CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

980467 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Hof van Baarn Eemnesserweg-Laanstraat Bijlage 3.5 Quick scan natuur

Raadsvergadering 27 november 2024, gemeente BaarnBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Hof van Baarn Eemnesserweg-Laanstraat6.706 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quik scan natuur

Eemnesserweg 21/25/33/35 en Laanstraat 58 Baarn

Opdrachtgever: Uitgevoerd door:

Uitgevoerd op:

Datum: Onderwerp: Uw kenmerk:/ Ons Kenmerk:

ECONU

Schipper Bosch/Sabine Kramer Econu / Dhr. Bart Smeets bart.smeets@econu.eu 0646020125 www.econu.eu 31-10-2018.

1-11-2018 Quick scan flora en fauna Eemnesserweg Baarn SB 18-11-1

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebied

3 3

2

Wettelijk kader

6

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

6 8 10

3

Quick scan natuur

11

3.1 3.2 3.3 3.4

Onderzoeksmethode Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

11 11 12 19

4

Conclusie en advies

20

4.1 4.2 4.3 4.4

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden Vervolgstappen

20 20 22 22

Bijlage 1: Geraadpleegde literatuur

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Eemnesserweg in Baarn ligt momenteel drukkerij Bakker, deze drukkerij is verkocht en het pand en het omliggende terrein zal door Schipper Bosch ontwikkeld worden. Het voornemen bestaat om op deze locatie woningen en/of appartementen te realiseren. Hiervoor is het noodzakelijk de huidige bebouwing te slopen. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern van Baarn (provincie Utrecht). De omgeving van Baarn kenmerkt zich door agrarische gronden, bos en heidegebieden. Het plangebied ligt in het centrum van Baarn. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van een winkelgebied en woonhuizen. Dit is een mix van vrijstaande huizen, twee-onder-een-kappers en appartementen. Het plangebied is in het centrum van Baarn gelegen, maar ligt in een buurt met veel groene tuinen, vlakbij een bosgebied. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: Google Maps. Bewerking: Econu.

ECONU

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Schipper Bosch. Bewerking: Econu.

Op 31 oktober 2018 is een veldbezoek uitgevoerd. Een tweetal woningen en bedrijfspanden waarin de drukkerij en een bakkerij gevestigd zijn. Het drukkerijgebouw loopt door tot de Laanstraat. Daarnaast zijn er nog een groot aantal bijgebouwen, schuurtjes en afdakjes te vinden. Alle gebouwen zijn onderkomen, rottende houten dakomlijstingen, ontbrekende dakpannen, open gaten in muren en kieren. Het terrein is grotendeels bestraat, maar in het midden ligt een tuin die door de diverse gebouwen omsloten is. In deze tuin staan enkele struiken en een aantal bomen.

ECONU 4

Plangebied ten tijde van het veldbezoek.

1.2.2

Toekomstige situatie De exacte vorm van de toekomstige situatie is ten tijde van de quick scan nog niet duidelijk. Aangezien er eerst gesloopt moet worden dient de quick scan daarop gericht te zijn. Het is de bedoeling dat op de locatie nieuwe woningen/appartementen gerealiseerd worden.

ECONU 5

2

Wettelijk kader De bescherming van natuur, zoals dat onderzocht wordt in voorliggende quick scan, is op te delen in gebiedsbescherming, soortenbescherming en de bescherming van houtopstanden. Bepaalde natuurgebieden worden beschermd door de Wet natuurbescherming en daarnaast is ook in provinciale verordeningen gebiedsbescherming vastgelegd, waaronder de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland. Ook de bescherming van plant- en diersoorten en de bescherming van houtopstanden is geregeld in de Wet natuurbescherming.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Inleiding Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten daarnaast op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. De bescherming van dit natuurnetwerk wordt geregeld bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Hieronder wordt een toelichting gegeven bij de verschillende vormen van gebiedsbescherming.

2.1.2

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Voor alle Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.

2.1.2.1

Natura 2000-gebieden Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder

ECONU 6

geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1). Voor een plan of een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling gemaakt te worden, van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Blijkt uit de passende beoordeling dat er geen aantasting plaatsvindt van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of kan voor de projecten door Gedeputeerde Staten een vergunning worden verleend. In bepaalde gevallen kan, ondanks dat uit de passende beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken mogelijk is, een plan toch worden vastgesteld of kan een vergunning toch worden verleend. Er dient dan te worden voldaan aan de zogeheten ADC criteria. De ADC criteria houden in: i) dat er geen alternatieve oplossingen zijn, ii) dat er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en iii) dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen.

2.1.2.2

2.1.3

Bijzondere nationale natuurgebieden In uitzonderlijke gevallen kan de Minister, op grond van artikel 2.11, bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Minister kan dit doen voor een gebied dat is of wordt aangemeld als Habitatrichtlijngebied, maar nog niet definitief is aangewezen. Ook kan het voor een gebied dat nog geen onderdeel is van het Natura 2000-netwerk, maar waar compenserende maatregelen worden getroffen voor de realisatie van een project met significante gevolgen. Tot slot kan een gebied worden aangewezen in het geval dat dat noodzakelijk is in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn, om een gunstige staat van instandhouding te realiseren. Ter bescherming van de bijzondere nationale natuurgebieden kan de Minister verschillende maatregelen nemen, waaronder toegangsbeperkingen tot het gebied, het gebruik maken van zijn of haar aanschrijvingsbevoegdheid en het treffen van behoud- en herstelmaatregelen in het gebied. Natuurnetwerk Nederland Ter bescherming van vogelsoorten, van soorten van de Habitatrichtlijn en van rode lijstsoorten dienen provincies, op basis van artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming, zorg te dragen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS). De bescherming van dit netwerk gebeurt bij provinciale verordening.

Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, zoals weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebied. Voor Natuurnetwerk Nederland geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. Daarnaast mogen de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet significant worden beperkt

ECONU 7

In de provincie Noord-Holland is naast Natuurnetwerk Nederland ook sprake van ganzenfoerageergebied en weidevogelleefgebied. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft. In ganzenfoerageergebieden mogen de ruimtelijke ingrepen geen negatieve effecten hebben op rustende en foeragerende ganzen. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op weidevogelleefgebied mogen niet leiden tot verstoring van weidevogels. Ruimtelijke ingrepen zijn in bovengenoemde gebieden alleen toegestaan als ze de wezenlijke kenmerken en waarden niet aantasten. Onder bepaalde voorwaarden zijn ingrepen die deze waarden aantasten, wel toegestaan. Deze voorwaarden zijn beschreven in artikel 19 (voor NNN en natuurverbindingen) en artikel 25 (voor weidevogelleefgebied) van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). In alle gevallen geldt dat een aantasting, als deze wordt toegestaan, gecompenseerd moet worden, zodat de natuur er netto niet op achteruit gaat.

2.2

Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming.

2.2.1

Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.13.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5-3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.

2.2.1.1

Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Het vernielen van nesten is verboden en het verstoren van nesten is enkel toegestaan indien geen sprake is van een negatieve invloed op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoorten. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als

ECONU 8

broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet in staat zijn om een eigen nest te bouwen. 2.2.1.2

Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

2.2.1.3

Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet een aantal diersoorten en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant: het is verboden deze soorten opzettelijk te doden of te vangen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om de plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

2.2.2

Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert. Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.

2.2.3

Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden. De provincie Noord-Holland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.2.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de vogelrichtlijnsoorten, de habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten. Wel geldt voor de vogelrichtlijnsoorten en de

ECONU 9

habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden. Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen.

2.3

Bescherming houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Ook kan de provincie een ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond.

Verder kan de provincie ontheffing verlenen en kan de provincie bij verordening vrijstelling verlenen van zowel de meldingsplicht als de plicht tot herbeplanting.

ECONU 10

3

Quick scan natuur

3.1

Onderzoeksmethode De quick scan natuur is gebaseerd op een biotoopinschatting door een ecoloog van Econu. Bij het opstellen van de quick scan natuur is gebruikgemaakt van de meest recente verspreidingsgegevens van soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Voor aanvullende visualisering van deze gegevens wordt gebruik gemaakt van relevante literatuur. Bijlage 1 vermeldt de geraadpleegde bronnen. Op 31 oktober 2018 heeft een ecoloog van Econu het plangebied en de directe omgeving verkend. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie. Het eenmalige veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

3.2

Gebiedsbescherming

3.2.1

Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Er liggen verschillende Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Dit zijn ‘Oostelijke Vechtplassen’ dat op 11,9 kilometer ten westen van het plangebied ligt, ‘Naardermeer’ op 12,9 kilometer ten noordwesten, polder Arkenheem op 7,9 kilometer en ‘Eenmeer & Gooimeer Zuidoever’ op 7,2 kilometer ten noorden van het plangebied. Met de beoogde ontwikkeling is een lichte toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten. Stikstof kan, wanneer dit neerslaat op hiervoor gevoelige gebieden, een negatief effect op de natuurwaarden van dergelijke gebieden hebben. Doordat het hier een relatief kleinschalige, lokale ingreep betreft en door de grote afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie in deze gebieden echter niet te verwachten. Ook andere negatieve effecten zijn door de tussengelegen verstoringen uit de kern van Baarn en de grote afstand uit te sluiten. Het is daarom niet te verwachten dat de beoogde ontwikkeling een negatief effect op kernkwaliteiten of instandhoudingsdoelstellingen van in de omgeving liggende Natura 2000-gebieden zal hebben. Een voortoets Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

ECONU 11

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Natura 2000 Network Viewer. Bewerking: Econu.

3.2.2

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland, weidevogelleefgebied, of ganzenfoerageergebied. Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op meer dan 7 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied. De dichtstbijzijnde natuurgebieden zijn de Lage Vuursche ten westen van Baarn en de Eemvallei in het (noord)oosten van Baarn. Aangezien het plangebied niet in de NNN ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. Ook externe verstoringen op deze gebieden zijn door de kleinschaligheid van de ingreep niet te verwachten. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. De bescherming van het NNN staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

3.3

Soortenbescherming

3.3.1

Vaatplanten Volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna komen in de omgeving van het plangebied geen beschermde planten voor. In het plangebied zijn verschillende bomen en struiken zoals fijnspar, hulst, hazelaar, taxus, vuurdoorn, conifeer en kastanje waargenomen. In en rond het grasland in het midden van het plangebied staan kruiden als paardenbloem, springbalsemien en Jacobs kruiskruid. Het plangebied bevat geen geschikt habitat voor beschermde vaatplanten, deze zijn in een verharde, bebouwde en deels verwilderde tuin zoals in het plangebied niet te verwachten.

ECONU 12

3.3.2

Grondgebonden zoogdieren Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komen de beschermde bosmuis, woelrat, steenmarter, boommarter, hermelijn, bunzing, das, eekhoorn en wezel in de omgeving van het plangebied voor. De boommarter heeft een voorkeur voor oud (loof)bos, maar is ook in andere typen bos te vinden. Boommarters kiezen een rustplaats in boomholten, konijnen-, vossenof dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten worden vaak in spechten- of eekhoornholen of inrottingsholen gemaakt. Soms worden ook gebouwen aan de rand van een bos en nestkasten voor de boommarter of de bosuil gebruikt. In het plangebied zijn enkele bomen aanwezig. In een tuin in stedelijk gebied zijn echter geen boommarters te verwachten. Ook zijn er in de bomen geen holtes aangetroffen die boommarters een verblijfplaats zouden kunnen bieden. Steenmarters komen vaker in stedelijke gebieden, maar gezien de beperkte toegankelijkheid van de centrale tuin, de bebouwing en de verharding van het plangebied, is het onwaarschijnlijk dat hier steenmarters aanwezig zijn. De das leeft in allerlei soorten biotopen en heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap, met akkers, bosjes, weiland en houtwallen. Dassen leven in burchten, die ze zelf graven en die vaak zijn gelegen in bosjes of houtwallen nabij gras- en akkerland. In een tuin zoals in het plangebied zijn geen dassen te verwachten.

Ook zijn er geen sporen aangetroffen die er op duiden dat een das in het plangebied aanwezig kan zijn. De bunzing is niet erg kritisch in zijn keuze van het leefgebied. Daardoor komt hij in allerlei verschillende landschapstypen voor. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bos- en akkerranden zijn. Maar ook open weidegebieden met sloten. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das. Ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt. Ook de wezel en hermelijn komen in veel verschillende habitats voor zoals bossen houtwallen, duinen, akkers en ander open terrein. De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is. Ze zoeken graag dekking in bosschages, houtstapels of onder heggen Ook oude holen van muizen, ratten en konijnen worden als dekking en schuilplaats gebruikt. Doordat kleine marters zeer weinig eisen aan het leefgebied hebben en ook in tuinen worden aangetroffen, bevat het plangebied potentieel leefgebied. Ook in de directe omgeving is veel potentieel leefgebied aanwezig, in de vorm van de grote tuinen rond huizen. De groene structuren in het plangebied zijn van beperkte omvang.

Wanneer een kleine marterachtige in het plangebied en de omgeving aanwezig zou zijn, zou het verdwijnen van een dergelijk klein deel van het territorium geen wezenlijke negatieve invloed op de overlevingskansen van het aanwezige dier hebben. Nader onderzoek naar kleine marterachtigen wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal 6 meter hoogte in de boom. Ook worden natuurlijke boomholtes of

ECONU 13

spechtenholen als nestlocatie gebruikt. In het plangebied is geschikt leefgebied voor de eekhoorn aanwezig. Het plangebied is daarom op nestlocaties en vraatsporen van de eekhoorn gecontroleerd. Deze zijn niet aangetroffen. Het is daarom niet te verwachten dat het plangebied tot de functionele leefomgeving van de eekhoorn behoort. 3.3.3

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de franjestaart, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, meervleermuis en watervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn strikt beschermd volgens de Wet natuurbescherming. .Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als bijvoorbeeld rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot en in schoorstenen. In de villa zijn op verschillende plekken openingen gevonden waar vleermuizen een verblijfplaats kunnen vinden.

Zo zijn er verschillende open stootvoegen in het gebouw aanwezig en zijn er langs de regenpijpen kieren aanwezig waar vleermuizen tussen kunnen kruipen. Door de buitenpandige renovatie kunnen aanwezige vleermuisverblijfplaatsen beschadigd of vernietigd worden. Er is dan sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er daadwerkelijk vleermuisverblijfplaatsen in het plangebied aanwezig zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.

ECONU 14

Impressie van kieren en openingen in het plangebied die vleermuizen kunnen gebruiken als verblijfplaats. Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een minimale diameter van 30 centimeter te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Vanaf deze diameter maken spechten ook holen in bomen, waarvan vleermuizen gebruik kunnen maken. Ook moeten de bomen dermate oud zijn, dat holtes door rotting ontstaan. In het plangebied zijn verschillende bomen aanwezig. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Er zijn wel verschillende stukken losse schors aangetroffen, maar deze waren te klein om daadwerkelijk als schuilplaats voor vleermuizen te dienen. Holtes in bomen zijn niet aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel

ECONU 15

voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. De bomen en struiken in het plangebied zijn geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Wanneer binnen het plangebied daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan wordt dit foerageergebied waarschijnlijk veelvuldig door deze vleermuizen gebruikt en kan het essentieel foerageergebied betreffen. Nader onderzoek naar het foerageergebied is noodzakelijk om uitsluitsel te geven over hoe belangrijk het gebied voor in de buurt levende vleermuizen is. Wanneer er geen vleermuisverblijfplaatsen in het plangebied aanwezig zijn, is niet te verwachten dat het plangebied essentieel foerageergebied betreft. Essentiële vliegroutes Op de route van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt.

Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Daarom zijn dergelijke vliegroutes strikt beschermd. Van lijnvormige doorlopende elementen is in het plangebied geen sprake. Essentiële vliegroutes zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. 3.3.4

Vogels Vogelsoorten met niet jaarrond beschermde nesten Het is mogelijk dat in de bomen en struiken in het plangebied vogels met niet jaarrond beschermde nesten tot broeden komen. Om te voorkomen dat bij de werkzaamheden eventueel aanwezige nesten van broedende vogels worden beschadigd, adviseren wij deze werkzaamheden buiten de broedperiode te starten. Als vogels op zoek gaan naar een geschikte broedlocatie en merken dat het plangebied en de directe omgeving te verstorend zijn, zullen ze een andere locatie zoeken. Daarnaast kan ook in de broedperiode gestart worden met de werkzaamheden. Dan dient aantoonbaar te worden vastgesteld door een expert op het gebied van vogels dat met de ruimtelijke ontwikkeling geen nesten vernield worden en dat er geen verstoring optreedt die van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van een vogelsoort. De broedperiode van vogels loopt globaal van half maart tot half augustus, maar de nesten van vogels die buiten deze periode broeden zijn ook beschermd. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komen de buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, ransuil, slechtvalk, sperwer en

ECONU 16

wespendief in de omgeving van het plangebied voor. De nesten van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor betreffende soorten. Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen. De daken van de panden aan de Laanstraat 58 en Eemnesserweg 21 en 35 hebben dakpannen, daarnaast zijn er diverse bijgebouwen waar huismussen een nestplaats kunnen hebben. Doordat er bomen en struiken op de planlocatie staan, is er foerageergebied en schuilmogelijkheid in de directe omgeving van deze mogelijke nestplaatsen aanwezig. Het is daarom niet uit te sluiten dat huismussen het plangebied gebruiken als broed- en verblijflocatie. Bij de sloop van de verschillende gebouwen en het verwijderen van de groene elementen in het plangebied gaat daarom mogelijk broed- en leefgebied van de huismus verloren.

Nader onderzoek naar de soort is noodzakelijk om de gebruiksfuncties van de soort in het plangebied nader inzichtelijk te maken om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.

Impressie van het dak, onder de ronde dakpannen kunnen huismussen tot broeden komen.

Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschatten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn. Door de openingen achter de regenpijpen, de verrotte boeiboorden en enkele scheefliggende dakpannen is ook de aanwezigheid van gierzwaluwnesten in het plangebied niet op voorhand uit te sluiten. Werkzaamheden

ECONU 17

kunnen aanwezige nesten vernietigen of beschadigen. Nader onderzoek is noodzakelijk om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Andere soorten met jaarrond beschermde nesten, maken hun nesten op hoge gebouwen (slechtvalk), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, havik en sperwer), in oude nesten van kraaien, buizerds en eksters in boomgroepen (wespendief) in oude nesten van kraaien en roofvogels in naaldbomen (ransuil), of op speciale nestpalen (ooievaar). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig en in het plangebied zijn geen nesten aangetroffen. Nesten van deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. 3.3.5

Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang in de buurt van het plangebied voor. De hazelworm leeft in bossen, bosranden, houtwallen en heide maar ook in parken en tuinen in een bosrijke omgeving. Hazelwormen leven deels ondergronds, onder blad of onder heidestruiken. Hazelwormen leven ter bescherming tegen vijanden vaak in mierenhopen. Het winter habitat van hazelwormen bestaat uit oude holen (konijnen) en composthopen. Het habitat van de levendbarende hagedis bestaat uit vochtige gebieden zoals graslanden, natte weiden, drogere delen van moerassen of veengebieden, duinen, open bossen en bosranden. Open plekken om te zonnen zijn een voorwaarde voor vestiging. Winterverblijven bestaan uit vorstvrije plekken in zeggepollen, zandholen of onder boomstronken. Hazelworm en levendbarende hagedis zijn enkel in de bosgebieden buiten de kern van Baarn aangetroffen. Het plangebied is door omliggende wegen ook te geïsoleerd gelegen waardoor deze soorten het plangebied ook niet kunnen bereiken. Deze soorten zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. Ringslangen zijn de enige in Nederland levende reptielen die ook in een meer stedelijke omgeving is te vinden. Ringslangen komen voor in de buurt van water op verhoogde terreinen zoals dijken, spoorbanen of struwelen.

Belangrijk hierbij is de aanwezigheid van natuurlijke oevers met open plekken en ruigte zodat deze zowel zongelegenheid als schuilplaatsen bieden. Door de afwezigheid van watergangen en oevers in de directe omgeving van het plangebied is de ringslang niet in het plangebied te verwachten.

3.3.6

Amfibieën Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komen in de omgeving van het plangebied diverse kikker- en paddensoorten en de kleine watersalamander voor. Beschermde amfibieën komen voornamelijk voor in schone poelen en vijvers, in heideen veengebied en in uiterwaarden. Dergelijk gebied is niet in het plangebied aanwezig. Dergelijke soorten zijn daarom niet in het plangebied te verwachten.

ECONU 18

3.3.7

Vissen In het plangebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van strikt beschermde vissen in het plangebied is daarmee uitgesloten.

3.3.8

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat. Deze soorten komen in stabiele habitattypen voor zoals heiden en venen. In het betreffende plangebied is geen sprake van een dergelijke stabiele leefomgeving en de juiste leefomstandigheden voor dergelijke soorten. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied.

3.4

Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming van toepassing is want de bomen en struiken die worden geveld liggen in een tuin en zijn onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte niet groter is dan duizend vierkante meter. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

ECONU 19

4

Conclusie en advies In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied.

4.1

Gebiedsbescherming Uit voorliggend onderzoek blijkt dat er verschillende Natura 2000-gebieden in de buurt van het plangebied liggen. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten. Door de afstand en verstoringen tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden is echter niet te verwachten dat de beoogde ontwikkelingen in het plangebied een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen of kernkwaliteiten van deze gebieden zullen hebben. Nader onderzoek in de vorm van een voortoets Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Uit voorliggend onderzoek blijkt dat het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland ligt. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. De bescherming van het NNN staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.2

Soortenbescherming Volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna komen de beschermde soorten als boommarter, bunzing, das, eekhoorn, wezel, hazelworm, levendbarende hagedis, verschillende soorten vleermuizen en enkele vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voor. Door het uitgevoerde veldbezoek in het plangebied is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen van beschermde diersoorten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft verblijfplaatsen en foerageergebied van vleermuizen en nestplaatsen van de huismus en gierzwaluw. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden.

4.2.1

Onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen. Vleermuizen Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vier veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Twee daarvan dienen plaats te vinden in

ECONU 20

de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van circa 30 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden met een tussenperiode van circa 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vier veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn of dat essentieel foerageergebied aanwezig is, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.. Huismussen Het nader onderzoek naar de huismus dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in de soortenstandaard van de huismus (RVO, 2014). Het onderzoek dient plaats te vinden door middel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of door middel van vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni. De inventarisaties dienen onder goede weersomstandigheden plaats te vinden, op geluidsluwe momenten, rond één à twee uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van 10 dagen.

Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van huismussen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Gierzwaluwen Het nader onderzoek gierzwaluwen dient plaats te vinden door middel van drie 3 inventarisaties met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Dit dient te gebeuren in de periode 1 juni tot en met 15 juli, van 21:00 uur en 22:30 uur, tijden goede inventarisatieomstandigheden. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van gierzwaluwen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer. Soortgroep

Soort/functie

Vleermuizen

Verblijfplaatsen

Huismussen

Nestlocaties

Gierzwalu-

Nestlocaties

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

wen

4.2.2

Broedperiode Van alle van nature in Nederland in het wild levende vogels mag het nest tijdens het broeden (van start van nestbouw tot en met het uitvliegen van de jongen) niet worden beschadigd of vernield. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt

ECONU 21

globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Uit voorliggend onderzoek blijkt dat in en direct rond het plangebied vogels kunnen gaan broeden. Wij adviseren daarom om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden. 4.2.3

Zorgplicht Iedereen neemt voldoende zorg in acht voor alle natuur en in het wild levende dieren, planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden.

4.3

Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

4.4

Vervolgstappen − Uitvoeren nader onderzoek vleermuizen, gierzwaluw en huismus − Houd rekening met broedende vogels − Houd rekening met de zorgplicht

ECONU 22

Bijlage 1: Geraadpleegde literatuur Lenders, A., Marijnissen, C., Felix, R. 1993. Waarnemen en herkennen van Amfibieën en Reptielen in het veld, stichting RAVON, Nijmegen. Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging. 2017. Vleermuisprotocol 2017. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. Van der Meijden, R. 2005. Heukels’ Flora van Nederland, Wolters Noordhoff, Groningen/Houten. Van Diepenbeek, A. 1999. Veldgids Diersporen, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Van Uchelen, E. 2006. Praktisch natuurbeheer: amfibieën en reptielen, KNNV Uitgeverij, Utrecht. www.noord-holland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.stowa.nl www.synbiosys.alterra.nl www.telmee.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.aerius.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14677284/1