CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

856506 Actualisatie 5 financiele beleidsnota's bijlage 2 Wijzigingen Nota Investeren activeren en afschrijven 2021 naar 2024

Besluit in de Raad 31 januari 2024, gemeente BaarnBij agendapunt: Actualisatie 5 financiële beleidsnota's (het voorstel vanuit de Auditcommissie is om dit agendapunt af te voeren)6.812 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota Investeren, activeren en afschrijven 2023 1

Definities

Investeren: het doen van uitgaven voor bedrijfsmiddelen waarvan de intentie is om deze duurzaam te gebruiken voor de bedrijfsuitoefening. Het nut van deze bedrijfsmiddelen strekt zich over meerdere jaren uit. Daarbij kunnen investeringen worden onderverdeeld in nieuwe investeringen, vervangingsinvesteringen of levensduur verlengende investeringen (investeringen die leiden tot een leiden tot een substantiële levensduurverlenging van bestaande activa, zoals een renovatie van een gebouw). Activeren: het boekhoudkundig registreren van een investering als vaste activa (bezit) op de balans om zo de kosten van de bedrijfsmiddelen te verdelen over en toe te rekenen aan de gebruiksduur van het bedrijfsmiddel. Op de balans worden onder de vaste activa afzonderlijk opgenomen de immateriële vaste activa, de materiële vaste activa en financiële vaste activa, Vaste activa Onder vaste activa (non-current assets of fixed assets) wordt verstaan de bezittingen van de gemeente waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode langer dan een jaar is vastgelegd. Verwijderd en vervangen door korte definities voor de drie categorieën vaste activa

Immateriële vaste activa: Immateriële activa zijn vaste activa die niet tastbaar zijn. Het betreft bezittingen die wel een rol spelen in het financiële proces in plaats van , maar nooit in het fysieke bedrijfsproces. Immateriële activa kunnen alleen dan op de balans opgevoerd worden, wanneer zij een objectief bepaalbare waarde hebben.Te onderscheiden immateriële vaste activa zijn: In de balans worden onder de immateriële vaste activa (artikel 34, BBV) afzonderlijk opgenomen: [1.] kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio; 1.[2.] kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; 2.[3.] Bijdrage aan activa in eigendom van derden. 1

Sluiten geldlening

In de toelichting op het BBV wordt aanbevolen om de kosten verbonden aan het sluiten van een geldlening, zeker als deze relatief van geringe omvang zijn, niet te activeren maar deze in het jaar waarin ze worden gemaakt als een exploitatielast in de jaarrekening op te nemen. Wordt wel geactiveerd dan mag de afschrijvingsduur maximaal gelijk zijn aan de looptijd van de lening (art. 64 BBV, lid 4).

1

2

Kosten van onderzoek en ontwikkeling

De kosten voor onderzoek en ontwikkeling staan ook bekend onder de naam “Voorbereidingsbudget”. Het voorbereidingsbudget wordt geacht maximaal 5% van het investeringsbudget te zijn. Bij overschrijding wordt met een separaat raadsvoorstel extra budget aangevraagd of ten laste van het investeringsbudget gebracht. De kosten kunnen als een (afzonderlijk) actief worden opgenomen als ze voldoen aan de vier voorwaarden (art. 60 BBV), hierbij geldt een maximale afschrijvingstermijn van 5 jaar (art 64 lid 5 BBV). Bij raadsbesluit kan ook voor directe afschrijving (afwaardering) worden gekozen. Indien het betreffende actief niet tot ontwikkeling komt, worden de gerealiseerde voorbereidingskosten als incidentele last genomen in de eerstvolgende jaarrekening. 3

Bijdrage aan activa in eigendom van derden

Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur (artikel 64, lid 3 BBV). Teksten zijn verwijderd omdat ze meer het kenmerk hebben van een beleidskader/spelregel dan een definitie. Voor zover het een relevant beleidskader of spelregel is, komt het elders in de nota aan bod.

Materiele vaste activa Materiële vaste activa zijn materiële bezittingen die langdurig worden gebruikt voor haar beleidsrealisatie en bedrijfsvoering. Op de balans worden deze onderverdeeld in investeringsuitgaven waarvoor ter dekking van de lasten een gemeentelijke heffing kan worden geheven (bijv. riolering) en investeringsuitgaven waarvoor ter dekking van de lasten geen gemeentelijke heffing kan worden geheven (stadhuis, scholen, computers, wegen). In de balans worden onder de materiële vaste activa (artikel 34, BBV) afzonderlijk opgenomen: Investeringen waarvoor ter dekking van de lasten een gemeentelijke heffing kan worden geheven; Investeringen waarvoor ter dekking van de lasten geen gemeentelijke heffing kan worden geheven. Weggehaalde tekstpassages zijn, met toevoegingen, verplaatst naar paragraaf Materiële vaste activa.

Financiële vaste activa Financiële vaste activa is zijn een deel van het actief van de gemeente. Het gaat in de eerste plaats om deelnemingen in het kapitaal van verbonden partijen en lange-termijn voorschotten, in de vorm van liquide middelen of in de vorm van uitstel van betaling, aan zulke verbonden partijen. Wat de financiële activa onderscheidt van de geldbeleggingen is dat bij financiële vaste activa de onderneming organisatie meestal inspraak heeft in het bestuur van de andere ondernemingorganisatie. Afschrijven

2

Afschrijven is het boekhoudkundig laten zien dat de waarde van een bedrijfsmiddel in de loop van de tijd afneemt. De waarde afname wordt veroorzaakt door technische slijtage en/of economische veroudering. Het af te schrijven bedrag hangt af van de verwachte toekomstige gebruiksduur van de investering en de afschrijvingsmethode. De gebruiksduur bepaalt de afschrijvingstermijn en dus ook de hoogte van de afschrijvingslasten. Immateriële vaste activa De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingprijs, verminderd met eventueel ontvangen investeringsbijdragen, de cumulatieve afschrijvingen en waardeverminderingen. Immateriële vaste activa zijn gedane uitgaven waar geen tastbare gemeentelijke bezittingen tegenover staan. Er wordt lineair afgeschreven. Materiële vaste activa De ondergrens voor het activeren is €30.000. Een investering tegen een lagere bedrag wordt direct ten laste van de exploitatie gebracht. Er wordt geen restwaarde aan een activa verbonden. Daarmee is de ingeschatte restwaarde van iedere activa € 0. De standaardafschrijvingsmethode is lineair. Annuïtaire afschrijving wordt niet toegepast Afschrijvingstermijnen worden gebaseerd op de geschatte economische levensduur. Hiervoor worden naar aard verschillende investeringscategorieen onderscheiden. Deze zijn weergegeven in een afschrijvingstabel.

Financiële vaste activa Kapitaalverstrekkingen en leningen u/g zijn opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig wordt een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht. Participaties in het aandelenkapitaal van NV’s en BV’s (‘kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen’ in de zin van het BBV) zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs van de aandelen. Indien de waarde van de aandelen structureel daalt onder de verkrijgingsprijs vindt afwaardering plaats. Op financiële vaste activa wordt niet afgeschreven en wordt geen rente toegevoegd. Verwijderde tekstpassages zijn, na herformulering, ondergebracht in de nieuwe paragraaf ‘Waarderen’.

2

Richtlijnen voor Investeren, Activeren en Afschrijven

Paragraaf is opgesplitst in vier afzonderlijke paragrafen, alle voorzien van extra inhoudelijke beleidskaders en informatie 2. Besluitvorming, uitvoering en verantwoording van investeringen 3. Activeren 4. Waarderen 5. Afschrijven

3

2) Besluitvorming, uitvoering en verantwoording van investeringen Investeringen worden doorgaans eerst opgenomen in het meerjarig investeringsplan (MIP). Nadat de raad vervolgens een krediet heeft verleend, starten de voorbereiding en uitvoering. Uiteindelijk worden kredieten en hiermee gepaard gaande uitgaven verantwoord in de jaarstukken. De bestuurlijke werkwijze van dit proces is wordt dit hoofdstuk beschreven.

[2.1] Aanmelden nieuwe investeringen Met de Perspectiefnota start een nieuwe planning- en controlcyclus. Dit houdt in dat nieuwe investeringsvoorstellen in principe zoveel mogelijk bij de Perspectiefnota dienen te worden ingediend. In deze categorie vallen ook specifieke beheerplannen waarin investeringen zijn opgenomen, zoals bijvoorbeeld een onderwijshuisvestingsplan, rioleringsplan, beheerplan wegen of ICT-plan. Van investeringen die met de nodige zekerheid te voorzien zijn maar waarvan concrete plannen ontbreken kan een voorstel voor stelpost worden ingediend. In het besluitvormingsproces van de perspectiefnota worden deze nieuwe investeringsvoorstellen afgewogen tegen de beschikbare financiële ruimte en eventueel andere nog niet geautoriseerde investeringen. In het proces van de perspectiefnota wordt tevens de investeringen in het Meerjarig Investeringsplan (MIP) qua bedrag en planning geactualiseerd. Deze actualisatie, samen met de gehonoreerde nieuwe investeringen worden verwerkt in het MIP bij de Programmabegroting. Bij uitzondering kan de raad besluiten tot (kredietverlening voor) een investering die nog niet in het MIP is opgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor beheerplannen waarvan de besluitvorming niet kan wachten tot de eerstvolgende Perspectiefnota.

Bij deze tussentijdse besluitvorming moet in de nota het spoedeisende karakter worden beargumenteerd en moet worden aangegeven in hoeverre de investeringen binnen de financiële kaders past. Is de investering groter dan € 1 mln, dan moet de raad worden geïnformeerd over het effect op de schuldpositie van de gemeente. De investering wordt dan bij de eerstvolgende actualisatie in het MIP opgenomen, nog voor de afweging van eventuele andere nieuwe investeringen.

Meerjareninvesteringsplan (MIP) In de Perspectiefnota worden de kaders geformuleerd voor het MeerjarenInvesteringsPlan (MIP); het overzicht van (nieuwe) (vervangings)investeringen en exploitatieposten. In de begroting worden de investeringsbudgetten geautoriseerd. Op deze wijze kan integrale afweging door de gemeenteraad plaatsvinden welke investeringen gedaan zullen worden en op welke wijze de kapitaallasten worden gedekt (begrotingssaldo of bruto waarderingsreserve).

Verwijderde tekst is hergeformuleerd opgenomen onder 2.1 Aanmelden nieuwe investeringen.

4

Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringsbudget wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van het MIP geautoriseerd. Vooral reguliere investeringen op basis van vastgestelde beheersplannen (riolering, wegen ed.) of reguliere vervangingen (voertuigen), zullen worden voorgesteld om zonder additioneel raadsvoorstel bij de begrotingsbehandeling te autoriseren. In het MIP wordt de status van het krediet aangegeven. Dit kan zijn toegekend (met verwijzing naar moment van besluitvorming) of reservering. Bij een reservering van afschrijvingslasten, volgt op een later moment nog besluitvorming. Verwijderde tekst is geherformuleerd opgenomen onder 2.2. Kredietverlening

Het MIP wordt jaarlijks geactualiseerd bij de perspectiefnota. De uitkomsten van de jaarrekening worden meegenomen. Ook het lopende boekjaar wordt geactualiseerd en meegenomen bij de vaststelling van het MIP in de perspectiefnota en de begroting. Het doel en de planningshorizon van een perspectiefnota zijn de komende jaren/toekomst. In die zin past het niet om resultaten van lopende kredieten (jaarrekening en lopende begroting) in de perspectiefnota mee te nemen. Het ‘ondermijnt’ het onderscheid van de diverse P&C-documenten, geeft verwarring en voegt niet veel toe omdat kredietverlening en daarmee beslag op financiële middelen al heeft plaatsgevonden. In plaats daarvan ligt de focus bij de Perspectiefnota op het vergroten van de voorspellende waarde van een MIP door aandacht/scherpte op een reële planning van investeringen in het MIP, wat vervolgens er weer toe bijdraagt dat uitvoering meer in overeenstemming is met de planning en daarmee minder bijsturing vraagt.

Voor een investering waarvan het investeringsbudget niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college vooraf aan het aangaan van verplichtingen een voorstel voor het vaststellen van een investeringsbudget aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 1.000.000 informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de financiële positie van de gemeente. Tekst is met een andere strekking opgenomen onder 2.1. Aanmelden nieuwe investeringen.

Een belangrijk aspect bij het opstellen van het MIP is fasering in de tijd. Inhoudelijk, omdat het een getrouw beeld geeft van de doorlooptijd van een project of budget. Financieel, omdat hierdoor een realistische inschatting van jaarlijkse lasten kan worden bepaald en niet jaarlijks overschotten ontstaan door uitloop van investeringen en projecten. Belangrijk is dat het MIP zo realistisch mogelijk in de tijd wordt voorgesteld. Derde punt is dat hiermee een prognose gemaakt kan worden van de liquiditeitspositie. Verwijderde tekst heeft een plek gekregen in paragraaf 2.1 Aanmelden nieuwe investeringen.

5

Bij de perspectiefnota wordt het afschrijvingsplafond vastgesteld (maximale afschrijvingslast in de begroting) en wordt de vrije ruimte toegelicht. Het afschrijvingsplafond (in P&C-stukken, bijv. de programmabegroting 2023, wordt gesproken over het kapitaallastenplafond) is in het verleden ingesteld om de omvang van kapitaallasten in de exploitatie te beperken ten gunste van de reguliere, beleidsmatige bestedingen. Vermoedelijke argumentatie hiervoor is dat reguliere exploitatie-uitgaven meer bijdragen aan het bereiken van maatschappelijke doelen en flexibiliteit in bestedingsrichtingen geeft (jaarlast ligt niet langjarig vast in tegenstelling tot kapitaallasten van een investering). Het voorstel is om het afschrijvingsplafond niet meer als kader te laten gelden door dit te laten vervallen in deze nota. Het is niet hard aantoonbaar dat reguliere exploitatieuitgaven meer bijdragen aan het realiseren van maatschappelijke doelen dan investeringsuitgaven. Daarnaast heeft een groot deel van de exploitatie-uitgaven een structureel karakter dat niet voor iets anders kan worden ingezet zonder beleidsmatige gevolgen. Meest zwaarwegend argument is dat afweging niet plaatsvindt op basis van inhoudelijke en financiële argumenten maar wordt bekneld door de financieringsopzet.

Alternatief ‘mocht de kapitaallastenplafond (maximaal toegestane omvang van begrote kapitaallasten) overeind moeten blijven, dan is het aan te raden dit plafond te concretiseren en de omvang ervan mee te laten ontwikkelen met de begrotingsomvang (in plaats van een absoluut getal). Gelet op de huidige cijfers (kapitaallastenplafond / exploitatie omzet) is het kapitaallastenplafond te bepalen op 5% van de begrotingsomvang.

2.1 Kredietverlening Kredietverlening is het toestemming om het doen van investeringsuitgaven. De bevoegdheid hiervan berust bij de gemeenteraad. Buiten de verleende (of toegekende) kredieten mogen geen investeringsuitgaven worden gedaan. In de besluitvorming bij de programmabegroting wordt de raad gevraagd de kredieten te verlenen voor alle investeringen in de eerste jaarschijf van het MIP (het begrotingsjaar). Als de raad een uitgewerkt voorstel voor kredietverlening van een investering wilt ontvangen, dan geeft de raad dat bij de begrotingsbehandeling aan. Dergelijke voorstellen voor kredietverlening vindt plaats bij een P&C-product of via een separaat raadsvoorstel. Daarbij is vanuit het budgetrecht van de raad belangrijk dat een duidelijk geformuleerd besluitpunt wordt opgenomen waarvoor en voor welk bedrag een krediet wordt verleend en hoe de structurele kapitaallasten worden gedekt. Het gaat hierbij om het volledige uit te geven bedrag, ongeacht of een gedeelte wordt gedekt door bijdragen van derden. Een investering van € 200.000 waarvan € 50.000 wordt gedekt door subsidies, vraagt om een krediet van € 200.000.

[2.2] Uitvoeren van investeringen Na kredietverlening wordt de investering uitgevoerd. In de P&C-cyclus wordt de raad geïnformeerd over de besteding van verleende kredieten. Bij de tussenrapportage wordt op hoofdlijnen de voortgang (inhoudelijk en financieel) van lopende investeringen gepresenteerd. Ook eventuele (verwachte) overschrijdingen of dreigende tegenvallers in bijdragen van derden die als dekking van een krediet waren voorzien, worden aangegeven.

6

In de Jaarrekening wordt een overzicht opgenomen van de restantkredieten. Daarin wordt per krediet aangegeven welk bedrag er is verleend, hoe veel daarvan is besteed en wat het resterende krediet is. Financiering van investeringen Om een gezonde balansstructuur te houden moet het volume van de vaste passiva groter – gelijk zijn aan het volume van de vaste activa. Om dit te bewerkstelligen kan bij de opstelling van de perspectiefnota op basis van de geprognosticeerde meerjarenbalans de langlopende leningenportefeuille (O/G) zodanig ingericht worden dat hier aan wordt voldaan. Hierbij moet de renterisiconorm in acht worden gehouden. Bovenstaande passage geeft een kader over de financieringsstructuur, niet over investeringen of activeren. Daarmee in deze nota niet op zijn plaats maar in het treasurystatuut.

3. Activeren Investeringen met een meerjarig nut moeten vanwege het stelsel van baten en lasten geactiveerd worden voor de levensduur. Deze activa vertegenwoordigen een waarde op balans. De activa worden op grond van het BBV verplicht uitgesplitst naar immateriële vaste activa, materiële vaste activa en financiële vaste activa. Uit het oogpunt van het in de hand houden van de kapitaallasten en gerelateerde administratieve lasten is het van belang dat een ondergrens wordt gegeven voor het activeren van investeringsbedragen. De gemeente Baarn hanteert een ondergrens van € 30.000. Het activeren van investeringen gebeurt alleen indien de afschrijvingstermijn langer is dan drie jaar. De administratieve lasten zijn hoger dan de nut van twee jaar activeren. Voor de uitvoering van projecten wordt vaak een externe projectleider of -medewerkers ingehuurd. Het ligt in de rede dat de kosten hiervan met het activum samen worden geactiveerd. Dat geldt niet voor de eigen interne uren. Deze blijven ten laste van de begroting verantwoord.Componentenbenadering De componenten methode wordt niet toegepast. Verwijderde tekst is elders in de nota onder relevante (sub)paragrafen ondergebracht.

3.1

Immateriële vaste activa

Op de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen: -

Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio; Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; Bijdragen aan activa in eigendom van derden.

Het BBV staat slechts in zeer beperkte mate activering van immateriële investeringen toe. Bovendien is de activering van immateriële investeringen nooit verplicht.

7

3.1.1. Kosten verbonden aan het van sluiten van geldleningen De BBV beveelt aan om de kosten verbonden aan het sluiten van een geldlening, zeker als deze relatief van geringe omvang zijn, niet te activeren maar deze in het jaar waarin ze worden gemaakt als een exploitatielast in de jaarrekening op te nemen. Deze aanbeveling nemen we over door kosten verbonden aan geldleningen niet te activeren. In bovenstaande is een standpunt geformuleerd: kosten van geldleningen worden niet geactiveerd.

3.1.2 Kosten van onderzoek en ontwikkeling De kosten voor onderzoek en ontwikkeling staan ook bekend onder de naam “Voorbereidingsbudget krediet”. Stelregel is dat de omvang van het voorbereidingskrediet maximaal 5% van het in te schatten investeringsbedrag is. Als dit niet voldoend is, dan wordt dit vooraf beargumenteerd aangegeven. Daarbij is het activeren van kosten van onderzoek en ontwikkeling als immaterieel actief is op grond van het BBV alleen toegestaan als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: -

De gemeente heeft de intentie het actief te gebruiken of te verkopen; De technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien staat vast; Het actief zal in de toekomst economisch of maatschappelijk nut genereren; De uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen kunnen betrouwbaar worden vastgesteld.

De kosten van onderzoek en ontwikkeling mogen maximaal vijf jaar worden geactiveerd. Wanneer tijdens of na afloop van die periode blijkt dat de kosten niet tot een investering leiden, moet de resterende boekwaarde op dat moment direct worden afgeschreven ten laste van de exploitatie. Daarbij is in ‘kosten voor onderzoek en ontwikkeling’ onderscheid te maken tussen de kosten voorafgaand aan een investering, en onderzoeks- en ontwikkelingskosten die onderdeel uitmaken van een investering. Het verschil tussen beide is met name of al is besloten wat de investering gaat zijn. De kosten tot aan het moment dat wordt besloten welke investering wordt gedaan, zijn kosten die alleen onder voorwaarden mogen worden geactiveerd of direct ten laste van de exploitatie moeten worden gebracht. Is besloten wat de investering gaat zijn, dan mogen kosten voor onderzoek en ontwikkeling zondermeer worden geactiveerd. a) Niet activeerbare kosten voor het investeringsbesluit Kosten om te onderzoeken wat de (technische) investeringsbehoefte is, bijvoorbeeld rioolinspecties of draagkracht onderzoek bij bruggen, behoren tot de normale kosten tijdens de levensduur van activa. Ook de kosten van variantenstudies, waarin nog wordt gekeken wat de onderhoudsbehoefte is, wat de beleidswensen zijn, wat de kosten per variant zijn enzovoorts behoren tot de normale kosten van de gemeente.

Deze kosten zijn niet activeerbaar en komen ten laste van de exploitatie. b. Activeerbare kosten vóór het investeringsbesluit Als kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden de kosten gezien als het maken van een masterplan of ontwerp op wijkniveau, op basis waarvan vervolgens verschillende straten opnieuw worden aangelegd. Omdat de ontwerpkosten op een overkoepelend niveau worden gemaakt zijn deze geen onderdeel van de uiteindelijke investering (per straat). Belangrijk

8

criterium hierbij is dat de kosten wel direct leiden tot één of meer investeringen of specifiek worden gemaakt om te komen tot een investering. Een beleidsplan, algeheel beeldkwaliteitsplan of structuurvisie bijvoorbeeld voldoen niet aan deze kenmerken. In het BBV is bepaald dat de kosten voor onderzoek en ontwikkeling onder voorwaarden mogen worden geactiveerd. c. Activeerbare kosten ná het investeringsbesluit: Ook nadat is besloten om te investeren in bijvoorbeeld het vervangen van een riolering en de herinrichting van een straat, of een grootschalige renovatie van een gebouw, worden kosten gemaakt ter voorbereiding van de feitelijke investering. Het gaat dan bijvoorbeeld om onderzoek naar de grondwaterstand of de aanwezigheid van beschermede diersoorten. Er worden ontwerpkosten gemaakt en kosten voor participatie en inspraak, mogelijk ook voor varianten die uiteindelijk niet worden uitgevoerd. Deze kosten, ná het besluit om te investeren, gelden als bijkomende kosten en moeten verplicht als onderdeel van de uiteindelijke investering worden geactiveerd.

3.1.3

Bijdrage aan activa in eigendom van derden

Gemeenten kunnen bijdragen aan activa in eigendom van derden activeren. Het gaat dan om bijdragen aan bijvoorbeeld onderwijsinstellingen, sportverenigingen of culturele instellingen. Om bijdragen aan activa in eigendom van derden te mogen activeren, gelden vanuit het BBV de volgende voorwaarden: -

Er is sprake van een investering door een derde; Deze investering draagt bij aan de publieke taak van de gemeente; De derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals overeengekomen; De bijdrage kan worden teruggevorderd indien de derde in gebreke blijft of anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.

De voorwaarden dat de derde partij werkelijk investeert en daarmee niet in gebreke blijft, borgen we door pas bij te dragen op het moment dat daadwerkelijk wordt geïnvesteerd. Voorafgaand aan het besluit om bij te dragen wordt beoordeeld of wordt geïnvesteerd in de publieke taak. Het kunnen terug vorderen van de bijdrage óf aanspraak maken op hetgeen waarin geïnvesteerd wordt als de derde partij in gebreke blijft (van het uitvoeren van de publieke taak) wordt per bijdrage vastgelegd. Vaak gaat het om bijdragen aan instellingen waarmee de gemeente ook een subsidierelatie heeft, waarmee de continuering van de publieke taak verder is geborgd. Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden geactiveerd volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur (artikel 64, lid 3 BBV).

3.2

Materiële vaste activa

3.2.1 Onderverdeling materiële vaste activa

9

De materiële activa dienen onderverdeeld te worden in: a) Investeringen met een economisch nut; b) Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; c) Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut a) Economisch nut MVA hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn (er een markt voor is) en/of indien ze kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Alle investeringen met economisch nut moeten worden geactiveerd. Een uitzondering is gemaakt voor kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde. Deze mogen op grond van artikel 59 lid 2 van het BBV niet worden geactiveerd. b) Economisch nut waarvoor een heffing kan worden geheven Indien bij MVA met een economisch nut het genereren van middelen gebeurt of kan gebeuren middels het vragen van rechten of heffingen, dan spreekt het BBV van MVA met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven. Een voorbeeld is investeringen in de aanleg van riolering. De waardering van deze activa is gelijk aan de waardering van de MVA met economisch nut waarvoor geen heffing kan worden geheven. c) Maatschappelijk nut MVA in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut genereren geen middelen, maar vervullen wel duidelijk een publieke taak. Het betreft investeringen in bijvoorbeeld wegen, bruggen en groenvoorzieningen.

3.2.2 Ondergrens voor activeren Het wel of niet activeren heeft zowel bestuurlijke als administratieve gevolgen. Voor zover kosten die niet worden geactiveerd, passen binnen de vastgestelde begroting ligt het budgetrecht bij het college. Voor kosten die worden geactiveerd ligt het budgetrecht bij de gemeenteraad en is een apart kredietbesluit nodig. Daar komt bij dat investeringen leiden tot activa op de balans waarvan tijdens de levensduur het bestaan moet kunnen worden aangetoond. Ook is er de financiële verwerking van activa in rente en afschrijvingslasten. Uit het oogpunt van het in de hand houden van administratieve lasten is het van belang een ondergrens te hanteren voor het activeren van investeringsbedragen. De gemeente Baarn hanteert een ondergrens van € 30.000 en een gebruiksduur vanaf drie jaar. Investeringen tot een bedrag van € 30.000 en een gebruiksduur korter dan drie jaar worden rechtstreeks in de exploitatie verantwoord. Voor de uitvoering van projecten wordt vaak een externe projectleider of -medewerkers ingehuurd. Het ligt in de rede dat de kosten hiervan met het activum samen worden geactiveerd. Dat geldt niet voor de eigen interne uren. Deze blijven ten laste van de begroting verantwoord. Tekst is verwijderd omdat de bemensing van projectbebeleiding niet bepalend is of kosten geactiveerd mogen worden.

[3.1.1] Activeren in het geheel van een materieel actief Een te activeren object/kapitaalgoed (zoals een brug of kantoorpand) bestaat uit verschillende samenstellende bestandsdelen (pijlers, wegdek, reling resp. gebouw,

10

installaties, vloerbedekking) waarvan ieder bestanddeel een verschillende levensduur/afschrijvingstermijn heeft. De gemeente kiest er voor om een materieel actief in zijn geheel te activeren en één afschrijvingstermijn voor dit geheel te hanteren in plaats van verschillende afschrijvingstermijn. De onderdelen die een kortere gebruiksduur hebben dan de vooraf bepaalde gebruiksduur van het gehele actief, en dus eerder vervangen moeten worden, vallen onder het groot onderhoud. Via het gevormde onderhoudsvoorziening worden de kosten van toekomstig groot onderhoud gelijkmatig gespreid worden in de tijd. Met andere woorden, de componentenmethode wordt niet toegepast.

3.2.3 Levensduurverlengende investeringen en onderhoud Levensduurverlengende investeringen, vervangingsinvesteringen en onderhoud loopt qua terminologie en financiële handelwijze nogal eens door elkaar heen. Deze paragraaf omvat bepalingen over het onderscheid en toe te passen regelgeving. Het merendeel van de investeringen die de gemeente doet, is ter vervanging van (onderdelen van) een bestaand activum. Denk daarbij aan het vervangen van een weg, een riolering of een installatie in een gebouw. De aanleiding om te investeren is vaak dat de technische staat niet meer voldoet, wat binnen gemeenten over het algemeen wordt betiteld als ‘er is een onderhoudsbehoefte’ of dat ‘groot onderhoud’ moet worden uitgevoerd. Het onderscheid dat het BBV tussen beide maakt is dat 'levensduur verlengende investeringen leiden tot een substantiële levensduurverlenging of waardeverhoging van betreffend actief. Bijvoorbeeld, het renoveren (= vernieuwen naar de huidige maatstaven en normen) van een gebouw. Het gaat hier dus niet om (groot)onderhoud. Onderhoud is niet levensduurverlengend, maar dient om het actief gedurende zijn levensduur in goede staat te houden.' Uiteindelijk bepaalt de aard van de werkzaamheden of de kosten moeten worden geactiveerd of niet. Als de werkzaamheden vallen binnen de hiervoor genoemde definitie van onderhoud worden de kosten ten laste van de exploitatie verantwoord.

Wanneer sprake is van vervanging van (een onderdeel van) een bestaand activum, of een levensduur verlengende investering, worden de kosten geactiveerd. Kosten van groot cyclisch onderhoud (indien niet levensduur verlengend of niet waarde verhogend) mogen niet worden geactiveerd en worden ten laste van de exploitatie gebracht of bij aanwezigheid, van de voorziening groot onderhoud. Kosten van groot onderhoud ontstaan na een langere gebruiksperiode van een object en zijn veelal ingrijpend van aard en betreffen een groot of belangrijk deel van het object. Voorbeeld zijn o.a. het vernieuwen van de bitumen laag van het dak van een gebouw of de toplaag van een weg. Kosten van het wegwerken van achterstallig onderhoud zijn aan te merken als onderhoud, deze dienen ineens ten laste van de exploitatie (of van de voorziening groot onderhoud) te worden gebracht. Achterstallig onderhoud kan ook worden verholpen door het gehele investeringsgoed (versneld) te vervangen door bijvoorbeeld een renovatie van een gebouw of een vervanging van een weg. In dat geval is, ook al is de aanleiding achterstallig onderhoud, er sprake van kosten die moeten worden geactiveerd. Kosten van klein onderhoud mogen niet worden geactiveerd, maar dienen in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie te worden gebracht.

Het gaat hierbij om periodieke kosten die noodzakelijk zijn om het object in goede staat te houden tegen een van tevoren

11

vastgesteld kwaliteitsniveau. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen die noodzakelijk zijn om het object blijvend naar behoren te laten functioneren of haar representativiteit te laten behouden. Voorbeelden van regelmatig voorkomende onderhoudskosten betreffen onder meer het reinigen van rioolstelsels of het plegen van onderhoud aan installaties.

3.3

Financiële vaste activa

Het BBV schrijft voor dat op de balans onder de financiële vaste activa afzonderlijk worden opgenomen: Kapitaalverstrekkingen aan: deelnemingen; gemeenschappelijke regelingen; overige verbonden partijen; Leningen aan: openbare lichamen (als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden;) woningbouwcorporaties; deelnemingen; overige verbonden partijen; Overige langlopende leningen; Uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer; Uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer; Overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer. Het verloop van de Financiële vaste activa wordt jaarlijks in de jaarstukken

gepresenteerd.

4 Waarderen De waardering van activa, de bepaling van de oorspronkelijke verkrijgings- of aanschafprijs, wordt door het BBV voorgeschreven.

4.1

Immateriële vaste activa

De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs.

4.2

Materiële vaste activa

De notitie Materiële vaste activa van de commissie BBV geeft bepalingen voor de waardering van. materiële vaste activa. Deze bepalingen worden onverkort worden toegepast op de activa. Materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten.

12

De vervaardigingsprijs omvat de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts een redelijk deel van de indirecte kosten worden opgenomen en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend. In de toelichting kan dan opgenomen dat deze rente is geactiveerd. We kiezen er voor om rente over het tijdvak van de vervaardiging van een actief niet te rekenen tot de vervaardigingsprijs en dus niet te activeren. Activeren van deze rente zou betekenen dat tijdens de gebruiksduur van de investering rente wordt toegerekend over geactiveerde rentekosten. In plaats daarvan verantwoorden we deze rente rechtstreeks ten laste van de exploitatie.

4.3

Financiële vaste activa

De onder de financiële vaste activa opgenomen leningen verstrekt aan derden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde. Deelnemingen en effecten worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs of de lagere marktwaarde. Langlopende vorderingen worden, onder aftrek van eventuele voorzieningen voor oninbaarheid, tegen de nominale waarde gewaardeerd. De voorziening voor oninbaarheid wordt statisch bepaald al naar gelang de ouderdom en de volwaardigheid van de openstaande vordering. Kapitaalverstrekkingen en leningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde onder aftrek van eventuele aflossingen. Deelnemingen worden in afwijking hiervan gewaardeerd tegen marktwaarde indien deze lager is dan de verkrijgingsprijs

5 Afschrijven 5.1 Afschrijvingsmethode De gemeente hanteert de lineaire methode van afschrijven. Bij de lineaire methode blijven de afschrijvingen gedurende de afschrijvingstermijn gelijk, de rentelasten nemen af. De vrijvallende kapitaallasten vallen vrij ten gunste van de exploitatie. Voordelen van de lineaire methode ten opzichte van de annuïtaire methode zijn een lagere omvang van kapitaallasten over de looptijd van het actief en de relatief eenvoudige administratieve verwerking. In het verleden heeft de gemeente voor drie specifieke investeringen gekozen voor een annuïtaire afschrijvingsmethode. Voor deze drie activa blijft deze annuïtaire afschrijving gehandhaafd.

5.2 Afschrijvingstermijnen Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is gebaseerd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Bij iedere nieuwe investering wordt afzonderlijk bepaald wat de afschrijvingstermijn is. Voor het bepalen van de afschrijvingstermijn wordt gebruik gemaakt van de afschrijvingstabel die als bijlage bij deze nota opgenomen. Deze tabel omvat de meest voorkomende investeringen die de gemeente doet, maar kan nooit 100% volledig zijn. Wanneer een investering of component niet in de tabel voorkomt, wordt de afschrijvingstermijn gebaseerd op de verwachte technische levensduur, of de economische levensduur wanneer deze korter is dan de technische levensduur.

13

De raad kan gemotiveerd besluiten een investering in een andere termijn dan volgens de afschrijvingstabel af te schrijven, op basis van de verwachte economische levensduur. Dit kan het geval zijn als wordt voorzien dat een investering minder lang meegaat dan de technische levensduur. Zo zal bijvoorbeeld een renovatie van een gebouw waarvan wordt verwacht dat dit minder lang zal worden gebruikt dan de normale afschrijvingstermijn van een renovatie, worden afgeschreven over de economische levensduur in plaats van de technische levensduur. Afschrijvingstermijnen en afschrijvingsmethode De afschrijvinsmethode is lineair. De gehanteerde afschrijvingstermijnen zijn algemeen aanvaard in het economische verkeer. In de bijlage is een tabel opgenomen met de afschrijvingstermijnen Tekst is verdeeld over twee subparagrafen en voorzien van argumentatie

5.3 Niet afschrijven op grond Onder de duurzame productiemiddelen wordt in de bedrijfseconomie aan grond een bijzondere plaats toegekend. Grond is namelijk niet aan slijtage onderhevig en ondergaat als gevolg daarvan geen waardevermindering. Er bestaat dus ook geen noodzaak tot afschrijving. De beleidslijn is dan ook om op grond niet af te schrijven.

[5.1] Startmoment van afschijven Investering waarvan is voorgeschreven dat deze worden geactiveerd, moeten uiterlijk op het moment van ingebruikname te zijn geactiveerd als activa in bedrijf. Met de afschrijving wordt begonnen in het jaar volgend op de ingebruikname. Als de investering in jaar t in gebruik is genomen zal vanaf jaar t+1 de afschrijving starten. Het feit dat er in sommige gevallen nog projectkosten gemaakt moeten worden, is geen beletsel voor de activering. Startmoment van afschrijven, verantwoording en afsluiten kredieten Een investeringsbudget blijft in de administratie open staan zolang het project loopt. Bij elke jaarrekening worden de gerealiseerde kosten van het controlejaar overgebracht naar de balans. Bij de jaarrekening van het laatste projectjaar wordt het budget in principe afgesloten. Op verzoek van de projectleider kan het nog, met zwaarwegende argumenten, maximaal één jaar open blijven staan voor nagekomen kosten. In het jaar na definitief afsluiten van het project start de afschrijving. Budgetten blijven niet openstaan om de afschrijving uit te stellen. Bij elke jaarrekening wordt een verantwoording gegeven over de voortgang en financiële aspecten. In deze verantwoording wordt naast de voortgang ook een prognose gegeven van de resterende looptijd. Tekst is gewijzigd in een meer kaderstellende tekst.

Nieuwbouw versus vernieuwbouw (renovatie, levensduurverlenging) Bij investeringen is niet altijd sprake van een nieuw object. Bij een bestaand actief is sprake van een investering indien de uitgaven:

14

  

leiden tot een significante kwaliteitsverbetering, en/of; leiden tot een levensduurverlenging, en/of; aanpassingen betreffen om te voldoen aan wet- en regelgeving (bijv. investeringen in een gebouw om te voldoen aan veiligheidsvoorschriften die invloed hebben op de waarde en de levensduur).

Wanneer uitgaven worden gedaan voor het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief dan is sprake van onderhoud. Afhankelijk van de situatie kan voor renovatie, restauratie en/of levensduurverlenging bij besluit gekozen worden voor een andere afschrijvingstermijn, die het beste aansluit met de levensduurverwachting van het actief in plaats van de reguliere 20 jaar. Tekst is uitgebreid en ondergebracht paragraaf 3.2.4 Leversduurverlengende investeringen en onderhoud.

5.4 Restwaarden Resterende boekwaarde (restwaarde) De restwaarde is de waarde van een activum aan het eind van de gebruiktermijn tegen het huidig prijspeil. De mogelijkheid bestaat om vooraf een inschatting te maken van de restwaarde van een actief. Het actief wordt dan tijdens de gebruiksduur niet geheel

afgeschreven, maar slechts tot het bedrag van de geschatte restwaarde. Hierdoor worden de jaarlijkse afschrijvingslasten lager. Het vraagt echter ook dat de restwaarde wordt onderbouwd en periodiek wordt getoetst of de gehanteerde restwaarde nog reëel is. Vanwege het voorzichtigheidsprincipe, beperken van administratieve bewaking en de inschatting dat een goede prognose van de restwaarde moeilijk te maken is, kent dDe gemeente Baarn kent in de afschrijvingen geen restwaarde toe aan activa. Afgeschreven wordt lineair tot restwaarde € 0.

6[4] Rente De financiering van investeringen brengt rentelasten met zich mee. Deze rentelasten worden verdeeld (omgeslagen) over de vaste activa. Daarbij hanteert de gemeente Baarn in principe het systeem van integrale financiering. Dit betekent dat de werkelijk betaalde rente op leningen naar evenredigheid over de vaste activa verdelen (omslaan) in plaats van rechtstreeks doorbelasten aan individuele investeringsobjecten (zogeheten projectfinanciering). In geval van projectfinanciering worden de rentelasten voortkomend uit deze financiering aan die activiteit op het betreffende taakveld toegerekend (via het taakveld treasury) en worden niet meegenomen in de omslagrente over het geheel van de activa.

De begrote toe te rekenen en werkelijke toegerekende rente aan investeringen, als onderdeel van de kapitaallast, wordt berekend conform BBV voorschriften. Dit is beschreven in de Zie notitie Rente 2017 van de cie BBV. Peildatum voor de toerekening berekening van de hoogte van de rente is de boekwaarde op 1 januari van het boekcontrolejaar.

15

De rente wordt jaarlijks berekend de begroting van opvolgend jaar cf de methode zoals beschreven in de notitie “Rente” van de cie BBV.

73 Inwerkingtreding De voorgaande nota investeren, activeren en afschrijven (mei 2021april 2019) wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar 20230. Deze nota treedt in werking op de dag na de datum van bekendmaking. en indien van toepassing werkt terug tot I januari 20241.

16

Activa Immateriële vaste activa Kosten sluiten geldlening Voorbereidingskosten Bijdrage aan activa in eigendom derden Agio en disagio van geldleningen Materiële vaste activa Gronden en Terreinen Gebouwen Nieuwbouw Renovatie, restauratie levensduurverlening Duurzaamheidsmaatregelen Tijdelijke gebouwen/noodlokalen

17

Afschrijvingstermijn 0 jaar of looptijd lening 0 of 5 jaar Afschrijvingstermijn activum Looptijd lening Geen afschrijving 40 jaar 20 jaar, tenzij 15 jaar 10 jaar

Grond-, weg- en waterbouwkundige werken Verharding : Straten, pleinen en wegen: aanleg en constructie Bruggen, viaducten en tunnels: aanleg en constructie Riolering: aanleg en constructie Riolering: rioolpompen Openbare speelplaatsen: aanleg Openbare speelplaatsen: speelwerktuig Groenvlakken

40 jaar 60 jaar 60 jaar 15 jaar 10 jaar 10 jaar 20 jaar

Sportterreinen Sportterrein: aanleg Sportterrein: afrastering Sportterrein: kleedaccommodaties Sportterreinen: kunstgrasvelden

20 jaar 20 jaar 20 jaar 20 jaar

Vervoermiddelen Vrachtauto’s en tractoren Bestelwagens en dienstauto’s Overige voertuigen

10 jaar 5 jaar 5 jaar

Machines, apparatuur en installaties Openbare verlichting - masten Openbare verlichting – armaturen Openbare verlichting – LED lampen Technische installaties in woonruimten en bedrijfsgebouwen Veiligheidsvoorzieningen Telefooninstallaties

40 jaar 20 jaar 20 jaar 10 jaar 10 jaar 5 jaar

Overige materiële vaste activa Kantoormeubilair Gereedschappen Automatisering (software en hardware)

15 jaar 5 jaar 5 jaar

Bijlage Relevante passages in Financiële verordening 2023 -2026 (regels over informatievoorziening over investeringen; regels rondom het eigen beleidsruimte investeren/beleidslijnen, verlenen van kredieten, wijze van waardering en afschrijving van activa in de nota ‘investeren, activeren en afschrijven)

Paragraaf 1. Algemene Bepalingen Artikel 1. Definities

Investeringsbudget Een op voorstel door de raad gevoteerd budget voor het doen van uitgaven voor een nieuw activum. Feitelijk is een investeringsbudget geen afgezonderd deel van het vermogen maar een goedkeuring om voor een bepaalde periode (de economische levensduur van het activum) de kapitaallasten in de begroting op te nemen.

Paragraaf 2. Begroting en Verantwoording Artikel 3. Inrichting begroting en jaarrekening

2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt:

3. In het Meerjaren Inversteringsplan (MIP) en de jaarstukken wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringsbudget weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringsbudget en de mate van de uitputting van het investeringsbudget in het lopende boekjaar weergegeven; 4. in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming en de investeringen en de grondexploitatie; Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringsbudgetten De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de lasten en de baten per programma; 1. 2. 3.

4.

5.

Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringsbudget wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen financiële positie geautoriseerd; Het college informeert de raad als zij verwacht dat de investeringsuitgaven van een investeringen het geautoriseerde investeringsvolume dreigt te overschrijden; Bij de behandeling van de tussentijdse rapportage in de raad bedoeld in artikel6, lid I, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringsbudgetten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringsbudgetten; Voor een investering waarvan het investeringsbudget niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringsbudget aan de raad voor. Bij investeringen informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente.

Investeringen met een meerjarig karakter mogen schuiven tussen jaargrenzen. Verschuivingen boven € 250.000 worden gemeld aan de raad.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage 1. De tussentijdse rapportage bevat een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van: f. realisatie en raming van de uitputting van de investeringsbudgetten.

18

Paragraaf 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 12. Begrotingscriterium d)[a)] Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen; 3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

Paragraaf 4. Financieel beleid

Artikel 14. Investeren, activeren en afschrijven Het beleid omtrent investeren, activeren en afschrijven wordt met een separate nota vastgesteld door de raad.

Paragraaf 6. Financieel beheer en financiële organisatie

Artikel 28. Financieel beheer De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: c) het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringsbudgetten en voor het maken van kostencalculaties

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13642313/1