CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

882440 Verordening Werk en Participatie 2024 gemeente Baarn bijlage 1 Verordening Werk en Participatie 2024 gemeente Baarn

Besluit in de Raad 24 april 2024, gemeente BaarnBij agendapunt: Verordening Werk en Participatie 2024 gemeente Baarn17.929 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening Werk en Participatie 2024 gemeente Baarn De raad van de gemeente Baarn; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 maart 2024, zaak 882346; gelet op de artikelen 8, eerste lid onder a, 8a, eerste lid en tweede lid en 10 a t/m da, van de Participatiewet; besluit: vast te stellen de Verordening Werk en Participatie 2024 gemeente Baarn. Deze verordening treedt in werking een dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2024.

Hoofdstuk 1. Inleiding In deze verordening staan de regels over werk en participatie in het kader van de Participatiewet (Pwet) IOAW, IOAZ. De regels in deze verordening beschrijven de voorzieningen die de gemeente in kan zetten om inwoners aan het werk te helpen of te laten participeren. De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van de regels in deze verordening en heeft deze taak gemandateerd aan de Uitvoeringsorganisatie BBS (hierna BBS). BBS werkt volgens de uitgangspunten die in deze verordening zijn opgenomen. De begrippen en afkortingen die in deze verordening worden gebruikt staan uitgelegd in bijlage 1 Begrippenen afkortingenlijst. 1.1

Waarom deze regels?

In Nederland vinden we het belangrijk dat mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven en zo veel mogelijk in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. De Participatiewet vormt het sluitstuk van de sociale zekerheid en is het laatste formele vangnet voor mensen die het op eigen kracht niet redden. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners die tot de doelgroep van de Participatiewet behoren, te ondersteunen om zo snel mogelijk werk te vinden of als dat niet lukt, vrijwilligerswerk of een andere vorm van sociale activering of dagbesteding. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan en zijn vastgesteld door de gemeenteraad. Ze geven duidelijkheid aan inwoners en werkgevers over de voorzieningen van de gemeente gericht op werk en participatie. 1.2

Uitgangspunten

De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

zijn bedoeld om de doelen van de Participatiewet te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; zijn goed leesbaar; regelen niet meer dan nodig is; houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners en werkgevers; zijn onderling afgestemd op elkaar; respecteren de wettelijke regels, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen.

Hoofdstuk 2 Leidende principes en doelgroep 2.1 Leidende principes Als gemeente Baarn stellen we dat meedoen door betekenisvol werk en een zinvolle dagbesteding bijdragen aan een positieve gezondheid van onze inwoners. We willen dat: • •

Inwoners voldoende middelen hebben om te kunnen rondkomen en mee te kunnen doen; Werken loont en ook voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt bereikbaar is.

Daarbij willen we dat de gemeente Baarn een inclusieve samenleving is waar iedereen kan meedoen en niemand wordt gediscrimineerd. Onze principes zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

De inwoners en hun leefwereld staan centraal; We gaan uit van vertrouwen; Voorkomen is beter dan genezen; Ondersteuning nabij en zo licht als mogelijk (zo zwaar als nodig); Wijkgericht doen wat nodig is. Het bevorderen van Positieve Gezondheid. In Baarn doet iedereen mee naar vermogen.

De leidende principes geven richting bij het maken van keuzes voor de uitvoering. Omdat deze leidende principes voor het hele sociaal domein gelden zijn ze in deze verordening vertaald in een aantal uitgangspunten specifiek voor Werk en Participatie: 1. 2. 3. 4. 5.

We gaan uit van de eigen mogelijkheden van de inwoner, de gemeente stemt de ondersteuning af op de persoonlijke situatie van de inwoner. We verwachten van inwoners die we ondersteunen dat zij zich actief inzetten op basis van wederkerigheid. We streven naar duurzaam werk bij reguliere werkgevers. Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomensondersteuning van de gemeente. We doen wat nodig is en hebben extra zorg voor kwetsbare inwoners.

2.2 Doelgroep De gemeente ondersteunt de volgende inwoners: 1. 2. 3. 4. 5.

Inwoners met een gemeentelijke inkomensvoorziening. (Pwet, IOAW,IOAZ) Inwoners met een indicatie voor beschut werk en/of opgenomen in het Doelgroepenregister. Jongeren van 16 tot 27 jaar die geen werk en/of uitkering of geen startkwalificatie hebben. Inwoners die vallen onder de Wet Inburgering 2021. Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties zoals UWV,SVB of werkgevers en nog niet de AOW gerechtigde leeftijd hebben bereikt, maar die wel ondersteuning nodig hebben.

Hoofdstuk 3 Voorzieningen 3.1 Samenwerking 1.

De gemeente werkt samen met UWV, regiogemeenten en andere organisaties om inwoners te helpen passend werk te vinden.

2.

De gemeente zorgt ervoor dat werkgevers ondersteund worden als zij inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk willen aanbieden.

3.2 Evenwichtige verdeling en evaluatie 1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de positie op de arbeidsmarkt. Voor inwoners met een grote kans op betaald werk wordt andere hulp ingezet dan voor inwoners met een kleine kans op betaald werk. De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. Alle voorzieningen die genoemd worden in de verordening kunnen ingezet worden voor de doelgroep. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen, de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk en de beschikbaarheid van voldoende budget.

De gemeente kan een voorziening weigeren als: a) De persoon niet tot de doelgroep hoort b) De persoon een beroep kan doen op een voorliggende voorziening c) De persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek d) De voorziening onvoldoende bijdraagt aan het vinden van betaald werk e) Er niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden van de voorziening De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a) de persoon die aan de voorziening deelneemt, niet behoort tot de doelgroep b) de persoon aan het werk gaat waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening c) de voorziening niet helpt bij het snel vinden van betaald werk d) de voorziening niet geschikt is voor een persoon e) de persoon onvoldoende gebruik maakt van de voorziening f) de persoon voldoet niet meer aan de voorwaarden die gesteld worden voor de voorziening De gemeente biedt de beste voorziening aan tegen de laagste kosten. De gemeente houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen in kader van het sociaal domein en stemt dit aanbod af, zodat dit bijdraagt aan optimale integrale dienstverlening. Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de re-integratie in de praktijk. Het verslag wordt ter informatie verstuurd naar het cliëntenpanel BBS en Adviesraad Sociaal Domein Baarn.

In het verslag staat informatie over het bijstandsvolume, uitstroomcijfers en cijfers m.b.t. de banenafspraak en beschut werk.

3.3 Voorzieningen 3.3.1 Sollicitatie activiteiten De gemeente organiseert jaarlijks verschillende activiteiten om een inwoner aan een baan te helpen, zoals begeleiding bij solliciteren, een banenmarkt en speeddates met werkgevers. 3.3.2 Scholing 1. 2. 3.

De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken. Het scholingstraject moet de baankans aanzienlijk vergroten. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.

3.3.3 Sociale activering 1.

De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichterbij werk brengen. Dit heet sociale activering.

2. 3. 4. 5.

Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. De gemeente stelt de duur en de werkzaamheden af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner. Een voorwaarde is dat het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. Werkzaamheden als lid van een stembureau ziet de gemeente ook als een vorm van sociale activering. De vrijwilligersvergoeding die een persoon hiervoor ontvangt stelt de gemeente gelijk aan de reguliere vrijwilligersvergoeding. Dit betekent dat deze niet in mindering wordt gebracht op de bijstandsuitkering voor zover de maximale vrijlating voor vrijwilligersvergoedingen in een jaar nog niet is bereikt.

3.3.4 Participatieplaats 1.

2.

3. 4.

De gemeente kan een inwoner die algemene bijstand ontvangt en weinig kans heeft op werk een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. De gemeente verstrekt € 50 premie per zes maanden aan personen die gebruik maken van een participatieplaats.

3.3.5 Proefplaatsing 1. 2.

3.

4.

5. 6. 7.

De gemeente kan met enige terughoudendheid een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. Het doel van de proefplaatsing is het krijgen van een betaalde baan waar de persoon langere tijd kan werken (duurzame uitstroom). Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal zes maanden, zonder proeftijd, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk. De gemeente biedt de proefplaatsing alleen aan als: i. de verwachting is dat de proefplaatsing leidt tot werk voor een langere periode. ii. de werkgever de inwoner goed begeleidt. iii. de werkgever de intentie uitspreekt om de inwoner na een geslaagde proefplaatsing een arbeidsovereenkomst aan te bieden. iv. de werkzaamheden passend zijn, gelet op de vaardigheden en capaciteiten van de inwoner. v. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. vi. de werkzaamheden van de inwoner niet eerder beloond zijn door de werkgever. De proefplaatsing duurt maximaal twee maanden en kan met maximaal vier maanden worden verlengd, als dat voor de werkgever noodzakelijk is om een goed beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner.

Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor het toepassen van de maximale periode niet meegeteld. Een proefplaatsing kan niet ingezet worden als er na de proefplaatsing direct sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie. De proefplaatsing kan niet worden ingezet als de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk.

3.3.6 Werkgeverssubsidie 1.

De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een tijdelijke werkgeverssubsidie geven.

2.

3. 4. 5.

Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. De subsidie wordt niet verstrekt als er voor dezelfde werknemer een loonkostensubsidie of andere financiële tegemoetkomingen worden verstrekt. De gemeente kan nadere regels stellen over: i. De specifieke doelgroepen waarvoor subsidie kan worden verstrekt; ii. De hoogte en duur van de subsidie; iii. Het recht op de subsidie in relatie tot de omvang van de dienstbetrekking; iv. De wijze van betaalbaar stellen; v. Het maximaal aantal / het maximale bedrag aan te verstrekken subsidies per werkgever.

3.3.7 Loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking 1. 2. 3.

4.

5.

6. 7.

De gemeente kent de werkgever een loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente de methode toe die in bijlage 1 is omschreven. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd. Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient voor wettelijke loonkostensubsidie bevestigt de gemeente de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer de aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als de inwoner niet behoort tot de doelgroep, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep behoort gedaan door middel van de Praktijkroute. De loonwaarde wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, tenzij in overleg met de werkgever forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend.

De gemeente gebruikt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie. Meer informatie staat op www.normaalstezaak.nl

3.3.8 Loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers 1. 2. 3.

4. 5.

Naast de wettelijke loonkostensubsidie kan de gemeente loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die een kwetsbare inwoner in dienst nemen. De loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers bedraagt ten hoogste 50% van de loonkosten gedurende zes maanden met mogelijkheid tot verlenging met nog eens zes maanden. Onder een kwetsbare werknemer kan worden verstaan de persoon die: a) Voorafgaand aan de indiensttreding gedurende zes maanden geen baan heeft kunnen behouden en b) Geen startkwalificatie bezit of c) Ouder is dan 50 jaar of d) Alleenstaande ouder is of e) De Nederlandse taal niet op B1 niveau beheerst. Een voorwaarde is dat het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de kwetsbare werknemer. De loonkostensubsidie wordt ook niet verstrekt als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kwetsbare werknemer ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.

3.3.9 Beschut werk 1.

2. 3. 4.

5.

De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden. De gemeente biedt de volgende mogelijkheden aan, zodat een inwoner beschut kan werken: i. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; ii. uitsplitsing van taken; iii. aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen: i. Arbeidsmatige dagbesteding (Wmo voorziening) ii. Scholing iii. Sociale activering;

3.4 Vormen van ondersteuning 3.4.1 Nazorg De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, gedurende een termijn van zes maanden nadat de uitkering is beëindigd, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen of te behouden. 3.4.2. 1. 2.

3.

4. 5. 6.

7.

Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken voor een inwoner met een arbeidsbeperking. De gemeente stelt de volgende voorwaarden voor persoonlijke ondersteuning en overige voorzieningen: a) De persoon behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en is minimaal achttien jaar oud, tenzij de inwoner VSO/PRO onderwijs heeft gevolgd; b) De inwoner kan zonder deze ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c) de werkgever biedt een dienstverband aan van minimaal zes maanden; d) Het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e) Het betreft geen meeneembare voorziening die standaard bij de werkgever gebruikt wordt of algemeen aanwezig is in de organisatie; f) Er is geen sprake van een werkplekaanpassing die van de werkgever kan worden verlangd; g) De kosten van de voorziening(en) zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de investering moet opwegen tegen de opbrengsten. Een aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan worden ingediend bij de gemeente door de inwoner en zijn werkgever. Er kan hiervoor een aanvraagformulier worden vastgesteld. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag. De gemeente kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als dit de beoordeling van een aanvraag mogelijk maakt.

De gemeente bepaalt, in overleg met de inwoner en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening het beste kan bijdragen aan het goed uitvoeren van het werk van de inwoner. De gemeente onderzoekt, wanneer de persoonlijke situatie van de inwoner daarom vraagt, welke mogelijkheden er zijn tot samenwerking met verschillende partijen, onder meer op het gebied van

8.

jeugdhulp, onderwijs, (publieke) gezondheid en schuldhulpverlening. Dit om de inwoner een zo goed mogelijke afgestemde integrale dienstverlening aan te kunnen bieden, met als doel de mogelijkheden tot het verrichten van werk te vergroten. In een beschikking voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is in ieder geval opgenomen: a) Welke ondersteuning wordt gegeven. b) De hoogte van de vergoeding als een vergoeding wordt gegeven. c) Duur en intensiteit. d) De startdatum. e) Als iets anders wordt toegekend dan aangevraagd, wordt dit gemotiveerd met een reden.

3.4.3 Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider 1.

De gemeente kan een inwoner op de werkplek een jobcoach aanbieden door middel van een jobcoach die werkzaam is bij de gemeente of in opdracht werkt van de gemeente. Een jobcoach kan ook worden ingezet bij een proefplaats of een leer-werktraject. Een jobcoach kan ook ingezet worden bij het ondersteunen van vinden van werk of onderwijs. Wel moet de gemeente hier vooraf toestemming voor geven. 2. De gemeente kan, op aanvraag, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider. Als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen uitvoeren, kan de gemeente een vergoeding geven aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan de interne werkbegeleiding. De gemeente kan een training aanbieden aan medewerkers om hen in staat te stellen aan personen tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. 3. De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 8 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen, tenzij op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. Altijd worden individuele omstandigheden gewogen, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit worden gewogen. 4.

Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt moet werknemer op de hoogte zijn van de aanvraag en instemmen met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding. 5. Het doel van de jobcoach of de interne werkbegeleider is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen. 6. De jobcoach of interne werkbegeleiding stemt de leerdoelen met de werknemer en de werkgever af en legt dit vast in een plan van aanpak. 7. De gemeente bepaalt de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden, de intensiteit in duur en aantal uren en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever. Afstemming is aanwezig met werkgever en werknemer. 8. Om te bepalen hoeveel uur jobcoaching in te zetten, wordt gebruik gemaakt van de begeleidingsregimes licht (3%), midden (6%) en zwaar (10%. Er wordt minimaal één keer per jaar geëvalueerd. Naar aanleiding hiervan kan de intensiteit van de jobcoaching aangepast worden. 9. De gemeente kan van de begeleidingsregimes afwijken en maatwerk leveren, wanneer dit aansluit bij de persoonlijke behoeften en omstandigheden van de inwoner. 10. Een jobcoach die persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in de bijlage (Erkenningseisen Jobcoach 2023). 11. Het college maakt jaarlijks de maximumtarieven voor jobcoaching bekend.

Het tarief van de interne jobcoach is altijd 50% van het maximale tarief van een externe jobcoach. 12. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de eisen van het coaching plan, welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren en hoe de evaluatie plaatsvindt. 3.4.4 Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening 1.

2.

De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in vergoeding in geld worden verstrekt De gemeente biedt de vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

3. 4.

De inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b) Het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. De gemeente brengt een eventueel bedrag dat verstrekt wordt door de werkgever voor de vervoersvoorziening aan de werknemer, in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

3.4.5 Ondersteuning bij een visuele of motorische handicap De gemeente kan hulp of ondersteuning bieden voor bepaalde taken die de persoon door een visuele (slecht zien) of motorische (moeite met bewegen) niet kan doen. 3.4.6 Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening 1. 2. 3.

De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit noodzakelijk is voor de persoon om te kunnen werken. Er is geen volledige lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als is aangetoond dat het noodzakelijk is om te kunnen werken. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan de medewerker besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.

3.4.7 Ondersteuning bij werkplekaanpassingen De gemeente kan een werkplekaanpassing toekennen als dit noodzakelijk is voor de persoon om te kunnen werken.

Hoofdstuk 4 Tegenprestatie 4.1 Doel van de tegenprestatie 1. 2.

De gemeente kan de inwoner, die een uitkering ontvangt, een tegenprestatie opleggen. Bij het opdragen van een tegenprestatie staat meedoen naar vermogen en maatwerk centraal. De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet belemmeren, mag naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en mag niet als re-integratie instrument zijn bedoeld.

4.2 Duur en omvang tegenprestatie De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht wordt opgenomen in een persoonlijk plan van aanpak. Hier worden de volgende voorwaarden aan gesteld: 1. De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten. 2. De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie. 3. Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd. 4.3 Voorwaarden tegenprestatie 1.

2.

3.

Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid en eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. De gemeente draagt een inwoner geen tegenprestatie op als deze mantelzorg of vrijwilligerswerk verricht voor zover het verrichten van mantelzorg of vrijwilligerswerk naar het oordeel van de gemeente redelijkerwijs voldoende, noodzakelijk of wenselijk is. De gemeente ziet in ieder geval af van een tegenprestatie als: i. de inwoner in verband met arbeidsongeschiktheid volledig is vrijgesteld van arbeids-en reintegratieverplichtingen;

ii. iii.

de betrokkene een alleenstaande ouder is én een ontheffing heeft van de arbeids-en reintegratieverplichtingen; uitsluitend bijstand wordt verleend op grond van de bijzondere bijstand.

Hoofdstuk 5 Afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen. 5.1 Hoe gaan we met elkaar om? 5.1.1.De rol van de gemeente 1.

2.

De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een gelijkwaardige manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: a) Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk. b) De inwoner heeft, om zijn problemen te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis. c) De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie. d) De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen. e) Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. f) De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. g) De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. h) De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. i) De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.

De inwoner kan hierbij gebruik maken van een cliëntondersteuner. De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet door de beugel kan. De gemeente zorgt voor het volgende: a) De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: i. zijn rechten en plichten; ii. wat er van hem wordt verwacht; iii. welk gedrag niet deugt; iv. wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en v. waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. b) De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren, tenzij: i. Dit niet mogelijk is vanwege de spoed; ii. de inwoner al eerder de kans heeft gehad over precies hetzelfde. c) De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: i. de ernst van het gedrag; ii. de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en iii. de persoonlijke situatie van de inwoner. d) De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

5.1.2 1.

2.

De rol van de inwoner

De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende: a. De inwoner zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat hij hulp vraagt aan de gemeente. b. Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem. c. De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende: a. De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. b. De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner. c. De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente zo kort mogelijk te laten duren. d. De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.

5.2 Afspraken en verplichtingen over uitkeringen 5.2.1 1. 2.

3.

5.2.2 1.

5.2.3 1.

2.

afstemming op houding en gedrag van de inwoner De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met: a. de ernst van het gedrag; b. de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden, en c. de persoonlijke situatie van de inwoner. Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen: a. telefonisch; b. schriftelijk; c. in een persoonlijk gesprek. Afzien van verlaging De gemeente verlaagt de uitkering niet als: i. Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of ii. De gemeente daarvoor dringende redenen aanwezig acht, of iii. het gedrag van de inwoner meer dan één jaar vóór constatering daarvan heeft plaatsgevonden en voor dat gedrag de uitkering niet meer dan €340 kan worden verlaagd, of iv. het gedrag van de inwoner meer dan vijf jaar voor constatering daarvan heeft plaatsgevonden en voor dat gedrag de uitkering meer dan €340 kan worden verlaagd. Ingangsdatum en periode verlaging De gemeente verlaagt de uitkering of bijzondere bijstand vanaf de kalendermaand na de maand waarin de gemeente het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt.

Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald. Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner na de

beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen, mits dit bij een verlaging van €340 of minder binnen een jaar plaatsvindt of bij een verlaging van meer dan €340 binnen vijf jaar plaatsvindt.

5.2.4 Berekening verlaging 1. 2.

De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner. Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand voor levensonderhoud ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.

5.2.5 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen 1. 2.

De gemeente verlaagt de uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid van de Participatiewet niet voldoende nakomt. De verlaging wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de twee daaropvolgende kalendermaanden, als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.

5.2.6 Stoppen verlaging De gemeente kan de verlaging stoppen als uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de wettelijke arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 5.2.5 van deze verordening, nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of email indienen. Dit kan zolang de maatregel loopt. 5.2.7 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen 1. 2.

3.

4.

5.

De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm, voor het niet voldoende proberen werk te vinden en artikel 5.2.5 niet van toepassing is; De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag: a. het niet voldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; b. Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder; c. Het niet voldoende nakomen van verplichtingen in de zoektermijn van vier weken, die voor jongeren tot 27 jaar geldt na melding. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet geregistreerd is of de registratie niet op tijd heeft verlengd als werkzoekende bij het UWV; De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZ uitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a. Het niet voldoende proberen werk te vinden; b. Het niet aanvaarden van werk; c. Het door eigen toedoen niet behouden van werk; d. Het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening, waardoor de voorziening beëindigd is. De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZ uitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a.

het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; b. het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening, zonder gevolgen voor voorziening; c. het niet voldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;

d.

6.

Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder. De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZ uitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm als de inwoner niet geregistreerd is of de registratie niet op tijd heeft verlangd als werkzoekende bij het UWV.

5.2.8 1.

2.

3.

4.

Te weinig besef van verantwoordelijkheid

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag). De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op: a. 10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000, -; b. 20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf €1.000, - tot € 2.000, -; c. 40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000, - tot € 4.000, -; d. 100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000, - . Als een inwoner een bijstandsuitkering aanvraagt omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden en hierdoor geen recht heeft op een WW-uitkering verlaagt de gemeente in beginsel de bijstandsuitkering met 100% gedurende één maand. Als een inwoner een bijstandsuitkering aanvraagt omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden maar geen WW rechten heeft opgebouwd verlaagt de gemeente in beginsel de bijstandsuitkering met 50% gedurende één maand.

5.2.9 Zeer ernstige misdragingen De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt twee maanden verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm. 5.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen De gemeente kan verplichtingen op leggen die volledig individueel bepaald zijn. Als een inwoner zo’n opgelegde nadere verplichting niet voldoende nakomt verlaagt de gemeente de uitkering. 1. De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om: a. verplichtingen die gericht zijn op werk; b. verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt. 2. De verlaging is 40% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die zijn gericht op vermindering van de bijstand. 3. De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand. 5.2.11 Samenloop van gedragingen 1.

2.

3.

Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging, tenzij voor het gedrag al een bestuurlijke boete is opgelegd. Als al een bestuurlijke boete is opgelegd, wordt geen verlaging opgelegd. De hoogste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd. Als er voor dezelfde gedraging de bijstand verlaagd kan worden én een boete op grond van de Wet inburgering 2021 opgelegd kan worden, wordt ervoor gekozen de bijstand te verlagen en geen boete op te leggen.

5.2.12 Herhaling (recidive) van een gedraging 1.

2.

De duur van de verlaging bij wettelijke arbeidsverplichtingen gaat naar twee maanden als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De hoogte van de verlaging bij niet-wettelijke arbeidsverplichtingen wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd.

Hoofdstuk 6 Van oud naar nieuw In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is. 6.1 Uitvoeringsregels De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet. 6.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.

6.3 Intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat: • de Re-integratieverordening Participatiewet (inclusief Tegenprestatie naar Vermogen) 2015 Gemeente Baarn • en Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Baarn 6.4 Overgangsrecht 1.

2. 3.

Een maandelijkse voorziening die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na 1 januari 2024 doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen. Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 januari 2024 en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van één van de bij 6.3 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.

6.5 Ingangsdatum en naam 1. 2.

Deze verordening wordt genoemd: Verordening Werk en Participatie 2024 Gemeente Baarn. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024.

Algemene toelichting De aanleiding van deze verordening is de wetswijziging van de Participatiewet per 1 juli 2023. Daarnaast beschrijven we in de nota “Baarn Vitaal” dat in Baarn iedereen mee doet naar vermogen; onze inwoners maken de samenleving. Wij zijn ervan overtuigd dat onze inwoners zelf in staat zijn om de regie te nemen en te houden over hun eigen leven. Soms met behulp van het eigen netwerk of door de inzet van vrijwilligers. Als dat niet langer voldoende is, is er zorg en ondersteuning. Een positieve aanpak en de focus op wat iemand wel kan staat bij ons centraal. Daarom hebben wij onze visie ‘Baarn Vitaal’ genoemd. De gemeente Baarn staat voor een gezonde samenleving waarin alle inwoners zoveel mogelijk de regie hebben en houden over hun eigen leven. Met andere woorden: we streven naar een positieve gezondheid van onze inwoners. Positieve gezondheid gaat uit van de kracht van mensen, hun veerkracht en van wat hun leven betekenisvol maakt. In die gedachte past het zogenaamde omgekeerde denken waarbij we uitgaan van de inwoner en niet vanuit het systeem. Met een omgekeerde verordening is dan ook het uitgangspunt dat het voor inwoners helder moet zijn wat zij van de gemeente mogen verwachten en wat de gemeente ook van hen verwacht. We maken in de hoofdtekst gebruik van klare taal en juridische begrippen en verwijzingen staan nu in de toelichting.

In deze verordening worden verschillende opdrachten aan de gemeenteraad vanuit de Participatiewet vervuld. Hieronder staan de opdrachten vanuit de Participatiewet opgesomd. Participatiewet De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:

a.

b. c. d.

e. f. g.

het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 10, eerste lid, waarbij de regels in ieder geval beschrijven onder welke voorwaarden welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor in de verordening te omschrijven voorzieningen en hoe deze rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b, of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld; het opdragen van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c; de scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, waarbij in ieder geval wordt beschreven welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding; de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, waarbij in ieder geval wordt beschreven welke regels gelden voor de premie indien onbeloonde additionele werkzaamheden worden verricht als bedoeld in artikel 10a waarbij die regels voor de premie in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval; het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld in artikel

10b; het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid en de periode van de verlaging van de bijstand, bedoeld in artikel 18, vijfde en zesde lid; het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid.

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1. inleiding toelichting 1.1 Waarom deze regels? Regels zijn er niet alleen omdat het vanuit een wet moet of om op voorhand begrenzingen aan te geven. Maar ook om transparant te zijn en inwoners te informeren over wat wij als gemeente doen en wat wij van inwoners verwachten die een beroep doen op de gemeente. 1.2 Uitgangspunten Dit artikel spreekt voor zich.

Hoofdstuk 2 Leidende principes en doelgroep 2.1 Leidende principes Dit artikel spreekt voor zich. 2.2 Doelgroep In artikel 10 van de Participatiewet is bepaald dat personen uit de doelgroep aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door de gemeente noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de verordening. De personen uit de doelgroep staan beschreven in artikel 7, lid 1 onder a van de Participatiewet: 1. 2.

3. 4. 5. 6. 7.

personen die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend, personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de Participatiewet, personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en niet-uitkeringsgerechtigden

Voor inwoners met een uitkering is het verplicht om ondersteuning van de gemeente te accepteren.

Hoofdstuk 3 Voorzieningen 3.1 Samenwerking Dit artikel spreekt voor zich. 3.2 Evenwichtige verdeling en evaluatie

De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen de gemeente moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement, het leren van vaardigheden, het vergaren van kennis, of het opdoen van werkervaring. De ondersteuning kan ook eenvoudigweg bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties. Zorgtaken Bij alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen tot vijf jaar wordt rekening gehouden met de zorgtaken die ze hebben. Volgens de Participatiewet artikel 9a kunnen alleenstaande ouders op eigen verzoek tijdelijk ontheven worden van de arbeidsplicht, maar ze moeten wel meewerken aan op hun situatie afgestemde re-integratie activiteiten. Voor mantelzorg is geen expliciete wettelijke grondslag voor ontheffing van de arbeids- en reintegratieverplichtingen. Wel kan de gemeente rekening houden met de omstandigheden als betrokkene noodzakelijke mantelzorg moet verrichten voor kind(eren) of partner. Mantelzorg is in dit kader noodzakelijk als er geen andere, op de specifieke situatie gerichte, adequate oplossingen zijn.

Dit is ter beoordeling van het college. Weigeringsgronden Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk. Beëindigingsgronden Het vijfde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3.4 vijfde lid. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt.

Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Afstemming Het zesde lid regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, het beste instrument tegen de laagste kosten verstrekt. Dit is tevens een regionaal uitgangspunt bij het inzetten van voorzieningen.

Op deze manier is de werkwijze voor inwoners binnen onze regio gelijk. Het betekent dat als er

meerdere passende opties zijn om de inwoner te ondersteunen, de kosten van de oplossingen uiteindelijk doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per (individuele) persoon gemaakt. Het zesde lid regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociaal domein. Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de Participatiewet dienen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociaal domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier, bij de inzet van voorzieningen, rekening mee te houden en dit te benoemen in het (individuele) plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot een integrale aanpak te kunnen komen. 3.3 Voorzieningen 3.3.1 Sollicitatie activiteiten Dit artikel spreekt voor zich. 3.3.2 Scholing Het scholingstraject moet de kans op toeleiding naar werk aanzienlijk vergroten.

Om deze reden worden enkel scholingstrajecten vergoed waarbij een persoon wordt opgeleid tot beroep die onderdeel uitmaakt van de Kansrijke beroepenlijst van het UWV. Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Dit betekent dat jongeren geen scholingstraject van de gemeente aangeboden krijgen als zij een opleiding in het reguliere onderwijs kunnen volgen. 3.3.3 Sociale activering Volgens de Participatiewet in artikel 6, lid 1 onder c wordt onder sociale activering verstaan: “het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan vrijwilligerswerk. Sociale activering moet uiteindelijk gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Expliciet noemen wij hier ook werkzaamheden als lid van een stembureau.

De aard van deze werkzaamheden zijn anders dan regulier vrijwilligerswerk omdat deze werkzaamheden niet met een bepaalde regelmatig gedurende een jaar plaatsvinden. De gemeente Baarn ziet dit wel als een vorm van participeren aan de samenleving waarvoor wij aan inwoners onze waardering willen laten blijken. De rechter heeft in een uitspraak in 2015 echter bepaald dat de vrijwilligersvergoeding voor deze werkzaamheden belast moeten worden (ECLI:NL:GHAMS:2015:1479). Hier kunnen wij als gemeente niets aan veranderen. Wij zijn echter van mening dat dit niet meer in lijn is met de huidige wet- en regelgeving waarbij het minimumuurloon al vele malen hoger is geworden sinds 2015. Deze vrijwilligersvergoeding is daarmee niet in lijn gestegen en dus stellen wij dat het hier niet gaat om een “marktconforme beloning”. Door deze vrij te laten voor de bijstandsuitkering gelijk de reguliere vrijwilligersvergoeding zoals omschreven in de Pwet art. 31 lid 2 onder k, wijken wij dus af van de huidige wetgeving maar zijn wij van mening wel in de geest te handelen van de Participatiewet.

Doelgroep sociale activering Voor de verplichting om op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken

van een voorziening gericht op sociale activering (CRvB 24-04-2012, nr. 11/2062 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400). College stemt duur activiteiten af op de persoon Het derde lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn. Geen verdringing In het derde lid is bepaald dat de sociale activering uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: - eigen initiatief van de werknemer - handicap - ouderdomspensioen - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of gewettigd ontslag om dringende redenen. 3.3.4 Participatieplaats Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.

Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden.

Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet). Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken II 2007/08, 31 577, nr. 3, p. 12). Er is gekozen voor een premie van telkens € 50,- per zes maanden. Daarmee houden we rekening met de risico’s van een armoedeval. Scholing in combinatie met participatieplaats

Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling van de persoon in het arbeidsproces . Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. 3.3.5 Proefplaatsing Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13938281/1