CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

9 erbinding Soest Hilversum Definitief pdf GA

Besluit in de Raad 11 mei 2022, gemeente BaarnBij agendapunt: Schriftelijke vragen PvdA en beantwoording aanleg fietsverbinding Soest – Hilversum over grondgebied Landgoed Paleis Soestdijk8.090 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toetsing Wet natuurbescherming Fietsverbinding Hilversum - Soest

Toetsing Wet natuurbescherming Fietsverbinding Hilversum - Soest Definitief

Opdrachtgever Gemeente Soest t. a.v. Postbus 2000 3760 CA Soest

Opdrachtnemer Eelerwoude Achterstraat 11 4101 BB Culemborg 0345-727019 culemborg@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: P8200.3 Datum: 25-10-2018 Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het bevoegd gezag stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. De opmaak van dit rapport gaat uit van dubbelzijdig afdrukken.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING ........................................................................................................... 5

1.1

Aanleiding ............................................................................................................ 5

2

HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING ......................................................... 6

2.1 2.2

Huidige situatie .................................................................................................... 6 Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................. 7

3

NATUURWETGEVING EN -BELEID .................................................................. 8

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Inleiding ................................................................................................................ 8 Bescherming van soorten .................................................................................... 8 Bescherming van gebieden ................................................................................. 8 Bescherming van houtopstanden ........................................................................ 9 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................. 10

4

METHODE ......................................................................................................... 12

4.1 4.2

Bureauonderzoek............................................................................................... 12 Terreinbezoek .................................................................................................... 12

5

BESCHERMDE SOORTEN .............................................................................. 14

5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

Planten en mossen ............................................................................................ 14 Zoogdieren ......................................................................................................... 14 Vleermuizen ....................................................................................................... 14 Grondgebonden zoogdieren .............................................................................. 16 Vogels ................................................................................................................ 17 Reptielen ............................................................................................................ 18 Amfibieën ........................................................................................................... 19 Vissen ................................................................................................................ 20 Ongewervelden .................................................................................................. 20

6

CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ............................................................... 21

6.1 6.1.1 6.1.2 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

Bescherming soorten ......................................................................................... 21 Rekening houden met vogels ............................................................................ 21 Nader onderzoek naar vleermuizen................................................................... 21 Bescherming gebieden ...................................................................................... 22 Bescherming houtopstanden ............................................................................. 22 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................. 22 Zorgplicht en zorgvuldig handelen ..................................................................... 22 Geldigheid onderzoek ........................................................................................ 22

LITERATUURLIJST.......................................................................................................... 24 BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER NATUURWETGEVING .............................................. 25

1

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Het College van W&B van gemeente Soest is voornemens om een fietspad van Soest naar Hilversum aan te leggen. Deze fietsverbinding loopt vanaf de Koningsweg N221 in Soest naar de Hoge Vuurscheweg N415 in de gemeente Baarn, provincie Utrecht (Figuur 1). Voor deze fietsverbinding bestaat voor de bocht een variant (Figuur 2). Beide opties zijn meegenomen in de toetsing. Het fietspad zal alleen aan het begin en aan het eind worden verlicht, daar waar het pad aansluit op bestaande wegen. In verband met deze voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de voorgenomen plannen gerealiseerd kunnen worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Figuur 1. De Ligging van het plangebied (rode lijn). Google maps, 2018

Definitief

Fietsverbinding Hilversum - Soest

5

2

2 HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING 2.1

Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit een traject dat ligt vanuit het noorden vanaf de Hilversumsestraat (N415) naar de Biltseweg (N234). In deze bosrijke omgeving is de Hoge Vuurscheweg geasfalteerd tot aan de groepsaccommodatie De Stulp (Figuur 2). Naast het geasfalteerde wegdeel ligt een intensief beheerde berm met daarnaast een droog gevallen watergang. Iets verder ligt parallel een brede zandweg (gebruikt door wandelaars en mountainbikers). De geasfalteerde weg kruist meerdere malen zandpaden. Vanaf de groepsaccommodatie De Stulp wordt gekozen tussen twee opties voor fietsers om een heuvel heen: de westelijke route over een zandpad (groene route). De tweede optie is een onverhard bospad via de oostelijke zijde van de heuvel, dat uitkomt op een halfverhard pad dat wordt afgesloten met een hekwerk (gele route). Langs dit pad staan oude beukenbomen in een meer parkachtige omgeving en ligt een watergang. Zie de impressiefoto’s van het plangebied (Figuur 3).

De Stulp

Vuilstort

Figuur 2. Twee opties voor de fietsverbinding; groen en geel, ter hoogte van de groepsaccomodatie De Stulp (zwarte ster) en de vuilstortplaats. Bron: Esri, 2018

6

Toetsing Wet natuurbescherming

Definitief

Figuur 3. Impressie van het plangebied. Linksboven: De Hoge Vuurscheweg, ingang vanaf de Hilversumsestraatweg.

Rechtsboven: één van de kruisingen van de Hoge Vuurscheweg. Rechtsonder:

hoogteverschil route om de heuvel. Linksonder: ingang vanaf de Biltseweg.

2.2

Voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen plannen zijn om een fietsverbinding aan te leggen tussen Soest en Hilversum. Deze fietsverbinding zal 3 meter breed zijn en bestaan uit verhard asfalt. Aan weerszijde komt 1 tot 2 meter berm te liggen dat vrij is van obstakels als bomen. Voor de realisering van het fietspad wordt gebruikt gemaakt van bestaande verharde en onverharde paden waarbij wordt gekozen tussen twee mogelijkheden. Mogelijk zullen bomen moeten worden gekapt doordat bestaande paden niet breed genoeg zijn. Het fietspad zal goed gemarkeerd worden en alleen bij het begin (de Hilversumsestraatweg) en op het eind (de Biltseweg) van het fietspad zal verlichting worden geplaatst (Bron: Rapport vervolgonderzoek haalbaarheid Eelerwoude, 2018).

Definitief

Fietsverbinding Hilversum - Soest

7

3

3 NATUURWETGEVING EN -BELEID 3.1

Inleiding

De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag en alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2

Bescherming van soorten

Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime andere soorten. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3

Bescherming van gebieden

Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op

8

Toetsing Wet natuurbescherming

Definitief

grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied In de omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 9 kilometer afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen/Haeck. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

3.4

Bescherming van houtopstanden

Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2) • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.

De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom • houtopstanden op erven of in tuinen • fruitbomen en windschermen om boomgaarden • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar

Definitief

Fietsverbinding Hilversum - Soest

9

• •

•

• • •

kweekgoed uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen o beplantingen langs waterwegen o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden het dunnen van een houtopstand van populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.

De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom Boswet en is gelegen in een bosgebied dat groter is dan 10 are waardoor de bescherming van houtopstanden van toepassing is. Indien duidelijk is welke en hoeveel bomen worden gekapt, wordt nader bekeken of er sprake is van afname van bosareaal en of de bescherming van houtopstanden van toepassing is. Indien deze van toepassing is geldt een meldingsplicht bij de provincie Utrecht, evenals een herplantplicht.

3.5

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Provincie Utrecht heeft de benaming NNN aangehouden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 10

Toetsing Wet natuurbescherming

Definitief

Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren. Gevolgen plangebied Het plangebied ligt in een NNN-gebied (Figuur 4). Het traject heeft de bestemming ‘natuur en bos’ met de dubbelbestemming ‘landgoed buitenplaats’. Binnen deze bestemmingen zijn paden en wegen toegestaan. Wel is een aanlegvergunning nodig voor de realisatie (Bron: Vervolg haalbaarheid Eelerwoude,2018). Gemeente Soest heeft een analyse uitgevoerd en aangegeven dat er geen sprake is van een bestemmingsplan wijziging. Daardoor is een nadere toetsing aan het NNN-beleid niet noodzakelijk.

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de GNN (groen) en GO. Bron: webkaart provincie Utrecht, 2018

Definitief

Fietsverbinding Hilversum - Soest

11

4

4 METHODE De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.1

Bureauonderzoek

Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.

4.2

Terreinbezoek

Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag uitgevoerd door , ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 27 september bij 16ºC, half bewolkt weer en windkracht 2 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten ook genoteerd.

12

Toetsing Wet natuurbescherming

Definitief

Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of

-

op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging,

RAVON,

Stichting

Das

en

Boom,

Vogelbescherming

Nederland,

Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Definitief

Fietsverbinding Hilversum - Soest

13

5

5 BESCHERMDE SOORTEN Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Planten en mossen

Voorkomen en functie Het plangebied ligt in een bosrijke omgeving met naast de asfaltweg een intensief beheerde berm, bestaande uit grassoorten, weegbree en paardenbloemen. Daarnaast is een drooggevallen watergang begroeid met soorten zoals brandnetel, braam, varen, lelietje-van-dalen en boomopschot. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied. De aangetroffen plantsoorten zijn kenmerkend voor een voedselrijke bodem. Op grond van een deskundigenoordeel is een biotoopanalyse uitgevoerd met betrekking tot de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied. Gelet op de aanwezige habitat, het beheer van de paden en bermen en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Effecten en ontheffing Er zijn geen beschermde plant- en mossoorten aangetroffen en effecten hierop worden binnen de grenzen van het plangebied ook niet verwacht door het aanwezige terreintype en toegepaste beheer. Een nader onderzoek of ontheffing Wet natuurbescherming is derhalve niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde flora niet noodzakelijk.

5.2

Zoogdieren

5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger,

14

Toetsing Wet natuurbescherming

Definitief

watervleermuis, grootoorvleermuis, franjestaart, kleine dwergvleermuis, bosvleermuis en mogelijk ook meervleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: - kraamverblijfplaats; - zomerverblijfplaats; - paar- en/of baltsverblijfplaats; - winterverblijfplaats. Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis, grootoorvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis, watervleermuis, franjestaat, kleine dwergvleermuis en bosvleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en meervleermuis en ruige dwergvleermuis bewoont zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst.

Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke,

In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig waar vleermuissoorten gebruik van kunnen maken voor hun verblijf.

gebouwbewonende

Langs de paden staan bomen waarvan in een aantal eiken en beuken kleine holtes en scheuren aangetroffen zijn die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis, die boombewonend zijn. Deze bomen bevinden zich langs het traject en aan weerszijde van de asfaltweg en zandpaden. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Ook de directe omgeving is geschikt als foerageergebied, onder meer door het omliggende bos. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen; bijvoorbeeld een bomenrij en / of watergang kan dienen als vliegroute. Langs de aanwezige paden zijn bomenrijen aanwezig waar vleermuizen gebruik van kunnen maken voor hun vliegroute.

Definitief

Fietsverbinding Hilversum - Soest

15

Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Door afwezigheid van bebouwing kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op de verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten kunnen door aanwezige holten en kieren niet op voorhand worden uitgesloten. Indien duidelijk is welke bomen naar aanleiding van de werkzaamheden moeten worden gekapt, moeten deze nader worden gecontroleerd op geschiktheid voor vleermuizen. Een functie als verblijfplaats kan niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk om eventuele verblijfplaatsen uit te sluiten dan wel aan te tonen. De bomen langs de paden kunnen als vliegroute voor vleermuizen dienen. Er is echter voldoende alternatief aanwezig waardoor er geen sprake is van een essentiële vliegroute.

Conclusie: Indien duidelijk is welke bomen naar aanleiding van de werkzaamheden moeten worden gekapt, moeten deze nader worden gecontroleerd op geschiktheid voor vleermuizen. Indien een functie als verblijfplaats niet kan worden uitgesloten, is nader onderzoek noodzakelijk om verblijfplaatsen uit te wijzen dan wel aan te tonen.

5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van de aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: egel, eekhoorn, mol en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen van het plangebied gebruik maken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied.

16

Toetsing Wet natuurbescherming

Definitief

Daarnaast kunnen een aantal het plangebied gebruiken als migratieroute. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’. In de provincie Utrecht is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van ontheffing opgesteld. Beschermde soorten zoals das en boommarter komen voor in het bosgebied waar het plangebied in is gelegen. Het plangebied maakt daardoor onderdeel uit van leefgebied van beide soorten. Verblijfplaatsen van deze soorten ontbreken echter binnen de grenzen van het plangebied. Ook ontbreken sporen als latrines of voedselresten en in de bomen zijn geen geschikte holten voor boommarter waargenomen.

Effecten en ontheffing Langs de huidige paden zijn meerdere muizenholletjes aangetroffen, waar algemene muizensoorten gebruik van kunnen maken. De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijke verstoring en beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime andere soorten. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Utrecht een vrijstelling van ontheffing opgesteld. Voor overige beschermde soorten als das en boommarter geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen zijn in het plangebied niet aangetroffen. Het plangebied maakt onderdeel uit van het leefgebied van beide soorten. Echter, na deze de aanleg van het fietspad is het gebied nog steeds geschikt voor beide soorten als leefgebied. Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.

5.3

Vogels

Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten komen elk jaar terug bij hun nest. Dit nest mag dus ook niet buiten het broedseizoen verwijderd worden. Broedvogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruik maken van het plangebied: ekster, houtduif, koolmees, roodborst, gaai, zwarte kraai en diverse soorten spechten. Binnen het plangebied zijn verschillende nesten aangetroffen van algemeen voorkomende broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruik maken zijn niet aangetroffen binnen

Definitief

Fietsverbinding Hilversum - Soest

17

het plangebied. Mogelijk gebruiken enkele soorten met jaarrond beschermde nesten, zoals sperwer en buizerd, het plangebied wel als onderdeel van hun foerageergebied. Huismussen en gierzwaluwen maken voor hun nestlocatie gebruik van bebouwing. Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort.

Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen in het plangebied geen sporen of jaarrond beschermde nesten (horsten) aangetroffen. Bebouwing waar huismussen en gierzwaluwen gebruik van kunnen maken voor hun nestlocatie ontbreekt waardoor deze soorten in het plangebied kunnen worden uitgesloten. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.

5.4

Reptielen

Voorkomen en functie Beschermde reptielen als hazelworm en levendbarende hagedis komen voor in de omgeving van het plangebied, met name in bossen, bosranden heideterrein en bermen, waarbij de levendbarende hagedis een voorkeur heeft voor vochtige terreinen. De hazelworm houdt vanaf oktober winterslaap waar de mannetjes deze in maart verlaten, de vrouwtjes en subadulten vanaf in april. In de actieve periode zont de hazelworm veel tussen strooisel, blad of verscholen in de vegetatie. De overige tijd houden ze zich verscholen onder vegetatie of in holen onder de grond. (Stowa, 2006).

18

Toetsing Wet natuurbescherming

Definitief

Langs de randen van de aanwezige paden is struweel aanwezig, en een strooisellaag. Echter is dit door het hele bosgebied aanwezig waar het plangebied in is gelegen. Er zijn op schillende plekken muizenholletjes aanwezig. Effecten en ontheffing Het plangebied is gelegen in het leefgebied van beschermde reptielen als levendbarende hagedis en hazelworm. Door de aanwezige paden, deels verhard, de verstoring en het ontbreken van vochtige plekken en heideterreinen vormt het plangebied geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor levendbarende hagedis. Mogelijk kruisen de soorten wel het plangebied, echter bevindt zich optimaal habitat elders in het bosgebied. Langs de randen van de aanwezige paden is struweel aanwezig, echter is dit niet geen essentieel onderdeel van het leefgebied; er is voldoende alternatief in het bosgebied aanwezig. Er zijn diverse muizenholletjes langs het pad aangetroffen. Door de ligging langs de paden waar sprake is van verstoring door voetgangers, fietsers en honden en door de grootte van de holletjes zijn deze niet geschikt voor overwinteringslocatie voor hazelworm. Deze bevinden zich vermoedelijk dieper in het bos op een rustigere plek. Met de aanleg van het fietspad is er geen sprake van negatieve effecten voor beschermde reptielen. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor reptielen niet noodzakelijk.

5.5

Amfibieën

Voorkomen en functie Een aantal soorten zoals bruine kikker en gewone pad kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en behoren tot het beschermingsregime andere soorten. In de provincie Utrecht is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van ontheffing opgesteld. Andere beschermde amfibieën als meerkikker of kamsalamander worden niet verwacht in het plangebied vanwege het gebrek aan geschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken in het plangebied geïsoleerde waterplassen met voldoende vegetatie die kunnen dienen als voortplantingswater. Het bosgebied kan wel dienen als landbiotoop voor kamsalamander, echter zijn in het plangebied geen geschikte dichte struiken/ struweel aanwezig. Doordat er geen verspreidingsgegevens van rugstreeppad in de directe omgeving bekend zijn, wordt de soort niet verwacht in het gebied. Bekend is dat de rugstreeppad op circa 5 kilometer ten zuiden van het plangebied is aangetroffen, in gebied Soesterduinen. In het plangebied is geen geschikt voortplantingswater aanwezig. Doordat in de omgeving van het plangebied geschikte habitat voorkomt en de soort in de omgeving is aangetroffen, kan de rugstreeppad wel van het plangebied gebruik maken tijdens migratie.

Effecten en ontheffing De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime andere

Definitief

Fietsverbinding Hilversum - Soest

19

soorten. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Utrecht een vrijstelling van ontheffing opgesteld. Tijdens het veldbezoek zijn beschermde amfibieën niet waargenomen. Ook is binnen de grenzen van het plangebied geen habitat aanwezig die een essentieel onderdeel vormt van de functionele leefomgeving van beschermde amfibieën als kamsalamander of rugstreeppad. Op basis daarvan is nader onderzoek niet noodzakelijk en is een ontheffing Wet natuurbescherming niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet noodzakelijk.

5.6

Vissen

Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

5.7

Ongewervelden

Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel, nauwe korfslak en platte schijfhoorn niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikte habitat dat onder andere bestaat uit heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen, strooisellagen en venranden. Effecten en ontheffing In het plangebied is geen geschikte habitat aanwezig waar beschermde ongewervelden gebruik van kunnen maken. Negatieve effecten op beschermde ongewervelden kunnen op basis daarvan worden uitgesloten. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

20

Toetsing Wet natuurbescherming

Definitief

6

6 CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN Op basis van deze quickscan worden de onderstaande conclusies getrokken:

6.1

Bescherming soorten

De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Hiervoor zijn door de provincie Utrecht vrijstellingen van de ontheffingsplicht opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling van ontheffingsplicht indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar beschermde soorten of een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. 6.1.1 Rekening houden met vogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen 1 mogen worden uitgevoerd. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Men dient dan alert te zijn op eventueel aanwezige broedende vogels. De zorgplicht is te allen tijde van kracht.

6.1.2 Nader onderzoek naar vleermuizen Naar aanleiding van deze toetsing kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in een aantal bomen niet worden uitgesloten. Indien duidelijk is welke bomen naar aanleiding van de werkzaamheden moeten worden gekapt, moeten deze nader worden gecontroleerd op geschiktheid voor vleermuizen. Indien een functie als verblijfplaats niet kan worden uitgesloten, is nader onderzoek noodzakelijk om verblijfplaatsen uit te sluiten dan wel aan te tonen. Dit onderzoek moet voor de start van de werkzaamheden worden uitgevoerd. Bij de uitvoering van vleermuisonderzoek moet worden gewerkt conform het vigerende ‘Vleermuisprotocol’ (2017) dat door het Ministerie van Economische Zaken is goedgekeurd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus. Het vleermuisonderzoek kan

1

In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli.

Definitief

Fietsverbinding Hilversum - Soest

21

slechts in een beperkte periode van het jaar worden uitgevoerd. Het onderzoek moet (minstens) bestaan uit: - 3 bezoeken tussen 15 mei - 15 juli - 2 bezoeken tussen 15 augustus en 1 oktober Tussen de bezoeken zit in de regel 20 tot 30 dagen. Het onderzoek kan in mei 2019 worden gestart. Afhankelijk van wat wordt aangetroffen bij het nader onderzoek kan dit consequenties hebben voor de planning en wijze van de uitvoering van werkzaamheden. Daarnaast kunnen zogenaamde compenserende en mitigerende maatregelen nodig zijn.

6.2

Bescherming gebieden

In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

6.3

Bescherming houtopstanden

Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom Boswet en is gelegen in een bosgebied dat groter is dan 10 are waardoor de bescherming van houtopstanden van toepassing is. Indien duidelijk is welke en hoeveel bomen worden gekapt, wordt nader bekeken of er sprake is van afname van bosareaal en of de bescherming van houtopstanden van toepassing is. Indien deze van toepassing is geldt een meldingsplicht bij de provincie Utrecht, evenals een herplantplicht.

6.4

Natuurnetwerk Nederland

De gemeente Soest heeft een analyse uitgevoerd en aangegeven dat er geen sprake is van een bestemmingsplan wijziging. Daardoor is een nadere toetsing aan het NNN-beleid niet noodzakelijk.

6.5

Zorgplicht en zorgvuldig handelen

In het kader van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen noodzakelijk: - Tijdens de uitvoering dient men bijvoorbeeld alert te zijn op aanwezigheid van fauna en deze, indien noodzakelijk, te verplaatsen. - Bij onvoorziene situaties dient daarnaast contact opgenomen te worden met een ter zake kundige.

6.6

Geldigheid onderzoek

Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagsorganen en instanties hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten:

22

Toetsing Wet natuurbescherming

Definitief

“ Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Voor onderzoeken waar alleen algemeen voorkomende soorten, de overige beschermde soorten van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn, mag worden volstaan met een geldigheid van 5 jaar. Waarbij ook geldt dat er in die periode weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen optreden. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Definitief

Fietsverbinding Hilversum - Soest

23

LITERATUURLIJST -

-

-

-

-

-

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft / Zoogdiervereniging, Arnhem. SOVON Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertabrate Survey – Nederland. Vogel R.L., Bouwma I., Koese B., Kranenbarg J., La Haye M., Odé B., Sierdsema H., Sparrius L., Verburg P. & Zollinger R. (2013). Het belang van Nederland buiten de Ecologische Hoofdstructuur voor soorten van de Vogelrichtlijn en van bijlage V van de Habitatrichtlijn.

Sovon-rapport 2013.015. Sovon, Nijmegen. Weeda, R., Westra, C., Westra, E. J., & Westra, T. (1985-1994). Nederlandse oecologische flora: Wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. Amsterdam, Nederland: IVN in samenw. met de Vara en de VEWIN.

Soortinformatie: - www.zoogdiervereniging.nl - www.verspreidingsatlas.nl - www.ravon.nl - www.sovon.nl - www.anemoon.org Waarnemingen: - ndff-ecogrid.nl Provincie Utrecht , Natura 2000-gebieden en NNN: -

https://webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer/app/Webkaart https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx https://calculator.aerius.nl/calculator/?locale=nl

BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER NATUURWETGEVING Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende plantenen diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 2. 3. Beschermingsregime andere soorten Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).

De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.

2

De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat

van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.

Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in:

1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.

Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora en fauna;

•

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

•

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;

•

in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of

•

om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • •

de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

•

ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;

•

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

•

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

•

in het algemeen belang van de betreffende soort.

Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11457655/1