiliteitsvisie opgesteld voor de ontwikkeling. Deze mobiliteitsvisie is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Het onderzoek heeft tot doel een doelgroepenanalyse te maken voor de toekomstige kavels en een parkeerberekening uit te voeren op basis van deze analyse. Voor iedere doelgroep is zorgvuldig gekeken naar de mobiliteitsbehoefte. Hiervan is een doorvertaling gemaakt naar het aantal benodigde parkeerplaatsen, zie tabel 2.1.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

13

Tabel 2.1: Te realiseren parkeerplaatsen (bron: Mobiliteitsvisie, Future Mobility Network)

Deze parkeervoorzieningen op de kavels zijn ontworpen om tegemoet te komen aan de behoeften van de toekomstige bewoners en bezoekers, en zullen een belangrijke rol spelen in het creëren van een comfortabele en goed georganiseerde leefomgeving voor iedereen die zich op deze kavels vestigt. Het gebruik van deelauto’s op kavel 3 en kavel 5 is een verstandige strategie om duurzame mobiliteit te verbeteren en tegelijkertijd ruimte vrij te spelen groenvoorzieningen. Ook helpt dit de parkeerdrukte te voorkomen. Voor kavel 3 worden 2 deelauto’s ingezet voor 7,3 parkeerplaatsen, wat betekent dat deze deelauto’s voldoende zijn om 10 parkeerplekken te vervangen. Op kavel 5 worden 2 deelauto’s ingezet voor 10,9 parkeerplaatsen. 2 deelauto’s kunnen maximaal 10 auto’s vervangen moet er nog een oplossing komen voor de overige 0,9 parkeerplekken. In overleg met de gemeente is er besloten dat deze 0,9 plekken bij kavel 3 terecht kunnen aangezien daar nog niet aan de 1 op 5 wordt voldaan. De toets of er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd vindt plaats bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning. In de regels van dit bestemmingsplan is hiervoor een regeling opgenomen. Voor het toekomstig recreatief gebruik van het gebied zijn voldoende parkeerplaatsen in de omgeving aanwezig, aangeduid op afbeelding 2.9.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

14

Afbeelding 2.9 Ligging bestaande parkeerplaatsen in de omgeving van het plangebied

Verkeersgeneratie en -afwikkeling Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking van het plan zijn de kencijfers verkeersgeneratie conform de CROW publicatie 381 gebruikt. Deze cijfers zijn te gebruiken om een inschatting te maken van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij nieuwe ontwikkelingen. De kencijfers die gegeven zijn in de CROW-publicatie geven een minimaal en een maximaal kencijfer weer. Bij onderstaande berekeningen wordt uitgegaan van een gemiddelde van deze twee cijfers. Voor het programma is worst-case uitgegaan van 290 zorg- en wooneenheden. Het programma is (globaal) onderverdeeld over de categorieën die het CROW hanteert, de precieze invulling van het programma ligt nog niet vast. Categorie verkeersgeneratie Aanleunwoning, serviceflat (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen) Kamerverhuur (niet-zelfstandige zorgwoningen) Koop, huis, tussen/hoek Totaal

Verkeersgeneratie 2,45

54

Totaal 132,3

1

128

128

7,1

108

766,8

290

1.027,1

(2,1 – 2,8)

(0,8 – 1,2) (6,7 – 7,5)

Aantal

Tabel 2.2: Verkeersgeneratie

De verkeersaantrekkende werking van het plan bedraagt gemiddeld 1.027 motorvoertuigen per etmaal (zie tabel 2.2). De nieuwe woningen worden ontsloten via de Achterzeedijk. Deze toename aan verkeersbewegingen zal vooral op Achterzeedijk in oostelijke richting naar de 3e Barendrechtseweg

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

15

plaatsvinden. Er is beoordeeld of de capaciteit van deze wegen na de realisatie van het plan nog steeds toereikend is. De kencijfers van het CROW gelden voor een gemiddelde weekdag. Om tot een inschatting van het aantal verkeersbewegingen op een gemiddelde werkdag te komen, zijn de kencijfers voor woningen met een factor 1,11 vermenigvuldigd (CROW publicatie 317, 2018). De werkdagintensiteit van de ontwikkeling bedraagt daarmee 1.140 verkeersbewegingen. De beoordeling richt zich op het oostelijk deel van de Achterzeedijk en de 3 e Barendrechtseweg. Het verkeer verspreidt zich daarna verder over het omliggend wegennet en is dusdanig verdund dat dit geen significante verkeerskundige invloed meer heeft. Er is vanuit gegaan dat de verkeersafwikkeling zich verdeelt op de Achterzeedijk voor 25% richting het westen en voor 75% richting het oosten. Bij de indeling van het wegennet worden conform het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom) drie categorieën onderscheiden: stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. Voor het bepalen van de capaciteit van beide wegen is uitgegaan van het type ‘gebiedsontsluitingsweg bibeko (binnen bebouwde kom). Dit type weg kent een beschikbare capaciteit van 16.000 tot 32.000 motorvoertuigen per dag.

Uit de beoordeling (tabel 2.3) blijkt dat met de plantoename de beschikbare capaciteit van de wegen zeker niet wordt overschreden. De betreffende wegvakken kunnen het verkeer in de huidige en toekomstige situatie goed verwerken.

Tabel 2.3: Capaciteitsbeoordeling omliggende wegen op basis van verkeersgegevens uit akoestisch onderzoek (prognose 2040).

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

16

3.

Ruimtelijke Ordening

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één Rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet Voorliggend projectgebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Het SVIR (beleid) is opgegaan in de NOVI. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het Bkl wordt dus uitgewerkt in regelgeving op basis van het beleid dat in de NOVI staat. Binnen het plangebied komen geen nationale ruimtelijke belangen voor. Het Barro vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee Bro). De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.

Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt dat vanaf 12 woningen sprake Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

17

is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 290 maatschappelijke/zorg- en wooneenheden. De ontwikkeling moet daarom worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarvoor dus een ladderonderbouwing moet worden gegeven. Behoefte De Zuid-Hollandse Woningbehoefteraming 2019 (WBR2019) geeft voor elke regio inzicht in hoeveel extra woningen er nodig zijn. Voor de periode na 2019 tot 2030 geldt in de regio Rotterdam een gewenste woningvoorraadtoename van 51.310 woningen. Voor de gemeente Barendrecht is een woningvoorraadtoename van 1.910 woningen gewenst. Het belangrijkste gemeentelijke beleidsdocument op het gebied van wonen is de ‘Woonvisie Barendrecht 2023-2027’. De gemeente stelt in de woonvisie ook enkele kwantitatieve doelstellingen. Zo moeten er tot 2031 3.600 woningen worden gerealiseerd. Door middel van nieuwbouw moet bovendien de aansluiting verbeteren tussen de inkomenssamenstelling van de Barendrechtse huishoudens en de prijssegmentering van de woningvoorraad. Daarbij streeft de gemeente de volgende verhouding na: 30% sociaal, 30% middelduur en 40% dure woningen.

De gemeente streeft bovendien naar een inclusieve woningmarkt waar ouderen kunnen leven in een passende woning, en waar er plek is voor alle mensen, ongeacht hun achtergrond, opleiding, inkomen, huishoudensgrootte en zorgbehoefte. Hiermee voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de wensen van de provincie om meer aandacht te hebben voor diverse woonmilieus, waaronder voldoende aanbod aan betaalbare woningen en voor hogere dichtheden. Dit beperkt zich niet alleen tot het stedelijk gebied, maar ook in het landelijk gebied dient te worden gestreefd naar hogere dichtheden. Uitgangspunt blijft wel dat het past bij het woon- en leefklimaat. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een mix van verschillende typen maatschappelijke/zorg- en wooneenheden; zowel koop als huur en in diverse prijsklassen. Ook wordt ruimte geboden voor woningen voor ouderen, met beperkte zorgvoorzieningen. Daarmee wordt de wens gefaciliteerd van een groep inwoners die woningen in een woongroep-achtige omgeving willen realiseren. Op basis van de grote woningvraag in de regio, kan worden geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een behoefte. De ontwikkeling geeft invulling aan de woningbouwopgave voor Barendrecht zoals bepaald in de Zuid-Hollandse Woningbehoefteraming en de gemeentelijke Woonvisie.

Ook wordt uitvoering gegeven aan de behoefte aan verschillende typen woningen, zoals aangegeven in de Woonvisie. Locatie De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats buiten het bestaand stedelijk gebied. De realisatie van Zuidpolder fase 2 voorziet in een waardevolle afronding van het gehele project Zuidpolder. Dit gebied (172 ha) is de afgelopen jaren heringericht. Het realiseren van recreatie, water en natuur vormen de belangrijkste bestanddelen voor dit plan. Om het geheel te kunnen bekostigen worden woonzorgeenheden, seniorenwoningen (maatschappelijk) en reguliere woningen met een klimaatadaptieve inrichting aan het plangebied toegevoegd. Daarmee wordt voorzien in een behoefte, zoals eerder in deze paragraaf beschreven. Om de ontwikkeling in te passen in de omgeving en bij te dragen aan de recreatieve en landschappelijke waarden van het gebied, is een gebiedsvisie opgesteld. De hierin geformuleerde visie en uitgangspunten zijn vervolgens nader uitgewerkt in een beeldkwaliteitsplan. Voorafgaand aan de ontwikkeling heeft de provincie Zuid-Holland aangegeven positief te staan tegenover het initiatief. In oktober 2022 is de Herziening Omgevingsbeleid Module Ruimte en Wonen vastgesteld, waarin het plangebied is opgenomen op de zogenaamde ‘3 ha-kaart’ voor grootschalige woningbouwlocaties buiten stedelijk gebied.

Op de kaart met grote buitenstedelijke Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

18

bouwlocaties, ook wel genoemd ‘3 hectare-kaart’, zijn stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stadsen dorpsgebied aangegeven met een omvang van 3 hectare of meer. Het gaat om woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen (zoals sportvelden). De 3 hectare-kaart maakt onderdeel uit van de Omgevingsverordening (bijlage II, kaart 19). In de verordening is bepaald dat een bestemmingsplan/omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stads- en dorpsgebied met een omvang van 3 hectare of meer, mogelijk kan maken als die ontwikkeling is opgenomen op de 3 hectare-kaart. Het voorliggend plangebied (Zuidpolder) is met een oppervlak van 4 ha opgenomen op de 3 ha-kaart. Daarmee is de ontwikkeling in lijn met het omgevingsbeleid. De maximale footprint van de bebouwing per erf, en de totale maximale footprint zijn opgenomen in tabel 3.1. Het totale oppervlakte aan bebouwing neemt toe met 38.606 m2. Zuidpolder gebruikskaart Huidige situatie Erf Gebouw 1 1a 2 3 4 5 Totaal

3.395 3.405 247 4.419 11.466

Tijdelijke kas? Verharding Groen water totaal 7.186 67 1.248 8.582 273 8.204 252 2.761 1.197 5.088 162 713 5.366 134 573 18.382 349 2.761 3.731 52.808 1.237 17.958

Plannen Erf Te realiseren gebied Tuinen 50% Tuinen 1 4.489 1a 7.598 2 5.593 3 10.265 1.886 943 4 4.298 5 18.613 3.822 1.911 Totaal 50.856 5.708 2.854

-

-

7.253 13.498 8.456 12.613 6.460 23.723 72.003

Gebouw+verharding 4.643 7.363 960 4.992 17.958 *huidige situatie

totaal tbv Watercompensatie totaal tbv 3ha kaart 4.489 4.489 7.598 7.598 5.593 5.593 11.208 12.151 4.298 4.298 20.524 22.435 53.710 56.564 *nieuwe situatie *nieuwe situatie

Tabel 3.1 Toename verharding door planvorming

Afbeelding 3.1 Contourenkaart verharding tbv 3 ha-kaart (bron GKB)

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

Toename tbv watercompensatie Toename tbv 3ha kaart 4.489 4.489 2.955 2.955 5.593 5.593 3.845 4.788 3.338 3.338 15.532 17.443 35.752 38.606

19

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland Oorspronkelijk op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland haar ‘Omgevingsbeleid’ vastgesteld. Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is; de laatste integrale herziening (Herziening 2021) is op 2 februari 2022 door Provinciale Staten vastgesteld en op 15 maart 2022 in werking getreden. Omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Zuid-Holland.

Ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland, schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid‐Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid‐Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid‐Holland. 5. Versterken natuur in Zuid‐Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid‐Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. Ruimtelijke hoofdstructuur De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie, is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur.

Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische beleidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Afbeelding 3.2 geeft de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland weer.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

20

Afbeelding 3.2: Omgevingsvisie Zuid-Holland – ruimtelijke hoofdstructuur.

Uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving: - Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; - Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen, waarin is beschreven welke kwaliteiten in welke gebieden de provincie nastreeft; - Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling, om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie Zuid-Holland geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. Uitgangspunt van het kwaliteitsbeleid is een ‘ja, mits’-beleid: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengebracht in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten, gebiedsprofielen en enkele bepalingen in de omgevingsverordening. De kwaliteitskaart toont de kwaliteitsambities van de provincie. De belangrijke gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland zijn weergegeven in vier lagen: de laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving.

De integrale kwaliteitskaart vat de vier lagen in één kaartbeeld samen. Met behulp van de kwaliteitskaart houden betrokken partijen bij ruimtelijke ingrepen rekening met de gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van een gebied. De kwaliteitskaart biedt randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen, die nader zijn geconcretiseerd in richtpunten. De richtpunten beschrijven de bestaande kenmerken en waarden, en de wijze waarop ruimtelijke ontwikkelingen daarmee rekening kunnen houden. De kwaliteitskaart en bijbehorende richtpunten zijn regionaal vertaald in verschillende gebiedsprofielen. Deze gebiedsprofielen fungeren niet als toetsingskader maar als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. Passende ruimtelijke ontwikkeling Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

21

van het gebied speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is. In dit kader maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening. Doorwerking in het plangebied Het voorliggende plangebied valt binnen het gebiedsprofiel IJsselmonde. Het landschap van OostIJsselmonde bestaat in de basis uit dijken en polders. Karakteristieke dijklinten met een meer kleinschalig, beschut en intiem karakter vormen een mooi contrast met het meer grootschalige, open en agrarische karakter van de achtergelegen polders, met de Waal als een bijzonder landschappelijk incident/element.

Dit profiel is het uitgangspunt als het gaat om het verbeteren van de belevingswaarde van Oost-IJsselmonde. Het plangebied is daarnaast opgenomen in drie kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Rivierdeltacomplex – Jonge zeeklei’. Richtpunt is dat ontwikkelingen bijdragen aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is het plangebied aangeduid als ‘Eilanden en (voormalige) zeearmen). Een aantal Zuid-Hollandse eilanden kent nog steeds een eilandkarakter: omlijst door deltawateren met beperkte verbindingen met de andere eilanden of het vasteland. Ze zijn gelegen in de luwte van de Randstad en vormen landschappelijk een geheel met Zeeland. Ontwikkelingen worden benaderd in het licht van het eiland als geheel, waarbij bijvoorbeeld in VoornePutten en Hoeksche Waard een duidelijk verschil zit tussen de ‘dynamische’ noordrand en het ‘luwe’ zuiden. In de laag van de beleving is het plangebied aangeduid als ‘groene buffers’. Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkeling zijn: • Er vinden geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen plaats in de bufferzone. • Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.

De locatie van de voorgenomen ontwikkeling is zorgvuldig afgewogen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt er ruimte geboden aan natuur en recreatie. Daarnaast wordt de bebouwing zorgvuldig in het landschap ingepast zodat er een zorgvuldig geheel wordt gecreëerd. Met de ontwikkeling worden daarnaast geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen aangetast. Het plan geldt als grootschalige ontwikkeling, maar is in een eerdere fase als gewenst aangemerkt door de provincie. Omgevingsverordening Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Sindsdien zijn verschillende (partiële) herzieningen doorgevoerd. De Herziening 2021 is door Provinciale Staten op 2 februari 2022 vastgesteld. De instructieregels hebben een directe doorwerking in bestemmingsplannen. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende regels van belang.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

22

Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: • de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); • als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo tenminste gelijk blijft door: o zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: • een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van transformeren: de ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit (agrarisch en natuur) maar veroorzaakt wijzigingen op structuurniveau (toevoegen van bebouwing, recreatie- en natuurstructuren). Wanneer sprake is van aanpassen of transformeren moet daarnaast een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze worden gemaakt. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop (lid 4). Het plangebied bestaat in de huidige situatie voornamelijk uit agrarische percelen en braakliggend grasland. Daarnaast ligt het plangebied niet in een gebied waarvoor in de omgevingsverordening een beschermingscategorie is aangewezen.

Op de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit is onder het kopje ‘Omgevingsvisie’ nader ingegaan. De ruimtelijke kwaliteit van de beoogde ontwikkeling is vastgelegd in de gebiedsvisie voor Zuidpolder fase 2. De ontwikkeling is qua stedenbouwkundige structuur, schaal en ontwerp afgestemd op de bebouwing in de omgeving. Stedelijke ontwikkelingen Volgens artikel 6.10 van de omgevingsverordening (Stedelijke ontwikkelingen) gaat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6 Bro (lid 1 sub a). Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 ha nodig is, wordt gebruik gemaakt van de in de omgevingsverordening aangewezen bouwlocaties en criteria (lid 1 sub b). Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling (lid 3).

In de omgevingsverordening is zodoende bepaald dat toepassing moet worden gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking conform het Bro. Daaraan is het aspect van regionale afstemming Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

23

toegevoegd. Het project is opgenomen in de Planmonitor Wonen van de provincie. Voor de voorgenomen ontwikkeling is op de Ladder als onderdeel van het Rijksbeleid nader ingegaan in paragraaf 3.1. 3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Visie op Barendrecht 2025 De gemeente Barendrecht heeft op 2 juli 2012 haar gemeentelijke structuurvisie vastgesteld. In de afgelopen jaren is Barendrecht sterk gegroeid, maar met de afronding van Carnisselande en het invullen van de Lagewei Vrouwenpolder komt hier een einde aan. De ambitie is om tot 2025 door te groeien naar ongeveer 50.000 inwoners. Barendrecht kiest er voor om een aantrekkelijke woongemeente te blijven, met een vitale economie, waarbij de cohesie tussen mensen wordt versterkt. Omdat de ruimtelijke structuur van Barendrecht voor een groot gedeelte vastligt, is het een uitdaging daar waar mogelijk te sturen op ruimtelijke ontwikkelingen en deze bij te laten dragen aan een sterke regionale positie, een aantrekkelijke woonomgeving, een sterke economie, een groen karakter en een sterke sociale cohesie tussen mensen. De ambitie daarbij is telkens om het hoge kwaliteitsniveau van wonen, werken, voorzieningen, groen en alles wat verder bijdraagt aan de kwaliteit van samenleven in Barendrecht, vast te houden en waar mogelijk uit te bouwen. In de structuurvisie wordt gesproken over de herinrichting van de Zuidpolder teneinde een gevarieerd aanbod aan extensieve recreatie en natuur te kunnen bieden aan de inwoners van Barendrecht.

Het uitgangspunt in 2012 was een geleidelijke transformatie van het agrarisch landschap en nog aanwezige kassen en bedrijven naar in het gebied passende recreatieve functies die landschappelijk goed zijn ingepast. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van zes percelen binnen de Zuidpolder. Recreatie, water en natuur vormen de belangrijkste bestanddelen voor het plan. Om het geheel te kunnen bekostigen dienen er echter ook woningen en maatschappelijke functies toegevoegd te worden. De voorliggende visie geeft zo invulling aan de doelen uit de structuurvisie. 3.3.2 Toekomstvisie ‘Samen bouwen aan Barendrecht’ In 2008 is een duidelijke koers bepaald voor de gemeente, neergelegd in “Barendrecht investeert in ontmoeting”, visie op Barendrecht 2025. In de tijd tussen 2008 en 2017 is veel veranderd en verschillende ontwikkelingen maakten het nodig om opnieuw het gesprek aan te gaan over de toekomst van Barendrecht. Naar aanleiding hiervan is begin 2018 de visie ‘Samen Bouwen aan Barendrecht’ vastgesteld. Door middel van deze visie maakt de gemeente de kansen en ontwikkelingen inzichtelijk waar de gemeente de komende jaren mee te maken krijgt. De visie is een leidraad en het toetsingskader voor alle gemeentelijke beleidsterreinen. Daarnaast geeft de visie een politiek draagvlak voor te maken beleidskeuzes in de toekomst.

Ten slotte geeft de visie een duidelijke koers aan voor de bestuurlijke en ambtelijke organisatie. Het is een levend document en is niet uitputtend. De visie kan richting geven aan het nieuwe coalitieakkoord. De toekomstvisie vormt bovendien input voor de omgevingsvisie, die momenteel wordt opgesteld. Voor wat betreft het thema ‘Wonen’ wordt in de visie ingezet op de onderwerpen duurzaamheid (bewust gebruik van energie), groen en recreatie (mooie veilige wijken) en wonen (woningen voor iedereen). In de toekomstvisie worden geen specifieke uitspraken gedaan over de Zuidpolder. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in nieuwe woningen in een groene, recreatieve omgeving. Daarnaast wordt er volop ingezet op duurzaamheid, er wordt onderzocht of het mogelijk is om een gemeenschappelijke Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

24

energieopwekking te realiseren, er is aandacht voor biodiversiteit en de verschillende typologieën woningen zorgen voor doorstroommogelijkheden binnen de erven. Hiermee is de ontwikkeling passend binnen de strategische doelen uit de toekomstvisie. 3.3.2 Woonvisie Barendrecht 2023-2027 In navolging van de Woonvisie 2016-2025 is de Woonvisie 2023-2027 vastgesteld. De wens om alle Barendrechters in alle levensfasen een kwalitatief goede en financieel passende woning te bieden, resulteert in een woonopgave naar prijs en kwaliteit. Bij het realiseren van balans tussen vraag en aanbod zijn het lokale beleid en de regionale woningmarktafspraken belangrijke uitgangspunten. Met enerzijds een dynamische vraag vanuit de bevolking en anderzijds een overwegend statisch aanbod van de woningvoorraad is het verkrijgen van balans een uitdaging. Daarnaast blijft er, zelfs als er geen sprake is van kwantitatieve schaarste, altijd sprake van kwalitatieve schaarste. Barendrecht is een aantrekkelijke gemeente met een suburbaan woonmilieu. De gemeente zet voor een groot deel in op een suburbaan grondgebonden woonmilieu (vooral eengezinswoningen) en een suburbaan exclusief woonmilieu (vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen) op locaties waar daarvoor de potentie aanwezig is.

In het in 2022 vastgestelde geactualiseerde Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam is met de regio en de Provincie afgesproken dat Barendrecht in de periode 2021-2031 circa 3.600 woningen bouwt waarvan 30% sociaal, 30% betaalbaar en 40% duur. In 2022 heeft de gemeente de zelfbewoningsplicht ingesteld voor nieuwbouwkoopwoningen <€355.000 (prijspeil 2023): Beleidsregel zelfbewoningsplicht nieuwbouwkoopwoningen. Op deze manier kan worden voorkomen dat koopwoningen worden gekocht om tegen te hoge prijzen te verhuren. Voor betaalbare koopwoningen <€355.000 geldt eveneens, zodra de Huisvestingswet dat mogelijk maakt, dat 50% met voorrang aan Barendrechters wordt aangeboden. Op deze locatie is er potentie voor de realisatie van een suburbaan exclusief woonmilieu waarmee een kwalitatieve bijdrage wordt geleverd aan de woonopgave van Barendrecht. Met name de vergrijzing zorgt nog steeds voor een toenemende vraag naar zorg. Veelal kan zorg in reguliere woningen worden geleverd maar er is ook vraag naar zorgwoningen. Ook hiervoor biedt deze locatie mogelijkheden. Concreet voorziet voorgenomen ontwikkeling in de ontwikkeling van maximaal 290 maatschappelijke/zorg- en wooneenheden. Maximaal 106 grondgebonden woningen (37% van het totaal) zullen ‘reguliere’ woningen zijn. 22 woningen worden in de categorie betaalbaar (<€355.000) gerealiseerd (21% van de woningen).

53 woningen (50%) worden in de categorie midden (>€355.000 en <€405.000) gerealiseerd. 31 woningen (29%) worden in de categorie duur gerealiseerd (>€405.000). De overige woningen (63%) vallen onder zorg, dan wel maatschappelijk (seniorenwoningen). Daarmee sluit voorliggende ontwikkeling aan op de verschillende hierboven beschreven uitgangspunten van de gemeente Barendrecht. Er is potentie voor de realisatie van een exclusief suburbaan woonmilieu op de locatie, waarmee een kwalitatieve bijdrage wordt geleverd aan de woonopgave uit de Woonvisie Barendrecht. 3.3.3 Landschapspark eiland IJsselmonde Door de Landschapstafel IJsselmonde is een visie op het buitengebied gemaakt. Dit is een visiedocument op de thema’s groen, landschap en recreatie op IJsselmonde. Er zijn 3 hoofdthema’s benoemd: Natuurlijk IJsselmonde gaat over het versterken van de biodiversiteit en de landschappelijke kwaliteit. Bestemming IJsselmonde heeft tot doel om recreatieve plekken te realiseren voor de Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

25

verstedelijkte delen van het eiland. Bereikbaar IJsselmonde gaat over het verbeteren van de verbindingen tussen gebieden. De Zuidpolder is een belangrijke schakel voor alle drie de doelen. Mooi IJsselmonde Het doel bij de uitvoering van deze visie is: het gebied IJsselmonde te ontwikkelen tot een aantrekkelijk gebied waar met plezier en tevredenheid wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd. In dit inspiratiedocument worden richtlijnen meegeven voor nieuw bebouwing op IJsselmonde. De betreffende richtlijnen zijn ook van toepassing op de plannen in de Zuidpolder. 3.3.4 Barendrechts buitenboek Met het Barendrechts Buitenboek wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied vergroten door het landschap, de bebouwing en het recreatieve programma met elkaar te integreren. Het kwaliteitsdocument moet leiden tot gebieden met een sterke eigen identiteit, waar een relatie bestaat met het onderliggende landschap en de cultuurhistorisch waardevolle elementen. De Zuidpolder is onderdeel van het buitengebied. De bebouwing zal zich daarom moeten voegen naar het landschap. In het ontwerp wordt rekening gehouden met de inpassing van bebouwing die ontsloten wordt via de Achterzeedijk. Hierbij wordt voortgebouwd op een verdichting van de Achterzeedijk in de vorm van landelijke erven. Deze erven passen bij het ruimtelijk beeld en de historische structuur van bouwen in de polder.

Het historische agrarische karakter wordt zo benadrukt. Bij het inpassen van de erven wordt rekening gehouden met de uitgangspunten volgens Barendrechts Buitenboek. 3.3.5 Uitvoeringsprogramma duurzaam energiebeleid Als nadere uitwerking van het Schetsplan Duurzaam Energiebeleid is het Uitvoeringsprogramma Energiebeleid Barendrecht opgesteld. Het duurzaam energiebeleid heeft voor 2030 vier pijlers of aandachtsgebieden, te weten: 40% energie besparen, 60% duurzame warmte inzetten, 60% duurzame stroom opwekken, en mobiliteit op basis van een 100% duurzame brandstof mix. Om dit te realiseren is een aantal activiteiten en projecten benoemd, toegespitst op de verschillende sectoren in de samenleving. Het college heeft de gemeenteraad geadviseerd dit Schetsplan nader uit te werken en de projecten nader te specificeren. Dat is gedaan in dit Uitvoeringsprogramma Duurzaam Energiebeleid, wat kan worden beschouwd als een plan van aanpak voor de komende jaren. Hierbij is de nodige flexibiliteit ingebouwd voor fasering en prioritering van activiteiten en technologisch oplossingen. 3.3.6 Strategie Klimaatadaptatie 2022-2026 In de Strategie Klimaatadaptatie 2022-2026 worden de kerndoelen en handelingsperspectieven voor de Gemeente Barendrecht en haar inwoners omschreven. De gemeente Barendrecht wil de klimaatverandering zoveel mogelijk beperken.

De gemeente Barendrecht volgt het nationale Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. Doel hiervan is om het bebouwde gebied in Nederland, dus ook in Barendrecht, zo goed mogelijk ‘waterrobuust’ en klimaatbestendig in te richten zodat vitale en kwetsbare objecten zo min mogelijk last ondervinden van de klimaatverandering. De kerndoelen worden als volgt omschreven: • “We zijn waterrobuust en klimaatbestendig” • “We hebben een leefbare en gezonde leefomgeving” De handelingsperspectieven worden als volgt omschreven: • “Werken aan waterrobuuste omgeving“ Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

26

•

•

•

•

•

Grote delen van IJsselmonde liggen onder de zeespiegel. Dit maakt de gemeente kwetsbaar voor overstromingen vanuit de Noordzee en de rivieren die het eiland IJsselmonde omsingelen. Dit gaat de gemeente doen: De risico’s op overstromingen verkleinen en voldoen aan landelijke normen. In de openbare ruimte rekening houden met mogelijke overstromingen. Daar waar nodig, die ruimte aanpassen. Het behouden en versterken van het huidige systeem van compartimenten aan primaire en secundaire dijken om te beschermen tegen overstromingen. Inzetten op bewustwording van inwoners om meer zelfredzaam te zijn voor het geval het wel fout gaat. Een natuurlijkere waterkringloop De waterkringloop wordt gevormd door rivieren, oude kreken, hoofdwatergangen, sloten, singels, waterplassen en vijvers. De huidige waterkringloop kenmerkt zich nu door verstening van het omliggende oppervlak waardoor de waterkringloop minder goed functioneert als afvoersysteem van het (regen)water. Dit gaat de gemeente doen: Waar mogelijk de verstoorde kringloop herstellen om wateroverlast door extreme buien aan te kunnen. Dit doet de gemeente samen met het waterschap Hollandse Delta. Alle nieuwbouw klimaatadaptief Er ligt een enorme opgave voor het realiseren van nieuwe woningen. Dit gaat de gemeente doen: Het opleveren van deze woningen waar mogelijk en gewenst zowel energieneutraal als klimaatadaptief (‘klimaatproof’).

Klimaatadaptief inrichten van stedelijk gebied In het stedelijk gebied beter omgaan met de gevolgen van een mogelijke overstroming, wateroverlast, hittestress en/of droogte. Klimaatbestendig landelijk gebied Door de uitdijende wijken is veel natuurlijk landschap verloren gegaan. Dit komt de waterrobuustheid en klimaatbetsendigheid niet ten goede. We gaan ruimte creëren voor activiteiten in het groen. Dit moeten koele plekken worden voor inwoners om te kunnen recreëren. Daarnaast is het gelijk een plek waarbij de biodiversiteit kan worden versterkt en vergroot. Werken aan een gezonde leefomgeving De klimaatverandering heeft gevolgen voor de gezondheid. Hittestress zorgt ervoor dat de gevoelstemperatuur sterk stijgt, waardoor meer inwoners overlast ervaren. Het kan zelfs leiden tot een tijdelijke oversterfte. We leren om te gaan met de hittestress en maken daarvoor een lokaal hitteplan. Daarnaast onderzoeken we hoe we om kunnen gaan met andere negatieve effecten die ontstaan door klimaatverandering.

De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de strategie klimaatadaptatie 2022 – 2026. In de gebiedsvisie Zuidpolder fase 2 wordt veel aandacht besteed aan klimaatadaptieve maatregelen. Het plan wordt ontwikkeld om bij te dragen aan de doelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit en biodiversiteit. De klimaatbuffer draagt met de voorgestelde inrichting bij aan de ontwikkeling en het beheer van landwaterovergangen en kruiden- en faunarijk(e) grasland en bos. Daarnaast wordt er ingezet op het vergroten van de biodiversiteit op en rond de woningen en worden de uitgangspunten energieneutraliteit en natuurinclusiviteit nagestreefd. De bestaande watergangen in het plangebied blijven deels behouden. Daarnaast vindt watercompensatie plaats. Voor een uitgebreide beschrijving van het watersysteem wordt verwezen naar paragraaf 5.2. 3.4

Conclusie Gezien het voorgaande vormen het rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

27

4

Natuur

4.1

Kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.

4.1.1 Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.

Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14547329/1