Nawoord Rekenkamercommissie 2022
Tekst van het document
Het nawoord van de rekenkamercommissie Op 8 maart 2022 is de rekenkamercommissie in de gelegenheid gesteld om haar rapport nader aan het college toe te lichten en de nog bestaande vragen te beantwoorden. Gelet op het gesprek aldaar verrast de schriftelijke reactie van het college ons niet. Op een aantal onderdelen geven wij hieronder een nadere reactie. Kleine(re) subsidieontvangers: Gelet op onze eigen capaciteit (die ook beperkt is) hebben wij ons laten leiden door de ’20-80 regel’: de vier grootste instellingen ontvangen 74% van het totale subsidiebudget en kwamen daarom naar onze mening als eerste in aanmerking. Wij hadden ook kunnen kiezen voor de insteek van de dwarsdoorsnede: één uit elke groottecategorie of één uit elke sector. Als de raad er prijs op stelt dat wij in de nabije toekomst een aanvullend onderzoek doen dat zich op kleinere subsidieontvangers richt, zijn wij bereid om dat in ons programma in te passen.
Hierbij vragen we ons overigens wel af of het (nieuwe) college niet zelf eerst aan zet is gelet op het nog niet uitgevoerde voornemen om meerdere subsidieregelingen voor de cultuursector uit te werken en op onze conclusie dat het zin heeft om het totale subsidieveld in zijn onderlinge samenhang te toetsen op zijn bijdrage aan de Baarnse beleidsdoelen.(4e bullit van conclusie 2) Te scherpe conclusies?: Wij herkennen ons niet in de reactie van het college dat de conclusies veel scherper zijn geformuleerd dan de onderliggende teksten. Wel hadden wij het door het college genoemde voorbeeld van de Trits beter van meer toelichting (de moverende redenen) kunnen voorzien, maar wat er staat is niet onjuist. Wij hebben dit punt opgenomen omdat het volgens ons beter zou zijn geweest als het college eerder de huurverhoging aan de orde had gesteld en tot invoering zou zijn overgegaan wanneer weer een normale bedrijfsvoering mogelijk is. En voor het overige vinden wij dat onze conclusies goed aansluiten bij de bevinden. Wel of geen beleidsnota? Een beleidsnota is inderdaad geen antwoord op een sturingsvraagstuk maar het helpt wel om allerlei overwegingen en keuzes die onder de ASV liggen expliciet en communiceerbaar te maken.
Daar zou bijvoorbeeld ook in kunnen staan dat je per instelling (en zeker de grote) wat preciezer afspreekt wat je van hen verlangt (net zoals dat nu gedaan is voor de beperkte en volledige vorm van accountantscontrole). Dat hoeft geen uitgebreid verhaal te zijn maar past bij het beeld dat het college zelf ook schetst: een korte notie met enkele belangrijke noties om de uitvoering van de subsidies meer in control te brengen. Work in progress. Wij stemmen graag in met deze typering die ook aansluit bij de titel van ons rapport: ‘Goed gestart maar nog genoeg te doen’. Dat was ook de bedoeling: aangeven wat wenselijk en nodig is om van een goed en soepel lopend subsidieproces te kunnen spreken. Daarbij past ook nog wel een opmerking over de benodigde capaciteit in combinatie met onze eerdere opmerking dat je met verschillende instellingen verschillende afspraken kunt maken over de verlangde informatie. Enkele voorbeelden: • Als raad en college (zouden) vinden dat de Trits geen activiteitenplan hoeft aan te leveren, moeten partijen dat vooral zo afspreken en moet de gemeente geen brief meer sturen waarin staat dat het wel moet.
•
Door Bibliotheek Eemland is al veel geïnvesteerd in prestatiegegevens en kengetallen. Het kost niet veel inspanning meer om daar een goede uitvoeringsovereenkomst van te maken op basis waarvan ook de verantwoording in het jaarverslag gemaakt kan worden. • De directeur van de Speeldoos gaf aan dat er best informatie beschikbaar is om een meer resultaatgericht activiteitenplan te maken en wil daar ook graag aan meewerken. Met deze voorbeelden geven wij aan dat er weliswaar op diverse plaatsen energie in moet worden gestoken maar dat de daarvoor benodigde extra capaciteit nog redelijk bescheiden kan zijn. De reactie van het college op de aanbevelingen: Gelet op de periode waarin wij nu zitten, is het logisch dat het allemaal aan de nieuwe raad en het nieuwe college is. De nieuwe raad kan zich in april al uitspreken. Daarmee zijn de ‘beelden’ van het huidige college bij de aanbevelingen overigens niet zonder betekenis. Zij sluiten aan bij de aanbevelingen al zijn de formuleringen wat voorzichtiger. Dat is voor de rekenkamercommissie voldoende reden om de aanbevelingen uit ons rapport ongewijzigd aan de raad voor te leggen en kan het nieuwe college zijn positie bepalen met inachtneming van de huidige bestuurlijke reactie en dit nawoord van de rekenkamercommissie. De rekenkamercommissie van Baarn, 15 maart 2022