2024-100836 Brief wethouder Van der Linden n.a.v. ingediende motie OZB niet-woningen en de gemeentewet raadsvergadering 12 november 2024.pdf
Tekst van het document
Aan de gemeenteraad L.P. van der Linden MSc. Wethouder
Uw brief van:
Ons kenmerk:
Uw kenmerk:
Contactpersoon:
Bijlage(n):
Cluster:
Onderwerp:
2024-100836 Financiën
Toezegging naar aanleiding van de motie ‘OZB
Doorkiesnummer: 088 848 5470
niet-woningen en de gemeentewet’
Datum:
25 november 2024
Geachte raadsleden, Bij de raadsbehandeling van de begroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028 op 12 november jl., is naar aanleiding van de ingediende motie ‘OZB niet-woningen en de gemeentewet’ een brief toegezegd met uitleg over dit onderwerp. Inhoud motie Voor de inhoud van de motie verwijs ik naar de thans ingetrokken motie zelf die als bijlage bij deze brief is gevoegd. (Subject)vrijstelling voor ANBI’s en SBBI’s Artikel 220f lid 2 Gemeentewet biedt de mogelijkheid om bij toepassing van het lage OZB-(woning)tarief een onderscheid te maken in vier hoofdgroepen: sportaccommodaties, dorpshuizen, SBBI’s en ANBI’s. Sinds de invoering van dit artikel dat bekend staat als het amendement Omtzigt, heeft de VNG gemeenten afgeraden om van het artikel gebruik te maken. Het blijkt dat er interpretatieve vraagstukken zijn en wetstechnische onduidelijkheid. De interpretatieve vragen zijn gerelateerd aan het feit dat de OZB een objectieve en zakelijke belasting is. Bij de heffing staat het belastingobject centraal en niet de eigenaar of gebruiker. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 20 november 2020 toegezegd om een onderzoek te laten doen dat kan leiden tot een aanpassing van artikel 220f Gemeentewet (of een alternatieve bepaling of instrument die het doel beter bereikt).
Het hiervoor genoemde onderzoek is in 2022 uitgevoerd door het adviesbureau Van den Bosch &Partners. Uit het onderzoek blijkt dat artikel 220f lid 2 van de gemeentewet lastig uit te voeren is zonder dat er een wetswijziging plaats vindt. Het rapport van het onderzoek met betrekking tot dit specifieke onderwerp naar vrijstelling voor ANBI/SBBI's (Bijlage) en bericht op VNG: Voorlopig geen oplossing voor toepassing lager ozb-tarief | VNG is als bijlage bij deze brief bijgevoegd. Vrijstelling in de verordening voor ANBI’s en SBBI’s is praktisch niet uitvoerbaar. Ten eerste omdat zo’n subjectvrijstelling niet in overeenstemming is met het objectieve en zakelijke karakter van de OZB. Het
pagina 1 van 3
objectieve en zakelijke karakter van de OZB houdt in dat OZB worden geheven ter zake van de onroerende zaak, oftewel het object wordt belast. Om de belasting daadwerkelijk te kunnen heffen wordt bij het object een belastingplichtige gezocht. Met het zakelijke karakter van de OZB wordt bedoeld dat met de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige, zoals inkomen, woon- of vestigingsplaats en nationaliteit in beginsel geen rekening wordt gehouden. Gelijkheidsbeginsel kan in dit kader ook een beletsel vormen. Ter illustratie dient het volgende voorbeeld:. Twee identieke panden waarvan het ene pand in eigendom is van het Rode Kruis en het andere in eigendom is van een commerciële partij. Beide panden worden gebruikt of gehuurd door een eveneens commerciële instelling. Voor deze twee identieke panden zou het Rode Kruis als ANBI in tegenstelling tot de commerciële partij in aanmerking komen voor een OZB-vrijstelling of korting. Deze situatie levert strijd met het gelijkheidsbeginsel op. Naast de wettelijke onzekerheden met betrekking tot een mogelijke vrijstelling voor ANBI’s en SBBI’s zal de uitvoering in 2025 praktisch niet haalbaar zijn in verband met de korte doorlooptijd richting vaststellen van onder andere de belastingverordening (beleidsmatig, maar ook financieel in verband met impact berekening). SVHW heeft reeds aangegeven dat zo’n regeling niet uit te voeren is.
OZB-vrijstelling voor plaatselijke verenigingen reeds opgenomen in de Verordening onroerende zaakbelastingen Met toepassing van artikel 220d, lid 1 sub i Gemeentewet zijn reeds vrijstellingen opgenomen in de Verordening onroerende zaakbelastingen voor bepaalde ANBI’s en SBBI’s. Met de zogenaamde facultatieve vrijstellingen in artikel 4 onderdeel m, onder 1 en 2 van de Verordening OZB kent de gemeente Barendrecht reeds vrijstellingen toe aan plaatselijke verenigingen en kerkgenootschappen. Deze luidt als volgt: (…) wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van gebouwde eigendommen met inbegrip van de ondergrond: 1. welke in eigendom en beheer zijn van kerkgenootschappen, voor zover die eigendommen mede in gebruik zijn ten behoeven van de openbare eredienst, dan wel in hoofdzaak in gebruik zijn voor kerkelijke activiteiten. 2. welke in eigendom, beheer en/of in gebruik zijn van/bij plaatselijke verenigingen ten behoeve van de amateuristische sportbeoefening en/of jeugd- en jongerenwerk. Het verschil tussen deze vrijstellingen en vrijstellingen op basis van artikel 220f lid 2 Gemeentewet is dat de huidige vrijstelling in de Verordening OZB het objectieve en zakelijke karakter van de OZB in stand houdt.
Immers, deze vrijstelling ziet op (a) de onroerende zaken die in (b) eigendom, beheer en/of in gebruik zijn van/bij (c) plaatselijke verenigingen waarbij sprake is van (d) specifieke afbakening op het gebied van kerkelijke activiteiten, amateuristische sportbeoefening en/of jeugd- en jongerenwerk. Daarentegen ontbreekt in artikel 220f, lid 2 Gemeentewet een precieze omschrijving voor de vrij te stellen onroerende zaken, waardoor het objectieve en zakelijke karakter van de OZB in gedrang komen en zoals hiervoor beschreven voorbeeld strijd met het gelijkheidsbeginsel kan opleveren. Een verdergaande uitbreiding van de reeds bestaande vrijstelling voor alle ANBI’s en SBBI’s zoals voorgesteld in de motie, is gezien het voorgaande af te raden aangezien het niet uit te voeren is.
pagina 2 van 3
Er zijn gemeenten die hiervoor het instrument van subsidies hanteren die mogelijkheden biedt voor maatwerk. De VNG en de gemeenten hebben aangegeven dat de subsidieregelingen al langer en naar tevredenheid functioneren en dat er geen behoefte bestaat aan aanvullende maatregelen of instrumenten zoals art. 220f lid 2 Gemeentewet. Onderzoek naar alternatieven (langere termijn) Een alternatief dat het adviesbureau Van den Bosch & Partners in het rapport van 15 december 2022 op pagina 39/40 heeft beschreven is het omvormen van artikel 220f lid 2 Gemeentewet tot een open regeling, die gemeenten in staat stelt om de groepen onroerende zaken zodanig af te bakenen en te omschrijven in de OZB-verordening dat er meer helderheid is over de reikwijdte en uitleg van de bepaling. Wellicht kan in dit verband worden onderzocht in hoeverre een uitbreiding van de huidige OZB-vrijstelling artikel 4 onderdeel m, onder 1 en 2 van de Verordening OZB mogelijk is. In elk geval gaat het om het formuleren van bepaling in de verordening zodat vrijstelling of verlaagde tariefstelling beter past binnen het objectieve en zakelijke karakter van de OZB. Dit geldt als randvoorwaarde dat een OZB-vrijstelling nauwkeurig en zorgvuldig en zo objectief mogelijk moet worden vormgegeven en goed moet worden gemotiveerd. Voor het begrotingsjaar 2025 is dit in verband met de korte doorlooptijd niet haalbaar.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en de raadstoezegging om een brief met uitleg over de ‘OZB niet-woningen en de gemeentewet’ als afgedaan te beschouwen. Hoogachtend,
L.P. van der Linden MSc.
pagina 3 van 3