887518 Principebesluit Zuidereind 27 bijlage 1 Concept Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Concept ruimtelijke onderbouwing Zuidereind 27, Baarn Gemeente Baarn
Datum:
28 februari 2024
Kenmerk Buro SRO:
SR230181
Opdrachtgever:
Van den Kommer Legal
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 7 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 17
4 Uitvoerbaarheid omgevingsaspecten ................................................................................................... 20 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 20 4.2 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 21 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 22 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 23 4.5 Bodem ............................................................................................................................................................... 24 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 24 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................
28 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 29 4.9 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 31 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 31
5 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 33 5.1 Financiële uitvoerbaarheid................................................................................................................................ 33 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 33
BIJLAGEN Bijlage 1. Akoestisch onderzoek wegverkeer PM Bijlage 2. Verkennend bodemonderzoek Zuidereind 27 08-02-2024 Bijlage 3. Quickscan Wnb Zuidereind 27 Baarn 08-02-2024 Bijlage 4. Archeologisch onderzoek PM
3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft het voornemen om op de gronden aan het Zuidereind 27 Baarn een bestaande schuur te vervangen door een schuurwoning. Het betreft een voormalig agrarisch bedrijfsperceel dat al langere tijd niet meer in gebruik is als agrarisch bedrijf en reeds voorzien is van een reguliere woonbestemming. Deze ontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied' (vastgesteld op 26 augustus 2009). Het voornemen is om een schuurwoning te realiseren die passend is binnen het ensemble van het voormalige agrarische perceel. Hiervoor is reeds een vooroverlegplan (d.d. 17 oktober 2022) ingediend bij de gemeente Baarn. In aanvulling daarop is in een aanvullende notitie ingaan op de aanvaardbaarheid vanuit het geldende beleid; waarom het verantwoord is dat een woning wordt toegevoegd. Deze notitie is voorgelegd aan de provincie Utrecht en is een positief oordeel gekomen. Door de gemeente Baarn is aangegeven dat een uitgebreide omgevingsvergunning kan worden aangevraagd om het voorliggende plan te realiseren. Dit betekent dat er buitenplans afgeweken dient te worden van het bestemmingsplan. Met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) kan afgeweken worden van het bestemmingsplan en kan het initiatief mogelijk gemaakt worden.
De voorliggende ruimtelijke onderbouwing omvat de noodzakelijke toelichting voor het verlenen van deze omgevingsvergunning. De aanvraag omgevingsvergunning is ingediend voor 1 januari 2024 waardoor deze nog onder de werkingssfeer van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt afgehandeld.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan het Zuidereind 27 in Baarn. De planlocatie ligt aan de oostzijde van het Zuidereind ten zuiden van de Rijksweg A1 op circa 1 kilometer afstand van die weg. Ten westen van het plangebied stroomt de rivier de Eem, met aan de overzijde de kern Baarn. Het onderhavige gebied is ook bekend als het Nationaal landschap Arkemheen-Eemland en laat zich typeren als een veenweidegebied. Het plangebied wordt aan beide zijden begrensd agrarische percelen, waar nog agrarische bedrijven zijn gevestigd. Het plangebied is onderdeel van perceel 272, welke kadastraal bekend is onder de kadastrale gemeente Baarn, sectie O. De oppervlakte van het totale perceel is circa 11.813 m² en het betreffende deelgebied waar de ontwikkeling is beoogd is circa 6.297 m².
4
Op onderstaande afbeeldingen is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied (bron: google.maps.nl)
Globale begrenzing plangebied (rood omkaderd) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
5
1.3 Geldend bestemmingsplan In het geldende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’, vastgesteld op 26 augustus 2009, geldt ter plaatse de bestemming ‘Wonen’. Binnen de woonbestemming is per bestemmingsvalk slechts één woning toegestaan. De overige gronden van het onderhavige perceel zijn voorzien van de bestemmingen ‘Agrarisch met landschappelijke en natuurlijke waarden’ en ‘Water’ en de dubbelbestemming ‘Waterkering'. De navolgende afbeelding geeft een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weer.
Uitsnede geldend bestemmingsplan ruimtelijkeplannen.nl)
'Landelijk
gebied' (plangebied
rood
omkaderd)
(bron:
Verder is het ‘Parapluplan wonen en parkeren, Baarn 2022’ in voorbereiding (ontwerpbestemmingsplan). Met dit parapluplan wordt geregeld dat het begrip 'wonen' wordt gekoppeld aan het begrip 'woning' en is bij recht slechts één huishouden toegestaan in een woning. Verder worden met dat paraplubestemmingsplan de geldende en actuele parkeernormen juridisch planologisch verankerd. Bij de verdere uitwerkingen zal hiermee (alvast) rekening worden gehouden. De toevoeging van een woning is niet toegelaten binnen het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken dient van het geldende bestemmingsplan afgeweken te worden.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldend ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 belicht de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
6
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van het Zuidereind ten zuiden van de Rijksweg A1, ten westen van het plangebied stroom de rivier de Eem, met aan de overzijde de kern Baarn. Het plangebied wordt aan beide zijden begrensd door agrarische percelen, waar ook nog agrarische bedrijven zijn gevestigd. Op het onderhavige perceel zijn meerdere gebouwen aanwezig, een woonhuis en een drietal bijgebouwen. Het voorliggende plan heeft betrekking op ‘bijgebouw 3’. Dit gebouw is met de nokrichting haaks gepositioneerd op de overige bebouwing en het stroken-/slagenlandschap: zie onderstaande afbeeldingen.
Overzicht bebouwing huidige situatie (bron: Van den Kommer Legal, 4 januari 2023)
Voorgevel aanzicht bestaande situatie (bron: Van den Kommer Legal, 4 januari 2023) Het perceel is thans omgeven door opgaande beplanting van bomen en struiken. Daarmee is sprake van een besloten perceel, te midden van de kenmerkende openheid en aan de dijk van de Eem. Die openheid is aan weerszijden van het perceel wel waarneembaar. Ook vanaf de dijk van de Eem is het zicht op het
7
onderhavige perceelsgedeelte versluierd, door de aanwezigheid van opgaande beplanting, rondom de bestaande waterpartij (wiel). De navolgende afbeeldingen geven een analyse van het plangebied en een impressie van de bestaande situatie weer.
Analysekaart bestaande situatie (bron: Buro SRO, 1 juni 2023)
Bestaande situatie vanaf Zuidereind (bron: Google Street View, juni 2021)
8
2.2 Toekomstige situatie Het voormalige boerenerf aan het Zuidereind 27 in het buitengebied van Baarn beschikt over een aantal bijgebouwen. Het voornemen is om de schuur (‘bijgebouw 3’) te saneren en daarvoor in de plaats op deze locatie een nieuwe schuurwoning te realiseren. Het huidige ‘bijgebouw 3’, dat met de nokrichting haaks staat op de overige bebouwing en het stroken/slagenlandschap, wordt vervangen door een schuurwoning met een nokrichting evenwijdig aan de overige bebouwing en aan het strokenlandschap. Hierbij wordt de bouwhoogte 2 meter hoger dan het huidige bijgebouw, ook om aan de eisen vanuit het bouwbesluit te kunnen voldoen. Het oppervlak van de woning blijft gelijk aan de bestaande schuur (circa 95 m²). De bestaande groene omlijsting van het perceel blijft behouden. De nieuwe schuurwoning zal gebruik maken van de bestaande oprit naar de woonboerderij. De onderstaande afbeeldingen laten het concept-plan zien zoals dat nu is beoogd.
Plattegrond beoogde nieuwe situatie (bron: Van den Kommer Legal, 13 november 2023)
Voorgevel aanzicht beoogde situatie (bron: Van den Kommer Legal, 18 juli 2023)
9
Referentiebeeld toekomstige woning (bron: Van den Kommer Legal, 17 oktober 2022) Het plangebied is gelegen in het Grebbelinie landschap, dit is het gebied langs de Grebbelinie die een monumentale status heeft. Het landschap rond de Grebbelinie wordt beschermd door middel van het Provinciale Inpassingsplan Grebbelinielandschap. Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld bij dit plan, waarin richtlijnen zijn gegeven hoe toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de invloedssfeer van de Grebbelinie zo goed mogelijk kunnen worden ingepast. Om aan te tonen dat het voorliggende plan passend is binnen het de karakteristieken en waarden van het landschap is een inrichtingsplan opgesteld. Inrichtingsplan Op het inrichtingsplan (zie navolgende afbeelding) is weergegeven hoe de ontwikkeling past binnen het deelgebied ‘de open linie’. Zo komt de nieuwe woning met de ‘kop’ loodrecht op het dijklichaam van de Eem te staan. Daarmee wordt dezelfde bouwrichting als de strokenverkaveling en de reeds bestaande woning gevolgd. In de Eempolder worden de erven afgeschermd door besloten erfbeplanting. De besloten erfbeplanting van het bestaande erf blijft behouden en de nieuwe woning wordt binnen dit afgebakende kader gerealiseerd. De open ruimte tussen de erven blijft intact, waardoor de zichtrelatie tussen het dijklichaam en het open landschap behouden blijft.
De erven zijn herkenbaar als puntelement in het landschap.
10
Inrichtingsplan Zuidereind 27, Baarn (bron: Buro SRO, 8 januari 2024)
11
3 Beleidskader
3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk het landelijk gebied toekomstbestendig te ontwikkelen door een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe
12
stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die per 1 juli 2017 geldt. Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavig plan betreft de sloop van een bestaande schuur en daarvoor in de plaats het realiseren van een nieuwe schuurwoning. Per saldo wordt er één woning toegevoegd. Het voorliggende plan is daarmee niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt van de Omgevingsvisie Provincie Utrecht om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kan de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
13
Planspecifiek Het plangebied maakt onderdeel uit van het landelijk gebied. In het landelijk gebied wil de provincie ruimte bieden om de problematiek van de vele vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen aan te pakken via een verbrede vorm van ruimte voor ruimte ten behoeve van wonen als opvolgfunctie. In de voorliggende situatie is reeds een woonbestemming toegekend als opvolgfunctie. Het onderhavige initiatief is daarvan weer een nadere invulling. Volgens kaart 4 ‘Visie provincie Utrecht 2050’ is het plangebied gelegen in een gebied dat is aangeduid voor ‘verzilveren linie en limes’. In de omgevingsvisie beschrijft de provincie hiervoor het volgende: De provincie Utrecht kent een rijkdom aan landschap, erfgoed en cultuur. Deze rijkdom wordt door inwoners en bezoekers hoog gewaardeerd en is belangrijk voor de culturele identiteit, welzijn en vestigingsklimaat. De Hollandse Waterlinies vormen een UNESCO Werelderfgoed, als uitbreiding van de Stelling van Amsterdam. Voor deze linies en voor de Grebbelinie zijn de cultuurhistorische waarden gelegen in het samenhangende systeem van het strategische landschap, het watermanagement en de militaire werken, de openheid en het groene en overwegend rustige karakter. Verder onderscheidt de provincie vijf karakteristieke landschappen.
Het onderhavige perceel is gelegen in het ‘Landschap Eemland’, met de volgende kernkwaliteiten: extreme openheid, slagenverkaveling, veenweidekarakter, historie van de Zuiderzee, de hierin gelegen Grebbelinie en overgangsgebieden (bij Eemnes, Soest en Amersfoort). Voor de kernkwaliteit slagenverkaveling is de volgende definitie opgenomen in de omgevingsvisie: “Een slagenlandschap, meestal gekenschetst als een landschap met strokenverkaveling, is een landschap waarbij verkaveling heeft plaatsgevonden in smalle banen die slagen of stroken worden genoemd.” Het onderhavige initiatief doet geen afbreuk aan deze kernkwaliteiten, doordat het zich binnen de bestaande besloten erfbeplanting (groene omzoming) van het perceel voordoet. De extreme openheid, stroken-/slagenverkaveling en andere aanwezige waarden worden daarmee niet aangetast: de kenmerkende openheid en rust worden niet verstoord. Het voorgenomen plan is derhalve passend binnen de omgevingsvisie.
3.2.2 Omgevingsverordening Provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de Omgevingsverordening en Programma's: Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven.
Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie
14
Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie inneemt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Cultuurhistorische hoofdstructuur Het plangebied is gelegen binnen de Cultuurhistorische hoofdstructuur zoals aangegeven op de cultuurhistorie en landschap kaart. De Cultuurhistorische hoofdstructuur geeft aan welke cultuurhistorische waarden in beginsel behouden moeten worden. Het plangebied is specifiek gelegen binnen het militair erfgoed van de Grebbelinie. Door de ligging in de Cultuurhistorische hoofdstructuur mag de ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van in het plangebied voorkomende waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur. In artikel 7.7 en 7.8 van de omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor locaties gelegen in de cultuurhistorische hoofdstructuur. Artikel 7.8 biedt uitzonderingen op het verstedelijkingsverbod landelijk gebied voor historische buitenplaatszone en militair erfgoed. 1.
2.
In afwijking van Artikel 9.2 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied kan een bestemmingsplan verstedelijking toestaan in de Historische buitenplaatszone en het Militair erfgoed, onder voorwaarde dat de verstedelijking: a. kleinschalig is; b. gericht is op het creëren van economische kostendragers ten behoeve van het behoud, herstel of de versterking, of een combinatie hiervan, van de cultuurhistorische waarde van de Historische buitenplaatszone dan wel het Militair erfgoed; en c. zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving. Een motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
De voorgenomen ontwikkeling is kleinschalig van aard, er wordt slechts een schuurwoning toegevoegd ter plaatse van een bestaande schuur, per saldo neemt de bebouwing niet toe. Bovendien heeft de ontwikkeling plaats binnen de bestaande groene omlijsting van het perceel, waarmee de kenmerkende openheid niet wordt aangetast. Door het perceel op te splitsen wordt het rendabeler en makkelijker om het landschappelijke beeld ter plaatse te behouden. Het plangebied is tevens gelegen in het Landschap Eemland. Een landschap is geen statisch plaatje. Het is altijd in ontwikkeling en dynamiek hoort daarin. In het werken met landschapskwaliteit wordt uitgegaan van een samenspel tussen beeld (wat zie je), functies (wat gebeurt er) en robuuste structuren (samenhang, relaties). Elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiten bij de kernkwaliteiten. In artikel 7.9 lid 3 is het volgende opgenomen: 3.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten.
De waarden die voor dit landschap behouden moeten blijven (kernkwaliteiten) zijn: extreme openheid, slagenverkaveling, veenweidekarakter, historie van de Zuiderzee, Grebbelinie en overgangsgebieden (bij Eemnes, Soest en Amersfoort). Ter plaatse van het plangebied is de extreme openheid maar beperkt aanwezig, omdat het plangebied wordt begrensd door bosschages. De slagenverkaveling (ook wel, strokenverkaveling) wordt wel nader geaccentueerd door het wijzigen van de nokrichting van de nieuwe schuurwoning ten opzichte van de bestaande schuur. De nokrichting wordt namelijk georiënteerd op het stroken-/slagenlandschap. Verder worden het veenweidekarakter, de Grebbelinie en de overgangsgebieden niet aangetast. De historie van de Zuiderzee is op de locatie niet relevant.
15
Daarnaast is de ligging in het agrarisch cultuurlandschap reden om de ontwikkeling toe te staan, omdat met het onderhavige initiatief sprake is van het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, wat bijdraagt aan het zichtbaarder maken van de cultuurhistorische waarde van het plangebied. Landelijk gebied Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied volgens de kaart 'landelijk gebied'. In het landelijk gebied is verstedelijking niet toegestaan, tenzij in de verordening anders is bepaald. Woningen en niet agrarische bedrijven en bedrijfsterreinen zijn volgens de omgevingsverordening voorbeelden van stedelijke functies. Het gaat in het voorliggende geval evenwel om sloop- en nieuwbouw van een bestaande schuur voor een nieuwe woning, met een zelfde omvang, aan een bebouwingslint in het landelijk gebied. In artikel 9.5 is bepaald dat 1.
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locatie binnen landelijkgebied bestemmingen en regels kan bevatten die toestaan dat in bebouwingslinten verstedelijking plaatsvindt, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. gelijktijdig met de verstedelijking wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd; b. bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten; en c. belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast.
Het voorliggende perceel is onderdeel van een lintstructuur met veelal (voormalige) agrarische bebouwing, evenwijdig aan de Eem. Met het voorliggende plan wordt een bestaand bijgebouw, dat met de nokrichting haaks op de overige bebouwing staat, gesloopt. Daarvoor in de plaats wordt een nieuwe schuurwoning gerealiseerd, waarbij de nokrichting is georiënteerd met het strokenlandschap mee, net zoals de bestaande woning en de overige bijgebouwen. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd. Ook vindt de nieuwbouw plaats op een locatie aan een bebouwingslint waar al bebouwing aanwezig is. Daarnaast is de afstand van de nieuwe schuurwoning ten opzichte van de bestaand, nog in gebruik zijnde agrarische bedrijven, groot genoeg om geen belemmering te vormen voor de bedrijfsvoering. Het plan is in lijn met artikel 9.5 van de omgevingsverordening. Het plangebied is daarnaast gelegen in een kernrandzone, waarbinnen volgens artikel 9.8 verstedelijking is toegestaan mits dit gepaard gaat met versterking van de ruimtelijke kwaliteit en in redelijke verhouding staat tot de aard en omvang van de verstedelijking. Zoals voorgaand is aangegeven wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt door het aanpassen van de nokrichting van het gebouw, mee in de richting van het strokenlandschap en is de verstedelijking daarmee ruimtelijk en landschappelijk inpasbaar.
Weidevogelkerngebied Het plangebied is gelegen in het weidevogelkerngebied, waarmee bij de realisatie van windturbines en zonnevelden rekening gehouden moet worden. In artikel 6.12 worden voorwaarden aan deze ontwikkelingen gesteld. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen windturbines of zonnevelden gerealiseerd. Verdere toetsing aan dit artikel is daarmee niet aan de orde. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale beleid.
3.2.3 Inpassingsplan Grebbelinielandschap Zoals is gebleken uit het voorgaande provinciaal beleid ligt het plangebied binnen de Grebbelinie. Op 18 april 2011 is de Grebbelinie aangewezen als rijksmonument. Deze monumentstatus betreft de Grebbeliniekade met keerkades en de daaraan gekoppelde gebouwde werken, zoals forten, schansen, kazematten en sluizen en dergelijke. De al bestaande rivierdijk langs de Eem valt daar niet onder. Naast deze (gebouwde) elementen is ook het gebied rondom de Grebbelinie van belang. Het gaat dan om de relatief open inundatiezijde (voor het zien van de vijand) en de meer beschutte verdedigingszijde (waar
16
men zich verschool). Deze gebieden bepalen voor een groot deel het zicht op en het zicht vanaf de Grebbelinie en zijn daarmee van groot belang voor de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van deze linie. Deze gebieden zijn echter niet aangewezen als rijksmonument. Om ook deze waarden te borgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat handvatten aanreikt en regels stelt ten aanzien van bebouwing en beplanting in deze gebieden. Om de Grebbelinie te beschermen is door de Grebbeliniegemeente besloten om voor het Grebbelinielandschap een inpassingsplan op te stellen waarmee de waarden van het Grebbelinielandschap kunnen worden geborgen bij bestemmingsplan wijzigingen of vergunningaanvragen. Op 8 december 2014 is het inpassingsplan vastgesteld door de Provincie Utrecht. Planspecifiek Voor de borging van dit beeldkwaliteitsplan in het voorliggende plan is het inpassingsplan, zoals weergegeven in toelichting paragraaf 2.2, opgesteld. Het in stand houden van de karakteristiek en het borgen van de kwaliteiten van de Grebbelinie is het doel van het inpassingsplan. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘De open linie’: Tot de open linie behoren het polderlandschap en delen van de veenontginningen. De open linie wordt gekenmerkt door een zeer weids, open landschap. Fysieke linie-elementen, zoals de liniedijk en keerkaden, ontbreken.
Door de grootschalige openheid hebben uitbreidingen in de diepte een gering effect op het zicht op het landschap. Echter, uitbreidingen aan het lint/dijklichaam kunnen het zicht op het achterliggende open landschap sterk beperken. Doel van de open linie is dan ook dichte bebouwingslinten te beperken door de erven te ontwikkelen in de diepte. De gronden zijn in het inpassingsplan ‘Grebbelinielandschap’ voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Grebbelinielandschap’. Hierin is bepaald dat de betrokken gronden mede dienen voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie. Voor het bepalen van deze waarden moet gekeken worden naar het beeldkwaliteitsplan. Het plangebied is gelegen in de Eempolder, onderdeel van ‘De open linie’, in dit deel van de Grebbelinie zijn besloten erfbeplating aan bebouwingslinten terug te zien. Het plangebied is ook zo te beschrijven. Een aandachtspunt is dat aan de ontginningsassen waaraan de erven zijn gelegen voorkomen dient te worden dat erven aan elkaar vastgroeien. Dit gaat ten koste van het zicht op het achterliggende open landschap en de herkenbaarheid van het lint met individuele erven. Ook mogen ontwikkeling niet ten kosten gaan van de strokenverkaveling.
Het voorliggende plan ziet toe op een ontwikkeling op een bestaand erf waar een bestaand gebouw vervangen wordt ten behoeve van een nieuwe schuurwoning binnen de besloten erfbeplanting van het huidige erf. Daardoor is er geen sprake van het aan elkaar vastgroeien van erven aan het lint en blijft het zicht op het achterliggende kenmerkende open landschap en de strokenverkaveling onveranderd. De kopgevel van de nieuwe woning wordt tevens georiënteerd op het lint/de Eem, daarmee wordt er voor de bouwrichting aangesloten bij de overige bebouwing op het erf, in de diepte van het perceel. Een eenduidige bouwrichting geeft meer structuur, waardoor de erfvorm goed afleesbaar is en het erf een rustige uitstraling geeft. Daarnaast is in hoofdstuk 2 aan de hand van het inrichtingsplan beschreven waarom de voorliggende ontwikkeling passend is binnen het deelgebied ‘De open linie’ van het Grebbelinielandschap. Het voorliggende plan tast het Grebbelinielandschap niet aan en is daarmee in lijn met het inpassingsplan ‘Grebbelinielandschap’.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie en Structuurvisie Baarn in 2030 De gemeenteraad van de gemeente Baarn heeft op 10 juli 2013 de Toekomstvisie en structuurvisie 'Baarn in 2030' vastgesteld. Deze structuurvisie is tot stand gekomen samen met vertegenwoordigers van diverse maatschappelijke instanties en inwoners van de gemeente Baarn. De nieuwe toekomstvisie is gericht op 2030 en dient als basisdocument voor de op te stellen structuurvisie met uitvoeringsprogramma voor de gemeente Baarn. Zodoende vervangen de toekomstvisie en de nieuwe structuurvisie de beleidsstukken
17
Panorama 2015 en het Ruimtelijk Structuurplan. Daarbij zijn die documenten geëvalueerd om hieruit lessen te kunnen trekken voor de toekomst. In deze toekomstvisie wordt nadrukkelijk ook aandacht besteed aan de sociaal-maatschappelijke componenten. Centraal in de Toekomstvisie en structuurvisie staat de vraag: hoe de Baarnse identiteit en kwaliteit behouden en versterken? De kernkwaliteiten van de gemeente zijn onder andere het afwisselende landschap, de extensieve recreatie, de overal aanwezige cultuurhistorie, de bereikbaarheid en het hoogwaardig wonen. De structuurvisie zet in op hoogwaardig wonen, dit is een identiteit die de gemeente verder wil ontwikkelen om Baarn ook voor de komende generaties een prettig en leefbaar dorp te laten zijn. Inbreidingen in het dorp zullen in typologie en architectuur aan moeten sluiten bij de omgeving en de een versterking moeten zijn voor de dorpse identiteit. Daarnaast is de kwalitatieve invulling van het woningbouwprogramma belangrijk, zo gaat het om de juiste woningen voor verschillende doelgroepen en om een aantrekkelijke omgeving waar wonen, werken, spelen en recreëren hand in hand gaan. Om dit te bereiken zet de gemeente volgens de Visie Wonen in op de volgende thema's:
• • • •
kwaliteit van wonen en woonomgeving; inzet voor jonge huishoudens op de woningmarkt; senioren; wonen met zorg.
Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het veenweidelandschap, zoals ook aangeduid op de structuurvisiekaart. De gemeente heeft voor diverse deelgebieden aangegeven wat de belangrijke opgaven zijn in deze gebieden. Voor het weidegebied geldt als belangrijke opgave: het handhaven van de openheid van de Eempolder maar ook de mogelijkheid om de landbouw te verbreden. Het beleid heeft een meer concrete uitwerking gekregen in het bestemmingsplan Landelijk gebied. Het voornemen is om een bestaande schuur te slopen en ter plaatse een nieuwe schuurwoning op te richten met een gelijke omvang, maar met een gedraaide nokrichting. Het initiatief doet zich voor op een locatie die te kenmerken is als een boerenerf dat grotendeels wordt omzoomd door opgaand groen en daardoor een besloten karakter heeft. De openheid van de Eempolder blijft herkenbaar, aan weerszijden van het onderhavige besloten perceel. De openheid wordt door het voorgenomen plan niet aangetast, waarmee het initiatief in lijn is met de Toekomstvisie en structuurvisie Baarn in 2030.
3.3.2 Visie Wonen 2019 De gemeenteraad van de gemeente Baarn heeft op 25 september 2019 de Visie Wonen 2019 vastgesteld. Deze Visie Wonen bouwt voort op de eerdere versie uit 2016. In deze eerdere versie stonden vier ambities centraal: het werken aan een evenwichtiger bevolkingsopbouw, een toegankelijker en comfortabeler woningvoorraad, verduurzaming van die woningvoorraad en ruimte voor het segment tussen huren en kopen (middenhuur en goedkope koop). In de nieuwe Visie Wonen zijn deze ambities aangescherpt en daarnaast is er een vijfde ambitie aan toegevoegd. 1. 2. 3. 4. 5.
Evenwicht in de bevolkingspiramide Toegankelijk comfortabel wonen Verduurzaming van woningen Ruimte in sociale huur en tussen huur en koop Kansen voor het verwezenlijken van alternatieve woonwensen
18
In een woningmarktanalyse heeft de gemeente Baarn de actuele stand van zaken rond de ambities opgemaakt en vastgesteld aan welke opgaven nu prioriteit gegeven moet worden. Hieruit zijn 13 opgaven naar voren gekomen:
•
Toevoegen van woningen voor jonge huishoudens die zich willen vestigen in Baarn, met aandacht voor het rustige en ruimtelijke woonmilieu waar zij in Baarn voor kiezen. Dit moet niet alleen op nieuwbouwlocaties als Baarnsche Zoom, maar ook in andere meer groene woonmilieus door toevoeging van middenhuur tot € 950 en koop tot € 300.000. Daarmee vullen we het gat tussen huur en koop, en maken we doorstroming op de woningmarkt makkelijker mogelijk;
•
Faciliteren van een betere benutting van het bestaande vastgoed in de gemeente: door o splitsen van grote woningen; o toepassen van het afwegingskader transformatie kantoorpanden;
•
Inzet op realisatie van woningen, door prioriteit te geven aan woningbouwprojecten die op korte termijn gerealiseerd kunnen worden;
•
Bestaande woningvoorraad kwalitatief beter laten aansluiten bij de veranderende woonwensen gericht op het langer zelfstandig kunnen wonen van ouderen en andere huishoudens met een (intensieve) zorgvraag; Voor de reguliere huisvestingsvraag inzetten op meer toegankelijke huur- en koopwoningen. Bij locaties nabij voorzieningen geldt als wens levensloopgeschiktheid;
• •
Als onderdeel van de vraag naar ‘toegankelijke woningen’ inspelen op de behoefte aan geclusterd wonen op locaties nabij voorzieningen, waarbij tot 2025 de opgave
•
minimaal 25 sociale huurwoningen betreft en na 2025 dergelijke woonzorgontwikkelingen op centrumlocaties de voorkeur hebben; Ten behoeve van de uitstroom uit Beschermd Wonen en Jeugdzorg jaarlijks circa 10 (zeer) betaalbare sociale huurwoningen;
• •
Inzet op energietransitie binnen de bestaande woningvoorraad gericht op verduurzaming van de woningvoorraad tegen aanvaardbare kosten, via een combinatie van collectieve maatregelen (bijvoorbeeld een warmtenet) en individuele maatregelen (bijvoorbeeld warmtepompen en isolatie). Dit vraagt bovendien dat mensen meer bewust zijn van de noodzaak van verduurzaming van hun woning;
• •
Inrichting van een klimaatbestendige woon- en leefomgeving;
•
Borgen dat nieuwbouw in de categorieën sociale huur, middenhuur en sociale koop duurzaam beschikbaar blijven voor de doelgroepen waarvoor deze woningen zijn gerealiseerd;
•
Stimuleren en faciliteren ontwikkeling van specifieke alternatieve woonvormen met een breed maatschappelijk belang.
Toevoegen van sociale huurwoningen, gericht op 3.000 woningen richting 2025. Deze opgave in samenhang zien met de wens voor meer middenhuur (+50 tot 100 woningen tot 2030) en sociale koop (+150 woningen tot € 200.000 conform Besluit ruimtelijke ordening), en middelduur (tot € 300.000);
Planspecifiek Het voorliggende plan ziet toe op de ontwikkeling van 1 woning ter plaatse van een bestaande schuur op een voormalig agrarisch erf. Het betreft een beperkte toevoeging ten aanzien van de woningopgave voor de gemeente. Echter wordt er met het voorliggende plan wel voorzien in de behoefte naar woningen voor een bepaalde doelgroep, namelijk een starter die graag in Baarn wil blijven wonen en op deze manier een eigen woning kan realiseren. Het plan sluit daarmee aan bij de eerste prioriteit om woningen toe te voegen voor jonge huishoudens. Het programma van deze ontwikkeling betreft een koopwoning in een betaalbare categorie, dit is in lijn met de eerste prioriteit. Het voorliggende plan is in lijn met de Visie Wonen.
19
4 Uitvoerbaarheid omgevingsaspecten
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling betreft namelijk de toevoeging van 1 woning ter plaatse van een bestaande schuur. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.beoordeling.
20
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.
kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.
De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Aangezien voor een deel van het plangebied woningen reeds zijn toegestaan en er planologisch slechts één nieuwe woning wordt toegevoegd zijn de effecten van het plan zeer beperkt. In aanvulling op het voorgaande zijn desondanks in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in dit hoofdstuk. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze ruimtelijke onderbouwing een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant.
Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor de omgevingsvergunning.
4.2 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed leefklimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
21
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling maakt een nieuwe gevoelige functie (wonen) mogelijk. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze milieugevoelige bestemming sprake is van een goed woonen leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. Hierbij wordt getoetst aan de richtafstanden van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Het plangebied is gelegen aan een lint in het buitengebied. Derhalve kan het plangebied aangemerkt worden als het gebiedstype 'gemengd gebied'. De richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' kunnen met één afstandstap worden verminderd (met uitzondering van het aspect ‘gevaar’). Aangezien het in de onderhavige situatie gaat om veehouderijen, is tevens de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) van belang. De Wgv omvat het toetsingskader voor de beoordeling van geur van dierenverblijven bij veehouderijen. Hierbij geldt buiten de bebouwde kom een afstand van 50 meter. De gemeente beschikt niet over een Geurverordening, waarmee zou kunnen worden afgeweken van de genoemde afstand. Ook de Verordening fysieke leefomgeving Baarn voorziet niet in een regeling ten aanzien van het aspect geur. Aan weerszijden van het onderhavige perceel zijn veehouderijen gelegen (Zuidereind 25 en Zuidereind 29).
Hiervoor geldt een richtafstand (VNG) en afstandsmaat (Wvg) van 50 m. De nieuwe schuurwoning is op respectievelijk circa 120 m circa 75 m afstand van het bouwvlak van de betreffende veehouderijen gelegen. Er wordt daarmee voldaan aan de richtafstand (VNG) en afstandsmaat (Wvg) van 50 m. Geconcludeerd kan worden dat de nieuwe schuurwoning de agrarische bedrijven niet zal belemmeren in hun bedrijfsvoering en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
22
Planspecifiek In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) worden woningen gezien als geluidgevoelige objecten. Met het voorliggende plan wordt een bestaande schuur gesloopt en daarvoor in de plaats een nieuwe woningen gerealiseerd. Het plangebied bevindt zich niet binnen de onderzoekszone van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. Wel ligt het plangebied binnen de onderzoekszone van het Zuidereind (een 60 km/uur-weg). Gelet op de lage verkeersintensiteit zal deze weg waarschijnlijk geen belemmering vormen. Echter wordt dit nog nader aangetoond middels een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai. Dit onderzoek wordt uitgevoerd en wordt na afronding toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. De rapportage zal als bijlage 1 worden toegevoegd.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat in planologische zin uit het realiseren van één nieuwe woning.
Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2021 fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16,4 μg/m³, 9,4
23
μg/m³ en 13,1 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek De gronden zijn al voorzien van een woonbestemming, waardoor geen sprake van een strenger bodemgebruik. Van daaruit is er in eerste instantie geen noodzaak om bodemonderzoek uit te voeren. In het kader van de omgevingsvergunning wordt een bodemonderzoek wel verlangd. In dit verband wordt namelijk getoetst aan het Bouwbesluit en zal aangetoond moeten worden dat de gronden geschikt zijn voor langdurig verblijf van mensen in een gebouw en dat sprake is van ‘schone grond’. Derhalve is er een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Inventerra (kenmerk: 23-2310-R01AvH, d.d.
8 februari 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:
•
De bovengrond op de locatie (0 – 0,3 m-mv) is niet (mengmonster 1) respectievelijk licht verontreinigd met enkele zware metalen en/of PAK (mengmonsters 2 en 3).
• •
De ondergrond op de locatie (0,5 – 1,5 m-mv) is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 107) zijn licht verhoogde concentraties zink, koper en kwik aangetoond.
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ strikt genomen bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater. De aangetoonde gehalten zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de huidige en de toekomstige bestemming. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe