B14 lq Nader onderzoek steenmarter en huismus
Tekst van het document
Nader onderzoek MER Stationstuinen Steenmarter
projectnummer 0470766.100 definitief revisie 00 25 november 2022
Nader onderzoek MER Stationstuinen Steenmarter
projectnummer 0470766.100 definitief revisie 00 25 november 2022
Opdrachtgever BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Econo mie en Milieu B.V. Bosscheweg 107 5282 WV BOXTEL
datum vrijgave
beschrijving revisie 00 definitief
gecontroleerd J.M. Kooijman
vrijgave
Inhoudsopgave Nader onderzoek MER Stationstuinen
2
1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
2
Wettelijk kader
2
2.1 2.2 2.3 2.4
Algemeen Wnb - soortbescherming Ontheffingsplicht Zorgplicht
2 2 3 3
3
Methoden
4
3.1
Steenmarter
4
4
Resultaten
6
5
Effectbeoordeling
7
5.1 5.2
Steenmarter Huismus
7 7
6
Conclusies en aanbevelingen
8
7
Bronnen
9
1 1.1
Inleiding Aanleiding Gemeente Barendrecht is voornemens het gebied ten oosten van het NS-station, genaamd de Stationstuinen, te herontwikkelen. Het plangebied ligt rondom de Spoorlaan in het oosten van Barendrecht, in de provincie Zuid-Holland. Het betreft een bedrijventerrein met een logistiek centrum en open grasvelden. Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met beschermde plant- en diersoorten en met beschermde gebieden. Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. Om deze reden is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties. In dit kader is een Natuurtoets uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling (Antea Group, 2022). Uit deze Natuurtoets is naar voren gekomen dat het plangebied mogelijk essentiële elementen bevat voor de steenmarter. Het betreft een deels vervallen logistiekgebouw met holten en kieren in de muren waardoor de steenmarter in het gebouw kan verblijven. Om te bepalen of het gebouw dient als verblijfplaats van de steenmarter, is nader onderzoek uitgevoerd. In voorliggende rapportage zijn de resultaten van het nader onderzoek beschreven. Figuur 1.1 toont de ligging van het plangebied met daarin de ligging van het logistiek gebouw (blauwe contour).
Figuur 1.1. Ligging van het plangebied (rode kader) met het logistiekgebouw (blauwe kader).
2
Wettelijk kader
2.1
Algemeen De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de voorliggende toetsing wordt ingegaan op de bescherming van soorten verankerd in de Wet natuurbescherming. Hier zal in Hoofdstuk 5 aan getoetst worden.
2.2
Wnb - soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief Bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal vogelsoorten, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt. Bij voorgaand onderzoek vallen de huismus, kerkuil, ransuil en steenuil onder de bescherming van de Vogelrichtlijn. Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen.
Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod op om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden.
2
Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Bij voorgaand onderzoek valt de steenmarter onder de bescherming van de andere (nationale) soorten. Indien bij het voornemen gestelde verboden in artikel 3.1, 3.5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie.
2.3
Ontheffingsplicht Indien bij het voornemen gestelde verboden in artikel 3.1, 3.5 of 3.10 worden overtreden, en deze niet volledig gemitigeerd kunnen worden of wanneer een toetsing gewenst is - dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaats vindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie (1-3).
2.4
Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren niet mogen worden uitgevoerd. Wanneer dergelijke handelingen toch uitgevoerd moeten worden, moeten maatregelen, voor zover dit in redelijkheid kan, worden genomen om de nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen (bijvoorbeeld planten en amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland.
3
3
Methoden
3.1
Steenmarter Voor de steenmarter is nader onderzoek uitgevoerd met behulp van twee cameravallen en een struikrover binnen de actieve periode van marterachtigen. Aangezien voor de steenmarter geen vastgesteld protocol kan worden gebruikt, is het onderzoek deels gebaseerd op de handreiking kleine marterachtigen van de zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord Brabant (Bouwens, 2017). Hierin wordt gesteld dat de onderzoeksperiode in het actieve seizoen van kleine marterachtigen (maart tot en met augustus) valt. In tegenstelling tot kleine marterachtige kan onderzoek naar steenmarter ook nog worden verricht in de maand september aangezien het binnen de dispersieperiode van jonge steenmarters valt. Verder moeten camera’s worden geplaatst in de meest kansrijke landschapselementen. Gezien de omvang van het onderzoeksgebied en de locatie van intredeholten zijn twee camera’s en een struikrover voldoende (Bouwens, 2017) De camera’s zijn tijdens het onderzoek gericht op gevels met holten waar de steenmarter gebruik van kan maken om het gebouw te betreden. Daarnaast is de struikrover gebruikt om eventuele steenmarters met lokmiddel aan te trekken. Met deze methode kan aangetoond worden of de steenmarter in de omgeving van het gebouw en omgeving voorkomt.
De camera’s zijn op 23 augustus 2022 geplaatst waarna ze vervolgens tijdens drie veldbezoeken in achtereenvolgende weken door een ter zake kundig ecoloog van Antea Group zijn uitgelezen (zie Tabel 4.1). Drie camera’s zijn op strategische posities geplaatst bij het vervallen logistieke centrum aan de Spoorlaan, waarvan één camera aan de westzijde van het gebouw is geplaatst om zo overzicht te hebben op twee intredegaten in de westgevel. Daarnaast is er een camera geplaatst tegen de noordgevel om overzicht te hebben op een holte. De struikrover is geplaatst in een overgroeid perkje aan de oostzijde van het gebouw.
4
Figuur 3.1. Locatie van de geplaatste camera’s en het beeldbereik ten opzichte van ingangen tot het gebouw.
Figuur 3.2. Geplaatste cameraval aan de noordgevel.
5
4
Resultaten Gedurende zes weken zijn de camera’s om de twee weken uitgelezen. Tijdens het uitlezen van de camera’s zijn er geen waarnemingen gedaan van steenmarters. Wel zijn waarnemingen gedaan van katten en diverse algemene vogelsoorten. Daarnaast zijn ook foeragerende huismussen waargenomen in de perken rondom het logistiek gebouw. Tabel 4.1. Overzicht waarnemingen per controle en camera.
Struikrover Datum controle 6-9-2022 20-9-2022 4-10-2022
Waarnemingen per 2 weken Spitsmuis, 2 huiskatten Huiskat en huismus Huiskat en huismus
Camera noordzijde Datum controle 6-9-2022 20-9-2022 4-10-2022
Waarnemingen per 2 weken Kauw, spreeuw en huiskat Huiskat en roodborst Huiskat
Camera westzijde Datum controle 6-9-2022 20-9-2022 4-10-2022
Waarnemingen per 2 weken Kauw, spreeuw en huiskat Huiskat en roodborst Huiskat
Huismussen Tijdens het onderzoek zijn foeragerende huismussen waargenomen in de om het gebouw liggende perken en hagenstruiken. Deze perken waren tijdens de uitvoering van de natuurtoets nog braakliggend met enkel ruigte vegetatie. Het inzaaien van de perken met zadenmengsels van onder andere zonnebloemen en andere zaaddragende planten heeft er voor gezorgd deze geschikt zijn als foerageergebied voor de huismus. Het logistiek gebouw zou daarbij potentieel schikken als broedplaats. Het is onduidelijk of de huismussen al daadwerkelijk tot broeden komen binnen het plangebied. Nesten en leefgebied van de huismus zijn beschermd onder Artikel 3.1. van de Wnb. Nadere toelichting op mogelijke effecten op de huismus wordt gegeven in hoofdstuk 5.
6
5
Effectbeoordeling Uit het onderzoek is gebleken dat in het onderzoeksgebied geen leefgebied voor de steenmarter aanwezig is. Daarentegen blijkt de nieuwe situatie van het plangebied wel te dienen als leefgebied voor de huismus (Artikel 3.1). In dit hoofdstuk worden deze bevindingen getoetst aan de Wet natuurbescherming en wordt ingegaan op de benodigde vervolgstappen ten aanzien van de Wet natuurbescherming.
5.1
Steenmarter Tijdens het onderzoek zijn er geen waarnemingen gedaan van steenmarters binnen het plangebied. Daarnaast zijn er ook geen steenmarters in de omgeving van het plangebied waargenomen. Op de cameravallen en struikrover zijn voornamelijk katten waargenomen. Er bevinden zich geen andere geschikte verblijfplaatsen voor de steenmarter binnen het plangebied. Op basis van de bevindingen zijn er geen verblijfplaatsen van de steenmarter te verwachten binnen het plangebied.
5.2
Huismus Tijdens verschillende terreinbezoeken zijn foeragerende huismussen waargenomen in de nieuw ingezaaide perken rondom het logistiekgebouw. Het inzaaien van de perken heeft gezorgd voor een verandering van de situatie waardoor het plangebied nu dient als leefgebied voor de huismussen. Deze kunnen in de toekomst mogelijk gaan broeden in het logistiekgebouw. In het kader van de Wet natuurbescherming zijn de nesten van huismussen jaarrond beschermd (Artikel 3.1 Wnb, jaarrond beschermd nest) en zijn bij effecten vervolgstappen aan de orde. Het gebouw en omliggende perken worden aangetast ten gevolge van het plan. Om te weten of er als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling of activiteit sprake is of kan zijn van een overtreding van één of meer van de verbodsbepalingen van het onderdeel soortbescherming van de Wet natuurbescherming, is het nodig om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van de huismus. Nader onderzoek Indien sprake is van werkzaamheden welke het leefgebied en nesten van de huismus beïnvloedt, dient te worden bepaald of eventuele verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden worden. Hiervoor is inzicht noodzakelijk in het daadwerkelijke gebruik van het plangebied door de huismus. Dit dient onderzocht te worden middels het kennisdocument huismus (BIJ12, 2022).
Het onderzoek wordt verricht door middel van twee terreinbezoeken in de periode tussen 1 april en 20 juni. Tijdens het terreinbezoek wordt gelet op nest indicerend gedrag, waaronder: invliegende en zingende mussen.
7
6
Conclusies en aanbevelingen Gemeente Barendrecht (hierna: initiatiefnemer) is voornemens het gebied ten oosten van het NSstation, genaamd de Stationstuinen, te herontwikkelen. Het plangebied ligt rondom de Spoorlaan in het oosten van Barendrecht, in de provincie Zuid-Holland. Het betreft een bedrijventerrein met een logistiek centrum en grasvelden en bloemenperken. Uit de Natuurtoets (2022) is naar voren gekomen dat het plangebied mogelijk essentiële elementen bevat voor de steenmarter. Het betreft een deels vervallen logistiekgebouw met holten en kieren in de muren waarin de steenmarter kan verblijven. Om te bepalen of het gebouw dient als verblijfplaats van de steenmarter, is nader onderzoek uitgevoerd. In voorliggende rapportage zijn de resultaten van het nader onderzoek beschreven. Steenmarter Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er binnen het plangebied geen leefgebied van de steenmarter aanwezig is. Er zijn geen waarnemingen gedaan van steenmarters in en rondom het gebouw. Rondom het plangebied zijn wel meerdere katten waargenomen. Er vormen geen belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied door de steenmarter. Huismus Tijdens verschillende terreinbezoeken zijn foeragerende huismussen waargenomen in de nieuw ingezaaide perken rondom het logistiekgebouw.
Het inzaaien van de perken heeft gezorgd voor een verandering van situatie ten opzichte van de periode van veldonderzoek ten behoeve van de natuurtoets. Het nieuwe foerageergebied maakt dat plangebied nu wordt gebruikt als leefgebied voor de huismussen. In het logistiek centrum kan de huismus potentieel tot broeden komen. Hierdoor is inzicht wenselijk naar het gebruik van het plangebied door de huismus. Het wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren naar het gebruik van het plangebied door de huismus. Onderzoek vindt plaats tijdens twee terreinbezoeken in de periode van april t/m juni.
8
7
Bronnen Antea Group. (2022). Natuurtoets Fase 1 de Stationstuinen. Capelle aan de IJssel: Antea Group. BIJ12. (2022). Kennisdocument huismus. Utrecht: BIJ12. Bouwens, S. (2017). Handreiking Kleine Marters. 's-Hertogenbosch: provincie Noord-Brabant. Luijendijk, J. (2020). Bunzing - Mustela putorius. Bunzing. NDFF, Nijmegen. Opgehaald van https://www.verspreidingsatlas.nl/8496152# Minten, W. (2018). Bunzing. Bunzing. WM Natuurfotografie. Opgehaald van https://wmnatuurfotografie.nl/bunzing/ Websites Zoogdiervereniging NDFF
9
Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.
Contactgegevens Rivium Westlaan 72 2909 LD CAPELLE A/D IJSSEL Postbus 8590 3009 AN ROTTERDAM T. +31 6 51715311 E. wauter.klok@anteagroup.nl
www.anteagroup.nl
Copyright © 2017 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.