4 Artikelsgewijze toelichting Parkeerverordening.docx
Tekst van het document
TOELICHTING PARKEERVERORDENING GEMEENTE BARENDRECHT Artikel 1 Begrippen die meerdere keren in deze verordening voorkomen en toelichting behoeven zijn van een omschrijving voorzien. De betekenis van overige begrippen kan worden afgeleid uit de context van het desbetreffende artikel of lid. Autodelen. De omschrijving van het begrip autodelen is bewust ruim gelaten, om ruimte te bieden aan verschillende vormen van autodelen. Vormen van autoverhuur, waarbij in beginsel per huurperiode een overeenkomst wordt afgesloten, vallen niet onder autodelen omdat het hierbij niet gaat over herhaald gezamenlijk gebruik op basis van een overeenkomst. Dit wil niet zeggen dat een autoverhuurbedrijf geen aanbieder van commerciële autodeelconcepten kan zijn. Gereguleerd gebied. Het gereguleerde gebied kan bestaan uit verschillende parkeerzones, welke vastgelegd zijn in het geldende Aanwijzingsbesluit bij deze verordening. In een parkeerzone zijn de kenmerken van de parkeerregulering gelijk, zoals de hoogte van tarieven, de dagen van de week en momenten op de dag waarop parkeerregulering geldt. Een parkeerzone kan bestaan uit één of meerdere vergunninggebieden. Motorvoertuigen. Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet kunnen parkeerbelastingen worden geheven voor het parkeren met voertuigen.
De werking van deze verordening is beperkt tot motorvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen. In dit artikel wordt onder motorvoertuigen verstaan: ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen’. Een brommobiel is in artikel 1 van het RVV 1990 gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van motorvoertuigen. Omdat in artikel 2a van het RVV 1990 is bepaald dat de regels voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders en passagiers van brommobielen, is ervoor gekozen om deze verordening ook van toepassing te verklaren op brommobielen. Parkeren. In deze verordening is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip parkeren in artikel 225 van de Gemeentewet en dus niet bij de definitie uit artikel 1 van het RVV 1990. Er is hiervoor gekozen, omdat het invoeren van betaald parkeren en vergunninghoudersparkeren ook gebaseerd is op artikel 225 van de Gemeentewet. Parkeren op eigen terrein (POET). Met ‘parkeren op eigen terrein’ worden parkeerplaatsen bedoeld waarover de aanvrager beschikt, kan beschikken of had kunnen beschikken.
Gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken worden, omdat dit parkeerplaatsen zijn die specifiek zijn toegewezen aan één unieke gebruiker, ook als parkeerplaatsen op eigen terrein gezien. Vergunninggebied. Een parkeerzone kan zijn onderverdeeld in één of meerdere vergunninggebieden. Het vergunninggebied is bepalend in de geldigheid van een vergunning. Artikel 2 Artikel 2, eerste lid. Het aanwijzen van de gebieden en plaatsen waar en de tijden waarop met een vergunning op belanghebbendenplaatsen geparkeerd kan worden, dient bij of krachtens deze verordening te worden geregeld. Het aanwijzen van de gebieden, plaatsen en tijden voor het parkeren bij parkeerapparatuur gebeurt op basis van de Verordening Parkeerbelastingen. De 1
aanwijzingsbevoegdheid is bij het college neergelegd gezien het uitvoerende karakter van deze bevoegdheid. Artikel 2, tweede lid. Weggedeelten die zijn aangewezen voor parkeren door vergunninghouders, zijn in veel gevallen ook aangewezen als parkeerapparatuurplaatsen. Dit betekent dat geparkeerd kan worden met een vergunning alsook door het betalen van de parkeerbelasting. Deze bepaling maakt het mogelijk om tijdstippen vast te stellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan. Artikel 3 Het college kan parkeervergunningen afgeven voor het parkeren op plaatsen voor belanghebbenden of met parkeerapparatuur. Het college kan tevens nadere regels stellen voor het indienen van aanvragen en het verlenen van de parkeervergunning. In het tweede tot en met het negende lid van artikel 3, zijn alle binnen de gemeente Barendrecht ingestelde vergunningsoorten opgenomen. Voor iedere vergunningsoort is uitgewerkt welke doelgroep voor de vergunning in aanmerking komt en hoe de desbetreffende vergunningsoort wordt genoemd. Artikel 4 Artikel 4, eerste lid. Op basis van dit artikel kan per vergunninggebied en per vergunningsoort een maximum aantal uit te geven parkeervergunningen worden bepaald. Dit maximum aantal wordt het vergunningenplafond genoemd. Artikel 4, tweede lid.
In dit artikel is bepaald dat, indien in het vergunninggebied waarvoor de aanvraag wordt ingediend, het vergunningenplafond voor de desbetreffende vergunningsoort is bereikt, de eerstvolgende aanvrager op een wachtlijst wordt geplaatst. Plaatsing op de wachtlijst is voor onbepaalde tijd. De aanvrager kan op verzoek inzage krijgen in zijn positie op de wachtlijst. De wachtlijst heeft een dynamisch karakter. Beëindiging van uitgegeven vergunningen leidt ertoe dat een vergunning kan worden verleend aan de aanvrager die de eerste positie op de wachtlijst heeft. Artikel 5 In gereguleerd gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Voor de uitgifte van parkeervergunningen aan bewoners en andere doelgroepen die zich vestigen op de adressen die toebehoren tot een ruimtelijke ontwikkeling geldt een onderscheid tussen twee momenten waarop de uitgifte van vergunningen plaats kan vinden. De initiële (eerste) uitgifte van vergunningen is enkel van toepassing op de eerste eindgebruikers die zich vestigen op een adres. De initiële uitgifte van vergunningen vindt plaats op basis het aandeel van de parkeeroplossing dat is opgelost in openbare parkeervoorzieningen, zoals vastgelegd in de omgevingsvergunning, die voor de desbetreffende ontwikkeling is verleend.
Voor de uitgifte van extra vergunningen gedurende de exploitatiefase, nadat de initiële uitgifte heeft plaatsgevonden, is bepalend de ruimte die het vergunningenplafond in het desbetreffende vergunningengebied hiertoe biedt. Artikel 6 Artikel 6, derde lid. Met ‘kan beschikken’ worden diegenen bedoeld die door huur of aankoop over een parkeerplaats kunnen beschikken. Het gaat daarbij om de vraag of men de mogelijkheid heeft om een parkeerplaats te huren of te kopen en niet om de vraag om men hiertoe financieel in staat is. Artikel 6, vierde lid. Met ‘niet meer kan beschikken’ worden situaties bedoeld waarin in het verleden op een adres één of meerdere vastgestelde parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig waren, waar de aanvrager door eigen toedoen niet meer over kan beschikken (bijvoorbeeld door een aangepaste inrichting of een ander gebruik).
Artikel 7 Artikel 7, vierde lid. In paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is opgenomen dat positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Deze verordening vormt een wettelijk voorschrift. In dit artikel is bepaald dat positieve fictieve beschikking niet van toepassing is op een aanvraag voor een parkeervergunning. Dit betekent dat een vergunning niet van rechtswege wordt gegeven als het college nog geen beslissing op de aanvraag heeft genomen wanneer de uiterlijke beslistermijn is bereikt. Artikel 8 Artikel 8, eerste lid. In dit artikel is bepaald dat de vergunningsoorten zoals opgenomen in artikel 3, tweede tot en met het zevende lid, voor ten hoogste één kalenderjaar worden verleend. Een vergunning kan op verzoek van de vergunninghouder met telkens één kalenderjaar worden verlengd. Artikel 9 In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven dat het college een parkeervergunning 'kan’ intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven dat het college van burgemeester en wethouders beoordeelt of een vergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer een van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken of gewijzigd.
Artikel 10 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 11 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 12 Dit artikel is opgenomen voor situaties waarin er sprake is van een gebied waarbinnen géén betaald parkeerregime geldt, maar waarbinnen alléén met een vergunning mag worden geparkeerd. Bij het zonder vergunning parkeren in een belanghebbendengebied kan geen fiscale naheffingsaanslag worden opgelegd. De fiscale aanpak van het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij parkeerapparatuurplaatsen. Daarom is in deze verordening een strafbepaling opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking komt. Artikel 13 Dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen waarvoor geldt dat handhaving via de fiscale aanpak niet mogelijk is. Dit artikel verbiedt het gebruik van de parkeerapparatuur op andere wijzen dan is aangegeven op de apparatuur zelf. Artikel 14 Dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen waarvoor geldt dat handhaving via de fiscale aanpak niet mogelijk is. Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen, op parkeerapparatuur- en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke voorwerpen belemmert het normale gebruik van de bedoelde parkeerplaatsen en doorkruist daarmee de beoogde parkeerregulering.
Artikel 15 Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie kunnen stellen. Gezien de ernst van een parkeerovertreding is het minder gewenst om daarop de zwaarste strafsanctie te stellen. Daarom is gekozen voor een geldboete van maximaal de eerste categorie.
Artikel 16 In dit artikel is de bevoegdheid van het college opgenomen om nadere regels vast te stellen met betrekking tot hoofdstuk II van deze verordening. Artikel 17 In dit artikel is de discretionaire bevoegdheid van het college opgenomen om (delen van) hoofdstuk II van deze verordening buiten toepassing of daarvan af te wijken voor zover toepassing gelet op het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 18 Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, zo volgt uit artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze personen kunnen (deels) categoraal en (deels) individueel door het college worden aangewezen. Artikel 19 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 20 Dit artikel behoeft geen toelichting.