3 Concept Nadere regels parkeerverordening.docx
Tekst van het document
Nadere regels parkeerverordening gemeente Barendrecht Het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht; gelet op artikel 16 van de Parkeerverordening gemeente Barendrecht; besluit vast te stellen de volgende regeling: Nadere regels parkeerverordening gemeente Barendrecht
Hoofdstuk I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder ‘de verordening’: de geldende parkeerverordening van de gemeente Barendrecht. De begrippen zoals omschreven in artikel 1 van de verordening zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2. Het aanvragen van een parkeervergunning
1. Bij de aanvraag voor een parkeervergunning moeten ten minste de naam, een geldig legitimatiebewijs (als de vergunning niet via een E-formulier wordt aangevraagd) en het woonof vestigingsadres (afhankelijk van het type vergunning) van de aanvrager worden overlegd. 2. Aanvragen voor een parkeervergunning worden per categorie als bedoeld in artikel 3 van de verordening beoordeeld op volgorde van binnenkomst. 3. Met het aanvragen van een parkeervergunning stemt de aanvrager in met het controleren van de tenaamstelling van een kenteken, te controleren of een aanvrager is opgenomen in de Basisregistratie Personen (BRP) en te controleren dat een bedrijf is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. 4. Een parkeervergunning is persoons- of bedrijfsgebonden, gerelateerd aan een woon- of bedrijfsadres en is niet overdraagbaar.
Hoofdstuk II. VERGUNNINGSOORTEN Artikel 3. Bewonersparkeervergunning
1. Een aanvrager komt in aanmerking voor een eerste bewonersparkeervergunning als hij aan de volgende criteria voldoet: a. aanvrager staat als bewoner ingeschreven in de BRP op een woonadres dat gelegen is in gereguleerd gebied; b. aanvrager is volgens de RDW kentekenhouder van het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt aangevraagd of kan een verklaring overleggen waarin de leasemaatschappij als eigenaar van het motorvoertuig verklaard dat aanvrager vaste berijder is van het motorvoertuig waar de eerste bewonersparkeervergunning voor wordt aangevraagd; c. aanvrager beschikt niet over een parkeerplaats op eigen terrein voor het parkeren van het motorvoertuig waar de vergunning voor wordt aangevraagd. 2. Een aanvrager komt in aanmerking voor een tweede bewonersparkeervergunning als hij aan de volgende criteria voldoet: a. aanvrager staat als bewoner ingeschreven in de BRP op een woonadres dat gelegen is in gereguleerd gebied; 1
b. aanvrager is volgens de RDW kentekenhouder van het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt aangevraagd of kan een verklaring overleggen waarin de leasemaatschappij als eigenaar van het motorvoertuig verklaard dat aanvrager, of een ander persoon woonachtig (en ingeschreven in de BRP) op het adres van aanvrager, vaste berijder is van het motorvoertuig waar de tweede bewonersparkeervergunning voor wordt aangevraagd; c. aanvrager beschikt reeds over een eerste bewonersparkeervergunning of beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein. 3. Een aanvrager komt in aanmerking voor een derde of volgende bewonersparkeervergunning als hij aan de volgende criteria voldoet: a. aanvrager staat als bewoner ingeschreven in de BRP op een woonadres dat gelegen is in gereguleerd gebied; b. aanvrager is volgens de RDW kentekenhouder van het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt aangevraagd of kan een verklaring overleggen waarin de leasemaatschappij als eigenaar van het motorvoertuig verklaard dat aanvrager, of een ander persoon woonachtig (en ingeschreven in de BRP) op het adres van aanvrager, vaste berijder is van het motorvoertuig waar de derde of volgende bewonersparkeervergunning voor wordt aangevraagd; c.
aanvrager beschikt reeds over een eerste- en tweede bewonersparkeervergunning, of een parkeerplaats op eigen terrein en een tweede bewonersparkeervergunning, of twee parkeerplaatsen op eigen terrein; d. op woonadressen gelegen in parkeerzone S, zoals bedoeld in het geldende aanwijzingsbesluit bij de verordening, kan de derde of volgende bewonersparkeervergunning niet worden aangevraagd. 4. Aanvragen voor een eerste-, tweede- en derde bewonersparkeervergunning voor hetzelfde woonadres worden op volgorde van binnenkomst beoordeeld. Bij gelijktijdige binnenkomst van aanvragen voor de bewonersparkeervergunningen wordt de volgorde van beoordeling bepaald aan de hand van de BRP, waarbij de aanvraag van degene die het langst staat ingeschreven op het desbetreffende woonadres het eerste wordt beoordeeld. 5. De bewonersparkeervergunning is uitsluitend geldig in het vergunninggebied waarvoor de vergunning is verleend.
Artikel 4. Tijdelijke parkeervergunning
1. Een aanvrager komt in aanmerking voor een tijdelijke parkeervergunning als hij aan de volgende criteria voldoet: a. het adres waar de vergunning op wordt aangevraagd is gelegen in gereguleerd gebied; b. indien de vergunning wordt aangevraagd op een woonadres: aanvrager is volgens de RDW kentekenhouder van het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt aangevraagd of kan een verklaring overleggen waarin de leasemaatschappij als eigenaar van het motorvoertuig verklaard dat aanvrager, of een ander persoon woonachtig (en ingeschreven in de BRP) op het adres van aanvrager, vaste berijder is van het motorvoertuig waar de vergunning voor wordt aangevraagd; c. indien de vergunning wordt aangevraagd op een bedrijfsadres: aanvrager vraagt de vergunning aan namens een bedrijf dat ingeschreven staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel op het adres waar de vergunning voor wordt aangevraagd. 2. Het college kan, gedurende het kalenderjaar waarvoor de tijdelijke vergunning is verleend, de vergunning vroegtijdig beëindigen. De vergunninghouder wordt, indien het college tot een vroegtijdige beëindiging van de vergunning heeft besloten, van dit besluit in kennis gesteld. Vanaf het moment dat het besluit tot beëindiging door het college aan vergunninghouder kenbaar is gemaakt, behoud de vergunning zijn geldigheid nog voor een termijn van zes weken. 3.
De tijdelijke vergunning is uitsluitend geldig in het vergunninggebied waarvoor de vergunning is verleend. 2
Artikel 5. Gehandicaptenparkeervergunning
1. Een aanvrager komt in aanmerking voor een gehandicaptenparkeervergunning als hij aan de volgende criteria voldoet: a. aanvrager is houder van een gehandicaptenparkeerkaart; b. de gehandicaptenparkeerkaart is geldig gedurende de gehele periode waarvoor de gehandicaptenparkeervergunning wordt aangevraagd. 2. De gehandicaptenparkeervergunning wordt gesteld op kenteken. 3. Per gehandicaptenparkeerkaart kan maximaal één gehandicaptenparkeervergunning geldig zijn. 4. Bij de aanvraag dient een kopie van de geldige gehandicaptenparkeerkaart te worden verstrekt. 5. De gehandicaptenparkeervergunning is geldig voor het parkeren op algemene gehandicaptenparkeerplaatsen, belanghebbendenplaatsen en parkeerapparatuurplaatsen.
Artikel 6. Bedrijfsparkeervergunning
1. Een aanvrager komt in aanmerking voor een bedrijfsparkeervergunning als hij aan de volgende criteria voldoet: a. aanvrager vraagt de bedrijfsparkeervergunning aan namens een bedrijf dat ingeschreven staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel op een bedrijfsadres dat gelegen is in gereguleerd gebied; b. voor aanvrager geldt dat het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt aangevraagd noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, aan te tonen door middel van een verklaring; c. aanvrager beschikt niet over een parkeerplaats op eigen terrein (POET), ten behoeve van het parkeren van het motorvoertuig waar de vergunning voor wordt aangevraagd. 2. Indien aanvrager beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein, zoals bedoeld in het eerste lid, onder c, en naast een aanvraag voor een bedrijfsparkeervergunning tevens een werknemersparkeervergunning, zoals bedoeld in artikel 7, heeft aangevraagd, dan wordt het aantal parkeerplaatsen op eigen in de eerste plaats in mindering gebracht op het aantal te verkrijgen bedrijfsparkeervergunningen. 3. De bedrijfsparkeervergunning wordt niet verleend voor een motorvoertuig dat uitsluitend wordt gebruikt voor woon-werkverkeer. 4. De bedrijfsparkeervergunning is uitsluitend geldig in het vergunninggebied waarvoor de vergunning is verleend.
Artikel 7. Werknemersparkeervergunning
1. Een aanvrager komt in aanmerking voor een werknemersparkeervergunning als hij aan de volgende criteria voldoet: a. aanvrager vraagt de werknemersparkeervergunning aan namens een bedrijf dat ingeschreven staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel op een bedrijfsadres dat gelegen is in gereguleerd gebied; b. aanvrager beschikt niet over een parkeerplaats op eigen terrein (POET), voor het parkeren van het motorvoertuig waar de vergunning voor wordt aangevraagd. 2. Het aantal werknemersparkeervergunningen dat wordt verleend is afhankelijk van het aantal werkzame personen, uitgedrukt in het aantal fte, op het bedrijfsadres waarvoor de vergunning wordt aangevraagd: a. bedrijven met 1 tot en met 2 fte: 1 vergunning; b. bedrijven met 3 tot en met 4 fte: 2 vergunningen; c. bedrijven met 5 tot en met 6 fte: 3 vergunningen; d. bedrijven met meer dan 6 fte: 1 extra vergunning per 3 fte.
3
Artikel 8. Bezoekersparkeervergunning
1. Een aanvrager komt in aanmerking voor een bezoekersparkeervergunning als hij als bewoner staat ingeschreven in de BRP op een woonadres dat gelegen is in gereguleerd gebied. 2. Op woonadressen gelegen in parkeerzone S, zoals bedoeld in het geldende aanwijzingsbesluit bij de verordening, kan de bezoekersparkeervergunning niet worden aangevraagd. 3. Per woonadres kan maximaal één bezoekersparkeervergunning worden aangevraagd. 4. Het aantal uren dat binnen de bezoekersparkeervergunning wordt verstrekt bedraagt 500 uur per kalenderjaar. 5. De bezoekersparkeervergunning is uitsluitend geldig in het vergunninggebied waarvoor de vergunning is verleend.
Artikel 9. Mantelzorgparkeervergunning
1. Een aanvrager komt in aanmerking voor een mantelzorgparkeervergunning als hij aan de volgende criteria voldoet: a. aanvrager staat als bewoner ingeschreven in de BRP op een woonadres dat gelegen is in gereguleerd gebied; b. aanvrager is afhankelijk van mantelzorg (niet-beroepsmatige, onbetaalde zorg), aan te tonen door middel van een recente (medische) verklaring, die verstrekt is door een daartoe bevoegde arts of andere professionele instantie waaruit blijkt dat mantelzorg nodig is. c. op woonadressen gelegen in parkeerzone S, zoals bedoeld in het geldende aanwijzingsbesluit bij de verordening, kan de mantelzorgparkeervergunning niet worden aangevraagd. 2. De mantelzorgparkeervergunning is uitsluitend geldig in het vergunninggebied waarvoor de vergunning is verleend.
Artikel 10. Commerciële deelautoparkeervergunning
1. In aanmerking voor een commerciële deelautoparkeervergunning komt een aanbieder van een voor commercieel autodelen bestemd motorvoertuig. 2. De commerciële deelautoparkeervergunning is uitsluitend geldig in het vergunninggebied waarvoor de vergunning is verleend.
Hoofdstuk III. VERGUNNINGENPLAFOND Artikel 11. Vergunningenplafond
1. Het college kan bij het vaststellen van een vergunningenplafond onderscheid maken tussen de volgende categorieën: a. vergunningenplafond bewonersparkeervergunning; b. vergunningenplafond werknemersparkeervergunning. 2. Een aanvraag voor een bewonersparkeervergunning, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, sub a van de verordening, wordt aangehouden indien het vergunningenplafond bewonersparkeervergunning is bereikt in het vergunninggebied waarin het woonadres van aanvrager is gelegen. 3. Een aanvraag voor een werknemersparkeervergunning, zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, sub b van de verordening, wordt aangehouden indien het vergunningenplafond werknemersparkeervergunning is bereikt in het vergunninggebied waarin het bedrijfsadres van aanvrager is gelegen.
4
Artikel 12. Aanpasbaarheid vergunningenplafond
1. Het college kan het vergunningenplafond per vergunninggebied en per vergunningsoort aanpassen: a. een aanpassing van het vergunningenplafond naar beneden, resulterend in een afname van het aantal vergunningen dat kan worden uitgegeven; b. een aanpassing van het vergunningenplafond naar boven, resulterend in een toename van het aantal vergunningen dat kan worden uitgegeven. 2. Een aanpassing van het vergunningenplafond naar beneden, zoals bedoeld in het eerste lid onder a, kan niet leiden tot het beëindigen van reeds uitgegeven vergunningen.
Artikel 13. Totstandkoming vergunningenplafond
1. Een vergunningenplafond wordt bepaald op basis van het aantal openbare parkeerplaatsen dat gelegen is in een vergunninggebied. 2. Bij de bepaling van de hoogte van het vergunningenplafond kan het college rekening houden met een noodzakelijk geachte frictieleegstand.
Artikel 14. Wachtlijst
1. Een aanvraag voor een vergunning wordt voor onbepaalde tijd op een wachtlijst geplaatst, indien de aanvraag is aangehouden op grond van het feit dat het adres waarvoor de vergunning wordt aangevraagd is gelegen in een vergunninggebied waarin het vergunningenplafond, voor de desbetreffende vergunningsoort, is bereikt. 2. Het college maakt onderscheid tussen de volgende categorieën wachtlijsten: a. wachtlijst bewonersparkeervergunning; b. wachtlijst werknemersparkeervergunning. 3. De volgorde waarin een aanvraag op de wachtlijst wordt geplaatst, is de volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag. 4. Aanvragen voor een eerste bewonersparkeervergunning worden op de wachtlijst bewonersparkeervergunning geplaatst boven aanvragen voor een tweede bewonersparkeervergunning. 5. Indien een bewoner verhuist naar een ander vergunninggebied, of een ander woonadres gelegen in hetzelfde vergunninggebied, waarin sprake is van een wachtlijst bewonersparkeervergunning, dan geldt: a. indien de aanvrager in zijn oude vergunninggebied beschikte over een parkeervergunning, dan neemt hij het aantal dagen waarover hij de beschikking heeft gehad over deze vergunning mee naar zijn nieuwe vergunninggebied of nieuwe woonadres, op basis waarvan zijn positie op de wachtlijst wordt bepaald; b.
indien de aanvrager in zijn oude vergunninggebied was geplaatst op de wachtlijst voor een parkeervergunning, dan neemt hij zijn aantal dagen op de wachtlijst mee naar zijn nieuwe vergunninggebied of nieuwe woonadres, op basis waarvan zijn positie op de wachtlijst wordt bepaald; c. indien de onder sub a en sub b bedoelde aanvrager in zijn oude vergunninggebied langer over een parkeervergunning beschikte, of hiervoor langer op de wachtlijst stond, dan de wachttijd van de aanvrager met de bovenste positie op de wachtlijst in het nieuwe vergunninggebied, dan geldt dat de vergunning terstond wordt verleend. 6. Een aanvraag wordt van de wachtlijst verwijderd, indien: a. de aanvrager daarom verzoekt; b. de aanvrager een vergunning wordt verleend in het vergunninggebied; c. blijkt dat bij de aanvraag voor de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens niet tot plaatsing op de wachtlijst zou hebben geleid; 5
d. blijkt dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de aangevraagde vergunning, gesteld in of volgens de verordening.
Artikel 15. Vergunningverlening
Indien het vergunningenplafond, in relatie tot het aantal reeds uitgegeven vergunningen in het desbetreffende vergunninggebied, voor de desbetreffende vergunningsoort, ruimte biedt voor de uitgifte van een (of meerdere) vergunning(en), dan wordt de vergunning verleend aan de aanvrager met de bovenste positie op de wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid.
Hoofdstuk IV. SLOTBEPALINGEN Artikel 16. Hardheidsclausule
Het college kan, in gevallen waarin de toepassing van deze regeling naar zijn oordeel tot een bijzondere en onvoorzienbare hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager afwijken van deze regeling, indien daar zeer dringende redenen voor zijn.
Artikel 17. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere regels parkeerverordening gemeente Barendrecht.
Artikel 18. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op [datum], de secretaris,
de burgemeester,
6