2 Parkeerverordening gemeente Barendrecht.docx
Tekst van het document
Parkeerverordening gemeente Barendrecht De raad van de gemeente Barendrecht; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 augustus 2024; gelet op artikel 149 en artikel 225 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; gezien het advies van de raadscommissie Ruimte / AZ&F van 17 september 2024; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Parkeerverordening gemeente Barendrecht
Hoofdstuk I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: - aanvrager: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een verzoek richt aan het college tot het verlenen van een vergunning; - autodelen: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van een motorvoertuig op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een commerciële aanbieder van een autodeelconcept; - bedrijf: een onderneming (natuurlijk persoon of rechtspersoon) die is ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel; - bedrijfsadres: een adres dat volgens de Basis Registratie Adressen en Gebouwen (BAG) niet uitsluitend een woonfunctie heeft; - belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die 1. is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 of 2.
gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd; - bewoner: inwoner van de gemeente Barendrecht die als ingezetene staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Barendrecht op het adres dat hij bewoont; - centrale computer: computer van de gemeente Barendrecht of de computer van het bedrijf waarmee de gemeente Barendrecht een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon, ander communicatiemiddel of webbrowser; - college: het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht; - deelautoplaats: een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 aangewezen voor een motorvoertuig bestemd voor autodelen; - fte: full time equivalent, volledige werkweek uitgaande van een dienstverband van 35 uur per werknemer; - gereguleerd gebied: een gebied waarin parkeerregulering van kracht is, zoals aangegeven in het geldende Aanwijzingsbesluit bij deze verordening; - gehandicaptenvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990; - groot voertuig: een voertuig dat langer is dan 6 meter of hoger dan 2,4 meter; - houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten
tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens, met dien verstande dat tevens als houder wordt aangemerkt: 1. degene die middels een leaseovereenkomst, uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel of een verklaring van de werkgever kan aantonen dat hij de 1
-
-
-
-
-
-
-
-
-
bestuurder is van het motorvoertuig dat tijdens het parkeren op naam van de leasemaatschappij respectievelijk de werkgever in het hiervoor bedoelde register was ingeschreven; 2. degene die lid is van een organisatie voor gedeeld gebruik van motorvoertuigen en die middels een verklaring van de houder van het motorvoertuig kan aantonen dat hij medegebruiker van dit motorvoertuig is; 3. degene die middels een kopie van het eigendomsbewijs van het motorvoertuig kan aantonen dat hij houder is van een motorvoertuig met buitenlands kenteken; kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december; kampeerwagen: een voertuig dat als zodanig is geregistreerd bij de Dienst Wegverkeer (RDW), tenzij de aanvrager aantoont dat met betrekking tot dit voertuig geen gebruik is gemaakt van de zogenaamde motorrijtuigenbelasting bijzonder tarief; motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990 en met uitzondering van kampeerwagens en grote voertuigen; parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur; parkeerbehoefte: het voor een
bouwplan benodigde aantal parkeerplaatsen, dat is berekend op basis van parkeernormen welke in een ruimtelijk-planologisch kader zijn vastgelegd; parkeerregistratie: kentekenregistratie in het digitale parkeerbelastingbestand waarbij is voldaan aan parkeerbelastingplicht voor het gebruik van parkeerapparatuurplaatsen op basis van of krachtens deze verordening door middel van parkeervergunningen/ontheffingen, bijzondere vergunningen/ontheffingen, tijdgebonden parkeerrechten en/of door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur; parkeerzone: de zone zoals aangewezen in het geldende aanwijzingsbesluit bij deze verordening, welke kan bestaan uit één of meerdere vergunninggebieden, waarin parkeerregulering op basis van dezelfde kenmerken is uitgewerkt; parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; parkeren op eigen terrein (POET): parkeerplaats(en) waarover de aanvrager kan beschikken of had kunnen beschikken op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of
anderszins, alsmede een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken; ruimtelijke ontwikkeling: een activiteit zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet; RVV 1990: Reglement verkeerregels en verkeerstekens 1990; vergunning: een door het college verleende vergunning, waarmee het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op een daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaats; vergunningenplafond: een door het college vastgesteld maximum aantal vergunningen dat per vergunninggebied, per vergunningsoort, kan worden uitgegeven; vergunninggebied: het gebied waarin een vergunning geldig is, zoals aangegeven in het geldende Aanwijzingsbesluit bij deze verordening; vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; woonadres: een adres dat volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) uitsluitend een woonfunctie heeft. 2
Hoofdstuk II. PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN Artikel 2. Aanwijzingsbevoegdheid college 1. Het college kan weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3, tweede tot en met het vijfde lid. 2. Het college kan tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan.
Artikel 3. Verlenen parkeervergunning 1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen. 2. Een vergunning kan worden verleend aan een houder van een motorvoertuig wanneer deze: a. als bewoner staat ingeschreven op een woonadres dat is gelegen binnen gereguleerd gebied, te noemen bewonersparkeervergunning; b. het motorvoertuig tijdelijk dient te parkeren binnen gereguleerd gebied, te noemen tijdelijke parkeervergunning; c. houder is van een gehandicaptenparkeerkaart, waarmee geparkeerd kan worden op gehandicaptenparkeerplaatsen en parkeerapparatuurplaatsen, te noemen gehandicaptenparkeervergunning. 3. Aan een bedrijf met een bedrijfsadres dat is gelegen binnen gereguleerd gebied, kan: a. een vergunning worden verleend ten behoeve van het parkeren van een motorvoertuig noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, te noemen bedrijfsparkeervergunning; b. een vergunning worden verleend ten behoeve van het parkeren van een motorvoertuig van de werknemer, te noemen werknemersparkeervergunning. 4. Aan een bewoner die staat ingeschreven op een woonadres dat is gelegen binnen gereguleerd gebied, kan: a. een vergunning worden verleend ten behoeve van het laten parkeren van een motorvoertuig van bezoekers, te noemen bezoekersparkeervergunning; b.
een vergunning worden verleend ten behoeve van het laten parkeren van een motorvoertuig van mantelzorgers, te noemen mantelzorgparkeervergunning. 5. Aan een door het college erkende commerciële aanbieder van motorvoertuigen bestemd voor autodelen, die worden geparkeerd binnen gereguleerd gebied, kan een vergunning worden verleend, te noemen commerciële deelautoparkeervergunning. 6. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.
Artikel 4. Vergunningenplafond 1. Het college kan een vergunningenplafond vaststellen waarmee het maximum aantal uit te geven vergunningen per vergunninggebied en per vergunningsoort is bepaald. 2. Een aanvrager wordt voor onbepaalde tijd op een wachtlijst geplaatst, indien zijn aanvraag voor een vergunning is aangehouden op grond van het feit dat het adres waarvoor de vergunning is aangevraagd is gelegen in een vergunninggebied waarin het vergunningenplafond, voor de desbetreffende vergunningsoort, is bereikt.
Artikel 5. Ruimtelijke ontwikkelingen 1. Bij ruimtelijke ontwikkelingen die plaatsvinden na inwerkingtreding van deze verordening 3
kan het college onderscheid maken tussen twee momenten waarop de uitgifte van vergunningen plaats kan vinden: a. de initiële (eerste) uitgifte van vergunningen aan de adressen die toebehoren tot de desbetreffende ruimtelijke ontwikkeling; b. de uitgifte van vergunningen aan de adressen die toebehoren tot de desbetreffende ruimtelijke ontwikkeling, nadat de onder sub a bedoelde initiële uitgifte heeft plaatsgevonden. 2. De initiële uitgifte van vergunningen, zoals bedoeld in lid 1, sub a, vindt plaats conform het aandeel van de parkeeroplossing dat is opgelost in openbare parkeervoorzieningen, zoals vastgelegd in de omgevingsvergunning die is verleend voor de desbetreffende ruimtelijke ontwikkeling, waar het adres van aanvrager toebehoort. 3. De uitgifte van vergunningen aan de adressen die toebehoren tot de desbetreffende ruimtelijke ontwikkeling, nadat de initiële uitgifte van vergunningen heeft plaatsgevonden, zoals bedoeld in lid 1, sub b, is beperkt tot het vergunningenplafond dat van kracht is in het desbetreffende vergunninggebied.
Artikel 6. Parkeren op eigen terrein (POET) 1. Het college brengt op een aanvraag voor een bewonersparkeervergunning als bedoeld in artikel 3, tweede lid, sub a, het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein in mindering op het aantal te verkrijgen vergunningen. 2. Het college brengt op een aanvraag voor een bedrijfsparkeervergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid sub a, voor een werknemersparkeervergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, sub b, het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein in mindering op het aantal te verkrijgen vergunningen. 3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt onverminderd als een aanvrager over (een) parkeerplaats(en) op eigen terrein kan beschikken door huur of aankoop hiervan. 4. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt onverminderd als een aanvrager, door eigen toedoen, niet meer kan beschikken over (een) parkeerplaats(en) op eigen terrein.
Artikel 7. Beslistermijn vergunning 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning. 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen, van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager in kennis gesteld. 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van kracht indien de aanhoudingsgrond, zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, op een aanvraag van toepassing is. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op een aanvraag voor een vergunning ingevolge deze verordening.
Artikel 8. Geldigheidsduur en gegevens vergunning 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3, het tweede tot en met het vijfde lid wordt voor ten hoogste één kalenderjaar verleend, waarbij na afloop van het kalenderjaar de vergunning op verzoek van de vergunninghouder met telkens een kalenderjaar wordt verlengd. 2. De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de periode waarvoor de vergunning geldt; b. het vergunninggebied waarvoor de vergunning geldt; c. de (bedrijfs)naam of het adres van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend; d. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden. 4
Artikel 9. Intrekken of wijzigen vergunning Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen: a. op verzoek van de vergunninghouder; b. wanneer de vergunninghouder niet woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend; c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning; d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen; e. wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan; f. wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; g. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; h. om redenen van het belang van een rechtvaardige verdeling van de beschikbare parkeerruimte.
Artikel 10. Overdracht en wijzigingen 1. Een vergunning is niet overdraagbaar. 2. Een vergunninghouder is verplicht elke wijziging in de omstandigheden die relevant zijn voor het verlenen van een vergunning onmiddellijk aan het college kenbaar te maken. 3. Een vergunninghouder is verplicht een wijziging van het motorvoertuig, kenteken van het motorvoertuig, bedrijfsnaam of adres van de vergunninghouder onmiddellijk aan het college kenbaar te maken.
Artikel 11. Weigeringsgrond en aanhoudingsgrond 1. Een aanvraag voor een vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij of krachtens deze verordening. 2. De beslissing op de aanvraag voor een vergunning wordt aangehouden indien het adres waarvoor de vergunning is aangevraagd is gelegen in een vergunninggebied waarin het vergunningenplafond, voor de desbetreffende vergunningsoort, is bereikt.
Hoofdstuk III. VERBODSBEPALINGEN EN STRAFBEPALING Artikel 12. Algemene verbodsbepalingen 1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats of deelautoplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: a. zonder vergunning; b. zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de voor dat motorvoertuig afgegeven vergunning; c. in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 13. Inwerkingstelling parkeerapparatuur Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen in werking te stellen dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven.
Artikel 14. Overige verbodsbepalingen 1. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te 5
laten staan: a. op een parkeerapparatuurplaats; b. op een belanghebbendenplaats. 2. Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 15. Strafbepaling Overtreding van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt gestraft met een geldboete van maximaal de eerste categorie.
Hoofdstuk IV. SLOTBEPALINGEN Artikel 16. Nadere regels Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot hoofdstuk II van deze verordening.
Artikel 17. Hardheidsclausule Het college kan (delen van) hoofdstuk II van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing op grond van bijzondere omstandigheden, gelet op het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 18. Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de daartoe door het college aangewezen personen of categorieën personen belast.
Artikel 19. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening gemeente Barendrecht.
Artikel 20. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Barendrecht op 1 oktober 2024, de griffier,
de voorzitter,
C.M. Krouwel
drs. R.E. Schneider
6