CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

B33 Toetsingsadvies Commissie mer

gemeenteraad 19 december 2023, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Bestemmingsplan De Stationstuinen 1ste fase5.217 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Stationstuinen Barendrecht Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 8 juni 2023 / projectnummer: 3686

1

Advies over het MER in het kort De gemeente Barendrecht wil het gebied ten oosten van station Barendrecht ontwikkelen van een bedrijventerrein naar een gemengd woon-werkgebied: De Stationstuinen. In het gebied worden circa 3.500 woningen, voorzieningen en bedrijven gerealiseerd, inclusief de benodigde aanpassingen aan de wegenstructuur en waterhuishouding. Voor de besluitvorming hierover is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeenteraad van Barendrecht heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.

Wat blijkt uit het MER? Het MER maakt onderscheid in fase 1 – waarin 800 woningen en een gedeelte van de voorzieningen worden gerealiseerd – en de overige fasen van ontwikkeling. Voor fase 1 dient het MER als concreet toetsingskader, voor de totale ontwikkeling beschrijft het MER de effecten op hoofdlijnen. Doel daarvan is het inzichtelijk maken van cumulatieve effecten en het signaleren van knelpunten en aandachtspunten voor de verdere uitwerking. Uit het MER blijkt dat daarbij vooral aandacht nodig is voor duurzame mobiliteit, geluid, waterhuishouding en een goede fasering met het oog op tijdelijke effecten. Het MER vergelijkt geen alternatieven voor de gebiedsontwikkeling, maar wel enkele varianten voor de invulling van duurzame mobiliteit. Veel keuzes voor de daadwerkelijke invulling zullen nog per deelgebied worden gemaakt. Hiervoor is aanvullend onderzoek aangekondigd. Volgens het MER zijn de negatieve milieueffecten beperkt en zijn door nadere keuzes en spelregels op veel criteria positieve effecten haalbaar. Alleen bij verkeersafwikkeling en bodem resteert een licht negatief effect. Vanwege de onzekerheden over de daadwerkelijke invulling en de fasering daarvan wordt monitoring als belangrijk gezien.

Figuur 1: plangebied De Stationstuinen (bron: MER).

-1-

Wat is het advies van de Commissie? Het MER is prettig leesbaar en logisch opgebouwd. Het feit dat het MER wordt gebruikt om spelregels vast te stellen en nadere keuzes te maken om het plan te optimaliseren geeft het rapport een belangrijke meerwaarde. De eerder opgestelde gebiedsvisie1 beschrijft de ambities en uitgangspunten voor de ontwikkeling. Dit laat zien dat de gemeente ruimte wil geven aan groen en klimaatadaptatie, prioriteit geeft aan duurzame mobiliteit en hoge eisen stelt aan duurzaamheid en een gezonde en veilige leefomgeving. Het MER is ter inzage gelegd bij het ontwerpbestemmingsplan voor fase 1, waarvan de invulling concreet is. De invulling van de overige deelgebieden is nog voor een groot deel onzeker, onder andere omdat zich binnen het gebied nog een aantal bedrijven bevindt en omdat ambities voor de gebiedsontwikkeling nog niet concreet zijn gemaakt. Het MER moet echter wel de effecten van de gehele gebiedsontwikkeling beschrijven.2 Dit maakt het beoordelen van de effecten in het MER complex. Rekening houdend met de onzekerheden moet het MER nu aannemelijk maken dat de gehele ontwikkeling en de daarvoor geformuleerde ambities realiseerbaar zijn, en daarvoor de benodigde maatregelen en/of randvoorwaarden voldoende scherp inzichtelijk maken. Tegen deze achtergrond signaleert de Commissie dat in het MER nog belangrijke informatie ontbreekt.

Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over het bestemmingsplan, in samenhang met de totale ontwikkeling. Het gaat om de volgende punten: 

Haalbaarheid ambities en alternatieven. Onderbouwing van de haalbaarheid van de ambities in samenhang met de benodigde ruimte voor woningen, maatschappelijke voorzieningen, infrastructuur, waterhuishouding, klimaatadaptatie, energievoorziening en gezondheid, én mogelijke alternatieven voor het realiseren daarvan.

Ruimte voor water en klimaatadaptatie. Onderbouwing van de noodzakelijke waterhuishoudkundige maatregelen voor fase 1, inzicht in de benodigde ruimte voor het watersysteem, inclusief klimaatadaptatiemaatregelen en groen in het totale gebied en een (globale) beoordeling van de mogelijke gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit.

Duurzame mobiliteit en verkeerseffecten. Onderbouwing van de mogelijkheden om de ambities voor duurzame mobiliteit te realiseren en van de uitgangspunten voor de verkeersberekeningen.

Gezondheid. Meer inzicht in de (ontwikkeling van de) effecten (milieucontouren) van de bedrijven in en rond het plangebied, de effecten van geluidbelasting op hoogbouw, de effecten van geur en de noodzakelijke maatregelen om de ambities voor gezondheidsbescherming en -bevordering te realiseren.

Effecten op natuur door stikstofdepositie. Een navolgbare stikstofberekening waaruit blijkt dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden.

1

Gebiedsvisie ‘De Stationstuinen Barendrecht’, 19 november 2020. Deze is op 15 december 2020 unaniem vastgesteld door

2

Na vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan voor fase 1 is de m.e.r.-plicht voor de totale ontwikkeling juridisch

de gemeenteraad.

gezien verwerkt. Dit is dus het laatste moment in het besluitvormingsproces voor De Stationstuinen waarop de

milieueffecten en het inpassen van de ambities op het niveau van het plangebied worden onderzocht, en het laatste moment waarop bewoners en andere belanghebbenden op het MER kunnen reageren.

-2-

De Commissie adviseert om deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject. Aanleiding MER Voor de ontwikkeling van De Stationstuinen is een gebiedsvisie opgesteld. Uitgangspunt is dat in het gebied in verschillende fasen circa 3.500 woningen en 8.500 m2 bedrijfsoppervlak worden gerealiseerd. Voor de eerste fase van de ontwikkeling (circa 800 woningen en een aantal voorzieningen) wordt nu besloten in een bestemmingsplan. Voor de besluitvorming hierover is een project-MER opgesteld. Omdat de totale ontwikkeling bestaat uit meer dan 2.000 woningen, is de ontwikkeling op grond van categorie D11.2 (stedelijke ontwikkeling) van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-beoordelingsplichtig. Het MER beschrijft op hoofdlijnen ook de effecten van de totale ontwikkeling. Op basis hiervan worden spelregels opgesteld voor de volgende fasen van ontwikkeling. Ook bij de uitwerking van de volgende bestemmingsplannen of omgevingsplannen is het in beeld brengen van de milieugevolgen essentieel. Dat betekent dat de effecten voor die gebieden nog gedetailleerd in beeld gebracht moeten worden. Dat kan bijvoorbeeld in aanvulling op en actualisatie van het onderhavige MER.

Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Barendrecht - besluit over het bestemmingsplan. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3686 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

-3-

2

Toelichting op het oordeel In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeente Barendrecht. Aanbevelingen die niet in een kader staan zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming - nu en in de toekomst - te verbeteren.

2.1

Ambities, fasering en onzekerheden Ambities voor de gebiedsontwikkeling zijn niet nog concreet De gebiedsvisie voor De Stationstuinen bevat hoge ambities voor onder andere gezondheid, groen, klimaatadaptatie, duurzaamheid en duurzame mobiliteit. Het MER geeft aan dat deze ambities op hoofdlijnen zijn beschreven, maar nog niet concreet zijn gemaakt. Verschillende achterliggende documenten, zoals de ‘Eindnota Gezonde Publieke Ruimte’ en het ‘Ambitiedocument voor klimaatadaptatie’3 geven hiervoor wel concrete handvatten. Doordat de ambities nog niet concreet zijn, is uit het MER nog niet altijd duidelijk wat de wensen en eisen vanuit de gemeente voor deze nieuwe wijk zijn. Mede omdat bij de ontwikkeling een grote particuliere initiatiefnemer betrokken is, is het belangrijk om de ambities goed te borgen. Gegeven de fasering van de besluitvorming en het abstractieniveau van de ambities is het ‘doelbereik’ (de mate waarin ambities gerealiseerd kunnen worden) van het voornemen nog erg onzeker. Het risico bestaat dat de beoordeling in het MER te optimistisch is. Het MER geeft aan dat voor de ontwikkeling van de verschillende deelgebieden nader onderzoek moet worden uitgevoerd en dat gemonitord zal worden in hoeverre aan de ambities voldaan wordt. Op basis daarvan kunnen ontwikkelingen door de gemeente worden bijgestuurd.

Terecht geeft het MER aan dat daarvoor concretisering van de ambities noodzakelijk is.

Gefaseerde ontwikkeling leidt tot onzekerheden De Stationstuinen worden binnen 10 tot 15 jaar ontwikkeld van een bedrijventerrein naar een gemengd gebied voor wonen en werken. De ontwikkeling is opgesplitst in deelgebieden, waarvoor afzonderlijke bestemmingsplannen of omgevingsplannen in procedure worden gebracht. Het totale programma is nog in ontwikkeling, waardoor het maximale aantal woningen, het type woningen en voorzieningen en de verdeling daarvan over het gebied nog niet vaststaat.4 Dit brengt diverse onzekerheden met zich mee, die ook van invloed (kunnen) zijn op de milieueffecten: 

Conflicterende ruimteclaims in het plangebied. Omdat het totale programma nog onzeker is, is nog onduidelijk welke ruimte er nodig is voor woningen, maatschappelijke voorzieningen, infrastructuur, waterhuishouding, klimaatadaptatie, groen, ontmoetingsen speelplekken en energievoorziening. Dit kan leiden tot beperking van het programma (minder woningen) of tot verdichting en/of hogere bouwhoogtes. Het is onzeker wat de

3

De gemeente heeft aangegeven dat dit ambitiedocument is vastgesteld nadat het MER voor De Stationstuinen was

4

Het MER is niet eenduidig over het beoogde aantal woningen in de Stationstuinen. Soms wordt gesproken over maximaal

opgesteld.

3.500 woningen, soms over circa 3.500. De optelling van de verschillende fasen van ontwikkeling leidt tot hogere aantallen. Tijdens het locatiebezoek heeft de gemeente toegelicht dat het aantal woningen nog niet vastligt.

-4-

gevolgen hiervan zijn voor de hoge ambities uit de gebiedsvisie. Het MER bevat wel een gevoeligheidsanalyse voor ‘uitbreiding van het programma’, maar deze is zeer beknopt. 

Onzekerheid over milieuruimte. In en rondom het plangebied bevinden zich verschillende bedrijven, die in meer of mindere mate voor milieueffecten (vooral geur en geluid) zorgen. Uit het MER wordt niet duidelijk welke effecten deze bedrijven op dit moment hebben en hoe dit zich zal ontwikkelen. Daarvoor is nog nader onderzoek nodig. Sommige bedrijven worden verplaatst, maar het is niet altijd duidelijk wanneer dit plaatsvindt, welke bedrijven gehandhaafd blijven en welke relevante ontwikkelingen zich kunnen voordoen in de omgeving.5 Daarbij is ook relevant dat latere fasen van de ontwikkeling gevolgen kunnen hebben voor nieuwe bewoners die al in eerdere fasen in het gebied komen wonen/werken.

Spelregelkader geeft onvoldoende houvast Omdat een groot deel van de invulling nog onzeker is, wordt door de gemeente een spelregelkader ontwikkeld, waaraan plannen voor volgende fasen getoetst zullen worden. Het MER moet hiervoor de benodigde informatie - over potentiële effecten en benodigde maatregelen - leveren. Gezien de grote mate van onzekerheid worden deze spelregels cruciaal om effecten te beperken en ambities te realiseren. De Commissie constateert dat het MER voor verschillende thema’s spelregels en ‘nadere keuzes’ bevat, maar dat deze veelal weinig concreet zijn en dat niet alle ambities daarin terugkomen. Vaak bestaan spelregels uit ‘nader onderzoek’, zonder dat duidelijk is wat dat onderzoek inhoudt en welke invloed de resultaten kunnen hebben op de inrichting van de deelgebieden. Ook ontbreken sommige eisen uit het ‘Convenant klimaatadaptief bouwen’ en zijn ambities uit de ‘Eindnota Gezonde Publieke Ruimte Stationstuinen’ niet op een herkenbare manier meegenomen. Daardoor is volgens de Commissie onvoldoende verzekerd dat de ambities haalbaar zijn, gegeven het beoogde programma en de onzekerheden daarin. De Commissie vindt het essentieel dat het MER voor de totale ontwikkeling minimaal een onderbouwing geeft van de benodigde ruimte en andere voorwaarden die voortvloeien uit de ambities voor de gebiedsontwikkeling.

Het ligt voor de hand dat er verschillende mogelijkheden (alternatieven) zijn om deze ruimte in vullen. Daarmee ontstaat ook zicht op de mate waarin ambities en ruimtevragende functies met elkaar kunnen conflicteren en kan worden beoordeeld of het ‘voorkeursalternatief’ realistisch is. Met sommige onderzoeken die in de spelregels zijn aangekondigd, kan volgens de Commissie niet worden gewacht tot de nadere uitwerking van de deelgebieden, omdat deze bepalend kunnen zijn voor het realiseren van het voorkeursalternatief en de ambities. In de volgende paragrafen gaat de Commissie hierop per thema in. In aansluiting daarop vindt de Commissie het essentieel dat het MER concreet maakt welke partij(en) verantwoordelijk is voor het uitvoeren van deze onderzoeken en hoe de resultaten hiervan worden vertaald naar spelregels en toetsingscriteria voor de gebiedsontwikkeling. Zo lang deze onderzoeken niet zijn uitgevoerd, beveelt de Commissie aan om aanvullende maatregelen ‘achter de hand’ te houden.

5

Het MER geeft weinig informatie over de bedrijven op het naastgelegen bedrijventerrein Veren Ambacht en ontwikkelingen die zich daar kunnen voordoen. Verder zullen verschillende bedrijven verplaatst worden naar het bedrijventerrein Nieuw

Reijerwaard. Het is niet duidelijk of bedrijven uit het plangebied daadwerkelijk naar dit bedrijventerrein kunnen verplaatsen. Of daarvoor een vergunning kan worden verkregen kan bijvoorbeeld afhankelijk zijn van stikstofemissies.

-5-

De Commissie adviseert om, voordat een besluit wordt genomen over het bestemmingsplan voor fase 1, in een aanvulling op het MER: 

Een onderbouwing te geven van de haalbaarheid van de ambities en de minimaal benodigde ruimte voor het realiseren daarvan, in samenhang met de benodigde ruimte voor woningen, maatschappelijke voorzieningen, infrastructuur, waterhuishouding, klimaatadaptatie, energievoorziening en gezondheid.

Op hoofdlijnen aan te geven welke alternatieve invullingen voor de ontwikkeling van de deelgebieden er zijn om de ambities waar te maken, ook tijdens de realisatiefase.

Een overzicht te geven van de nog uit te voeren onderzoeken, wie daarvoor verantwoordelijk is en hoe de resultaten worden getoetst en gebruikt in het vervolgproces.

2.2

Water, bodem en klimaatadaptatie De effecten op water, bodem en klimaatadaptatie zijn wel in het MER beschreven, maar door de gehanteerde indeling in thema’s en criteria is het lastig om goed overzicht te krijgen en is de effectbeoordeling niet altijd goed navolgbaar.6 Mede hierdoor is niet helder welke rol de eisen uit het ‘Convenant klimaatadaptief bouwen’ hebben gespeeld bij de effectbeoordeling.7 Voor de totale ontwikkeling zijn verschillende wijzigingen in het watersysteem voorzien. Hoewel de meest ingrijpende wijzigingen – waaronder het verplaatsen van de primaire watergang – in latere fasen plaatsvinden, is dit ook voor fase 1 relevant. De woningen en voorzieningen worden ontwikkeld in een gebied waarbinnen zich het huidige hoofdwatersysteem bevindt. Er wordt een tijdelijke situatie gerealiseerd als voorbereiding op het toekomstige systeem én als compensatie van de waterbergingsopgave van fase 1. Onduidelijk is hoe de tijdelijke situatie aansluit op het huidige hoofdwatersysteem en of dat voldoet aan de eisen voor water en klimaatadaptatie. Op dit moment is er ook nog geen goed beeld van het grondwatersysteem. Daardoor is onduidelijk in welke mate wateroverlast kan optreden en welke maatregelen nodig zijn om dit te voorkomen zoals ophoging, creëren van waterberging en/of technische maatregelen.

Om die reden kan het in de spelregels aangekondigde grondwateronderzoek en het onderzoek naar de bestaande kunstwerken volgens de Commissie niet worden doorgeschoven. 8 De waterhuishouding voor de totale ontwikkeling wordt in volgende fasen verder uitgewerkt. Daarmee kan flexibel worden ingespeeld op de uitwerking van de deelgebieden. De Commissie vindt het echter – vanuit het uitgangspunt dat water en bodem sturend moeten zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen9 - essentieel dat het MER nu al op hoofdlijnen aangeeft

6

Zo is klimaatadaptatie deels geïntegreerd onder het thema ‘waterstaat’ en deels apart. Wateroverlast wordt deels behandeld onder 'klimaatadaptie’ en deels onder 'waterstaat' of 'bodem en ondergrond’. Ook is de gebruikte terminologie niet altijd eenduidig en de gehanteerde indeling niet consequent.

7

Er wordt meerdere keren gesteld dat het plangebied/de ontwikkeling moet voldoen aan de minimale eisen in het

8

Onderzoek is nodig naar grondwaterstanden, bergings- en infiltratiecapaciteit van de bodem, bergings- en afvoercapciteit

Convenant, maar de onderbouwing of hieraan wordt voldaan is niet altijd goed navolgbaar of incompleet.

van het hoofdwatersysteem en de afwatering naar het hoofdwatersysteem. Er is inzicht nodig in de waterbalans in natte en

droge condities: hoeveel water komt het gebied in (aanvoer van 'bovenstrooms’ en neerslag), hoeveel water past er in het in het gebied (oppervlaktewater, bergingslocaties en grondwater) en hoeveel gaat het gebied uit (afvoer benedenstrooms en

verdamping). Als fase 1 ontwikkeld wordt voordat het hoofdwatersysteem wordt aangelegd moet dit niet alleen inzichtelijk

zijn voor de inpassing in de geplande ontwikkeling, maar ook voor de tijdelijke situatie waarin ‘fase 1’ nog met het huidige watersysteem moet functioneren.

9

Zie de ‘Kamerbrief Water en bodem sturend’ van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, 25 november 2022

-6-

welke ruimte nodig is voor het watersysteem en hoe dit gaat functioneren, rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering en de ambities voor de gebiedsontwikkeling.10 De effecten op de waterkwaliteit zijn beperkt getoetst. Er wordt alleen gesteld dat de herinrichting van de waterstructuur en het verdwijnen van de lange duiker leiden tot positieve effecten op de waterkwaliteit.11 De mogelijke effecten van de totale ontwikkeling op de (grond)waterkwaliteit zijn nog niet beoordeeld. Het waterbeheerprogramma van het waterschap geeft aan dat de waterkwaliteit in ieder geval niet achteruit mag gaan en noemt daarbij als speerpunten het verbeteren van de waternatuur en een gezond ecologisch evenwicht en het verbeteren van de visstand. De Commissie adviseert om, voordat een besluit wordt genomen over het bestemmingsplan voor fase 1, in een aanvulling op het MER: 

Inzicht te geven in de benodigde waterhuishoudkundige maatregelen voor fase 1, op basis van grondwateronderzoek en onderzoek naar bestaande kunstwerken.

Inzicht te geven in de minimale benodigde ruimte voor het watersysteem, inclusief klimaatadaptatiemaatregelen en groen, in het totale gebied. Relateer dit aan de ambities uit de gebiedsvisie, het ‘Convenant klimaatadaptief bouwen’ en het ‘Ambitiedocument voor klimaatadaptatie’.

Een globale beoordeling (risico-inschatting) te geven van de mogelijke gevolgen van de gebiedsontwikkeling voor de (grond)waterkwaliteit en maatregelen te benoemen om deze te voorkomen.

2.3

Mobiliteit Duurzame mobiliteit Uit het MER blijkt dat er hoge ambities gelden voor duurzame mobiliteit in het plangebied. Zo wordt gestreefd naar een autoluwe en gedeeltelijk autovrije wijk met een relatief lage parkeernorm en een lage maximumsnelheid voor autoverkeer. Om parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen worden ‘flankerende maatregelen’ toegepast. Dit heeft mogelijk gevolgen buiten het plangebied, bijvoorbeeld omdat daar betaald parkeren wordt ingevoerd. In het MER is een aantal varianten onderzocht met het oog op de duurzame mobiliteit. De Commissie constateert dat de verschillen tussen de varianten ‘autoluw’, ‘autovrij’ en ‘autovrij+’ in de effecten op de modal split klein zijn. Er lijkt weinig aandacht te zijn besteed aan het verbeteren van voorzieningen voor OV en fiets. Verder valt op dat overal in het plangebied wordt uitgegaan van dezelfde parkeernorm, terwijl aantallen en typen woningen per deelgebied sterk kunnen verschillen. Het ligt voor de hand om daarmee bij het vaststellen van parkeernormen rekening te houden.

10

Denk daarbij aan dimensionering van het watersysteem, voldoende ruimte voor waterberging, afwatering van verhard

oppervlak naar de watergangen en waterbergingen, het vasthouden van water (met het oog op droge perioden), ruimte voor groen, met het oog op ambities voor biodiversiteit, leefbaarheid en gezondheid (voorkomen van hittestress) en het beschermen van vitale en kwetsbare objecten en infrastructuur (zoals wegen, energievoorziening, telecom,

drinkwatervoorziening en zorginstellingen). In verband met het overstromingsrisico is ook aandacht nodig voor evacuatieroutes naar veilige (niet overstroombare) locaties. 11

In Hoofdstuk 5 staat daar nog de volgende kanttekening bij: "De aanwezige veenlaag vormt een aandachtspunt bij het

vergraven van nieuwe watergangen. Dit kan leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit (eutrofiering). Dit kan voorkomen of beperkt worden door nieuwe watergangen natuurvriendelijk in te richten." Dat moet dan wel als duidelijke ontwerpeis gelden voor de herinrichting van het watersysteem.

-7-

Verkeersbewegingen en verkeersveiligheid Uit het MER is niet goed af te leiden hoeveel verkeersbewegingen worden gegenereerd per ontwikkelingsfase. Toenames van intensiteiten op de verschillende wegvakken lijken laag ingeschat. In de rapportage ‘Herijking Stationstuinen, verkeersberekeningen’ is aangegeven dat de intensiteiten voor de kruispuntberekeningen zijn opgehoogd met 20% (10% voor IJsselmondse knoop) vanwege mogelijke onderschatting van de verkeerscijfers in het verkeersmodel. Het is onduidelijk of dit ook gebeurd is met de verkeerscijfers die gebruikt zijn voor de verkeersgerelateerde milieueffecten, waaronder geluidbelasting en stikstofemissie. Ook de effecten op de verkeersveiligheid zijn niet goed per fase te beoordelen. Voor de totale ontwikkeling kunnen de effecten positief zijn, maar tijdens de ontwikkeling van fase 1 (en andere fasen) ligt het voor de hand dat de verkeersveiligheid niet verbetert of zelfs verslechtert, omdat nog geen aanpassingen aan de wegenstructuur plaatsvinden. De Commissie adviseert om, voordat een besluit wordt genomen over het bestemmingsplan voor fase 1, in een aanvulling op het MER: 

De mogelijkheden om de ambities voor duurzame mobiliteit te realiseren nadrukkelijker te verkennen, bijvoorbeeld met een ‘alternatief duurzame mobiliteit’. Denk hierbij aan het verder verlagen en differentiëren van parkeernormen, het optimaliseren van bestaande fietsvoorzieningen en het creëren van zoveel mogelijk ruimte voor langzaam verkeer.

De uitgangspunten voor de verkeersberekeningen en verkeersveiligheid voor fase 1 en voor de overige fasen van ontwikkeling te onderbouwen zodat deze navolgbaar zijn. Verwerk eventuele aanpassingen daarin ook in de milieuonderzoeken.

2.4

Gezondheid Met het oog op de ambities voor gezondheid en leefbaarheid in de nieuwe wijk is een ‘Eindnota Gezonde Publieke Ruimte Stationstuinen’ opgesteld. Deze biedt veel inspiratie, maar in het MER is de gebiedsontwikkeling nog niet (concreet) aan deze ambities getoetst. De eerdergenoemde onzekerheden over de invulling van het programma en over de invloed van bedrijvigheid binnen en buiten het plangebied vragen om duidelijke spelregels en strikte randvoorwaarden om negatieve effecten te voorkomen en positieve effecten (ambities) te realiseren. Daarbij is van belang welke extra maatregelen noodzakelijk zijn én hoe effectief deze zijn. Omdat in het MER is aangegeven dat hiervoor nog nader onderzoek nodig is, biedt het spelregelkader onvoldoende zekerheid over het realiseren van de ambities. Dit geldt specifiek voor de volgende onderdelen: 

Onzekerheden ontwikkeling milieubelasting. In en rondom het plangebied bevinden zich verschillende bedrijven, die in meer of mindere mate voor hinder zorgen. Zo zijn binnen het plangebied een afvalverwerkend bedrijf (Renes) en een LPG-tankstation gevestigd, en grenst het plangebied aan het bedrijventerrein Veren Ambacht, waar bedrijven met milieucategorie 3.1 t/m 4.2 zijn gevestigd. Zoals aangegeven in paragraaf 2.1 is nog niet duidelijk welke effecten deze bedrijven op dit moment hebben en hoe die zich de

-8-

komende jaren zullen ontwikkelen.12 Daardoor is nog onduidelijk welke effecten in welke fase te verwachten zijn, wat dit betekent voor de stedenbouwkundige mogelijkheden in De Stationstuinen en welke effectbeperkende maatregelen genomen (moeten) worden. 

Geluidbelasting en gezondheidseffecten. In het MER zijn geluidberekeningen uitgevoerd tot op een hoogte van 19,5 meter. Het MER maakt niet duidelijk welke maximale bouwhoogte geldt voor het de gebiedsontwikkeling.13 Het geluidonderzoek geeft geen inzicht in de effecten op hogere woonlagen, waardoor onduidelijk is of extra maatregelen nodig zijn. Verder ontbreekt informatie over gezondheidseffecten, zoals het percentage ernstige hinder en slaapverstoring. Daardoor blijft onduidelijk of de ambities (‘stand still voor hinder’) haalbaar zijn en met welke maatregelen.

Mogelijke geurknelpunten. Het afvalverwerkende bedrijf Renes leidt in de huidige situatie tot geuroverlast, waarvan de omvang nog op basis van nader onderzoek moet worden vastgesteld.14 Net buiten het plangebied zijn nog twee ‘geurbronnen’ aanwezig, waarvan de contouren over een klein deel van het plangebied lopen. Deze geurbronnen zijn in het MER niet gespecificeerd, zodat niet duidelijk is wat de aard en hinderlijkheid van de geuren zijn en waar de geurcontouren op gebaseerd zijn. In het MER is het effect op geurhinder licht positief beoordeeld, omdat Renes op termijn uit het gebied zal verdwijnen. Gedurende de eerste fase van ontwikkeling zal Renes echter nog niet zijn verplaatst. In fase 1 bestaat daardoor het risico dat de geurhinder verslechtert, omdat op korte afstand van het bedrijf woningen en/of andere geurgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd. In de spelregels is opgenomen, dat nog geurhinderonderzoek moet plaatsvinden, maar onduidelijk is wat dat onderzoek moet inhouden, hoe de resultaten getoetst worden en gebruikt gaan worden in het vervolg van de ontwikkeling.

Ambities gezondheidsbevordering. De ‘Eindnota Gezonde Publieke Ruimte’ bevat ook ambities voor gezondheidsbevordering. Dat houdt onder andere in dat er voldoende ruimte moet zijn voor (hard)looproutes, fietsroutes met verbindingen naar het centrum en koppeling aan lange afstand fietspaden en naar recreatie toe en rustige ontmoetings-, speel- en verblijfplekken. Vanwege de grote druk op de (openbare) ruimte bestaat het risico dat hiervoor onvoldoende ruimte over blijft. Het MER gaat hier niet op in.

De Commissie adviseert om, voordat een besluit wordt genomen over het bestemmingsplan voor fase 1, in een aanvulling op het MER: 

Inzicht te geven in de aard en omvang van de effecten van de bedrijven in en rond het plangebied, de mogelijke ontwikkelingen daarin en de maatregelen die noodzakelijk zijn om de ambities te realiseren, zodat deze vertaald kunnen worden naar concrete spelregels.

De maximale bouwhoogtes per deelgebied aan te geven en de geluidbelasting tot op de hoogste woonlagen te beoordelen. Besteed ook aandacht aan het percentage ernstige hinder en slaapverstoring. Breng vervolgens maatregelen in beeld om hinder en slaapverstoring zoveel mogelijk te voorkomen, waarbij in eerste instantie wordt gekeken naar (de effectiviteit van) bron- en overdrachtsmaatregelen.

12

Het MER laat wel milieucontouren zien van bedrijven binnen en net buiten het plangebied, maar het is onduidelijk welke

bedrijven dit zijn, hoe deze zich zullen ontwikkelen en welke maatregelen er mogelijk zijn om effecten te beperken. 13

Het ontwerpbestemmingsplan voor fase 1 geeft een maximale hoogte van 21 meter aan, met maximaal vier zogenaamde

‘hoogteaccenten’ tot 50 meter. Het beeldkwaliteitsplan spreekt over maximaal 15 woonlagen. 14

Het MER geeft aan dat het bedrijf een geurcontour heeft van 100 meter, maar dat in de praktijk in de omgeving regelmatig

geurhinder wordt ervaren.

-9-

Te beschrijven hoe en door wie de benodigde geurhinderonderzoeken uitgevoerd moeten worden, hoe de resultaten getoetst worden en wat de gevolgen kunnen zijn voor de inrichting van de deelgebieden.

Te onderbouwen dat er voldoende ruimte zal zijn voor maatregelen voor gezondheidsbevordering.

Voor het aspect externe veiligheid wijst de Commissie nog op de volgende inconsistentie in het MER. Paragraaf 6.2.4. geeft aan dat alleen het ‘gifwolkscenario’ meegenomen moet worden in de afweging die de gemeente moet maken.15 In dezelfde paragraaf wordt onder spelregels echter verwezen naar het explosieaandachtsgebied (geen kwetsbare functies binnen 200 meter van het spoor).

2.5

Natuur In het MER zijn de effecten op natuurwaarden beoordeeld aan de hand van een ‘natuurtoets fase 1’, een memo ecologie en een onderzoek naar stikstofdepositie. De effecten op soorten in en rond het totale plangebied zijn voldoende onderzocht. Hieruit komen goed bruikbare aanbevelingen voor een natuurinclusieve inrichting voort. In het stikstofonderzoek wordt geconcludeerd dat effecten van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden uitgesloten zijn, zowel in de realisatiefase als in de exploitatiefase. Hoewel de dichtst bijgelegen stikstofgevoelige gebieden op relatief grote afstand (Biesbosch op 14 km en Krammer-Volkerak op 21 km) liggen, kan elke toename van stikstofdepositie leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. De uitgangspunten voor de stikstofberekeningen (AERIUS) zijn niet goed navolgbaar, waardoor onvoldoende duidelijk is of significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden: 

Het rapport geeft niet aan waarop de omvang van het doorgerekende wegennetwerk is

gebaseerd. Voor het begrip ‘heersend verkeersbeeld’ is niet aangesloten bij de AERIUSinvoerinstructie.16 De verkeersgeneratie in de verschillende fasen en de verdeling tussen zwaartecategorieën is niet duidelijk. In fase 1 zijn nog meerdere bedrijven in het plangebied actief, waardoor relatief veel vrachtverkeer verwacht mag worden. 

Het uitgangspunt dat alle nieuwe ontwikkelingen in het gebied fossielvrij zullen zijn (spelregel) is niet onderbouwd. Het is onduidelijk welke emissiefactoren voor bedrijven zijn gehanteerd en waarop de gekwantificeerde inzet van mobiele werktuigen is gebaseerd.

Het is onduidelijk of de berekening voor de bouwfase ook geldt voor de vervolgfasen na fase 1, en of hierbij ook uitgegaan wordt van interne saldering met het verdwijnen van bestaande emissies.

15

Dit komt voort uit het feit dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen 300 meter afstand van de spoorlijn. Zie pagina 129 van

het MER. 16

In stikstofberekeningen moet wat betreft het verkeer van en naar inrichtingen worden aangesloten bij de Instructie

gegevensinvoer voor AERIUS Calculator. Dat betekent dat de stikstofdepositie van verkeersbewegingen moet worden

beoordeeld tot de verkeersbewegingen in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen. In deze instructie staat dat verkeer is opgenomen in het heersend verkeersbeeld op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en

rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer die door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer.

-10-

De Commissie adviseert om, voordat een besluit wordt genomen over het bestemmingsplan, in een aanvulling op het MER een onderbouwde en navolgbare stikstofberekening17 op te nemen waaruit blijkt dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden. Daartoe moet zowel in de aanleg- als gebruiksfase sprake zijn van geen (netto) toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.18

17

Gebruik voor alle berekeningen de actuele versie van AERIUS Calculator. Voor fase 1 moet deze berekening gedetailleerd

zijn, voor de overige fasen van ontwikkeling kan volstaan worden met een indicatieve berekening. Geef aan welke

uitgangspunten ten aanzien van de toekomstige ontwikkelingen daarbij zijn gehanteerd en wat dit betekent voor de inzet en ontwikkeling van stikstofbronnen zoals mobiele werktuigen, verkeer, installaties en gebouwen. Hanteer daarvoor bij voorkeur een bandbreedte vanwege de vele onzekerheden, waardoor ook de worst-case situatie in beeld komt. 18

Als een toename van de stikstofdepositie wordt berekend moet alsnog een Passende beoordeling worden opgesteld. In dat

geval moet aangegeven worden wat de mogelijke ecologische effecten in Natura 2000-gebieden zijn en moeten mitigerende maatregelen worden uitgewerkt.

-11-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie

De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of

onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de

ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit

wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het

gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Tilly Fast ing. Merel van de Graaff drs. Pieter Jongejans (secretaris) drs. Reinoud Kleijberg drs. Marijke Ruitenbeek ir. Harry Webers (voorzitter) Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Het MER is opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan De Stationstuinen fase 1. In de toekomst zal het MER ook worden gebruikt bij besluitvorming over bestemmingsplannen of omgevingsplannen voor volgende fasen van ontwikkeling. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit D11.2, “stedelijke ontwikkeling”. Daarom is een project-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit De gemeenteraad van Barendrecht. Initiatiefnemer besluit Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Barendrecht. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?

Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken.

Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3686 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13593016/1