CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

857142 Principeverzoek Groeneveld 1-1A Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing

Besluit in de Raad 20 december 2023, gemeente BaarnBij agendapunt: Principeverzoek Groeneveld 1-1A10.890 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van een rustig woongebied. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

27

Tabel 4.1 Overzicht richtafstanden VNG-publicatie De bovengenoemde richtafstanden voor een rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden waar functiemenging is, bijvoorbeeld in een centrumgebied met veel winkels en voorzieningen, is er sprake van milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstanden van elkaar gesitueerd zijn. De richtafstanden uit tabel 4.1 zijn dan niet meer toepasbaar. In dat geval wordt er middels categorieën aangegeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn: -

Categorie A activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen;

-

Categorie B activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen indien ze bouwkundig van elkaar afgescheiden zijn;

-

Categorie C activiteiten zijn alleen toegestaan indien ze gesitueerd zijn aan een hoofdweg.

4.5.1

Beoordeling

In de directe omgeving van het gebouw bevinden zich geen hindergevoelige functies. De dichtstbijzijnde woonbestemming bevindt zich aan de Zandheuvelweg 3, ten noorden van landgoed Kasteel Groeneveld, op circa 250 meter van de Ossenstal. Gelet op de aard van de activiteiten in de Ossenstal (weinig hinderlijke activiteiten die zich uitsluitend intern afspelen) en de grote afstand naar de woning kan op voorhand gesteld worden dat er geen milieuhinder te verwachten valt. 4.5.2

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit plan.

4.6

Externe veiligheid

Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving van: -

Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);

-

Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen);

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

28

-

Het transport van aardgas en brandstoffen door buisleidingen;

-

Het gebruik van luchthavens en overige risicobronnen zoals bijvoorbeeld windturbines hoogspanningslijnen en zendmasten.

Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), voor zover de risico's door een inrichting worden veroorzaakt. Voor ondergrondse buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden sinds 1 april 2015 het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. De Basisnetten Weg, Water en Spoor geven de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. De normering voor risico’s als gevolg van het transport, het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen en windturbines is gebaseerd op enkele begrippen. -

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10 -6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde.

-

Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hoe meer mensen nabij de bron verblijven, hoe groter het groepsrisico. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10 -5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar.

Het bevoegd gezag moet bij een nieuwe ontwikkeling bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar risico. Vervolgens moet het bevoegd gezag over de hoogte van het groepsrisico verantwoording moeten afleggen. Bij de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag wordt er nader gekeken naar de gevolgen van de diverse scenario’s die zich kunnen voltrekken. Zo kan er gekeken worden naar de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes van toepassing (Bevt). Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is moet ook aandacht worden geschonken aan de volgende aspecten: -

Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen.

-

Hoogte van het groepsrisico.

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

29

-

Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte).

-

Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.

Er is echter sprake van een uitzondering wanneer: -

Het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

-

Het groepsrisico, niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar de eerstgenoemde aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 4.6.1

Beoordeling

Ontwikkeling in relatie tot de omgeving In het onderhavige plan worden geen functies mogelijk gemaakt die tot een risicovolle inrichting behoren. Ook wordt er geen transportroute voor gevaarlijke stoffen of een brandstofleiding mogelijk gemaakt. De ontwikkeling heeft geen invloed op de veiligheid in het gebied. Omgeving in relatie tot de ontwikkeling Op basis van de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van de planlocatie geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen die een belemmering vormen voor het plan. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is het LPG-tankstation aan de Amsterdamsestraatweg 42a. De Ossenstal ligt ruim buiten de contour van het explosieaandachtsgebied. 4.6.2

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

4.7

Bodem

In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

30

4.7.1

Beoordeling

In het onderhavige plan is er geen sprake van bouwwerkzaamheden of de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het perceel heeft reeds een woonbestemming, waarmee aangenomen kan worden dat de bodemkwaliteit passend is voor een gevoelige functie. Er zijn dan geen belemmeringen voor de beoogde maatschappelijke functie. Een nadere beoordeling van de bodemkwaliteit is daarom niet benodigd. 4.7.2

Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor dit plan

4.8

Waterhuishouding

Besluit ruimtelijke ordening Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van de waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. Waterwet In de Waterwet staat het watersysteem centraal en zijn de doelstellingen van het waterbeheer gericht op het duurzaam goed functioneren van het watersysteem. Om het beheer in de toekomst zo goed mogelijk vorm te geven en uit te voeren, is van belang dat het huidige wettelijke instrumentarium wordt gestroomlijnd en gemoderniseerd. Daarbij staat integraal waterbeheer centraal.

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. 4.8.1

Beoordeling

In het onderhavige plan is er geen sprake van bouwwerkzaamheden of andere werkzaamheden die een effect hebben op de waterhuishouding. Er is geen sprake van wijzigingen aan waterkeringen of oppervlaktewateren, er wordt geen water gedempt en ook het grondwater wordt niet aangetast. Daarnaast is er ook geen sprake van een toename van verhard oppervlak en het afvoeren van extra hemelwater. Er wordt ook geen vuil afvalwater geloosd. Het gebouw is aangesloten op het riool, en dit blijft zo in de toekomstige situatie. Een nadere beoordeling van de waterhuishouding is niet benodigd.

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

31

4.8.2

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmeringen voor dit plan.

4.9

Flora en fauna

Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitatten en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen.

Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar moet het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogel- en habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

32

4.9.1

Beoordeling

Aantasting van beschermde dier- of plantensoorten is niet van toepassing omdat er geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Ook het omliggend erf en tuin worden niet gewijzigd. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (waar de locatie conform artikel 6.1 van de Interim Omgevingsverordening in ligt) worden niet aangetast. Voor wat betreft stikstofdepositie kan allereerst vastgesteld worden dat er geen sprake is van bouwwerkzaamheden, dus er is geen bouwfase met bouwmachines of vrachtverkeer die stikstofdepositie kan veroorzaken. In de gebruiksfase is er een zeer beperkte toename van verkeer, zoals ook aangegeven in paragraaf 4.2.1. Relevant in de beoordeling van stikstofdepositie is dat deze toename dermate beperkt is dat het zo goed als wegvalt teven het totale aantal bezoekers voor Kasteel Groeneveld, maar vooral ook dat de bezoekers maar een zeer korte afstand hoeven rijden om vanuit het heersende verkeersbeeld (de N221, een zeer druk bereden route tussen de A1 richting Baarn en Soest) naar de parkeerplaats te rijden. De parkeerplaats bevindt zich bij de ingang van het landgoed, op circa 60 meter gelegen van de N221. Deze afstand wordt stapvoets afgelegd, wat de uitstoot van stikstof minimaliseert. De bezoekers van het landgoed parkeren hun auto op de parkeerplaats, en vervolgen hun weg naar de Ossenstal te voet.

Gelet op bovenstaande feiten, en het feit dat het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied op relatief grote afstand ligt (Oostelijke Vechtplassen, circa 9 km) is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen stikstofdepositie te verwachten die hoger is dan 0,00 mol/ha/ja. 4.9.2

Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor dit plan.

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is de implementatie van het Verdrag van Malta (1998) en regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Het archeologische erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Om het bodemarchief beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

33

dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Cultuurhistorie De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende zaken: -

Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;

-

Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie;

-

Bescherming van stads- en dorpsgezichten.

4.10.1 Beoordeling Cultuurhistorie De Ossenstal is een beschermd rijksmonument (rijksmonumentnummer 511776). Er vinden geen bouwwerkzaamheden plaats die de monumentale of cultuurhistorische waarden ter plaatse aantasten. Er hoeft geen nadere beoordeling naar cultuurhistorie uitgevoerd te worden. Archeologie Op de locatie zijn geen archeologische waarden te verwachten en is daarom geen archeologische dubbelbestemming in het bestemmingsplan opgenomen. Voor het onderhavige plan is dit ook niet relevant, aangezien er enkel een functiewijziging voorzien is en geen graafwerkzaamheden plaatsvinden. Er hoeft geen nadere beoordeling naar archeologie uitgevoerd te worden. 4.10.2 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor dit plan.

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

34

5

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid

5.1.1

Algemeen

Bij een omgevingsvergunning voor planologisch afwijken van het bestemmingsplan moet op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in de plantoelichting van de planologische ontheffing omgevingsvergunning minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. 5.1.2

Grondexploitatie

Afdeling 6.4 van de Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen de gemeenten eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard: het primaat ligt bij vrijwillige, privaatrechtelijke afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelaar. Deze privaatrechtelijke afspraken worden vastgelegd in ofwel een anterieure overeenkomst (indien er nog geen exploitatieplan vastgesteld is) of in een posterieure overeenkomst (indien er wel al een exploitatieplan vastgesteld is). 5.1.3

Planschade

Artikel 6.1 van de Wro biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde ‘planschade’. Deze vergoeding wordt in beginsel toegekend door het besluitvormend orgaan aan degene die waardevermindering van onroerend goed ondervindt door het besluit om van het bestemmingsplan af te wijken. Artikel 6.4 onder a van de Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om een met een initiatiefnemer van een plan (degene die om het besluit om van het bestemmingsplan af te wijken verzoekt) een overeenkomst te sluiten. Voor het onderhavige plan zal een planschadeovereenkomst ondertekend worden. Hiermee is het risico op planschade voor de gemeente afgedekt. 5.1.4

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1

Plan(vormings)proces

De ruimtelijke onderbouwing wordt gelijktijdig met de omgevingsvergunning voor de activiteit 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' ter inzage gelegd. Gedurende de ter inzage termijn wordt eenieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen te

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

35

geven op het ontwerp van de omgevingsvergunning. Eventueel ingediende zienswijzen worden samengevat en beantwoord. 5.2.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een plan burgemeester en wethouders waar nodig overleg plegen met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Van plan tot plan dient te worden beoordeeld met wie dit overleg dient plaats te vinden. In het kader van het onderhavige plan is vooroverleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners. 5.2.3

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

36

6

Conclusie

In de voorgaande hoofdstukken is het plan getoetst aan het relevante ruimtelijke beleid en aan de milieu- en omgevingsaspecten. Uit deze beoordeling zijn geen belemmeringen naar voren gekomen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Geconcludeerd wordt dat vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening kan worden ingestemd met het mogelijk maken om het gebouw te gebruiken voor maatschappelijke functies gerelateerd aan cultuur, historie, natuur en landschap, met als ondergeschikt doel om het gebouw te gebruiken voor het organiseren van daaraan gelieerde workshops, lezingen, trainingen, vergaderingen en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebruik.

J.C (Jos) Wiegman MSc

R001_04_L230024 | 11 oktober 2023

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13506861/1