CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

B13 Natuurtoets De Stationstuinen 1ste fase

commissie Ruimte 28 november 2023, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Bestemmingsplan De Stationstuinen 1ste fase12.948 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen Toetsing Wet natuurbescherming en NNN

projectnummer 0470766.100 definitief revisie 01 10 februari 2023

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen Toetsing Wet natuurbescherming en NNN projectnummer 0470766.100 definitief revisie 01 10 februari 2023

Auteur W.R. Klok

Opdrachtgever BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V. Bosscheweg 107 5282 WV BOXTEL

Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus

De informatie in voorliggende rapportage is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

datum vrijgave

beschrijving revisie 01 definitief

gecontroleerd C Schellingen

vrijgave

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

Inhoudsopgave Natuurtoets

2

Conclusies en advies

3

1

Inleiding

1

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Planvoornemen Doel en onderzoeksvragen Leeswijzer

1 2 3 4

2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming

5

2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5

Algemeen Soortbescherming Gebiedsbescherming Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Belangrijke weidevogelgebieden Bijzonder Provinciaal landschap Midden Delfland Bescherming van houtopstanden

5 5 6 6 7 7 8 8

3

Methodiek

9

3.1 3.2 3.3 3.4

Algemeen Bureauonderzoek Terreinbezoek Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

9 9 10 10

4

Resultaten

11

4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5

Gebiedsbeschrijving Beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek Resultaten terreinbezoek - ecologische bevindingen Samenvatting beschermde soorten Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Nederland (NNN) Belangrijke weidevogelgebieden Bijzonder Provinciaal landschap Midden Delfland Bescherming van houtopstanden

11 12 12 12 15 15 15 16 17 17 18

5

Toetsing

19

5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3

Effectbepaling plan Toetsing effect op beschermde soorten Algemene broedvogels Zoogdieren Effecten op beschermde gebieden

19 19 19 20 21

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4 5.3.5

Effecten op Natura 2000-gebieden Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Effecten op belangrijke weidevogelgebieden Effecten op Provinciaal Landschap Midden Delfland Effecten op beschermde houtopstanden

21 21 22 22 22

6

Bronnen

23

Globale ligging van het plangebied (rood omlijnd) Bron: Opentopo via Qgis.

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

Conclusies en advies Gemeente Barendrecht (hierna: initiatiefnemer) is voornemens het gebied ten oosten van het NS-station, genaamd de Stationstuinen, te herontwikkelen. Het plangebied ligt rondom de Spoorlaan in het oosten van Barendrecht, in de provincie Zuid-Holland. Het betreft een bedrijventerrein met een logistiek centrum en open grasvelden. Deze ontwikkeling is in het huidige bestemmingplan niet toegestaan. Om deze reden wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Het plan kan worden uitgevoerd als duidelijk is dat het plan niet in strijd is met de Wet natuurbescherming en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland. Daarom is inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van het plangebied en de effecten hierop. Dit wordt gedaan op basis van een Natuurtoets. In dit hoofdstuk is het advies gegeven dat voortkomt uit de conclusies van de uitgevoerde Natuurtoets. Tevens is aangegeven of volgens de Nederlandse wetgeving vervolgstappen aan de orde zijn.

Conclusies: Beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 2,7 kilometer afstand van het plangebied. Het betreft de rivier de Oude Maas. Van directe aantasting van de NNN is dan ook geen sprake. (Significant) negatieve effecten ten gevolge van het plan zijn uitgesloten. Er is daarom geen noodzaak voor vervolgstappen of een uitgebreidere toetsing voor wat betreft het NNN. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Oude Maas ligt op circa 2,7 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Daarbij ligt het Natura 2000-gebied de Boezems Kinderdijk op circa 5,9 kilometer van het plangebied. De afstand tussen deze gebieden en het plangebied is dermate groot dat van directe aantasting, zoals verdroging of geluid- en lichtverstoring van de Natura 2000-gebieden geen sprake is. Bovendien heeft de inrichting van het tussenliggend gebied een afschermende werking. In dit geval kunnen alleen effecten via stikstofdepositie van toepassing zijn op de Natura 2000-gebieden omdat deze stoffen zich door de lucht verder verspreiden. Desbetreffende Natura 2000-gebieden bevatten echter geen habitattypes die gevoelig zijn voor overbelasting door stikstofdepositie.

Uit het stikstofonderzoek blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie te verwachten is in de gebruiksfase en de realisatiefase van De Stationstuinen. Bescherming van houtopstanden Binnen het plangebied zijn meerdere bomen aanwezig. Enkele van de bomen staan binnen een door de gemeente Barendrecht aangegeven groengebied. Voor het kappen van deze bomen dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. De bomen zijn niet opgenomen op de gemeentelijke monumentale bomenlijst. Daarnaast hoeft er geen kapmelding te worden gedaan bij de provincie Zuid-Holland, aangezien de bomen binnen de bebouwde kom van de Gemeente Barendrecht staan. Provinciaal Landschap Midden Delfland. Het plangebied ligt op circa 14 kilometer afstand van het Bijzonder Provinciaal landschap Midden Delfland. Er worden dan ook geen negatieve effecten ten gevolge van het plan verwacht.

Tabel 1: Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming.

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

Aanwezig binnen de invloedssfeer?

Effecten?

Natura 2000

NNN

Belangrijke weidevogelgebied

Bescherming van houtopstanden

Bijzonder Provinciaal landschap Midden Delfland

Ja

Nee

Nee

Ja

Nee

Mogelijk

Nee

Nee

Mogelijk, onduidelijk of er bomen dienen te worden gekapt.

Nee

Nee

Ja

Vereiste vervolgstappen aan de orde?

Ja, AERIUSberekening en indien noodzakelijk andere vervolgstappen (maatwerk)

Nee

Nee

De bomen staan binnen beschermd groengebied van de gemeente Barendrecht.

Is het plan uitvoerbaar in het kader van de gebiedsbescherming?

Dient nader beoordeeld te worden

Ja

Ja

Alléén wanneer er een omgevingsvergunning wordt verleend.

Conclusies: Beschermde soorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende -in het kader van de Wet natuurbescherming- beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied; -

Algemene broedvogels (mogelijke nesten in de rietkragen, bomen of grasvelden). Vleermuizen (mogelijk verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes aanwezig in het plangebied) Steenmarter (mogelijk leefgebied in het plangebied)

In tabel 2 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende project. Aangegeven is of een nader onderzoek nodig is, of er sprake is van een overtreding van de Wet Natuurbescherming, of dit middels maatregelen voorkomen kan worden en of bij de uitvoering van het project een ontheffing nodig is. In Hoofdstuk 5 van deze Natuurtoets staat de onderbouwing voor de gegeven conclusies.

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

Tabel 2: Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming.

Soort (groep)

Essentieel leefgebied in plangebied?

Nader onderzoek nodig?

Is er sprake van een overtreding?

Algemene broedvogels

In het plangebied kan gebroed worden door (algemene) vogels als meeuwen en duiven.

Nee, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of na vrijgave ecoloog.

Nee, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of na vrijgave ecoloog.

Vleermuizen

Steenmarter

In het plangebied bevinden mogelijk vleermuis verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes.

In het plangebied bevindt mogelijk leefgebied van de steenmarter.

Ja

Ja

Mogelijk

Mogelijk

Ontheffing noodzakelijk

Vervolgstappen

Nee

Werken buiten het broedseizoen of vrijgave ecoloog. (zie paragraaf 5.2.1).

Mogelijk

Voorafgaand aan de realisatie moet tijdig aanvullend onderzoek plaatsvinden naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied (zie paragraaf 5.2.2).

Mogelijk

Voorafgaand aan de realisatie moet tijdig aanvullend onderzoek plaatsvinden naar de aanwezigheid van de steenmarter in het plangebied (zie paragraaf 5.2.2).

Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. In het tekstkader in Bijlage 1 staat het wetsartikel uitgeschreven. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Gemeente Barendrecht (hierna: de initiatiefnemer) is voornemens het gebied ten oosten van het NS-station, genaamd de Stationstuinen, te herontwikkelen. De Stationstuinen wordt een nieuw gemengd woon-werkgebied met ruimte voor circa 3.000 woningen, maatschappelijke voorzieningen, onderwijs, de mogelijkheid voor start-ups en ruimte voor research en development en experience. Voor deze ontwikkeling wordt de plan-m.e.r.-procedure doorlopen en een MER opgesteld. Het MER onderzoekt en beoordeelt de effecten op de leefomgeving en de belangrijke keuzes die hiervoor nog te maken zijn. Voor de eerste fase van de ontwikkeling wordt een bestemmingsplan opgesteld. Ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er dient onderzocht te worden of het plan effect heeft op beschermde soorten of beschermde gebieden (Wet natuurbescherming; Wnb en Natuurnetwerk Nederland). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties. Dit wordt gedaan op basis van een Natuurtoets. In deze rapportage zijn de resultaten van de Natuurtoets beschreven en wordt antwoord gegeven of het plan uitvoerbaar is.

In Figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Openluchtfoto via Qgis.

Blad 1 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

1.2

Planvoornemen De initiatiefnemer is voornemens om herontwikkeling van de Stationstuinen ten Barendrecht te realiseren. Dit plan maakt de ontwikkeling mogelijk van een dynamisch kavel waar verschillende bedrijven, een campus en woongelegenheden worden waargemaakt. Figuur 1.2 geeft weer hoe de wijk zal worden ingericht. Daarnaast is het voornemen om het terrein natuurinclusief in te richten met groenstroken en watergangen. In Figuur 1.3 is de conceptinrichting van het plangebied weergegeven als platte grond.

Figuur 1.2: Beoogde gebiedsinrichting met ontwikkelvelden naar functie. Bron: Gemeente Barendrecht.

Blad 2 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

Figuur 1.3: Plattegrond met de geplande inrichting van het plangebied. Bron: stationstuinenbarendrecht.nl

1.3

Doel en onderzoeksvragen Het doel van voorliggende Natuurtoets is het onderzoeken van mogelijke strijdigheden van het voorgenomen plan met de beschermde soorten en beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland; NNN) en het bepalen of het plan uitvoerbaar is. Daarnaast zal deze natuurtoets ook input leveren voor het MER. De volgende onderzoeksvragen zijn van toepassing: Welke in het kader van de Wnb beschermde soorten (en/of vaste rust- en verblijfplaatsen) komen voor in het beïnvloedingsgebied van het plan? Vinden er als gevolg van de ontwikkeling die mogelijk gemaakt worden door het plan effecten plaats op deze soorten en worden daarbij verbodsbepalingen overtreden? Is het plan uitvoerbaar en zijn, zo nodig, aanvullende voorwaarden in het plan aan de orde? Komen in de beïnvloedingszone van het plangebied beschermde natuurgebieden (NNN en/of Natura 2000) voor? Zo ja, welke zijn dit en wat zijn de gevolgen hierop? Dienen vervolgstappen in de vorm van een compensatieplan opgesteld te worden of zijn andere vervolgstappen aan de orde? Op bovenstaande vragen wordt in hoofdstuk 4 en 5 een antwoord gegeven (zie ook de leeswijzer).

Blad 3 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

1.4

Leeswijzer De Natuurtoets is als volgt opgebouwd: De Natuurtoets begint met de belangrijkste conclusies gedestilleerd uit de resultaten van voorliggende Natuurtoets; Hoofdstuk 1 geeft de aanleiding van de Natuurtoets en het planvoornemen; Hoofdstuk 2 beschrijft beknopt het wettelijk kader; Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de methodiek van de Natuurtoets; Hoofdstuk 4 beschrijft het gebied en gaat in op de ecologische waarden en de beschermde soorten en gebieden in (de omgeving) van het plangebied; Hoofdstuk 5 toetst het plan aan de Wet natuurbescherming en het NNN.

Blad 4 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming Dit hoofdstuk beschrijft het wettelijk kader van de soortenbescherming (paragraaf 2.2) en de gebiedsbescherming (paragraaf 2.3) relevant voor voorliggende Natuurtoets.

2.1

Algemeen De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen). Per paragraaf worden tevens de beleidsregels van de provincie aangeduid die specifiek voor deze provincie (en derhalve voor voorliggend voornemen) van toepassing kunnen zijn.

2.2

Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Bij voorliggende toetsing wordt tevens beoordeeld of soorten met jaarrond beschermde nesten: categorie 1 t/m 5 aanwezig zijn in het plangebied. Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal vogelsoorten, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt (zie artikel 3.1 in tekstkader in de bijlage).

Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.1 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie. Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod op om planten

Blad 5 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.5 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in artikel 3.10, bijlage A en B van de Wnb, zie ook Bijlage tabel B(1 en 2) en C van voorliggende rapportage. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren.

Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.10 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waar het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie. Het voorgaande geldt echter niet indien de soorten zijn vrijgesteld door het bevoegd gezag. Het plangebied voor deze toetsing ligt in de provincie Zuid-Holland. In de provincie Zuid-Holland zijn, in tegenstelling tot de landelijke vrijgestelde soorten van artikel 3.10 onderdeel A (zie Regeling Natuurbescherming, Bijlage 13), de ondergrondse woelmuis en de tweekleurige bosspitsmuis niet vrijgesteld. De provincie heeft de vrijstellingslijst van het Rijk beoordeeld of de door het Rijk vrijgestelde soorten in aanmerking komen voor een provinciale vrijstelling. Zo is per soort gekeken naar onder andere de verspreiding en talrijkheid van de soort in de provincie ZuidHolland.

Hieruit blijkt dat de soorten ondergrondse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis (en molmuis), niet of nauwelijks voorkomen in Zuid-Holland zodat een provinciale vrijstelling voor die soorten niet opportuun is (Provincie Zuid-Holland, 2016). Voor deze soorten dient bij een overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 gewerkt te worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode of dient een ontheffing aangevraagd te worden. In de provincie geldt voor de overige landelijk vrijgestelde soorten, ook een vrijstelling. Voor deze soorten geldt enkel de zorgplicht.

2.3

Gebiedsbescherming

2.3.1

Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en/of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Indien op voorhand significante effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een Passende beoordeling opgesteld te worden.

Blad 6 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

2.3.2

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden. Dit is onderdeel van de actieve soortbescherming uit de Wet natuurbescherming; bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. Om dit te realiseren is in de Wnb art. 1.12, lid 2 vastgelegd dat de provincies zorgen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het Natuurnetwerk Nederland. Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. Voor de natuurgebieden die behoren tot het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe1. In de Omgevingsverordening van provincie Zuid-Holland (2019) zijn regels voor het NNN opgenomen in Artikel 2.5 en Artikel 6.24.

Het ‘nee, tenzij’-principe betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een zwaarwegend belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Het compensatiebeleid van provincie Zuid-Holland voor de gebieden die aangewezen zijn als NNN is vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap ZuidHolland (2013). Het regime ter bescherming van het NNN kent in de provincie Zuid-Holland geen externe werking. Dit houdt in dat alleen wanneer er binnen de grenzen van het NNN gewerkt wordt, de effecten beoordeeld en eventueel gecompenseerd dienen te worden. Effecten als gevolg van de activiteiten die ontstaan op NNN-gebieden die buiten de plangrenzen liggen (externe effecten), hoeven derhalve niet gecompenseerd te worden. Echter, voor de beoordeling van projecten in het kader van de m.e.r. dienen ook de effecten op NNN in beeld te worden gebracht ongeacht of wel of niet sprake is van vernietiging binnen NNN. Dit aangezien de Wet milieubeheer ook in het geval van externe werking een toetsing aan de wezenlijke kenmerken en waarden vereist.

2.3.3

Belangrijke weidevogelgebieden De belangrijke weidevogelleefgebieden zijn verspreid over de provincie Zuid-Holland gelegen. Belangrijke weidevogelgebieden, gelegen buiten de NNN, zijn aangewezen vanwege de specifieke maatschappelijke verantwoordelijkheid voor deze karakteristieke en kwetsbare vogels, die mede de kwaliteit van het Zuid-Hollandse (veen)weidelandschap bepalen (Omgevingsverordening Zuid-Holland 2019). Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in Artikel 1.1 van de Omgevingsverordening een significante fysieke aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013).

1

Naast ‘de route’ van de Nee tenzij-afweging kan er sprake zijn van twee andere routes, namelijk een kleinschalig ontwikkeling of een NNN(EHS)-saldobenadering waarbij er geen onderbouwing aan de orde is van het dwingende belang en/of van alternatieven. Indien relevant wordt bekeken of deze van toepassing zijn voor het plan.

Blad 7 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

2.3.4

Bijzonder Provinciaal landschap Midden Delfland De aanwijzing van het gebied Midden Delfland als Bijzonder Provinciaal Landschap is verleend op grond van Artikel 1.12 lid 3 van de Wet natuurbescherming. Hierin staat het volgende opgenomen. Art. 1.12 lid 3 Wnb. Gedeputeerde staten kunnen gebieden gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als «bijzondere provinciale natuurgebieden», onderscheidenlijk «bijzondere provinciale landschappen».

Voor dit gebied geldt geen juridisch beschermingskader; de provincie gaf aan dat de aanwijzing als bijzonder provinciaal landschap alleen een predicaat betrof en dat de streek zelf de landschappelijke waarden moet beschermen en instandhouden om het predicaat te behouden. Voor het aspect Bijzonder Provinciaal Landschap wordt beoordeeld wat de effecten zijn op de kernwaarden van het gebied. De kernwaarden en beoordelingscriteria voor het Provinciaal Landschap zijn afgeleid uit de publicatie “Omgangsvormen met een landschap van stand; Gebiedsbeschrijving Landschap Midden-Delfland” van de gemeente Midden-Delfland, Maart 2017.

2.3.5

Bescherming van houtopstanden De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft invulling aan de bescherming van houtopstanden die tot aan 1 januari 2017 vielen onder bescherming van de Boswet. De bescherming is geregeld in Hoofdstuk 4 van de Wnb. De Provincie is het bevoegd gezag. De bescherming betreft de houtopstanden die zijn gelegen buiten de bebouwde kom Wnb en die een oppervlakte hebben van meer dan 1.000 m2 (0,1 hectare) of bestaan uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. De Wnb doet geen uitspraken over houtopstanden die zijn gelegen binnen de bebouwde kom of met kleinere oppervlakte dan 1.000 m2. Bescherming van dergelijke houtopstanden is een taak van de gemeentelijke overheid. De wet geldt niet voor: a) Houtopstanden op erven of in tuinen; b) Fruitbomen of windschermen om boomgaarden; c) Naaldbomen bedoeld als kerstbomen indien niet ouder dan 20 jaar; d) Kweekgoed; e) Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs watergangen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; f) Het dunnen van een houtopstand; g) Het uit populieren, wilgen, essen of elsen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van biomassa (onder specifieke voorwaarden). Voor houtopstanden groter dan 1.000 m2 is veelal sprake van overlap met de gemeentelijke Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

De mate van overlap kan per gemeente verschillen en is dus maatwerk. Toetsing aan de APV valt buiten de scope van de Natuurtoets. Voor houtopstanden die zijn beschermd in de Wnb geldt een meldingsplicht bij voorgenomen velling, en in principe tevens een herplantplicht. Herplant wordt in principe ter plekke ingevuld. Onder voorwaarden kan herplant ook elders worden gerealiseerd

Blad 8 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

3

Methodiek Dit hoofdstuk beschrijft de methodiek die gehanteerd is voor het bureauonderzoek (paragraaf 3.2) en het terreinbezoek (paragraaf 3.3) van voorliggende Natuurtoets. In paragraaf 3.4 is aangeduid hoe deze gegevens leiden tot een conclusie.

3.1

Algemeen Het onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten en ligging van beschermde gebieden is opgebouwd uit twee onderdelen: 1. 2.

3.2

Bureaustudie naar waarnemingen van beschermde soorten uit het (recente) verleden en ligging van beschermde gebieden in de invloedsfeer van het plan; Terreinbezoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten.

Bureauonderzoek Afbakening beschermde soorten In het bureauonderzoek wordt specifiek gekeken naar soorten uit de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), soorten van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5) en ‘andere’ beschermde soorten (artikel 3.10). Bij vogels zal met name speciale aandacht geschonken worden aan soorten die in het plangebied een essentieel leefgebied kunnen hebben. Voorgenoemde soorten zijn in Nederland zeldzaam of hebben een Europese bescherming (Habitatrichtlijn bijlage IV-soorten, bijlage II Verdrag van Bern en bijlage I Verdrag van Bonn) en moeten worden getoetst op voorkomen en het projecteffect. Treden effecten op, of worden verbodsbepalingen overtreden, dan zijn er maatregelen nodig om deze effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wnb. Een aantal soorten is door de provincies vrijgesteld en zijn opgenomen in provinciale vrijstellingen (zie tabel B en C in de bijlage). Deze zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in de provincie dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt bij het voorliggende project. Wel geldt de algemene zorgplicht. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding worden gegarandeerd.

Hierbij kan gedacht worden aan het rekening houden met de kwetsbare seizoenen van deze soorten en de manier van werken (zoals het aanhouden van vaste rijroutes en het zorgen voor vluchtmogelijkheden voor de soorten). Bronnen Om een beeld te krijgen van de verspreiding en (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied, is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij is nagegaan of er in de periode 2017-2021 beschermde soorten zijn aangetroffen in of nabij het plangebied. Daarnaast is het onderzoeksrapport van ECOLOGISCH geraadpleegd. Hierin zijn de watergangen binnen het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van platte schijfhoren en grote modderkruiper. Aan de hand van de resultaten van de bureaustudie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen. Naast de bronnen met soortinformatie is voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden gebruik gemaakt van de gebiedendatabase op de website van het Ministerie van EZ of provinciale digitale atlassen. Om inzicht te krijgen in de ligging van het plangebied t.o.v. van het NNN is de provinciale website geraadpleegd.

Blad 9 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

3.3

Terreinbezoek Naar aanleiding van de uitkomsten van voorgenoemde bureaustudie is middels een terreinbezoek bepaald in hoeverre de aanwezigheid van beschermde soorten aannemelijk gesteld kan worden op basis van aanwezig geschikt habitat. Naast directe waarnemingen kan dan aan de hand van de aangetroffen biotopen een beeld worden geschetst van de verwachte aanwezige beschermde soorten. Dit is noodzakelijk omdat enkele seizoensgebonden soorten flora en fauna mogelijk niet kunnen worden waargenomen. Aan de hand van het aangetroffen biotoop en habitatvoorkeur(en) kunnen echter wel indicaties worden gegeven van het mogelijk voorkomen van deze soorten op de locatie. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten opgetekend. Op 19-1-2022 is vanaf circa 9:30 uur een terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij bewolkt weer met een temperatuur van circa 4 °C. Tijdens het terreinbezoek is het plangebied te voet belopen met een verrekijker en camera.

3.4

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject Aan de hand van de bevindingen uit het bureauonderzoek en de resultaten van het verkennend terreinbezoek kan worden bepaald of het plan uitvoerbaar is, of een vervolgonderzoek nodig is om beschermde soorten uit te sluiten en om te bepalen wat de effecten zijn. Tevens kan worden geadviseerd over de te volgen procedure inzake de natuurwetgeving.

Blad 10 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

4

Resultaten In paragraaf 4.1 is allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens is in paragraaf 4.2 in gegaan op de resultaten van de in het gebied aanwezige of verwachte beschermde soorten (uiteenzetting van de resultaten van de bureaustudie en het terreinbezoek), waarna in paragraaf 4.3 de ligging van gebieden beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming en het NNN in de omgeving van het plangebied aangegeven is.

4.1

Gebiedsbeschrijving Het plangebied ligt rondom de Spoorlaan ten oosten van station Barendrecht, in de provincie Zuid-Holland. Het betreft een bedrijventerrein met een logistiek centrum en grasvelden. Daarnaast bevinden zich in het plangebied meerdere wegen, fietspaden en watergangen. Het logistieke centrum is gelegen in het noordoosten van het plangebied. Het betreft een oud gebouw met meerdere dichtgetimmerde gevels en scheuren. De grasvelden in het plangebied zijn met name begroeid met grassen en kruidachtige planten. Daarnaast zijn de oevers begroeid met riet, lisdodde en wilgen. In figuur 4.1 zijn foto’s ter impressie gegeven van het plangebied.

Plangebied vanaf het station.

Aanzicht vanaf de weg op het logistieke centrum.

Watergang gelegen in het plangebied.

Watergang met riet.

Figuur 4.1: Foto's ter impressie van het plangebied.

Blad 11 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

4.2

Beschermde soorten

4.2.1

Resultaten bureauonderzoek Uit de recente verspreidingsinformatie blijkt dat in of nabij het plangebied in het verleden diverse beschermde soorten zijn waargenomen (binnen een straal van 2,5 kilometer). Dit betreft de beschermde soorten genoemd in Habitatrichtlijn (bijlage IV onderdeel a en b) en de nietvrijgestelde ‘andere soorten’ uit bijlage I (onderdeel a en b) van de Wet natuurbescherming alsook vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. De soorten zijn weergegeven in Tabel 4.1. Tabel 4.1: Overzicht van waargenomen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5km) die in het NDFF door derden zijn ingevoerd. De soorten zijn in te delen in Habitatrichtlijn (HR), lijsten A en B behorende bij artikel 3.10 en vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (JRB) en zijn aangegeven met een ‘X’ (NDFF, 2017-2022). Soortgroep

Vogels met een jaarrond beschermd nest*

Zoogdieren

Soort

Buizerd Gierzwaluw Huismus Ransuil Vleermuizen* Steenmarter

Vaatplanten

Geen waarnemingen

Amfibieën

Geen waarnemingen

Reptielen

Geen waarnemingen

Insecten - dagvlinders

HR

Geen waarnemingen

Vissen

Grote modderkruiper Platte schijfhoren

A/B

X X X X X X

Grote vos

Insecten - libellen

Overige soortgroepen

JRB

X

X X

*Categorie 5: de afweging of er sprake is van een jaarrond beschermd nest uit categorie 5 wordt gemaakt bij de beschrijving van de resultaten van het terreinbezoek (paragraaf 4.2.2). **Vleermuizen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Op basis van de verspreidingsgegevens van een soort, in combinatie met kennis van de terreingeschiktheid voor deze soorten, is vervolgens nagegaan of het plangebied een functie vervult voor (onder andere) deze soorten en of effecten aan de orde zijn. De bevindingen zijn in paragraaf 4.2.2 uiteengezet.

4.2.2

Resultaten terreinbezoek - ecologische bevindingen Op basis van het bureauonderzoek en het terreinbezoek wordt per soortgroep ingegaan op de eventuele (kans op) aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied.

Blad 12 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

Afbakening relevante soorten Doordat er geen bosschages in het plangebied staan, er weinig schuilmogelijkheden aanwezig zijn en het plangebied verstoord is, is de aanwezigheid van biotoop-kritische (sub)soortgroepen in het plangebied uit te sluiten. Daarnaast is gebleken uit nader onderzoek dat in het plangebied geen leefgebied van platte schijfhoren en grote modderkruiper aanwezig is (Ecologisch, 2021). Daarom zijn er onder andere op basis van het terreinbezoek geen effecten (overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wnb) aan de orde op de beschermde soorten uit de volgende (sub)soortgroepen: reptielen, amfibieën, libellen, weekdieren en vissen. De overige soortgroepen zijn hierna beschreven: vogels, zoogdieren, dagvlinders en vaatplanten. Vogels Soorten met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) Zoals eerder aangegeven is er een aantal vogelsoorten waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats altijd een ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn de zogenoemde categorie 1 tot en met 4vogelsoorten. Uit de bureaustudie komen meerdere vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest naar voren. Deze zijn hieronder nader toegelicht. Boom-bewonende soorten Buizerd en ransuil. De buizerd en ransuil zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied.

Op basis van de bevindingen van het bureauonderzoek en het terreinbezoek is beoordeeld of de aanwezige biotopen voldoen aan de eisen van deze soorten. De genoemde soorten bouwen nesten in vooral grote bomen en artificiële nestgelegenheden of maken gebruik van een bestaand nest van bijvoorbeeld zwarte kraai of ekster. Doordat de waargenomen eksternesten ten midden van een druk industrieterrein zijn waargenomen, worden deze als ongeschikt geacht vanwege teveel verstoring. Daarom worden jaarrond beschermde nesten van buizerd en ransuil binnen het plangebied uitgesloten en daarmee ook effecten op deze soorten. Gebouw-bewonende vogels Gierzwaluw en Huismus. De huismus en gierzwaluw zijn soorten die voornamelijk in gebouwen broeden. De nesten worden meestal onder dakpannen of daklijsten (BIJ12, 2017a) aangetroffen. De gierzwaluw nestelt in (hoge) bebouwing in donkere holtes in ventilatieschachten, spleten in muren, onder dakpannen en in kerktorens (BIJ12, 2017b). Het gebouw in het plangebied heeft geen daken met dakpannen of spleten waarin de soorten kunnen broeden. Daarom worden jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw en huismus binnen het plangebied uitgesloten en daarmee ook effecten op deze soorten.

Waarde plangebied voor kenmerkende vogelsoorten (categorie 5) Naast het voorkomen van jaarrond beschermde nesten is, in het kader van biodiversiteit doelstellingen, tevens de waarde van het plangebied voor categorie 5 soorten onderzocht. Het plangebied heeft actueel geen unieke functie voor categorie 5 soorten die het plangebied tot het enige geschikte leefgebied in de omgeving voor deze soorten zou maken. Algemene vogelsoorten (artikel 3.1 en 3.5) Het plangebied wordt mogelijk gebruikt door (algemene) broedende vogels. Zo is in één van de bomen op het terrein een nest van de houtduif waargenomen. Daarnaast kunnen weidevogels gebruik maken van het afgezette grasveld. Indien het plangebied wordt gebruikt door algemene broedvogels zal hier zal tijdens de werkzaamheden in het broedseizoen rekening mee moeten worden gehouden.

Blad 13 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

In hoofdstuk 5 is nader op algemene vogelsoorten ingegaan. Zoogdieren Vleermuizen Vaste rust- en verblijfplaatsen In het voorliggende plangebied zijn geen bomen met ruimtes aanwezig die geschikt zijn als vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het logistieke centrum bevat wel mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het betreft meerdere stootvoegen, betimmeringen en kieren waar vleermuizen mogelijk achter of in kunnen verblijven, zie figuur 4.2.

Figuur 4.2: Spouwgaten in de muren van het logistieke centrum.

Vliegroutes en foerageergebied De bomenrij en watergangen in het plangebied worden mogelijk gebruikt als vliegroute door vleermuizen. Daarnaast kunnen de open plekken en watergangen dienen als foerageergebied voor vleermuizen. Hierdoor kan de aanwezigheid van essentieel leefgebied voor vleermuizen niet worden uitgesloten. Gevolgen van het project op deze soorten wordt in Hoofdstuk 5 behandeld. Overige (land)zoogdieren Steenmarter De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. De steenmarter heeft binnen zijn leefgebied soms wel tientallen schuilplaatsen, die hij echter niet allemaal even frequent gebruikt. Dit kunnen bijvoorbeeld boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes zijn (Zoogdiervereniging, 2021). Maar ook spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. De steenmarter kan al door openingen van 5-6 cm kruipen om bij een schuilplaats te komen. Het logistiek centrum binnen het plangebied kan als schuilplaats voor de steenmarter dienen. Daarnaast zijn de aanliggende grasvelden en bermen geschikt als foerageergebied. Om deze rede kan de aanwezigheid van steenmarter niet worden uitgesloten binnen het plangebied.

Dagvlinders Grote vos In de afgelopen vijf jaar is de grote vos waargenomen nabij het plangebied. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. Met name vochtige, open bossen,

Blad 14 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen vormen geschikte biotopen. Vooral iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten dienen als waardplant voor de grote vos (De vlinderstichting, 2021). Op basis van de ingevoerde waarnemingen in NDFF en de afwezigheid van geschikte volwassen waardplanten, kan het voorkomen van grote vos binnen het plangebied worden uitgesloten. Flora Tijdens het terreinbezoek is gezocht naar eventuele beschermde planten in het plangebied. Er zijn echter geen beschermde planten waargenomen. Het voorkomen van berschemde planten in het plangebied kan worden uitgesloten.

4.2.3

Samenvatting beschermde soorten Uit het terreinbezoek is gebleken dat de soorten met een beschermde status, weergegeven in Tabel 4.2, mogelijk voor kunnen komen in het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt nader op deze soorten in gegaan. Tabel 4.2: Mogelijk aanwezige beschermde soorten in het plangebied.

Soort

Beschermingsregime

Algemene broedvogels

Artikel 3.1

Vleermuizen

Artikel 3.5

Steenmarter

Artikel 3.10

4.3

Beschermde gebieden

4.3.1

Natura 2000-gebieden

Aanwezigheid Waarschijnlijk Nog onduidelijk Nog onduidelijk

Toelichting In het plangebied kunnen algemene broedvogels voorkomen. Het logistiek centrum bevat potentieel geschikte verblijfplaatsen Het logistiek centrum bevat potentieel geschikte verblijfplaatsen

Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Oude Maas (Habitatrichtlijngebied) ligt op circa 2,7 kilometer afstand (ten zuiden) van het plangebied. Ook ligt het Natura 2000-gebied de Boezems Kinderdijk (Vogelrichtlijngebied) op circa 5,9 kilometer ten noordoosten van het plangebied, zie Figuur 4.3.

Blad 15 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

Figuur 4.3: Ligging van het plangebied t.o.v. het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Bron: provincie Zuid-Holland.

4.3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is op circa 2,7 kilometer van het plangebied gelegen. Het betreft de rivier de Maas. Figuur 4.4 geeft de aangewezen NNN-gebieden nabij het plangebied weer.

Figuur 4.4: Ligging van het plangebied t.o.v. omliggende NNN-gebieden. Bron: Openluchtfoto via Qgis.

Blad 16 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

4.3.3

Belangrijke weidevogelgebieden In het plangebied is geen belangrijk weidevogelgebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied is op circa 7,9 kilometer ten oosten van het plangebied gelegen. Het betreft een poldergebied ten noorden van Papendrecht. Figuur 4.5 geeft de aangewezen belangrijke weidevogelgebieden nabij het plangebied weer.

Figuur 4.5: Ligging van het plangebied t.o.v. Belangrijke Weidevogelgebieden. Bron: Provincie Zuid-Holland.

4.3.4

Bijzonder Provinciaal landschap Midden Delfland Het plangebied is niet gelegen binnen het Bijzonder Provinciaal landschap Midden Delfland (Gemeente Midden-Delfland, 2021). De afstand tussen het plangebied en het Bijzonder Provinciaal landschap bedraagt circa 14 kilometer. Figuur 4.6 geeft de afstand tussen het Bijzonder Provinciaal landschap en het plangebied weer.

Blad 17 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

Figuur 4.6: Ligging van het plangebied t.o.v Bijzonder Provinciaal landschap. Bron: Provincie Zuid-Holland.

4.3.5

Bescherming van houtopstanden Voor het plangebied gelden geen beperkingen ten aanzien van Wnb-houtopstanden omdat de bomen binnen de bebouwde komgrens houtopstanden van Barendrecht staan. Bij de kap van bomen moet daarom rekening worden gehouden met het gemeentelijk bomenbeleid. In Barendrecht geldt dat er een omgevingsvergunning nodig is voor het kappen van houtopstanden die op de Groene Kaart staan. Alleen de platanen in de middenberm van de Spoorlaan staan op de Groene Kaart (zie figuur 4.7) en blijven naar alle waarschijnlijkheid gehandhaafd.

Figuur 4.7: Groene Kaart met beschermde houtopstanden gemeente Barendrecht (groene vlakken en rode/blauwe stippen) en het plangebied (rood omcirkeld). Bron: Gemeente Barendrecht.

Blad 18 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

5

Toetsing In paragraaf 5.1 is de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 5.2 zijn de werkzaamheden getoetst aan de soortenbescherming (Wnb). Indien vervolgstappen aan de orde zijn, is dit aangeven in een tekstkader. In paragraaf 5.3 wordt het plan getoetst aan het beschermingsregime van het NNN-gebied en de Wet natuurbescherming (Wnb).

5.1

Effectbepaling plan De volgende biotopen worden beïnvloed door het voornemen: Het logistiek centrum in het plangebied wordt gesloopt; De grasvelden worden (deels) bebouwd; Oevervegetatie in de watergangen wordt mogelijk verwijderd; De voorgenomen werkzaamheden, waaronder transport van materiaal en ander bouwwerkzaamheden, zullen gepaard gaan met trilling en geluidsverstoring. Deze verstoringen zijn van tijdelijke aard en vinden alleen tijdens de uitvoeringsfase plaats.

5.2

Toetsing effect op beschermde soorten Uit het terreinbezoek en uit de uitgevoerde bureaustudie is gebleken dat het plangebied een potentieel geschikt biotoop biedt voor (algemene) broedvogels, vleermuizen en steenmarter. Om deze reden is er enkel op deze soortgroep een potentieel effect aan de orde. De onderstaande effectbeoordeling richt zich alleen op deze soortgroep. Overige beschermde soorten zijn uitgesloten en ondervinden geen effect van het voornemen.

5.2.1

Algemene broedvogels Tijdens het terreinbezoek zijn geschikte broedplaatsen voor soorten als meeuwen, houtduif en watervogels waargenomen. Het voorkomen van (algemene) broedvogels binnen het plangebied kan dan ook niet worden uitgesloten. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele kap- en sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot en met juli2) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming aan de orde. Er zijn geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming aan de orde indien ten minste één van de volgende maatregelen genomen worden: 1) De werkzaamheden worden buiten het broedseizoen uitgevoerd (voorkeursmaatregel). 2) Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient het plangebied kort voor aanvang van de werkzaamheden door een deskundig ecoloog gecontroleerd te worden op actuele broedgevallen.

Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden, worden soort specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot nadat het nest niet meer in gebruik is. 2

Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.

Blad 19 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

5.2.2

Zoogdieren Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Vleermuizen Vleermuizen zijn beschermde diersoorten en staan vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Daarom zijn in de Wet natuurbescherming enkele verbodsbepalingen opgenomen ten aanzien van vleermuizen welke in principe niet overtreden mogen worden. Voor vleermuizen zijn drie onderdelen van het leefgebied te onderscheiden die van belang zijn voor de functionaliteit van het leefgebied. Dit zijn verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Uit hoofdstuk vier is gebleken dat in het plangebied naar verwachting mogelijk sprake is van verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Verblijfplaatsen in bebouwing In het logistiek centrum zijn mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Het plan is om dit gebouw te slopen. Hierdoor kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen optreden. Wanneer de sloop plaatsvindt is er mogelijk sprake van het verstoren en aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Om het gebruik van de bebouwing door vleermuizen te achterhalen, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd (zie tekstkader). Verblijfplaatsen in bomen In de bomen binnen het plangebied zijn geen holtes (en scheuren) waargenomen die in gebruik kunnen zijn als verblijfplaats voor boom-bewonende vleermuissoorten.

Hierdoor kan geconcludeerd worden dat geen verblijfplaatsen in bomen verstoord of verwijderd worden indien bomen worden gekapt. Er zijn ten aanzien van verblijfplaatsen in bomen geen vervolgstappen noodzakelijk. Vliegroutes en foerageergebied De watergangen in het plangebied kunnen onderdeel maken van vliegroutes en foerageergebieden voor vleermuizen. Echter zullen deze als gevolg van het voornemen niet verloren gaan, waardoor negatieve effecten op foerageergebieden en vliegroutes kunnen worden uitgesloten. Er zijn ten aanzien van de vliegroutes en foerageergebieden geen vervolgstappen noodzakelijk (met uitzondering van zorgplicht). Nader onderzoek Om te bepalen of eventuele verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden worden, is inzicht nodig in het daadwerkelijke gebruik en de functie van het plangebied (de bebouwing) voor de vleermuizen. Dit dient onderzocht te worden aan de hand van het meest recente vleermuisprotocol uit 2017. Vleermuizen gebruiken hun leefgebied door het jaar heen op verschillende manieren. Daarom is het nodig om het plangebied verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober) te bezoeken. Enkele bezoeken m.b.t. verblijfplaatsen zijn nodig in de periode mei – augustus én enkele bezoeken zijn noodzakelijk in de periode augustus – september/oktober.

Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een controle op baltsgedrag in het vroege voorjaar (april / maart). Vooralsnog is onduidelijk welke functies in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Derhalve dient zowel in de zomer- en kraamperiode (mei - half augustus) als in de paarperiode (half augustus – september/oktober) onderzoek gedaan te worden.

Steenmarter

Blad 20 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

In het plangebied is geschikt biotoop aanwezig voor de steenmarter. Zo bevinden er in het plangebied mogelijke foerageergebieden en schuilplaatsen waar de steenmarter gebruik van kan maken. De steenmarter is beschermd in de provincie Zuid-Holland onder artikel 3.10, onderdeel A van de Wet natuurbescherming. Om het gebruik van het plangebied door marterachtigen te achterhalen, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Nader onderzoek Indien sprake is van werkzaamheden welke het leefgebied en vaste verblijfplaatsen van marterachtigen beïnvloedt, dient te worden bepaald of eventuele verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden worden. Hiervoor is inzicht noodzakelijk in het daadwerkelijke gebruik van het plangebied door marterachtigen. Dit dient onderzocht te worden middels de Handreiking kleine marters, 2017. Dit betekent dat een combinatie van methodes met cameravallen dient te worden toegepast marters waar te kunnen nemen. De optimale periode volgens de handreiking voor het onderzoek is van maart tot en met augustus. Indien buiten deze periode onderzoek wordt verricht dient de inzet te worden verdubbeld. De minimale periode van een marteronderzoek is zes weken (buiten de optimale periode dus 12 weken). De (potentiele) verblijfplaatsen mogen in de regel van de Wet natuurbescherming niet zonder inzicht in het gebruik aangetast worden.

5.3

Effecten op beschermde gebieden

5.3.1

Effecten op Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Oude Maas ligt op circa 2,7 kilometer afstand (ten zuiden) van het plangebied. Daarnaast ligt het Natura 2000-gebied de Boezems Kinderdijk op circa 5,9 kilometer van het plangebied. De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van het project wat betreft verdroging, verontreiniging, geluid- en lichtverstoring, of visuele verstoring. Vanwege de afstand, de geringe omvang van de ontwikkeling in het plangebied, de ligging in het stedelijke gebied en daardoor de afscherming worden geen effecten op soorten, habitats van soorten of habitattypen in de genoemde Natura 2000-gebieden verwacht. Er is geen effect van de genoemde storingsfactoren op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en daarom is er geen aanleiding om te verwachten dat er op Natura 2000-gebieden op grotere afstand nog effecten zullen optreden. De genoemde Natura 2000-gebieden zijn niet stikstofgevoelig dus ook vermesting en verzuring door atmosferische depositie als gevolg van het plan is voor de Natura 2000-gebieden Oude Maas en Boezems Kinderdijk uit te sluiten. Op grotere afstand liggen gebieden die wel stikstofgevoelig zijn. Het betreft het Natura 2000-gebied het Oudeland van Strijen gelegen op circa 8 kilometer.

Om inzicht te krijgen in de aard en omvang van het effect van stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase en de realisatiefase, is het uitvoeren van een stikstofberekening met behulp van AERIUS Calculator verplicht. Uit het stikstofonderzoek voor zowel de gehele ontwikkeling van De Stationstuinen als uit de berekeningen voor fase 1 blijkt dat zowel de gebruiksfase als de realisatiefase niet leidt tot toename van stikstofdepositie. Dit onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

5.3.2

Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voor wat betreft NNN is bij directe aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er bevindt zich geen NNN binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van NNN door ruimtebeslag dan ook geen sprake. Ook aantasting van de wezenlijke kenmerken en

Blad 21 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

waarden, kwaliteit en samenhang van NNN in de nabijheid van het plan kunnen worden uitgesloten. Vanwege de afstand en de ligging in het bestaand stedelijke gebied (en daardoor de afscherming) zijn effecten op NNN uit te sluiten.

5.3.3

Effecten op belangrijke weidevogelgebieden Het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied is op circa 7,9 kilometer ten zuiden van het plangebied gelegen. De afstand tussen het plangebied en belangrijke weidevogelgebieden is dermate groot dat er geen negatieve effecten worden verwacht ten gevolge van de planvoornemens op belangrijke weidevogelgebieden.

5.3.4

Effecten op Provinciaal Landschap Midden Delfland Het Bijzonder Provinciaal Landschap is gelegen op een afstand van circa 14 kilometer. Hierdoor worden er geen negatieve effecten verwacht ten gevolge van het plan op het Provinciaal Landschap.

5.3.5

Effecten op beschermde houtopstanden Er dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd indien de platanen in de middenberm van de Spoorlaan worden gekapt.

Blad 22 van 23

Natuurtoets Bestemmingsplan Fase 1 De Stationstuinen projectnummer 0470766.100 10 februari 2023 revisie 01 BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu B.V.

6

Bronnen Bos, F.G., Bosveld, M.A., Groenendijk, D.G., Van Swaay, C.A.M. & Wynhoff, I., 2006. De dagvlinders van Nederland - verspreiding en bescherming. Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EISNederland, in samenwerking met De Vlinderstichting, Wageningen. Creemers, R.C.M. en Delft, J.J.C.W. van (RAVON) (redactie), 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna Deel 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Limpens, H., Regelink, J., en Koelman, R,2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Arnhem. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Augustus 2009. BIJ12, 2017a. Kennisdocument Huismus. Leidseveer: BIJ12. BIJ12, 2017b. Kennisdocument Gierzwaluw. Leidseveer: BIJ12. De vlinderstichting, 2021. Grote vos. Opgehaald van www.vlinderstichting.nl: https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/grote-vos Ecologisch. (2021). NATUURONDERZOEK STATIONSTUINEN BARENDRECHT. Leimuiden: Ecologisch. Gemeente Midden-Delfland, 2021. Bijzonder provinciaal landschap. Opgehaald van https://www.middendelfland.nl/: https://www.middendelfland.nl/bijzonder-provinciaallandschap Rijksinstituut voor Volksgezondheid, 2022.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13557752/1