2025-090060 Antwoordbrief wethouder Bol op technische vragen Barendrechts Belang over herijking verordening Jeugdhulp 2026
Tekst van het document
Aan de gemeenteraad
R. Bol Wethouder
Uw brief van: 05-01-2026
Ons kenmerk:
Uw kenmerk: -
Contactpersoon: O. Osendarp
Bijlage(n): -
Cluster:
Onderwerp:
2025-090060 Maatschappij
Beantwoording Technische vragen BB bij
Doorkiesnummer: 140180
herijking verordening Jeugdhulp 2026
Datum:
09-01-2026
Geachte raadsleden, Naar aanleiding van de technische vragen van de heer Carlebur van Barendrechts Belang (BB) over de herijking van de Verordening Jeugdhulp 2026, geef ik u hieronder een antwoord op de gestelde vragen. 1. Welke concrete uitvoeringsproblemen in de huidige jeugdhulppraktijk maakten deze herijking noodzakelijk? De herijking van de Verordening Jeugdhulp was noodzakelijk om de verordening beter te laten aansluiten op recente jurisprudentie, ontwikkelingen in de uitvoeringspraktijk en geactualiseerd beleid, zoals vastgelegd in het Actieplan Jeugd en Gezin 2025–2026 (hierna: Actieplan). In de dagelijkse praktijk liepen professionals en ouders tegen onduidelijkheden en knelpunten aan die om aanscherping vroegen. De belangrijkste uitvoeringsproblemen die met deze herijking worden opgelost, zijn de volgende: •
Onduidelijkheid over de rol van het wijkteam in de toegang In de praktijk bleek onvoldoende helder vastgelegd dat het wijkteam eerst onderzoekt of algemene of collectieve ondersteuning passend is, voordat wordt overgegaan tot inzet van een individuele jeugdhulpvoorziening. De herijkte verordening verduidelijkt deze rol en versterkt daarmee de voorkant van de jeugdhulp.
•
Aanvraagprocedure niet volledig in lijn met recente jurisprudentie Recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep verduidelijken welke onderzoeksstappen het college moet doorlopen voordat een besluit op een aanvraag wordt genomen. In de bestaande verordening was dit onvoldoende expliciet uitgewerkt. De nieuwe verordening borgt dat aanvragen niet kunnen worden afgewezen zonder een zorgvuldig en volledig onderzoek.
•
Onvoldoende scherpe afbakening van eigen mogelijkheden en ouderlijke verantwoordelijkheid In de uitvoeringspraktijk bestond behoefte aan meer duidelijkheid over hoe het probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdigen wordt meegewogen. De herijking sluit nadrukkelijk aan bij de Jeugdwet en civielrechtelijke uitgangspunten: er wordt beoordeeld wat redelijkerwijs van ouders verwacht mag worden, zonder te veronderstellen dat zij problemen automatisch zelfstandig kunnen oplossen.
pagina 1 van 5
•
Onvoldoende eenduidigheid rond persoonsgebonden budgetten (pgb) In de bestaande verordening was de toetsing en tariefstelling van pgb’s niet overal helder en consistent. De herijking scherpt de criteria aan en zorgt voor gelijkstelling van pgb-tarieven met zorg in natura, wat bijdraagt aan rechtsgelijkheid en uitvoerbaarheid.
•
Onvoldoende verankering van samenwerking met onderwijs en de overgang naar volwassenheid In de uitvoeringspraktijk bleek behoefte aan explicietere bepalingen over samenwerking met het onderwijs, de rol van schoolcontactpersonen en de overgang van jeugd naar volwassenheid (18/18+). Deze thema’s zijn nu duidelijker verankerd in de verordening.
Kortom, met deze herijking wordt de verordening beter uitvoerbaar, juridisch robuuster en inhoudelijk beter aangesloten op de manier waarop jeugdhulp in Barendrecht wordt georganiseerd en ook de komende jaren zal worden doorontwikkeld. 2. Welke meetbare effecten verwacht het college van deze herijking op instroom, duur van trajecten en jeugdhulpkosten? De herijking van de Verordening Jeugdhulp brengt het juridisch en uitvoerend kader weer in lijn met het vastgestelde beleid en de huidige uitvoeringspraktijk. Daarmee schept de verordening de noodzakelijke voorwaarden om het beleid zorgvuldig en consistent uit te voeren, maar zij is geen op zichzelf staand instrument waarmee vooraf concrete of afdwingbare kwantitatieve effecten kunnen worden vastgelegd. Wel verwacht het college dat deze herijking bijdraagt aan een gerichtere instroom, een passendere inzet van voorzieningen en een beter beheersbare kostenontwikkeling. De daadwerkelijke effecten op instroom, duur van trajecten en jeugdhulpkosten blijven echter in belangrijke mate afhankelijk van landelijke ontwikkelingen, zoals de Hervormingsagenda Jeugd, jurisprudentie en autonome veranderingen in de zorgvraag. Om die reden kunnen vooraf geen concrete meetbare effecten worden vastgesteld.
De monitoring van deze ontwikkelingen vindt plaats binnen het bredere kader van het Actieplan Jeugd en Gezin, met name via actielijn 3 waarin wordt ingezet op meer ‘data gestuurd werken’. Op basis van deze monitoring kan, indien nodig, worden bijgestuurd in de uitvoering en het beleid. 3. Op welke onderdelen verwacht het college een toename van bezwaar- en beroepsprocedures? Ik verwacht dat een eventuele toename van bezwaar- en beroepsprocedures zich met name kan voordoen bij herbeoordelingen van lopende trajecten, bijvoorbeeld wanneer op basis van de aangescherpte criteria wordt vastgesteld dat minder of andere ondersteuning passend is. Dit kan bij ouders en jeugdigen vragen of zorgen oproepen over de continuïteit van de hulp. Daarbij is van belang dat beëindiging of wijziging van hulp, waar dat aan de orde is, zorgvuldig en gefaseerd plaatsvindt. Wijkteamprofessionals beoordelen per situatie welke afbouw verantwoord is en leveren daarbij maatwerk, met als uitgangspunt dat niemand tussen wal en schip mag vallen. Dit zorgvuldige proces verkleint de kans op juridische escalatie. Door de verduidelijking van de beoordelingscriteria in de verordening, de expliciete onderzoeksstappen en het belang dat wordt gegeven aan duidelijke communicatie richting ouders en jeugdigen, verwacht ik geen grote toename van het aantal bezwaarschriften bij nieuwe aanvragen.
Portefeuille: Werk en Inkomen, Zorg en welzijn, Sociale zaken en Volksgezondheid. pagina 2 van 5
4. Hoe wordt in de praktijk geborgd dat gemandateerde wijkteamprofessionals onafhankelijk beslissen, ook wanneer zij eerder als hulpverlener bij het gezin betrokken waren? De onafhankelijkheid van besluitvorming door gemandateerde wijkteamprofessionals is in de praktijk op meerdere manieren geborgd. Allereerst werken wijkteamprofessionals volgens geldende professionele standaarden, waaronder de richtlijn Samen Beslissen, waarbij zorgvuldige afweging, transparantie en professionele distantie centraal staan. Daarnaast wordt bij de besluitvorming structureel het vier-ogenprincipe toegepast. Dit betekent dat besluiten niet door één professional alleen worden genomen, maar altijd worden getoetst door een collega. Ook is een gedragswetenschapper betrokken bij het proces, die meekijkt en adviseert, waardoor een extra inhoudelijke en onafhankelijke weging plaatsvindt. Verder zijn binnen de wijkteams functies gedifferentieerd ingericht. De gemandateerde professional die namens het college een besluit neemt, is niet tegelijkertijd de uitvoerend hulpverlener binnen hetzelfde gezin. Hiermee wordt een duidelijke scheiding aangebracht tussen hulpverlening en besluitvorming. Met deze combinatie van professionele standaarden, interne toetsing en functionele rolverdeling is de onafhankelijkheid van de besluitvorming naar mijn idee voldoende geborgd. 5.
Welke interne toetsing of kwaliteitscontrole vindt plaats bij afwijzing van individuele voorzieningen? Bij de afwijzing van een individuele voorziening vindt een zorgvuldige interne toetsing plaats. De besluitvorming is gebaseerd op het onderzoek zoals vastgelegd in artikel 4.2 van de Verordening Jeugdhulp 2026, waarin is opgenomen welke stappen het college moet doorlopen bij de beoordeling van een aanvraag. Daarbij wordt getoetst of het onderzoek volledig en zorgvuldig is uitgevoerd en of de afwijzing voldoende inhoudelijk is onderbouwd. Daarnaast wordt bij de besluitvorming gebruikgemaakt van interne kwaliteitsborging, waaronder collegiale toetsing en het vier-ogenprincipe. Waar nodig is een gedragswetenschapper betrokken om mee te kijken naar de inhoudelijke afweging. Hierdoor wordt geborgd dat besluiten niet alleen juridisch correct zijn, maar ook professioneel en proportioneel. De afwijzing wordt altijd vastgelegd in een gemotiveerde beschikking, waarin helder wordt uitgelegd op welke gronden het besluit is genomen. Dit draagt bij aan transparantie richting ouders en jeugdigen en biedt een duidelijke basis voor bezwaar en beroep. 6.
Hoe voorkomt het college verschillen in toegang tot jeugdhulp tussen wijkteams? Verschillen in de toegang tot jeugdhulp tussen de wijkteams worden voorkomen door te werken vanuit één uniform juridisch en inhoudelijk kader dat voor beide wijkteams geldt. De Jeugdwet, de Verordening Jeugdhulp 2026 en de bijbehorende beleids- en werkafspraken vormen daarbij het gezamenlijke uitgangspunt voor alle professionals. Daarnaast werken wijkteamprofessionals volgens dezelfde professionele standaarden, werkinstructies en afwegingskaders. Dit zorgt voor eenduidigheid in de beoordeling van hulpvragen en in de toepassing van criteria, terwijl er binnen dat kader ruimte blijft voor maatwerk in individuele situaties. De uniformiteit wordt verder geborgd door gezamenlijke scholing, intervisie en collegiale toetsing tussen wijkteams. Op deze manier worden werkwijzen op elkaar afgestemd en worden ongewenste verschillen in toegang tot jeugdhulp tussen onze twee wijkteams voorkomen, zonder dat dit ten koste gaat van de noodzakelijke ruimte voor professionele afweging.
Portefeuille: Werk en Inkomen, Zorg en welzijn, Sociale zaken en Volksgezondheid. pagina 3 van 5
7. In welke situaties verwacht het college dat aanvragen vaker worden afgedaan met algemene voorzieningen dan onder de huidige verordening? Er worden geen wijzigingen in de soorten voorzieningen doorgevoerd met deze verordening. Wel is de route naar het wijkteam voor algemene voorzieningen duidelijker opgenomen in de verordening. Dit kan leiden tot een efficiëntere afhandeling van aanvragen en tot meer gebruik van algemene voorzieningen in plaats van individuele jeugdhulp. 8. Hoe wordt bewaakt dat jeugdigen tijdig opschalen naar individuele hulp als algemene voorzieningen onvoldoende blijken? Ook een algemene voorziening valt onder de Jeugdwet, inclusief de bijbehorende kwaliteitscriteria (SKJ). Het is aan de betrokken professionals om de situatie tijdig te beoordelen en indien nodig op te schalen naar individuele voorzieningen. Dit wordt bewaakt door de betrokken casusregisseur en door de voortdurende monitoring van de jeugdhulp. 9. Welke mogelijkheid hebben ouders om een inhoudelijk oordeel over de geschiktheid van een algemene voorziening te laten heroverwegen? Wanneer ouders het niet eens zijn met het oordeel dat een algemene voorziening passend is, kunnen zij dit bespreken met het wijkteam en dit laten meewegen in het verdere besluitvormingsproces.
Indien dit oordeel wordt vastgelegd in een beschikking van het college, staat voor ouders de mogelijkheid van bezwaar en beroep open. Daarnaast kunnen ouders een nieuwe aanvraag indienen wanneer hun situatie is gewijzigd of wanneer in de praktijk blijkt dat de ingezette algemene voorziening onvoldoende aansluit bij de behoeften van het kind of het gezin. In dat geval vindt opnieuw een onderzoek plaats op basis van de actuele omstandigheden. Ouders kunnen zich hierbij laten ondersteunen door een onafhankelijke cliëntondersteuner. Deze ondersteuning is kosteloos en bedoeld om ouders te helpen bij het begrijpen van het proces, het formuleren van hun standpunt en het maken van keuzes. Ook tijdens een bezwaar- of beroepsprocedure kunnen ouders gebruikmaken van deze ondersteuning. Hiermee wordt geborgd dat ouders niet alleen staan in het proces en hun belangen zorgvuldig kunnen laten meewegen. 10. Welke beleidsmatige grenzen hanteert het college bij het normaliseren van opvoed- en opgroeiproblemen? Het college hanteert de beleidsmatige grenzen zoals beschreven in bijlage 1 bij de verordening, waar een samenvattend overzicht wordt gegeven van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen. Dit biedt een goed kader voor het normaliseren van opvoed- en opgroeiproblemen. 11.
Hoe wordt in de praktijk vastgesteld dat inzet van het sociaal netwerk vrijwillig en duurzaam is en niet leidt tot overbelasting? Dit is onderdeel van het onderzoek zoals genoemd bij vraag 5, waar de inzet van het sociaal netwerk wordt beoordeeld op duurzaamheid en vrijwilligheid, om te voorkomen dat het netwerk van ouders of het gezin wordt overbelast. 12. Hoe wordt omgegaan met situaties waarin ouders formeel voldoende probleemoplossend vermogen hebben, maar dit feitelijk niet kunnen volhouden? Bij de beoordeling van het probleemoplossend vermogen van ouders wordt niet alleen gekeken naar wat ouders formeel geacht worden te kunnen, maar nadrukkelijk ook naar de feitelijke draagkracht en draaglast in de concrete situatie van het gezin. Daarbij wordt beoordeeld of ouders de gevraagde inzet daadwerkelijk en duurzaam kunnen volhouden, zonder dat dit leidt tot overbelasting of het ontstaan van nieuwe problemen. In de verordening is vastgelegd dat uit het onderzoek kan blijken dat het probleemoplossend vermogen van ouders tekortschiet, bijvoorbeeld door overbelasting of dreigende overbelasting. In die gevallen kan alsnog
Portefeuille: Werk en Inkomen, Zorg en welzijn, Sociale zaken en Volksgezondheid. pagina 4 van 5
een individuele voorziening worden ingezet. Dit betekent dat de beoordeling altijd maatwerk is en plaatsvindt op basis van de actuele situatie van het gezin. Deze werkwijze is nader uitgewerkt in de toelichting bij artikel 5.2 van de Verordening Jeugdhulp 2026, waarin expliciet wordt ingegaan op het wegen van draagkracht en draaglast en het zorgvuldig toepassen van het uitgangspunt eigen kracht. 13. Wie bepaalt of een interventie als bewezen effectief geldt en hoe wordt maatwerk geborgd wanneer standaardinterventies tekortschieten? Bij de toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies). Wanneer standaardinterventies niet voldoende blijken, wordt maatwerk geboden, waarbij de keuze voor een alternatieve interventie zoveel als mogelijk wordt onderbouwd met onderzoeksgegevens en evaluaties. 14. Verwacht het college dat de herijking leidt tot minder toekenningen van pgb’s, en hoe wordt zorgcontinuïteit daarbij geborgd? Ik verwacht dat de herijking van de Verordening Jeugdhulp inderdaad zal leiden tot minder toekenningen van persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Dit volgt uit de aangescherpte inhoudelijke criteria, de verduidelijking van de afweging tussen zorg in natura en pgb en de gelijkstelling van pgb-tarieven met zorg in natura.
Wanneer sprake is van een overgang van een pgb naar zorg in natura, wordt dit zorgvuldig en op maat vormgegeven. Daarbij staat de continuïteit van zorg voor het kind en het gezin centraal. Wijkteamprofessionals maken hierover expliciete afspraken met ouders en betrokken zorgaanbieders, zodat de ondersteuning aansluitend kan worden voortgezet en abrupte beëindiging van zorg wordt voorkomen. De herijkte verordening biedt hiermee een duidelijk kader waarin pgb’s worden ingezet wanneer dit passend en noodzakelijk is, terwijl tegelijkertijd wordt geborgd dat veranderingen in de vorm van ondersteuning niet ten koste gaan van de zorgcontinuïteit. 15. Wanneer en op welke wijze wordt de werking van de herijkte verordening geëvalueerd en teruggekoppeld aan de raad? De werking van de herijkte verordening wordt geëvalueerd binnen de reguliere beleidscyclus, zoals verwoord in het raadsvoorstel. De resultaten van de evaluatie zullen, indien nodig, worden besproken in de reguliere voortgangsrapportages en beleidscyclus. Met deze beantwoording vertrouw ik u voldoende inzicht te hebben gegeven in de herijking van de Verordening Jeugdhulp, de verwachte effecten en de benodigde vervolgstappen. Met vriendelijke groet,
Roeland Bol
Portefeuille: Werk en Inkomen, Zorg en welzijn, Sociale zaken en Volksgezondheid. pagina 5 van 5