CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-069277 Antwoordbrief wethouder Bol op technische vragen Barendrecht Belang Verordening Wmo

gemeenteraad 30 september 2025, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Niet behandeld: Vaststellen Verordening Wmo 2026. Bij agendavaststelling terug in handen gesteld van het college.2.211 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan de gemeenteraad

R. Bol Wethouder

Uw brief van: 15 september 2025

Ons kenmerk:

Uw kenmerk:

Contactpersoon: M. Bijl

Bijlage(n): Onderwerp:

Cluster:

2025-069277 Maatschappij

Beantwoording technische vragen Barendrechts

Doorkiesnummer: 14 0180

Belang betreffende de Wmo Verordening

Datum:

18 september 2025

Geachte raadsleden, Op 15 september 2025 heeft de heer Carlebur technische vragen gesteld over de Wmo Verordening 2025. In deze de beantwoording van de vragen: 1. Welke criteria gebruikt het college bij art. 1a om te beoordelen of iets “financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau”? Is er een norm of rekenmethode vastgesteld? Algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen is een breed begrip. De rekenmethode om vast te stellen of een voorziening financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau is vastgesteld door de rechtbank in Den Haag op 11 februari 2021. Hierin stelt de rechtbank het redelijk te achten dat dit het geval is als de kosten binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. In 2024 is met jurisprudentie vanuit de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2024:1362) toegevoegd dat de voorziening naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar te achten is. 2. Art. 9.1: Hoeveel tijd neemt het onderzoek in beslag in de praktijk, en is de termijn “zes weken na ontvangst van de melding” haalbaar gezien administratieve lasten en capaciteit? De termijn van zes weken is in veruit de meeste gevallen haalbaar.

Wanneer er aanvullend onderzoek nodig is, door bijvoorbeeld een medisch deskundige, kan deze termijn op grond van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) opgeschort worden. Dit zal dan ook altijd met de inwoner besproken worden en aangegeven worden wat de vervolgstappen en verwachtte termijn zal zijn. Er wordt dan ook een opschortingsbrief naar de inwoner verstuurd. 3. Wat wordt bij art. 2.3 verstaan onder “spoedeisende situatie” in artikel 2.3.3 Wmo 2015, en hoe wordt dat in Barendrecht geïnterpreteerd? Hoe vaak komt dat voor? In de Wmo2015 staat spoedeisend als volgt omschreven: In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

pagina 1 van 5

In Barendrecht interpreteren we dit als dat er direct ondersteuning nodig is vanwege de veiligheid van de inwoner en hier geen 24 uur mee gewacht kan worden. Gelukkig komt dit zeer weinig voor in Barendrecht. 4. Hoe wordt bij art. 11.2 “de goedkoopst adequaat compenserende voorziening” vastgesteld? Is dit gebonden aan marktprijzen, offertes, vaste contracten? Dat klopt. Gekeken wordt naar de compenserende voorziening die noodzakelijk is. Hiervoor worden, afhankelijk van de voorziening, offertes opgevraagd. Voor bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen zijn vaste contractafspraken met drie leveranciers. Ook daarin wordt gekeken welke leverancier de benodigde adequate voorziening kan leveren voor het laagste tarief. Voor bijvoorbeeld een traplift wordt een offerte opgevraagd bij twee gecontracteerde leveranciers. Diegene die de adequaat compenserende voorziening het meest voordelig kan leveren, krijgt de opdracht tot levering. 5. Bij woonaanpassingen: art. 23.3 noemt een drempel van € 7500 voor woonaanpassingen waarbij “primaat van verhuizen” geldt. Hoe wordt beoordeeld of verhuizen goedkoper of haalbaar is? Welke kosten (verhuiskosten, inrichten, etc.) worden meegerekend? Deze afweging wordt verder uitgewerkt in de beleidsregels Wmo.

Hierin staat het volgende: De kostenvergelijking tussen het aanpassen van de te verlaten woning en het verhuizen naar een nieuwe woning speelt een rol bij het bepalen van wat de goedkoopst compenserende oplossing is. Hierbij hanteren we een grensbedrag van € 7.500. Bij het maken van een kostenvergelijking moeten wel alle kosten worden betrokken. Dat houdt in dat de gemeente de aanpassingskosten van de huidige woning moet afzetten tegen: • de voorziening voor verhuizing en inrichting voor de cliënt; • het eventueel aanpassen van de nieuwe woning; en • het eventueel vrijmaken van de woning. 6. De verordening stelt bij art. 24.2 een maximum van 25 km voor lokale verplaatsingen of strategische punten. Hoe wordt “directe woon- en leefomgeving” gedefinieerd in termen van geografische grenzen? De 25 km grens is afgeleid van de vervoersgrens voor bovenregionaal vervoer wat door Valys uitgevoerd wordt. De directe woon- of leefomgeving in de term van geografische grenzen wordt gezien als dat belangrijke voorzieningen als winkels, station of ziekenhuis bereikbaar moet zijn. Barendrecht heeft een eigen station en voldoende winkels die binnen deze 25 km bereikbaar zijn. Binnen de 25 km vanaf de zuidrand van Barendrecht, zijn de ziekenhuizen in Rotterdam bereikbaar. 7. Hoe wordt bij art.

28.3 toezicht gehouden op de “kwaliteitskader PGB” en de checklist (bijlage)? Wordt er getoetst op basis van steekproeven, risicogestuurde controles, extra verantwoording of inspecties? Vooraf bij de toekenning wordt getoetst op deze punten. Ook kan er tussentijds getoetst worden op grond van een uitgaven patroon wat een signaal geeft over de besteding, risicogestuurde controles. Op grond van de Wmo 2015 is er een mogelijkheid om tussentijds heronderzoek uit te voeren. 8. Welke stappen onderneemt het college als blijkt dat het PGB niet rechtmatig wordt gebruikt of de verantwoording onvoldoende is? Op dit moment wordt er gewerkt aan een beleidskader preventie, handhaving en toezicht Wmo en Jeugd. Deze zal in werking treden per 1 januari 2026. Wanneer blijkt dat er sprake is van onrechtmatig gebruik of onvoldoende verantwoording, krijgt de cliënt eerst de mogelijkheid dit zelf te herstellen. Wanneer dit niet gebeurt of de onrechtmatigheid blijft bestaan, kan er overgegaan worden tot terugvordering. In elk geval zal de indicatie beëindigd worden voor verstrekking in Pgb. De cliënt kan dan de voorziening eventueel als zorg in natura toegekend krijgen om toch de noodzakelijke ondersteuning te krijgen.

pagina 2 van 5

9. Zie art. 31: Voor formele hulpverleners wordt een maximumtarief gehanteerd (“maximaal 90% van het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura”). Hoe schaalt dit tarief bij bijzondere situaties (bijv. specialistische hulp) of als de goedkoopst compenserende voorziener heel ver weg is? Dit betreft de hoogte van het Pgb-tarief. Ook specialistische hulp is ingekocht. Het gehanteerde uurtarief voor deze zorg in natura hulp is het uitgangspunt voor het maximaal toe te kennen tarief. Het is aan de cliënt om een eventueel verschil zelf bij te leggen of te kiezen voor een zorg in natura aanbieder wanneer de gekozen aanbieder een veel hoger tarief vraagt of enorme reiskosten moet maken. Wanneer de cliënt kan aantonen dat deze specifieke zorgverlener alleen via Pgb ingekocht kan worden en andere zorg niet passend is of er geen zorgverlener in de directe omgeving te vinden is, kan afgeweken worden van dit maximum. Dit zal echter maar zeer sporadisch nodig zijn omdat nagenoeg alle soorten specialistische hulpverlening in de regio te vinden is. 10. Zie art. 33: Hoe wordt vastgesteld wat de kostprijs is voor een maatwerkvoorziening of algemene voorziening (bijv. via aanbesteding of offertes)? Zijn de regels voor het bepalen van kostprijs eenduidig genoeg? De kostprijs kan vastgesteld worden middels een kostprijsonderzoek, uitgevoerd door een landelijk onderzoeksbureau.

In 2024 heeft het college Berenschot een kostprijs onderzoek laten uitvoeren naar de tarieven van Hulp bij het huishouden en Begeleiding. Een andere manier is om te kijken wat landelijk gemiddeld gehanteerde en geaccepteerde prijzen zijn en of deze overeenkomen met onze tarieven. Ook kan via een aanbesteding waar leveranciers of aanbieders op in kunnen schrijven, met hun eigen tarief, bepaald worden wat een acceptabele kostprijs is. De regels voor het bepalen van de kostprijs zijn middels jurisprudentie en wetgeving vastgelegd. Zodoende moet een reëel tarief ten minste gebaseerd zijn op ten minste de volgende kostprijselementen:  De kosten van zorgverlenend personeel (denk aan salaris, toeslagen, belastingen en arbeidsmarkttoeslagen);  Cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten (kosten van indirect cliëntgebonden personeel, materialen en hulpmiddelen);  Overheadkosten (personeel, ICT, huisvesting en algemene kosten en zakelijke lasten zoals bank/financieringskosten en reiskosten); én  Kosten voor indexatie. 11. Op welke manier worden de uitkomsten van het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek gebruikt voor bijstelling van beleid of uitvoering? (zie art. 35.3) Inwoners kunnen anoniem opmerkingen plaatsen bij het cliëntervaringsonderzoek.

Wanneer er opvallend vaak opmerkingen komen over een bepaalde leverancier of aanbieder, vindt een gesprek plaats met deze aanbieder of zorgverlener. Wanneer er bij een voorziening minder of onvoldoende gescoord wordt, wordt bekeken wat er ondernomen kan worden om dit cijfer toch te verhogen. Dat kan zijn door meer kenbaarheid te geven of door bijvoorbeeld andere diensten in te moeten kopen, afhankelijk van de opmerkingen of het onderwerp waar dit betrekking op heeft. 12. Met ingang per 1 januari 2026: welke voorzieningen of lopende zaken worden overgenomen? In hoeverre kunnen bestaande cliënten geconfronteerd worden met veranderingen of beperkingen? Lopende toekenningen zullen ongewijzigd doorlopen. Alleen de lopende Pgb-toekenningen zullen gedurende het jaar 2026 herbeoordeeld worden op grond van het kwaliteitskader en de checklist. Voor nieuwe aanvragen, ingediend vanaf 1 januari 2026 gaan de nieuwe regels gelden.

pagina 3 van 5

Huidige cliënten zullen niets merken van de veranderingen of beperkingen. Wanneer een collectieve voorziening zoals bijvoorbeeld de was- en strijkservice is ingericht, zullen cliënten met een nieuw gesprek en een overgangsperiode overgezet worden naar deze voorziening. 13. Indexering: welke bedragen of vergoedingen kunnen jaarlijks verhoogd/verlaagd worden? Is dit naast inflatie gekoppeld aan, cao-loon, kostprijsstijging van hulpmiddelen of andere factoren? Alle tarieven bij gecontacteerde partners worden jaarlijks geïndexeerd. Voor dienstverlening is dit gebaseerd op OVA/PPC. Deze indexatie is opgebouwd uit inflatiecijfer en loonstijgingen. Voor vervoer wordt de NEAindex gebruikt. Voor hulpmiddelen het landelijk indexatiecijfer. 14. Is er een effectieve herindicatie/tussentijdse evaluatie ingebouwd om te kijken of voorzieningen nog steeds nodig zijn of dat zwaardere maatwerk vervangen kan worden door lichtere voorzieningen? Op grond van de Wmo 2015 kan ten alle tijden een heronderzoek uitgevoerd worden. Dit wordt vooral gedaan bij toekenningen in hoge uren of dure voorzieningen. Begeleiding wordt bij de eerste toekenning met een evaluatie na een jaar toegekend. Dit om vast te stellen of de juiste zorg geleverd wordt en doelen bereikt kunnen worden.

Wanneer een inwoner een nieuwe melding doet, wordt tijdens het onderzoek ook direct gekeken naar reeds eerder verstrekte voorzieningen en of deze nog passend en noodzakelijk zijn. Recent hebben we steekproefsgewijs een onderzoek uitgevoerd onder rolstoel gebruikers. Hieruit bleek dat alle toekenningen nog altijd gebruikt worden. 15. Kan de verordening of uitvoeringsovereenkomst voorzien in bundeling van inkoop voor hulpmiddelen, woningaanpassingen etc., om schaalvoordelen te behalen? Hulpmiddelen worden via een contract, wat samen met de Gemeente Ridderkerk en Gemeente Albrandswaard bij drie verschillende leveranciers is afgesloten, gehuurd en niet in eigendom aangeschaft. Ook losse woningaanpassingen worden via deze leveranciers afgenomen. Voor trapliften is ook een gezamenlijk contract afgesloten met twee verschillende leveranciers. Grotere woningaanpassingen zijn vaak echt maatwerk waardoor deze niet in bundeling zijn in te kopen. 16. Is gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen en eigen kracht voldoende geconcretiseerd in de verordening zodat deze ook echt worden benut voordat een beroep op maatwerk wordt gedaan? Ja, de klantmanagers en de juristen hebben hierin meegelezen. Zij geven aan dat dit voldoende geconcretiseerd is. Daarnaast staan deze termen ook in de Wmo2015 en in de jurisprudentie duidelijk omschreven.

Volgens de stappen van de Centrale Raad van Beroep worden zowel eigen kracht als andere voorzieningen mee genomen in de afweging om tot de noodzakelijke en passende maatwerkvoorziening te komen. De klantmanagers werken volgens de stappen van de Centrale Raad waardoor dit ook daadwerkelijk afgewogen wordt voordat een beroep op maatwerk wordt gedaan. 17. Kan gekozen worden voor toetsing van offertes bij PGB of normtarieven zodat PGB niet buitensporig duur wordt in vergelijking met natura? Offertes van Pgb worden vooraf getoetst en kunnen nooit hoger zijn dan een passende voorziening in natura. Wanneer de voorziening in natura voordeliger is, wordt dit bedrag als maximum uitgekeerd. 18. Kan de verordening dwingende voorwaarden bevatten voor clustering van ritten of slimme planning (rittenbundeling via vervoeraanbieders) om vervoerskosten te drukken? Dit zijn afspraken die in de aanbesteding en contracten met vervoerders vastgelegd worden. De contractbeheerder checkt of ritten met voldoende bezetting en efficiënte routes gereden worden. Dit kan

pagina 4 van 5

echter niet altijd voor Wmo-vervoer omdat deze routes op afroep gereden worden en geen vaste routes zijn. Voor leerlingenvervoer en Jeugdwetvervoer wordt de planning van de vaste ritten wel gecontroleerd op ritbezetting en route. 19. Worden cliënten en belanghebbenden duidelijk geïnformeerd over de gevolgen van keuzes rondom duurdere versus goedkopere voorzieningen (bijv. verschil in kwaliteit, comfort, eigen bijdrage)? Dat kan bijdragen aan acceptatie van goedkopere alternatieven. Dit wordt tijdens het keukentafelgesprek met de cliënt besproken. Met de invoering van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage (per 2028) zal dit voor de cliënt nog belangrijker worden. Een cliënt met een hoger inkomen of vermogen zal dan middels de eigen bijdrage een groot deel van de voorziening zelf betalen. 20. Hoe worden de gegevens over kostenstijgingen gebruikt om bij te sturen (bijv. prognoses, scenario-analyses)? De Wmo kent een open einde regeling en het college is verplicht die ondersteuning of voorziening te bieden die goedkoopst adequaat noodzakelijk is. Het is lastig om hierin te sturen met een toenemende vergrijzing. Geprobeerd wordt om te sturen en de kostenstijgingen te drukken door te kijken naar collectieve voorzieningen of andere mogelijkheden in plaats van de inzet van individuele voorzieningen. Met vriendelijke groet,

Roeland Bol

pagina 5 van 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15991108/1