CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

B15 Vleermuisonderzoek De Stationstuinen 1ste fase

Oriënterende commissie Ruimte 4 april 2023, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Proces gebiedsontwikkeling De Stationstuinen5.990 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht BRO

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht BRO

In opdracht van Contactpersoon Telefoon E-mail Datum Rapportagenummer Hoofdkantoor

Opsteller Telefoon E-mail Paraaf

Kwaliteitscontrole Paraaf

BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel Dhr. Wim de Ruiter 06-15025353 Wim.de.ruiter@bro.nl 9 november 2022 NIRP20220191 NatuurInclusief Korenbree 23A 7271 LH Borculo 0545 723032 info@natuurinclusief.nl www.natuurinclusief.nl Neeltje Hermus 054 5723032 neeltjehermus@natuurinclusief.nl

Lana Scheers

NatuurInclusief is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van NatuurInclusief; opdrachtgever vrijwaart NatuurInclusief voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar worden gemaakt d.m.v. fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en NatuurInclusief, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd .

Inhoud Samenvatting .................................................................................................................... 4 1

Inleiding ..................................................................................................................... 5 1.1

2

3

Onderzoekslocatie ......................................................................................................... 6 2.1

Beschrijving onderzoekslocatie...................................................................................... 6

2.2

Geplande ingreep ..................................................................................................... 6

Onderzoeksmethode ....................................................................................................... 7 3.1

4

Leeswijzer .............................................................................................................. 5

Vleermuisonderzoek .................................................................................................. 7

Resultaten .................................................................................................................. 8 4.1

Vleermuisonderzoek .................................................................................................. 8

Gewone dwergvleermuis - Pipistrellus pipistrellus .................................................................... 8 5

6

Effectenbeoordeling ...................................................................................................... 10 5.1

Effecten op beschermde soorten ................................................................................... 10

5.2

Kans op overtreding .................................................................................................. 10

5.3

Vrijstellingsmogelijkheden .......................................................................................... 10

5.4

Algemene zorgplicht ................................................................................................. 11

5.5

Noodzaak aanvraag ontheffing beschermde soorten en verbodsbepalingen ................................. 11

Conclusie + aanbeveling ................................................................................................. 12

Literatuur ....................................................................................................................... 13

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

Bijlage 1 Wetgeving ............................................................................................................ 14

NatuurInclusief

3

Samenvatting Gemeente Barendrecht is voornemens het gebied ten oosten van het NS-station, genaamd de Stationstuinen, te herontwikkelen. Het plangebied ligt rondom de Spoorlaan in het oosten van Barendrecht, in de provincie ZuidHolland. Het betreft een bedrijventerrein met een logistiek centrum en open grasvelden. In het kader van de Wet natuurbescherming heeft BRO NatuurInclusief ingeschakeld om aanvullend vleermuisonderzoek uit te voeren bij het logistieke centrum in het gebied. In deze rapportage zijn de resultaten beschreven van het onderzoek. Binnen het plangebied zijn geen kraam- of zomerverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het plangebied bevat één paarterritorium van gewone dwergvleermuis waardoor de aanwezigheid van een paarverblijfplaats binnen het plangebied niet is uit te sluiten. Er zijn geen essentiële vliegroutes of foerageergebieden aangetroffen. De geplande werkzaamheden resulteren in het vernietigen van één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis wat in overtreding is met de Wet natuurbescherming. Daarom is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij de Provincie Zuid-Holland en zijn er aanvullende mitigerende maatregelen nodig. Een deskundige op het gebied van vleermuizen kan hierin adviseren. Tevens is het noodzakelijk dat zorgvuldig handelen wordt gegarandeerd. Een ecologisch werkprotocol wordt

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

daarom aanbevolen zodat alle medewerkers op locatie op de hoogte zijn en weten wat te doen.

NatuurInclusief

4

1 Inleiding Gemeente Barendrecht is voornemens het gebied ten oosten van het NS-station, genaamd de Stationstuinen, te herontwikkelen. Het plangebied ligt rondom de Spoorlaan in het oosten van Barendrecht, in de provincie ZuidHolland. Het betreft een bedrijventerrein met een logistiek centrum en open grasvelden. De Stationstuinen wordt een nieuw gemengd woon-werkgebied met ruimte voor circa 3.000 woningen, maatschappelijke voorzieningen, onderwijs, de mogelijkheid voor startups en ruimte voor research en development en experience. Deze ontwikkeling is in het huidige bestemmingplan niet toegestaan. Om deze reden wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Het plan kan worden uitgevoerd als duidelijk is dat het plan niet in strijd is met de Wet natuurbescherming en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland. De Wet natuurbescherming verplicht vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen aanwezige beschermde plant- of diersoorten en groei- of verblijfplaats aantasten. Antea Group heeft in januari 2022 een natuurtoets uitgevoerd waarin naar voren is gekomen dat het logistieke centrum in het plangebied geschikt is voor vleermuizen en steenmarter. Vleermuizen zijn beschermd volgens het beschermingsregime Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming (art. 3.5 Wnb). BRO heeft NatuurInclusief benaderd voor het uitvoeren van het vleermuisonderzoek.

Hieruit volgend heeft NatuurInclusief dan ook in de periode van april – oktober 2022 aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd bij het logistieke centrum. Voorliggende rapportage betreft een overzicht met de resultaten van het vleermuisonderzoek en een aanbeveling voor vervolgstappen.

1.1

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt omschreven hoe de onderzoekslocatie eruitziet, hoe deze momenteel gebruikt wordt en wat de opdrachtgever van plan is in het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bespreekt de onderzoeksmethodiek. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten weer en in hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten beschreven. In hoofdstuk

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

6 wordt afgesloten met de conclusie en aanbevelingen.

NatuurInclusief

5

2 Onderzoekslocatie 2.1

Beschrijving onderzoekslocatie

Het plangebied voor aanvullend vleermuisonderzoek is het logistieke centrum gelegen aan de Spoorlaan 7, gemeente Barendrecht in de provincie Zuid-Holland. Het middelpunt van het plangebied bevat de coördinaten N51.857276, E4.554073. Voor het vleermuisonderzoek is het plangebied in twee deelgebieden verdeeld. In Figuur 1 is de onderzoekslocatie op een topografische kaart weergegeven.

Figuur 1 Begrenzing totale onderzoekslocatie

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

Het plangebied betreft een oud gebouw met meerdere dichtgetimmerde gevels en scheuren. Figuur 2 geeft een impressie van de onderzoekslocatie.

Figuur 2 Sfeerimpressie van de onderzoekslocatie (Antea Group, 2022)

2.2

Geplande ingreep

De opdrachtgever is voornemens het logistieke centrum in het plangebied te slopen.

NatuurInclusief

6

3 Onderzoeksmethode 3.1

Vleermuisonderzoek

Het aanvullend vleermuisonderzoek richt zich op de gebruiksfunctie van vleermuizen in het gebied. Er wordt gekeken of er verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes in- en rondom het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Tevens wordt er gekeken naar de soortsamenstelling en aantallen van de voorkomende vleermuizen in het gebied. De onderzoekslocatie is door deskundige medewerkers van NatuurInclusief onderzocht tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden. De methodiek van het inventariseren is bepaald aan de hand van de soort specifieke kennisdocumenten van BIJ12 en het Vleermuisprotocol 2021 opgesteld door Vleermuisvakberaad, Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Gegevensautoriteit Natuur. Om gedurende het onderzoek voldoende overzicht te houden is het zomer-, kraam- en paaronderzoek door twee personen uitgevoerd. Gedurende het aanvullend vleermuisonderzoek zijn er vijf veldbezoeken uitgevoerd. Er zijn drie veldbezoeken uitgevoerd in de zomer- en kraamperiode (15 mei – 15 augustus) en twee veldbezoeken in de paarperiode (15 augustus – 1 oktober), zie Tabel 1 voor de specificaties van de bezoeken. Tijdens het zomer- en kraamonderzoek is er gekeken naar in- en uitvliegende dieren. Het onderzoek heeft plaats gevonden tijdens het uit- of invliegtijdstip van vleermuizen, respectievelijk rond zonsondergang en -opkomst.

Tijdens het paaronderzoek is er gekeken naar de balts- en paarverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden van één uur na zonsondergang en duurde twee uur. Voor het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector Pettersson M500-384. De opgenomen geluiden zijn, indien dat noodzakelijk was, geanalyseerd met specifieke software, zoals BatExplorer, versie 2.1.7.0. Tabel 1. Data uitgevoerde veldbezoeken vleermuisonderzoek Datum

12 juni 2022

Tijdstip

22:02 – 00:02 uur

Type onderzoek Zomer- en kraamverblijfplaatsen Vliegroutes

Temperatuur

Windkracht

Bewolking

± 17oC

3 Bft

Onbewolkt

± 18oC

2 Bft

Licht bewolkt

± 18oC

2 Bft

Licht bewolkt

± 18oC

3 Bft

Onbewolkt

± 14oC

2 Bft

Onbewolkt

Foerageerbieden 10 juli 2022

21:59 – 23:59 uur

Zomer- en kraamverblijfplaatsen Vliegroutes Zomerverblijfplaatsen

24 juli 2022

03:50 - 05:50 uur

Vliegroutes Foerageerbieden Paarverblijfplaatsen

27 augustus 2022

21:42 – 23:42 uur

Vliegroute Foerageergebieden Paarverblijfplaatsen

20 september 2022

20:45 – 23:45 uur

Vliegroutes Foerageergebieden

NatuurInclusief

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

Foerageerbieden

7

4 Resultaten 4.1

Vleermuisonderzoek

Gedurende het onderzoek is er één soort vleermuis in het plangebied aangetroffen, namelijk gewone dwergvleermuis. Gewone dwergvleermuis - Pipistrellus pipistrellus De gewone dwergvleermuis is de meest algemeen voorkomende vleermuissoort in Nederland. De kleine bruin gekleurde vleermuis is een flexibele soort die zowel in gesloten als open landschappen, van stadcentra tot op het platteland voorkomt. De soort is een echt gebouwbewonende soort waarbij hij een voorkeur heeft voor spleetvormige holten in spouwmuren, achter gevelbekleding en onder daken. In de kraam- en winterperiode kan het aantal dieren bij elkaar variëren van enkele tientallen tot tweehonderd dieren. Foerageren doet de gewone dwergvleermuis vaak langs lijnvormige structuren van de opgaande vegetatie, langs bosranden, de bebouwing, bij water maar daarnaast ook vaak in tuinen en rond straatlantaarns. Tijdens de veldbezoeken is gewone dwergvleermuis het meest in- en rond de onderzoekslocatie aangetroffen. Het gaat hierbij om één tot vier individuen per bezoek. De soort is zowel overvliegend- als foeragerend aangetroffen. Zie Figuur 3 voor de soortenkaarten gewone dwergvleermuis. Verblijfplaatsen Tijdens de veldbezoeken in de zomer-kraam periode zijn er in het plangebied geen zomer- of kraamverblijfplaatsen aangetroffen. Tijdens de veldbezoeken in de paarperiode is in het plangebied één paarterritorium aangetroffen.

Door de aanwezigheid van één paarterritorium kan de aanwezigheid van één paarverblijfplaats niet uitgesloten worden. Het paarterritorium is vastgesteld tijdens het veldbezoek op 20 september 2022. Zie Figuur 3 voor de locatie. Foerageergebieden en vliegroutes Gedurende enkele avondbezoeken is foeragerend gedrag in het plangebied aangetroffen. Het ging per ronde om één tot twee individuen. De dieren foerageerden aan de zuidzijde bij de voorkant van het plangebied bij het groen. De piekactiviteit was een half uur tot een uur na zonsondergang. Kijkend naar het verloop van de foerageeractiviteit door de onderzoeksronde heen, de hoeveelheid dieren en de vele alternatieven in de directe omgeving is het foerageergebied binnen het plangebied als niet essentieel te beoordelen.

plangebied geconstateerd. De hoeveelheid dieren die gebruikmaakte van de vliegroute wisselde per ronde, maar zat tussen de één en vier dieren per ronde. Kijkend naar de hoeveelheid dieren die gebruik maken van deze route en gezien de vele alternatieven in de omgeving kan de route als niet essentieel beoordeeld worden. De vliegroute blijft ook na het uitvoeren van de werkzaamheden beschikbaar.

NatuurInclusief

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

Gedurende de veldbezoeken in de zomer-, kraam- en paarperiode zijn er vliegroutes aan de zuidzijde van het

8

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

Figuur 3 Soortenkaart gewone dwergvleermuis

NatuurInclusief

9

5 Effectenbeoordeling 5.1

Effecten op beschermde soorten

Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat er geen kraam- of zomerverblijfplaatsen aanwezig zijn in het plangebied. Tevens zijn er geen essentiële vliegroutes of foerageergebieden voor vleermuizen aangetroffen. Aan de zuidzijde van het plangebied is een paarterritorium aangetroffen, waardoor de aanwezigheid van een paarverblijfplaats in het plangebied niet kan worden uitgesloten.

5.2

Kans op overtreding

In het plangebied en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is een paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis niet uit te sluiten. Er worden twee verbodsbepalingen overtreden, namelijk het opzettelijk verstoren van dieren (art. 3.5, lid 2 Wnb) en het beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen (art 3.5, lid 4 Wnb). Daarnaast geldt de zorgplicht die stelt dat effecten redelijkerwijs zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan moeten worden gemaakt (art. 1.11 Wnb). De zorgplicht kan worden aangehouden door algemene voorzorgsmaatregelen (zie paragraaf 5.4). Er zijn geen vogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Op de soorten met een jaarrond beschermd nest na zijn de eventueel in gebruik zijnde nesten en rustplaatsen van vogels buiten de gebruiksperiode niet beschermd. Gedurende de gebruiksperiode geldt een algeheel verbod op het beschadigen en vernielen van nesten en rustplaatsen en het zodanig verstoren van deze plaatsen dat dit ten koste gaat van de functionaliteit (art. 3.1, lid 2 Wnb). Er is geen wettelijk vastgestelde periode als gebruiksperiode. Voor de wet is er sprake van een gebruiksperiode als er sprake is van een broedgeval of rustende vogel. Zonder het treffen van maatregelen kunnen verbodsbepalingen worden overtreden.

Door het treffen van algemene voorzorgsmaatregelen kan overtreding worden voorkomen (zie paragraaf 5.4). Verstoring van exemplaren van vogels is alleen verboden als dit leidt tot een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de desbetreffende soorten (art. 3.1, lid 4 en 5 Wnb). Er zijn geen zodanig zeldzame of kwetsbare vogelsoorten aangetroffen dat er sprake zou kunnen zijn van een wezenlijke invloed als exemplaren

5.3

Vrijstellingsmogelijkheden

Algemene vrijstelling De ‘algemene vrijstelling’, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland, is niet van toepassing op vleermuizen. Hier kan geen gebruik van worden gemaakt. Werken volgens gedragscode Een vrijstelling door te werken conform een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode is niet van toepassing. De aangetroffen verblijfplaats van vleermuizen kunnen niet worden ontzien, vooralsnog is er voor deze type handeling geen goedgekeurde gedragscode beschikbaar. Door het treffen van maatregelen kunnen effecten worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de zorgplicht (zie paragraaf 5.4 en 5.5).

NatuurInclusief

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

worden verstoord. Overtreding van deze verbodsbepaling is niet aan de orde.

10

5.4

Algemene zorgplicht

Vanwege de zorgplicht (art. 1.11 Wnb) wordt aanbevolen de volgende maatregelen te nemen om effecten op vrijgestelde beschermde soorten en in de invloedsfeer voorkomende bedreigde soorten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken: 

Werken buiten kwetsbare perioden: de meeste diersoorten planten zich voort in de periode vanaf maart tot en met juli. Als de werkzaamheden buiten deze periode worden uitgevoerd kunnen de meeste diersoorten zich voortplanten, waardoor de effecten op de lokale populaties minder groot zijn; (wel letten op andere maatregelen en eventuele kwetsbare winterperiode)

Dieren de gelegenheid geven te vluchten: door één richting uit te werken, hebben mobiele diersoorten de tijd en ruimte om de verstorende werkzaamheden te ontvluchten.

Ongeschikt maken biotopen: door vegetatie zeer kort te maaien voorafgaand aan de werkzaamheden, zullen mobiele diersoorten het werkgebied verlaten en zullen zij geschikte biotopen in de omgeving opzoeken. Daardoor kan doden en verwonden worden voorkomen.

Ongeschikt maken verblijfplaatsen: door het ongeschikt maken van verblijfplaatsen, zullen de vleermuizen het werkgebied verlaten en zullen zij geschikte verblijfplaatsen of aangeboden alternatieve verblijfplaatsen in de omgeving opzoeken. Daardoor kan doden en verwonden worden voorkomen.

Dit zijn algemene voorzorgsmaatregelen die wij aanbevelen. Let wel, dit zijn geen verplichte maatregelen om overtredingen te voorkomen, maar aanbevolen maatregelen ter invulling van de zorgplicht.

5.5

Noodzaak aanvraag ontheffing beschermde soorten en verbodsbepalingen

De geplande werkzaamheden resulteren mogelijk in het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen wat een overtreding is van de Wet natuurbescherming. Daarom is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij de Provincie Zuid-Holland en zijn aanvullende mitigerende en compenserende maatregelen nodig. Dit moet nader

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

uitgewerkt worden in een ontheffingsaanvraag.

NatuurInclusief

11

6 Conclusie + aanbeveling Binnen het plangebied zijn geen kraam- of zomerverblijfplaatsen aangetroffen. Het plangebied is geen onderdeel van een essentieel foerageergebied. Binnen het plangebied valt één paarterritorium van gewone dwergvleermuis waardoor de aanwezigheid van één paarverblijfplaats binnen het plangebied niet is uit te sluiten. De geplande werkzaamheden resulteren mogelijk in het vernietigen van een paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis wat een overtreding is van de Wet natuurbescherming. Daarom is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij de Provincie Zuid-Holland en zijn er aanvullende mitigerende maatregelen nodig. Tevens is het noodzakelijk dat zorgvuldig handelen wordt gegarandeerd. Een ecologisch werkprotocol wordt

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

daarom aanbevolen zodat alle medewerkers op locatie op de hoogte zijn en weten wat te doen.

NatuurInclusief

12

Literatuur 

Bij12, juli 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0. Bij12, Utrecht.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014. Soortenstandaard gewone dwergvleermuis, versie 2.0. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Limpens, H., Mostert, K. & Bongerd, W. (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. KNNV Uitgeverij. Utrecht.

Korsten, E. (2012). Vleermuiskasten. Overzicht van toepassing, gebruik en succesfactoren. Bureau Waardenburg bv, Culemborg.

Korsten,

E., Limpens,

H., Bouwman

H.

& Reinhold

J. (2011).

Vleermuisvriendelijk

bouwen,

Landschapsbeheer Flevoland, Lelystad. 

Antea Group (2022). Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen.

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur (2021).

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

Vleermuisprotocol 2021.

NatuurInclusief

13

Bijlage 1 Wetgeving Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De bevoegdheid ligt grotendeels bij de provincies. Zij zijn verantwoordelijk voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten bij bijvoorbeeld Natura

2000-gebieden

(de

gebiedsbeschermingsbepalingen)

en

dier-

en

plantensoorten

(de

soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid blijft het Rijk bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming is onder te verdelen in 3 onderdelen: de bescherming van Natura 2000-gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Bescherming van Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden in Nederland zijn onderdeel van een Europees netwerk aan natuurgebieden waar belangrijke flora en fauna duurzaam beschermd worden. Al deze gebieden zijn belangrijk om de Europese biodiversiteit te waarborgen. De in Nederland aangewezen Natura 2000-gebieden worden beschermd onder de Wet natuurbescherming, voorheen de Natuurbeschermingswet 1998. In Nederland zijn er ruim 160 natuurgebieden aangewezen als Natura 2000-gebieden. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn er een instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor specifieke habitattypen en fauna in het aanwijzingsbesluit. De instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in termen van behoud/uitbreiding van de omvang van het habitattype of leefgebied en behoud/verbetering van de kwaliteit van het habitattype of het leefgebied. Bij vogels is vaak ook een doelaantal opgenomen voor het aantal broedparen of aantal vogels (bij overwinterende soorten). Dit aantal zegt ook vooral iets over de benodigde draagkracht van het Natura 2000-gebied.

Bij soorten is vaak ook een doelstelling voor de populatie opgenomen, in termen van behoud of uitbreiding. In het Natura 2000beheerplan worden de instandhoudingsdoelen in ruimte en tijd uitgewerkt. Zodra een gebied is aangewezen, dient voor alle projecten die het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen (een significant negatief effect) een vergunning te worden aangevraagd. Dit geldt niet alleen voor ingrepen binnen deze beschermde gebieden, maar ook voor ingrepen daarbuiten als deze een (negatief) effect hebben op de instandhoudingsdoelen. Een vergunning moet worden aangevraagd bij de provincie of het Rijk (RVO). Bij een omgevingsvergunning kan de aanvraag worden aangehaakt voor beschermde gebieden, dan is de gemeente veelal het bevoegd gezag.

Er zijn in de basis van de Wet natuurbescherming 3 soortenbeschermingsregimes van toepassing: •

vogelsoorten van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 Wnb),

•

strikt beschermde soorten conform de Habitatrichtlijn bijlage IV, Conventie van Bern bijlage I en II en de Conventie van Bonn bijlage I (paragraaf 3.2 Wnb), en

•

de andere beschermde soorten, genoemd in bijlage A en B van de wet (paragraaf 3.3 Wnb).

De beschermingsregimes en bijbehorende verbodsbepalingen zijn hieronder nader toegelicht. Beschermingsregime Vogelrichtlijn Hieronder vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Handelingen die de wet verbiedt zijn: •

Artikel 3.1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen;

•

Artikel 3.1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, beschadigen of nesten van vogels weg te nemen;

NatuurInclusief

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

Bescherming van soorten

14

•

Artikel 3.1 lid 3: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben;

•

Artikel 3.1 lid 4 en lid 5: het is verboden vogels opzettelijk te verstoren, tenzij de verstoring niet wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

De verbodsbepalingen met betrekking tot nesten en rustplaatsen hebben in de regel alleen betrekking op nesten en rustplaatsen die in gebruik zijn. Onder de bescherming van deze plaatsen worden ook de essentiële onderdelen van het leefgebied verstaan die nodig zijn om het nest of rustplaats ecologisch gezien te laten functioneren. De verbodsbepalingen gelden niet buiten het broedseizoen als de nesten en rustplaatsen niet meer in gebruik zijn. Voor enkele soorten die ieder jaar terug keren naar hetzelfde nest of van het nest afhankelijk zijn geldt dat deze jaarrond beschermd zijn. Onder bepaalde voorwaarden mogen de verboden handelingen wel uitgevoerd worden. Er is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen vastgesteld per provinciale verordening of ministeriële regeling. Daarnaast geldt er een vrijstelling als aantoonbaar wordt gewerkt conform een toepasbare en een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Gelden er geen vrijstellingen, dan is een ontheffing nodig om verbodsbepalingen te mogen overtreden. Een ontheffing kan bij de provincie of het Rijk worden aangevraagd, afhankelijk van het gezag dat bevoegd is voor ontheffingverlening voor de handeling (het Rijk alleen voor ‘interprovinciale handelingen’, zoals handelingen door Rijkswaterstaat, Defensie of handelingen aan hoofd(spoor)wegen).

Een ontheffing kan verkregen worden als er wordt voldaan aan de volgende criteria (art. 3.3, lid 4 Wnb): a.

er geen andere bevredigende oplossing is;

b.

er een geldig belang is: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora of fauna;

•

voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of

•

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c.

en als de handelingen niet leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Beschermingsregime Habitatrichtlijn van Bonn. Handelingen die de wet verbiedt zijn: •

Artikel 3.5 lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

•

Artikel 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren;

•

Artikel 3.5 lid 3: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen;

•

Artikel 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

•

Artikel 3.5 lid 5: Het is verboden plantensoorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

NatuurInclusief

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

Soorten die staan in de Habitatrichtlijn bijlage IV, het Verdrag van Bern bijlage I en II en bijlage I van het Verdrag

15

Belangrijke noot is dat onder de bescherming van voortplantings- en rustplaatsen ook de essentiële onderdelen van het leefgebied worden verstaan die nodig zijn om deze ecologisch gezien te laten functioneren. Onder bepaalde voorwaarden mogen de verboden handelingen wel uitgevoerd worden. Er is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen vastgesteld per provinciale verordening of ministeriële regeling. Daarnaast geldt er een vrijstelling als aantoonbaar wordt gewerkt conform een toepasbare en een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Gelden er geen vrijstellingen, dan is een ontheffing nodig om verbodsbepalingen te mogen overtreden. Een ontheffing kan bij de provincie of het Rijk worden aangevraagd, afhankelijk van het gezag dat bevoegd is voor ontheffingverlening voor de handeling (het Rijk alleen voor ‘interprovinciale handelingen’, zoals handelingen door Rijkswaterstaat, Defensie of handelingen aan hoofd(spoor)wegen). Een ontheffing kan verkregen worden als er wordt voldaan aan de volgende criteria (art. 3.8, lid 5 Wnb): a.

er geen andere bevredigende oplossing is;

b.

er een geldig belang is: •

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

•

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of

•

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

c.

er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Beschermingsregime andere beschermde soorten Dit zijn de soorten die genoemd worden in de bijlage van Wet natuurbescherming. Onder dit beschermingsregime is het verboden om: •

Artikel 3.10 lid 1, onderdeel a: in het wild levende dieren opzettelijk te doden of te vangen;

•

Artikel 3.10 lid 1, onderdeel b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van Artikel 3.10 lid 1c: vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Voor deze soorten gelden in principe dezelfde vrijstellings- en ontheffingscriteria als bij het beschermingsregime Habitatrichtlijn, maar zijn er een groot aantal aanvullende wettelijke belangen opgenomen om vrijstelling of ontheffing te kunnen verlenen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor andere beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Wel blijft de zorgplicht geldig. De vrijstelling verschilt per provincie en geldt in het algemeen voornamelijk voor ruimtelijke ingrepen, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik. De totale Lijst beschermde soorten Wnb is te vinden op de website van NatuurInclusief.1

1

https://www.natuurinclusief.nl/kennisloket/ NatuurInclusief

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen; •

16

In hele specifieke gevallen zijn bepaalde handelingen bij wet uitgezonderd van de verbodsbepalingen die hiervoor zijn genoemd. Deze gevallen zijn niet in dit beknopte overzicht opgenomen, voor zover niet relevant voor deze toetsing. Zorgplicht Voor alle soorten geldt de zorgplicht. De bescherming van soorten gaat uit van de intrinsieke waarde van alle dieren en planten. Daar moet zorgvuldig mee omgaan worden. Daarom is de zorgplicht in artikel 1.11 van de wet opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving en voor Natura 2000-gebieden. Voorkomen, beperken en ongedaan maken van nadelige effecten (= geen effect op de gunstige staat van instandhouding) zijn hierbij sleutelwoorden. Houtopstanden Het hoofdstuk Houtopstanden in de Wet natuurbescherming is de implementatie van de oude Boswet in de wet. De Boswet had tot doel om bossen te beschermen. Hoewel de Wnb nog steeds als doel heeft om bossen en houtopstanden te beschermen, zijn er meer mogelijkheden om vrijstelling of ontheffing te krijgen van de herplantplicht. De handhaving ligt in principe bij de provincies en in sommige gevallen (bijv. handelingen van Rijkswaterstaat, Defensie) bij het Ministerie van LNV, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Uitgangspunt is dat wat bos is in principe bos moet blijven.

Er mag dus geen netto oppervlakte bos verdwijnen. De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle beplantingen van bomen groter dan 10 are, en op rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Dit geldt voor beplantingen buiten de bebouwde kom houtopstanden (zie daarvoor het bestemmingsplan van de betreffende gemeente). Deze wijkt vaak af van de bebouwde kom verkeerswet (!), hoewel er steeds meer gemeenten deze komgrenzen samentrekken. Uitzonderingen van beplantingen die niet onder de boswet vallen (art. 4.1 Wnb) zijn; •

houtopstanden binnen de bebouwde kom houtopstanden (dan geldt alleen de APV);

•

houtopstanden op erven of in tuinen;

•

fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

•

kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;

•

kweekgoed;

•

uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen, en eenrijige het dunnen van een houtopstand;

•

uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa (indien ten minste eens per tien jaar worden geoogst, bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare en zijn aangelegd na 1 januari 2013).

Ook het dunnen en afzetten van hakhout en grienden is toegestaan. Meldingsplicht Wanneer een houtopstand gekapt wordt, of er andere maatregelen genomen worden die (eventueel indirect) tot het verminderen van het oppervlakte bos leiden, geldt een meldingsplicht. De provincie kan aan de hand van een kapmelding ervoor kiezen om een kapverbod op te leggen, voor ten hoogste vijf jaar, ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. Indien wordt gewerkt met een goedgekeurde gedragscode, geldt er geen meldingsplicht of verplichting om binnen 3 jaar te herplanten (art. 4.4, lid 1, onderdeel d en art. 4.4, lid 2). Een gedragscode wordt goedgekeurd, als daarin een werkwijze is opgenomen die waarborgt dat: •

er geen afbreuk wordt gedaan aan bijzondere natuur- of landschapswaarden; NatuurInclusief

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

beplantingen langs landbouwgronden; •

17

•

de te vellen houtopstanden geen deel uitmaken van een boskern;

•

herbeplanting op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvindt;

•

de grond waarop herbeplanting plaatsvindt ten minste dezelfde kwaliteit heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond;

•

de grond waarop de herbeplanting plaatsvindt ten minste een gelijke oppervlakte heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond.

Een voorbeeld van een dergelijke gedragscode is de Gedragscode houtopstanden en hakhoutbeheer van TenneT. Herplantplicht Daarnaast geldt voor boskap een herplantplicht. Aan de herplantplicht moet zijn voldaan binnen drie jaar na kap. Geldt er een herplantplicht, maar kan deze niet worden uitgevoerd op het oorspronkelijke perceel, dan kan er compensatie plaatsvinden door de herplant te realiseren op een ander perceel. De voorwaarden om van deze mogelijkheid gebruik te mogen maken (bijvoorbeeld overcompensatie) verschillen per provincie. Zo heeft provincie Utrecht een compensatiebank opgezet om op gewenste plekken te kunnen herplanten en een initiatiefnemer niet zelf op zoek hoeft naar een perceel voor compensatie. Vrijstellingen of ontheffingsmogelijkheden De herplantplicht van bos geldt niet voor: •

maatregelen

ten

behoeve

van

natuurontwikkelingen

(in

het

kader

van

het

halen

van

instandhoudingsdoelstellingen N2000 en opgelegde mitigatie of compensatie in het kader van vergunningen of ontheffingen) •

creëren of onderhouden van brandgangen

•

houtkap voor biomassaplantages (art. 4.4, lid 1, onderdeel a t/m c Wnb).

Ook kunnen provincies vrijstellingsregels of nadere regels voor een ontheffing opstellen voor de herplantplicht. Daarnaast zijn er in de meeste provincies wel meer vrijstellingsmogelijkheden voor natuurontwikkeling, waaronder voor de ontwikkeling van gewenste natuurbeheertypen of als houtopstanden verloren gaan door vernatting door natuurlijke processen of anti-verdrogingsmaatregelen.

Natuurnetwerk Nederland Naast de bescherming van gebieden door de Wet natuurbescherming, is er tevens sprake van een beleidsmatige bescherming van bepaalde natuurgebieden waar rekening mee moet worden gehouden bij ruimtelijke ingrepen. Dit betreft de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; tot voor kort: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP). De benaming NNN komt voort uit het Natuurpact van 18 september 2013. Daarin zijn tussen het Rijk en de provincies nieuwe afspraken gemaakt, waaronder over de herijking van de EHS en de nieuwe benaming NNN.2 Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur (plant en dier) in feite voorrang heeft. Het netwerk moet voorkomen dat planten en dieren door isolatie van gebieden uitsterven en dat de Nederlandse biodiversiteit afneemt. Het NNN is samengesteld uit: •

Natura 2000-gebieden, bestaande natuurgebieden, reservaten en natuurontwikkelingsgebieden en (robuuste) verbindingen.

•

Landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheergebieden).

•

Grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee).

2

Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2013/09/18/natuurpact-ontwikkeling-en-beheer-van-natuur-innederland NatuurInclusief

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

Begrenzing

18

Het is lang de bedoeling geweest dat het NNN in 2018 helemaal gerealiseerd zou zijn, maar inmiddels is duidelijk dat dit niet haalbaar is. Het kabinet Rutte-Assher heeft in het onderhandelingsakkoord van 20 september 2011 aangegeven dat de provincies het NNN in 2021 afronden. Het ambitieniveau is bovendien verminderd, zo worden vermoedelijk de robuuste verbindingen niet gerealiseerd. Los van de daadwerkelijke realisatie is de bescherming van de aangewezen zones in principe wel al van kracht, ook indien die zones nog niet zijn ingericht. In de Nota Ruimte is de globale begrenzing van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (bruto-EHS) weergegeven. Deze is door de provincies verder uitgewerkt tot de netto-EHS, met concrete gebiedsbegrenzingen. Per provincie verschilt verder de exacte uitwerking, beschermingsmethode en eventuele aanwijzing van aanvullende beschermde gebieden. Dit kan soms enige verwarring opleveren. Bovendien werken diverse provincies sinds de verminderde Rijksambitie voor het NNN aan een aparte provinciale hoofdstructuur, waarvoor andere regels gelden. De verwarring wordt soms nog verder vergroot doordat het NNN overal doorvertaald moet worden in de gemeentelijke bestemmingsplannen, waarbij elke gemeente de vrijheid heeft om eigen keuzes te maken voor de gebruikte terminologie en onderverdeling.

De bestemmingsplannen weerspiegelen uiteindelijk de definitieve uitwerking en hieruit berust dan ook de uiteindelijke juridische doorwerking. Toetsingskader Nee-tenzij beginsel Voor het NNN geldt het toetsingskader van het Structuurschema Groene Ruimte 1995 (SGR). Dit is overgenomen in de Nota Ruimte en later in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dat het NNN in oktober 2012 heeft opgenomen. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het compensatiebeginsel van de NNN in het Barro is per provincie verder uitgewerkt in het provinciaal natuurbeleid. Het Barro stelt dat ruimtelijke ingrepen moeten worden getoetst op mogelijke negatieve effecten voor de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Voor het gehele NNN geldt het 'nee, tenzij beginsel'. Op grond van dit beginsel dient directe of indirecte aantasting van bos- en natuurgebied (door een ingreep in het NNN) waar mogelijk te worden voorkomen. Spelregels EHS Eind 2007 hebben de toenmalige Ministeries van LNV en VROM en de provincies de 'Spelregels EHS' uitgebracht. Dit is een al oud beleidskader voor het compensatiebeginsel, de EHS saldobenadering en het herbegrenzen van de EHS, maar in de meeste situaties nog steeds leidend. Op grond van de Spelregels EHS wordt niet alleen gekeken naar actuele natuurwaarden, maar ook naar ecologische potenties.

Deze spelregels gelden ook voor de nieuwe term NNN. Deze natuurwaarden of 'wezenlijke kenmerken en waarden' inclusief de bijbehorende abiotische en biotische randvoorwaarden worden vastgelegd in de vorm van natuurdoelen. De provincies hebben deze provincie vastgelegd. Sinds 1 januari 2010 zijn alle provinciale doelen omgezet naar één landelijke index (Index Natuur en Landschap). Los van nuanceverschillen en verschillen in formulering in de bestemmingsplannen geldt in principe overal het 'nee-tenzij'-principe voor aantasting van het NNN. Aantasting is niet toegestaan, tenzij aan specifieke voorwaarden wordt voldaan. Er is ook vrijwel altijd een compensatieverplichting in het provinciaal beleid opgenomen. Voor kleine aantastingen is financiële compensatie soms mogelijk, voor grotere aantastingen is vaak zowel compensatie in oppervlakte als in 'kwaliteit' noodzakelijk. Bij aantasting van meer bijzondere typen natuur of natuur met een lange ontwikkelingstijd (bijv. bos) is meestal compensatie van een groter oppervlak verplicht (oppervlakte toeslag). Externe werking In de brief van 3 december 2004 heeft de minister van LNV, mede namens de minister van VROM, besloten om in de Nota Ruimte het 'Nee, tenzij'-regime op gebieden in de nabijheid van het NNN te laten vervallen (TK 29 576,

NatuurInclusief

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

wezenlijke kenmerken en waarden vastgelegd in het provinciaal natuurbeleid. Deze natuurdoelen zijn per

19

nr. 12). In een brief van 5 juni 2008 heeft de minister van LNV nogmaals aangegeven dat ingrepen buiten het NNN niet worden beoordeeld op hun effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden binnen het NNN (TK 29 576, nr. 12). In de beantwoording van een aantal vragen van de vaste Kamercommissie voor LNV in 2008 is expliciet tot uitdrukking gebracht dat dit ‘Nee-tenzij' regime niet van toepassing is op ingrepen buiten het NNN die gevolgen kunnen hebben voor het NNN zelf, de zogenaamde ‘externe effecten’ (TK 29576, nr. 52). Dit betekent overigens wel, dat bij een ingreep in het NNN, ook rekening gehouden moet worden met indirecte effecten, zoals geluidsverstoring. Hoewel de Minister heeft aangegeven dat externe werking niet hoeft te worden getoetst, zijn er echter een aantal provincies die de toetsing van de externe werking het NNN wel hebben opgenomen in de provinciale verordening (bijv. provincie Noord-Brabant). Het betreft dan geen ‘nee-tenzij’ principe, maar een ‘ja-mits’ principe, waarbij er niet hoeft te worden getoetst aan alternatieven of nut en noodzaak. Hoewel de Spelregels EHS richtinggevend is, is het provinciaal beleid daarmee leidend voor de toetsing (voor zover zij niet minder

Vleermuisonderzoek Spoorlaan 7 te Barendrecht

stringent zijn dan de landelijke Barro).

NatuurInclusief

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12555883/1