331846 Bijlage antwoorden op vervolg vragen uit orienterende commissie Samenleving.docx
Tekst van het document
Vragen EVB - mw. Blankenstein- van Heugten 1.
Hoe wordt omgegaan met nieuwe initiatieven/ organisaties die qua doelstellingen en effect net zoveel of meer bereiken dan de bestaande subsidierelaties? Reactie Alle aanvragen beoordelen we op basis van de Algemene subsidieregeling Barendrecht en het meest actuele beleid. Per beleidsterrein en rekening houdend met het betreffende subsidieplafond hebben op dit moment de bestaande subsidierelaties voorrang. Het meten van effect van subsidie is in de praktijk heel lastig. Als een dusdanig interessant nieuw initiatief een aanvraag doet, zullen we altijd bekijken of hier budgettaire ruimte voor is. Is die ruimte er niet dan zullen we met de raad in overleg gaan.
2.
Betrekt de gemeente bij het toekennen van subsidies aanwezige kasmiddelen en reserves? Reactie Accounthouder en financieel adviseur zijn op de hoogte van de financiële situatie van de bestaande subsidierelaties en zullen dit ook in hun beoordeling meenemen. In de Algemene subsidieverordening Barendrecht (artikel 12a) is opgenomen dat er bij een positief resultaat een egalisatiereserve gevormd moet worden. Hier zit een limiet aan. Als een organisatie een hele hoge algemene reserve heeft, zal dit ook onderwerp van gesprek zijn.
3.
Kan het college een overzicht verstrekken van aangevraagde versus gehonoreerde (en dus ook afgewezen) subsidies per jaar over de afgelopen vijf jaar, zodat we dit kunnen vergelijken? Zie bijlage.
4.
Hoe draagt het college er zorg voor dat nieuwe initiatieven/ organisaties een eerlijke kans krijgen om mee te doen in de verdeling van de subsidies op basis van gelijkwaardigheid en evenredigheid? Reactie Alle aanvragers krijgen een eerlijke kans. Subsidies worden beoordeeld langs transparante kaders en verdeeld op basis van het beschikbare budget. Bij nieuwe initiatieven, die na het vaststellen van de begroting binnenkomen, wordt bekeken of er nog resterend budget is. Als dat niet zo is, dan kunnen we er eenmalig voor kiezen een buitenwettelijke subsidie te verlenen, als de raad hiervoor vervolgens budget beschikbaar stelt.
Vragen VVD – mw. Floor In het stuk worden helder de doelstellingen en maatschappelijke effecten beschreven. Bij de vraag wat subsidiabel is staat slechts de zinsnede “ de activiteiten dragen bij aan de gemeentelijke doelstellingen”. 1. Op welke wijze wordt getoetst of de activiteiten daadwerkelijk een bijdrage hebben geleverd en of de bijdrage aan de doelstelling zich verhoudt tot de ontvangen subsidie? Reactie Bij de verantwoording dienen de aanvragers een activiteitenverslag, financieel verslag en of jaarrekening in. Hierbij geven zij aan in hoeverre de activiteiten zijn uitgevoerd en welke resultaten zijn behaald. Aan de voorkant bij de beoordeling van de aanvraag wordt al getoetst of de bijdrage aan de doelstelling zich verhoudt tot het aangevraagde bedrag. Hiervoor beoordelen we de aanvraag inhoudelijk en bij aanvragen groter dan € 30.000, beoordeelt een financieel adviseur de begroting. Bij het opstellen van nieuw beleid en/of evaluaties zal ook bekeken worden of de inzet van het instrument subsidie tot de gewenste verandering in de maatschappij heeft geleid.
CDA – de heer Schippers De subsidieregeling veronderstelt dat subsidierelaties die 3 jaar of langer bestaan moeten worden afgebouwd. In algemene zin kan het CDA zich hier in vinden, echter er zijn een aantal subsidiecategorieën, waarvoor dit niet logisch is. Deze instellingen bevinden zich in de sectoren Vitaal & Gezond en Cultuur. Voorbeelden hiervan zijn de bibliotheek, theater Het Kruispunt en sportverenigingen. Dat jaarlijks de subsidieaanvragen voor de genoemde instellingen kritisch worden beoordeeld is vanzelfsprekend, echter dat de subsidierelatie na 3 jaar of langer moet worden afgebouwd als voor opgesteld doel wekt bevreemding. Immers de bibliotheek is een belangrijke basisvoorziening waarin alleen kan worden voorzien door een organisatie die daarvoor is ingericht. Continuïteit en herkenbaarheid met een duidelijke verankering in onze Barendrechtse samenleving een vereiste is. Dit geldt ook voor sportverenigingen en het Theater.
1. Op welke wijze geborgd wordt binnen deze subsidieregeling dat de continuïteit van dit type organisatie in relatie tot de maatschappelijke doelen die zij nastreven met de voorliggende subsidieregeling dat voor deze organisaties de subsidierelatie niet na 3 jaar wordt afgebouwd. Reactie In de voorliggende subsidieregeling hebben de huidige subsidierelaties voorrang op nieuwe aanvragers. De wet geeft een aantal waarborgen als een organisatie meer dan drie jaar voor dezelfde activiteiten subsidie ontvangt. Hiervoor dient een redelijke afbouwregeling te worden gehanteerd. Wat redelijk is hangt af van de financiële verplichtingen van de subsidieontvanger. 2. De subsidieregeling zet deuren open voor andere partijen om hun intreden te doen in de sectoren Vitaal & Gezond en Cultuur. Denkbaar is dat hierbij het bestaansrecht van deze organisaties op termijn wordt. Op welke wijze denkt het college deze intreden tegen te kunnen gaan met de voorliggende subsidieregeling. Reactie Met de subsidieregeling beogen wij niet nieuwe partijen uit te sluiten.