854040 VVGB Zuidereind 11 bijlage 9 Toelichting onderdeel milieu
Tekst van het document
221219x1 WAM Zuidereind 11 Baarn
Toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu + aanmeldnotitie vormvrije MER ten behoeve van het agrarische bedrijf aan de Zuidereind 11 te Baarn
Initiatiefnemer:
Melkgeitenhouderij Breij
Initiatieflocatie:
Zuidereind 11 3741LG Baarn
Datum:
17 maart 2023
Rapportage:
Definitief, versie 2
Kenmerk:
WW22121911
Inhoudsopgave Toelichting Aanvraag WABO onderdeel milieu voor het agrarisch bedrijf van Melkgeitenhouderij Breij aan de Zuidereind 11 te Baarn. 1.
ALGEMENE GEGEVENS INITIATIEFNEMER............................................................................... 4
2.
ALGEMEEN (SAMENVATTING) ............................................................................................... 6 2.1
Korte beschrijving activiteiten ............................................................................................. 6
2.2
Korte beschrijving wijzigingen (in hoofdlijnen).................................................................... 6
3.
BESTAANDE VERGUNNINGEN/MELDINGEN............................................................................ 7
4.
AANGEVRAAGDE DIERBEZETTING C.Q. ACTIVITEIT ................................................................. 7
5.
ACTIVITEITENBESLUIT............................................................................................................ 8
6.
BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ..................................................................................... 9
7.
LIGGING – OMGEVING ........................................................................................................ 10
8.
SAMENHANG MET ANDERE ACTIVITEITEN ........................................................................... 12
9.
ASPECT GEUR...................................................................................................................... 13
10.
11.
9.1
Diercategorieën met geuremissiefactoren ........................................................................ 13
9.2
Afstand tot veehouderijen van derden .............................................................................. 14
9.3
Diercategorieën zonder geuremissiefactoren ................................................................... 14
9.4
Gevelafstanden.................................................................................................................. 14
9.5
Conclusie ............................................................................................................................ 14
ASPECT AMMONIAK ........................................................................................................ 15 10.1
Directe ammoniakschade .................................................................................................. 15
10.2
Wet ammoniak en veehouderij ......................................................................................... 15
10.3
Vogel- en Habitatrichtlijn / Wet natuurbescherming ........................................................ 15
10.4
Besluit emissiearme Huisvesting ....................................................................................... 16
ASPECT LUCHT................................................................................................................. 17 11.1
12.
13.
Beoordeling luchtkwaliteit / NIBM .................................................................................... 17
ASPECT GELUID ............................................................................................................... 18 12.1
Werktijden ......................................................................................................................... 18
12.2
Omschrijving geluid/trillingsbronnen binnen de inrichting ............................................... 18
12.3
Aan- en afvoerbewegingen ............................................................................................... 18
ENERGIE- & WATERVERBRUIK.......................................................................................... 20 Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 2
14.
15.
16.
17.
18.
13.1
Energieverbruik.................................................................................................................. 20
13.2
Waterverbruik ................................................................................................................... 20
OPSLAG VAN GROND-, HULP- EN AFVALSTOFFEN ............................................................. 20 14.1
Opslag gas ......................................................................................................................... 20
14.2
Opslag en afvoer van bedrijfsafvalstoffen......................................................................... 20
OPSLAG VAN RUWVOER EN MEST ................................................................................... 21 15.1
Opslag van ruwvoer ........................................................................................................... 21
15.2
Opslag van mest ................................................................................................................ 21
15.3
Afstanden tussen bovengrondse opslag van vaste mest en woningen van derden .......... 21
15.4
Afstanden tussen bovengrondse drijfmestopslag en woningen van derden..................... 21
BODEMBESCHERMING & AFVALWATER ........................................................................... 22 16.1
Bodembeschermende maatregelen .................................................................................. 22
16.2
Bedrijfsafvalwater ............................................................................................................. 22
NADERE GEGEVENS ......................................................................................................... 23 17.1
Metingen en registratie ..................................................................................................... 23
17.2
Brandveiligheid .................................................................................................................. 23
17.3
Toekomstige ontwikkelingen ............................................................................................. 23
CONCLUSIE...................................................................................................................... 23
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 3
1.
ALGEMENE GEGEVENS INITIATIEFNEMER
Initiatiefnemer:
Melkgeitenhouderij Breij Zuidereind 11 3741LG Baarn
Initiatieflocatie:
Zuidereind 11 3741LG Baarn
Soort activiteit: KvK:
het houden van melkgeiten 64085589 // 000000783692
Adviseur:
VanWestreenen B.V. Scherpenzeelseweg 11 6741 LX LUNTEREN T: 0342-474255 Mail: wabo@vanwestreenen.nl
Contact:
Dhr. Ing. G-J. Nap Tel.: 06-23183517 E: nap@vanwestreenen.nl
Auteur:
Dhr. W.E. Westerbeke Tel.: 06-57160754 E: westerbeke@vanwestreenen.nl
Rapportage:
Definitief, versie 2 17 maart 2023
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 4
Een luchtfoto en topografische kaart met daarop de ligging van het bedrijf is in navolgende figuren weergegeven.
Figuur 1 Luchtfoto perceel Zuidereind 11 te Baarn (bron: Street Smart)
Figuur 2 Topografische ligging Zuidereind 11 te Baarn (bron: Street Smart)
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 5
2.
ALGEMEEN (SAMENVATTING)
2.1
Korte beschrijving activiteiten
Het in werking hebben van een inrichting met de volgende activiteiten:
2.2
Het exploiteren van een agrarisch bedrijf; o Het houden van melkgeiten Het opslaan van: o Veevoeders in de daarvoor bestemde voersilo’s/sleufsilo’s o Vaste mest o Kadavers in de daarvoor bestemde opslag o Medicijnen en mineralen in de daarvoor bestemde medicijnenkast o Reinigings-/ontsmettingsmiddelen ter preventie van dierziekten o Opslag van stro o Werktuigen Het in gebruik hebben van: o Stalruimte voor het houden van geiten o Een berging / opslag o Mestopslag o Sleufsilo’s o Een bedrijfswoning Korte beschrijving wijzigingen (in hoofdlijnen)
Het wijzigen van het agrarisch bedrijf: o Het herverdelen van de dierbezetting o Het bouwen van een nieuwe stal
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 6
3.
BESTAANDE VERGUNNINGEN/MELDINGEN
Voor onderhavig bedrijf is 8 november 2012 een vergunning op grond van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht verleend voor navolgende dierbezetting: Tabel 1 Overzicht vergunde bedrijfsopzet Stalsysteem Stal
Emissiepunt
Diercategorie
Aantal dieren
Rav. Code
Geiten > 1 jaar
1200
opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen 1.
Ammoniakemissie
Geuremissie
Fijnstofemissie
Fijnstof g OUe per PM10/ dierOUe totaal dier/jaar** plaats** *
Omschrijving
Kg NH3 per dierplaats*
Kg NH3 totaal
C 1.100
overige huisvestingssystemen
1,9
2280
18,8
22560
19
22800
600
C 2.100
overige huisvestingssystemen
0,8
480
11,3
6780
10
6000
600
C 3.100
overige huisvestingssystemen
0,2
120
5,7
3420
10
6000
Totaal:
2880
BWL / BB code
* emis si e i n kg NH3 per di erpl aa ts per jaa r vol gens de Regel i ng a mmonia k en veehouderij ** geuremi s si efactor i n odour uni ts per seconde per dier vol gens de Regel i ng geurhi nder en veehouderi j ** fi jn stofemi ss i e (g PM10/dier/ja a r) volgens de l i js t ‘Emi ss i efa ctoren fijn s tof voor veehouderij’ op rijks overheid.nl
32760
Fijnstof totaal
34800
1. Geitlammeren met een leeftijd tot 30 dagen op de locatie van het melkgeitenbedrijf worden niet meegeteld.
4.
AANGEVRAAGDE DIERBEZETTING C.Q. ACTIVITEIT
In navolgende tabel is de gevraagde / gewenste dierbezetting weergegeven. Tabel 2 Overzicht gewenste bedrijfsopzet Stalsysteem Stal
Emissiepunt
Diercategorie
Aantal dieren
Rav. Code
Geiten > 1 jaar
1285
opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen 1.
Ammoniakemissie
Geuremissie
Fijnstofemissie
Fijnstof g OUe per PM10/ dierOUe totaal dier/jaar** plaats** *
Omschrijving
Kg NH3 per dierplaats*
Kg NH3 totaal
C 1.100
overige huisvestingssystemen
1,9
2441,5
18,8
24158
19
24415
400
C 2.100
overige huisvestingssystemen
0,8
320
11,3
4520
10
4000
350
C 3.100
overige huisvestingssystemen
0,2
70
5,7
1995
10
3500
Totaal:
2831,5
BWL / BB code
* emis si e i n kg NH3 per di erpl aa ts per jaa r vol gens de Regel i ng a mmonia k en veehouderij ** geuremi s si efactor i n odour uni ts per seconde per dier vol gens de Regel i ng geurhi nder en veehouderi j ** fi jn stofemi ss i e (g PM10/dier/ja a r) volgens de l i js t ‘Emi ss i efa ctoren fijn s tof voor veehouderij’ op rijks overheid.nl
30673
1. Geitlammeren met een leeftijd tot 30 dagen op de locatie van het melkgeitenbedrijf worden niet meegeteld.
Een plattegrondtekening van de gewenste bedrijfsopzet is als bijlage 1 aan deze aanvraag toegevoegd.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 7
Fijnstof totaal
31915
5.
ACTIVITEITENBESLUIT
Op 1 januari 2008 is Activiteitenbesluit milieubeheer in werking getreden. Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit uitgebreid met agrarische activiteiten. In het besluit zijn algemene regels opgenomen voor bedrijven die onder de Wm vallen en voorheen een milieuvergunning nodig hadden. Het Activiteitenbesluit maakt onderscheid tussen 3 categorieën bedrijven; type A, B en C. Type A bedrijven moeten zich houden aan de regels van het Activiteitenbesluit maar zijn niet meldingsplichtig ten aanzien van hun activiteiten. Type B bedrijven zijn wel meldingsplichtig ten aanzien van hun activiteiten. In sommige gevallen moeten zij ook een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) aanvragen. Voor type C bedrijven geldt dat zij (voor het onderdeel milieu) nog steeds een omgevingsvergunning moeten aanvragen. Type C bedrijven zijn onder andere bedrijven met meer dan1:
IPPC bedrijf: 750 zeugen (Rav. cat. D 1.2 en D 1.3); IPPC bedrijf: 2.000 vleesvarkens (Rav. cat. D 3); IPPC bedrijf: 40.000 stuks pluimvee (Rav. cat. E 3 t/ m E 5); 3.750 gespeende biggen (Rav. cat. D 1). 2.000 schapen of geiten (Rav. cat. B1 en C1 t/m C3) 1.200 vleesrundvee (Rav. cat. A4 t/ m A7). 200 melkkoeien of zoogkoeien (Rav. cat A.1 of A.2) 340 stuks vrouwelijk jongvee (Rav. cat. A 3)
In de gewenste bedrijfssituatie worden de bovengenoemde grenzen overschreden, waardoor sprake is van een type C inrichting.
1 Omwille van de relevantie zijn niet alle diercategorieën genoemd uit het Activiteitenbesluit.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 8
6.
BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
In het Besluit milieueffectrapportage (hierna Besluit m.e.r.) is in onderdeel C van de bijlage onder categorie 14 opgenomen wanneer voor de activiteit het fokken, mesten of houden van dieren een plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport geldt. Dit is onder andere het geval bij het oprichten en/ of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie met meer dan:
900 zeugen (Rav. cat. D1.2 – D1.3 en D 3 voor zover het opfokzeugen betreft) 3.000 stuks vleesvarkens (Rav. cat. D 3) 60.000 leghennen (Rav. cat. E 2) 85.000 vleeskuikens (Rav. cat. E 5)
Verder is in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. onder categorie 14 opgenomen dat, in de aangegeven situaties, een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geldt onder andere voor het oprichten en/ of uitbreiden en / of wijzigen van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met meer dan:
2.000 schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3)
In de huidige aanvraag is er sprake van het uitbreiden en wijzigen van een installatie, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In de aangevraagde situatie worden de, in het onderdeel C van bijlage van het Besluit MER gestelde drempelwaarden niet overschreden. Hierdoor geldt voor het bedrijf geen directe MERplicht. Tevens worden de drempelwaarden uit onderdeel D niet overschreden. Op grond van de aanpassing van het Besluit MER d.d. 7 juli 2017 is een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Nu de in de beoogde situatie te houden dieren onder hun onderscheidenlijke diercategorieën zijn vermeld op de D-lijst is in onderhavige situatie een vormvrije MER-beoordeling benodigd. Op 1 januari 2021 is de Verzamelwet IenW 2019 van kracht geworden, welke onder andere toeziet op een wijziging van artikel 7.28 van de Wet milieubeheer. Uit het gewijzigde artikel 7.28 Wm, derde lid, blijkt dat bij activiteiten onder de D-drempel het MER-beoordelingsbesluit niet meer ingediend hoeft te worden bij indienen van de vergunningsaanvraag. Verzocht wordt daarom onderhavige Wabo-aanvraag tevens te beschouwen als zijnde aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 9
7.
LIGGING – OMGEVING
Onderhavig bedrijf ligt in het agrarisch buitengebied van Baarn (gemeente Baarn). In de directe omgeving van de locatie is geen bebouwde kom aanwezig. Het omliggende gebied kan aan de oostelijke zijde worden getypeerd als ‘agrarisch’ met verspreid liggende agrarische bedrijven / veehouderijen en enkele (burger-) woningen van derden. Aan westelijke zijde ligt een industriegebied. De bebouwde kom van Baarn is gelegen op een afstand van 1 kilometer van onderhavig bedrijf. De locatie wordt goed en eenvoudig ontsloten via diverse bestaande, relatief breed opgezette erftoegangswegen.
Figuur 1: Overzichtskaart omgeving projectlocatie
Het dichtstbijgelegen natuurgebied dat is aangewezen als “zeer kwetsbaar gebied” op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is gelegen op ongeveer 2,9 kilometer van onderhavig bedrijf.
Figuur 2: Overzichtskaart afstand tot dichtstbijzijnde Wav-gebied.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 10
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is “Arkemheen”, dat is gelegen op een afstand van ongeveer ruim 5,6 kilometer van onderhavig bedrijf. In navolgende afbeelding is het voornoemde weergegeven.
Figuur 3: Overzichtskaart afstand tot dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.
Onderhavige locatie is, voor zover kan worden beoordeeld, niet gelegen in een gebied gelegen dat door de provincie Utrecht is aangewezen als “stiltegebied” en/of “grondwaterbeschermings-gebied”. De locatie is daarnaast niet gelegen in een gebied met een hoge archeologisch en cultuurhistorische waarde c.q. bestemming.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 11
8.
SAMENHANG MET ANDERE ACTIVITEITEN
Op onderhavig agrarische bedrijf worden in hoofdzaak activiteiten uitgevoerd die volledig ten diensten staan van dit agrarisch bedrijf. De activiteiten vinden al jarenlang plaats op deze locatie, weliswaar in een iets andere opzet dan thans is gewenst. Het omliggende gebied kan worden getypeerd als ‘agrarisch’ met diverse verspreid liggende agrarische bedrijven en (burger-) woningen van derden. De omgeving kan worden getypeerd als “agrarisch gebied”. In de omgeving liggen hoofdzakelijk (grondgebonden en intensieve) veehouderijen en agrarische bedrijven van derden. In de directe nabijheid van het agrarisch bedrijf bevinden zich geen relevant (gevoelige) functies. Het belangrijkste gegeven voor deze aangevraagde activiteit is, dat het uitvoeren van onderhavig voornemen op zich geen ontoelaatbare toename veroorzaakt van de milieubelasting (zie hoofdstuk 11 en verder). Nu wordt voldaan aan alle geldende en relevante milieuaspecten en het gestelde in de Wet Natuurbescherming, kan geconcludeerd worden dat er geen aanwijzingen zijn dat de cumulatie met andere projecten beschouwd moet worden als een bijzondere omstandigheid. Gelet op voornoemde bestaat ten aanzien van dit aspect (locatie en omgeving) geen noodzaak voor het opstellen van een MER.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 12
9.
ASPECT GEUR
Onderhavig agrarisch bedrijf ligt in het buitengebied van Baarn, gemeente Baarn, en ligt hierdoor in een zogenaamd concentratiegebied c.q. reconstructiegebied op grond van de kaart uit bijlage 1 bij de Meststoffenwet. Daar onderhavig bedrijf een type C bedrijf is, zijn met betrekking tot het aspect geur de Wet geurhinder en veehouderij en de bijbehorende regeling maatgevend. Deze maken onderscheidt tussen dieren met en zonder geuremissiefactoren. Voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals bijvoorbeeld melkrundvee) gelden vaste afstanden, die moeten worden aangehouden tot geurgevoelige objecten. Voor dieren met omrekeningsfactoren (zoals bijvoorbeeld varkens en kippen) wordt door middel van het verspreidings-model “V-Stacks” de geuremissie uit de onderhavig bedrijf omgerekend naar geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de omgeving. Gemeentes hebben de bevoegdheid middels een geurverordening afwijkende normen en afstanden t.o.v. het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij vast te stellen De gemeente Baarn heeft nog geen geurverordening vastgesteld, waardoor enkel de Wet geurhinder en veehouderij het geldende toetsingskader ten aanzien van het aspect geuremissie betreffen 9.1
Diercategorieën met geuremissiefactoren
Op grond van het Activiteitenbesluit bedraagt in concentratiegebieden de normstelling ter plaatse van een (burger)woning van derden het buitengebied 14 OUE/m3 en ter plaatse van een woning in de bebouwde kom 3 OUE/m3. In de gewenste situatie bedraagt de geurbelasting als volgt:
Uit de berekening blijkt dat in de gewenste situatie ruimschoots aan de geldende normstellingen uit de Wet geurhinder en veehouderij kan worden voldaan.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 13
9.2
Afstand tot veehouderijen van derden
Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, gelden conform artikel 3.116 Activiteitenbesluit minimale vaste afstanden in plaats van geurbelastingsnormen. Deze minimale vaste afstanden betreffen als volgt: Categorieën
Afstand in acht te nemen
Werkelijke afstanden
Binnen de bebouwde kom
100 meter
>> 100 meter niet binnen invloedssfeer gelegen
Buiten de bebouwde kom
50 meter
>> 50 meter niet binnen invloedssfeer gelegen
Deze afstanden zijn, conform het gestelde in artikel 4 lid 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt. 9.3
Diercategorieën zonder geuremissiefactoren
In de gewenste situatie zijn op onderhavige locatie geen dieren van diercategorieën zonder geuremissiefactoren aanwezig. 9.4
Gevelafstanden
Voor zowel diercategorieën met geuremissiefactoren als diercategorieën zonder geuremissiefactoren gelden minimale gevelafstanden. Deze gevelafstanden worden gemeten tussen de dichtstbijzijnde gevel van een stal waarin dieren worden gehouden en de gevel van het dichtstbijzijnde voor geurgevoelige object. De minimale gevelafstanden bedragen als volgt: Tabel:
Overzicht gevelafstanden
Categorieën
Afstand in acht te nemen
Werkelijke afstanden
Woning in de bebouwde kom
50 meter
>> 50 meter niet binnen invloedssfeer gelegen
Woning buiten de bebouwde kom
25 meter
>> 25 meter niet binnen invloedssfeer gelegen
Uit bovenstaande blijkt dat kan worden voldaan aan de geldende afstandseisen tussen de gevel van een stal en de gevel van een woning van derden. 9.5
Conclusie
Aan de normering en minimale afstandseisen zoals opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij wordt voldaan. De regels uit de Wet geurhinder en veehouderij met betrekking tot het aspect geur vormen derhalve geen belemmering om de gewenste bedrijfsopzet te realiseren
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 14
10. ASPECT AMMONIAK 10.1
Directe ammoniakschade
Er zijn in de directe omgeving van de inrichting, voor zover bekend, geen voor ammoniak gevoelige land- en / of tuinbouwgewassen gelegen. Er is derhalve geen reden om aan te nemen dat, op dergelijke gewassen, directe schade als gevolg van de uitgestoten ammoniak zal plaatsvinden. Aan het gestelde in de Brochure Stallucht en Planten (1981) wordt dan ook voldaan. 10.2
Wet ammoniak en veehouderij
Gedeputeerde Staten van Utrecht hebben, op grond van de Wav, binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) de “zeer kwetsbare natuurgebieden” vastgesteld. In de nabije omgeving van onderhavige locatie is geen EHS en/of zeer kwetsbaar natuurgebied gelegen. Het dichtstbijgelegen natuurgebied dat is aangewezen als “een voor verzuring gevoelig gebied” op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is gelegen op ongeveer 2,9 kilometer van het bedrijf. Het bedrijf ligt derhalve niet in een zeer kwetsbaar gebied of in de omliggende zone van 250 meter daaromheen. De Wet ammoniak en veehouderij is hierdoor op onderhavige inrichting niet direct van toepassing. De ammoniakemissie afkomstig van het bedrijf vormt, gelet op het gestelde in de Wet ammoniak en veehouderij, dan ook geen weigeringsgrond voor het realiseren van de gewenste opzet. 10.3
Vogel- en Habitatrichtlijn / Wet natuurbescherming
In het kader van Europese regelgeving zijn binnen Nederland Vogelrichtlijngebieden en Habitatrichtlijngebieden aangemeld (VHR-gebieden). Deze gebieden worden ook wel Natura 2000 gebieden genoemd en vallen onder de werkingssfeer van de Wet Natuurbescherming. Voor onderhavige locatie is het college van GS van de provincie Utrecht het bevoegd gezag ten aanzien van de Wet Natuurbescherming. Voor onderhavige inrichting is op 12 juli 2012 door GS van Utrecht een besluit genomen inzake de verlening van een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998. Deze vergunning voor 1200 geiten, 600 opfokgeiten C2 en 600 opfokgeiten C3, met kenmerk Z-NB-MEL-2012-2037 betreft, conform de meest recente emissiefactoren uit de RAV-lijst, een ammoniakemissie van 2880 kg NH3. Bij de aanvraag voor een nieuwe omgevingsvergunning zal te zijner tijd een nieuwe natuurtoestemming aangevraagd worden bij provincie Utrecht. In de beoogde situatie is er sprake van een afname van de ammoniakemissie. Gelet op het gestelde in de Wet natuurbescherming vormt het aspect ammoniakemissie dan ook geen weigeringsgrond voor het realiseren van de gewenste opzet.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 15
10.4
Besluit emissiearme Huisvesting
Op 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme Huisvesting (BeH) van kracht geworden. In dit besluit is aangegeven dat de ammoniakemissie uit huisvestingssystemen niet hoger mag zijn dan de daarvoor geldende maximale emissiewaarde. Voor geiten zijn in het BeH geen maximale emissiewaardes opgenomen. De aangevraagde situatie voldoet dan ook aan het gestelde in het Besluit emissiearme Huisvesting.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 16
11. ASPECT LUCHT 11.1
Beoordeling luchtkwaliteit / NIBM
In de gewenste situatie is er, ten opzichte van de bestaande rechten, sprake van een geringe afname van de emissie van fijn stof // PM10. In de “Handreiking fijn stof en veehouderijen” (Ministerie van VROM, mei 2010) is onder meer het volgende opgenomen: Besluit NIBM Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht (NIBM), hoeft een project niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Na inwerkingtreding van het NSL op 1 augustus 2009, is de definitie van NIBM 3% van de grenswaarde, dat is 1,2 μg/m3 (artikel 2, lid 1, Besluit NIBM in samenhang met Bijlage 1A van de Regeling NIBM). Regeling NIBM In de Regeling niet in betekenende bijdragen is een lijst met categorieën van projecten opgenomen die NIBM bijdragen aan de luchtverontreiniging. Hierin zijn ook enkele landbouwbedrijven opgenomen. Vuistregel voor veehouderijen Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring.
Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in navolgende tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBM grens, dus van na de inwerkingtreding van het NSL. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM. Wanneer de toename in emissie in grammen hoger is dan in de tabel opgenomen is het project mogelijk IBM.
In onderhavige situatie is sprake van een afname van de emissie van fijn stof // PM10. Derhalve is de beoogde ontwikkeling automatisch aan te merken als “Niet in betekende Mate” (NIBM). De emissie van fijn stof vormt geen belemmering de gewenste situatie te realiseren. Aan het gestelde in de Wet luchtkwaliteit wordt voldaan.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 17
12. ASPECT GELUID 12.1
Werktijden
Onderhavig bedrijf is zeven dagen per week continue in bedrijf. De gangbare werktijden zijn van 6.00 uur ’s ochtends tot 22.00 uur ’s avonds, met uitzondering van incidentele activiteiten. Gedurende maximaal 12 dagen per jaar worden ook werkzaamheden (afwijkende bedrijfstijden) uitgevoerd in de avond- en nachtperiode (tussen 22.00 en 06.00 uur) in verband met de aan- en afvoer van dieren en de aanvoer van voerproducten. Op zon- en feestdagen worden de werkzaamheden tot een minimum beperkt. 12.2
Omschrijving geluid/trillingsbronnen binnen de inrichting Aantal
Aantal uren in bedrijf tussen: 06.00-19.00 uur
19.00-22.00 uur
22.00-06.00 uur
Melkmachine
1
4
0,5
-
Tractor t.b.v. voeren geiten
1
1,5
-
-
Hogedrukreiniger
1
0,5
-
-
Noodstroomaggregaat (mobiel)
1
Incidenteel
Incidenteel
Incidenteel
- diesel 60 KVA
12.3
Aan- en afvoerbewegingen
Geluid-/trillingsbron
Frequentie (aantal dagen per aangegeven
Tijdsduur laden / lossen
Aantal voertuigen voor aan- en afvoer per activiteit:
periode)
07.00 - 19.00 u.
Aanvoer veevoer
1 x week
40 minuten
1 vrachtwagen
Aan- en afvoer geiten
1 x per 2
30 minuten
1 vrachtwagen
19.00 - 23.00 u.
23.00 - 07.00 u.
weken
Aanvoer ruwvoer*
8 x jaar
4 uur
15 tractoren
Afvoer vaste mest*
2 x jaar
20 minuten
15 tractoren/ vrachtwagens
Afvoer kadavers
Op afroep (ong.
5 minuten
1 vrachtwagen
1x maand)
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 18
Aanvoer dieselolie*
2 x jaar
20 minuten
1 vrachtwagen
Afvoer melk
1x per 3 dagen
15 minuten
1 vrachtwagen
Personenauto’s
1 x dag
15 minuten
4 auto’s
* Incidenteel (maximaal 12x per jaar) is het mogelijk dat afvoer van dieren of mest in de avond of nacht geschied. Dit is afhankelijke van externe factoren, zoals de planning op de slachterij en de grootte van de voorjaarspiek in arbeid bij de loonwerker.
Gelet op het aantal aan- en afvoerbewegingen, de situering en afscherming van de aanwezige installaties (d.m.v. bijvoorbeeld het inpandig aanwezig zijn van alle geluidsbronnen m.b.t. de melkinstallatie), de omgeving en de door te voeren wijzigingen, behoeft in de gevraagde situatie niet te worden gevreesd voor een ontoelaatbare (toename van de) geluidsproductie. Voorts kan nog opgemerkt worden dat er thans reeds sprake is van een vergelijkbare bedrijfsvoering op onderhavige locatie, en dat door de geruime afstand tot woningen van derden (> 100 meter) niet gevreesd behoeft te worden voor een grote toename van de geluidsbelasting. Daarom kan ongewijzigd aan de geldende normstelling worden voldaan.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 19
13. ENERGIE- & WATERVERBRUIK 13.1
Energieverbruik
In navolgende tabel is een schatting van het jaarlijkse energieverbruik weergegeven. Tevens is de wijze van meten en registeren van de energiegegevens in deze tabel opgenomen. Energiebron
Verbruik
Wijze registratie
Incidentie
Uitvoerende partij
Aardgas
10.000 m3
Jaarrekening
1x per jaar
Energiebedrijf / eigen meting
Elektriciteit
90.000 KWh
Jaarrekening
1x per jaar
Energiebedrijf / eigen meting
13.2
Waterverbruik
In navolgende tabel is het geschatte waterverbruik weergegeven. Soort water
m3 per jaar
Globaal gebruiksdoel
Leidingwater
5.000 m3
Privé, Drinkwater dieren, calamiteiten, schoonmaakwerkzaamheden en sanitair
Grondwater
10.000 m3
Drinkwater dieren en schoonmaakwerkzaamheden
14. OPSLAG VAN GROND-, HULP- EN AFVALSTOFFEN Ten aanzien van de aanwezige grond- en hulpstoffen wordt verwezen naar de plattegrondtekening. 14.1
Opslag gas
Op onderhavige locatie wordt geen gas opgeslagen. 14.2
Opslag en afvoer van bedrijfsafvalstoffen
Soort afval
Wijze van opslag
Afvoerfrequentie
Inzamelaar / verwerker
Restafval
Container 240 liter
1 x per 2 weken
Erkende inzamelaar
GFT
Container 240 liter
1 x per 2 weken
Erkende inzamelaar
Kadavers
Kadaverkap
Op afroep
Rendac
Oud papier
Container 240 liter
1 x per 2 weken
Erkende inzamelaar
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 20
15. OPSLAG VAN RUWVOER EN MEST 15.1
Opslag van ruwvoer
Volgens artikel 3.46 vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer dient een kuilvoeropslag op ten minste 25 meter van het dichtstbijzijnde geurgevoelige object gesitueerd te zijn. In onderhavige situatie betreft deze afstand meer dan 50 meter. Er wordt dan ook ruimschoots aan de betreffende minimumafstand voldaan. 15.2
Opslag van mest
Soort Vaste mest in strostal Opslag van vaste mest
15.3
Hoeveelheid
Afgedekt?
600 m3
nee
Afstanden tussen bovengrondse opslag van vaste mest en woningen van derden
Daar er bovengrondse mestopslag van vaste mest aanwezig is op onderhavig bedrijf, zijn artikelen 3.45 en 3.46 uit het Activiteitenbesluit van toepassing. Onderhavig artikel schrijft minimale afstandseisen voor tussen agrarische bedrijfsstoffen en woningen van derden (ggo’s).
50 meter tussen dergelijke opslagen en ggo’s gelegen buiten de bebouwde kom; 100 meter tussen dergelijke opslagen en ggo’s gelegen binnen de bebouwde kom.
In onderhavige situatie wordt aan voornoemde minimale afstanden voldaan. Het bedrijf voldoet dan ook aan het gestelde in artikelen 3.45 en 3.46 van het Activiteitenbesluit 15.4
Afstanden tussen bovengrondse drijfmestopslag en woningen van derden
Binnen onderhavige inrichting is in de beoogde situatie geen bovengrondse opslag van vloeibare mest aanwezig.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 21
16. BODEMBESCHERMING & AFVALWATER 16.1
Bodembeschermende maatregelen
Op onderhavige veehouderij zijn de navolgende bodembeschermende maatregelen genomen: Activiteit
Maatregel
stallen / houden van dieren opslag vaste mest opslag reinigingsmiddelen opslag medicijnen opslag kadavers opslag voer opslag ruwvoer
vloeistofkerende vloer mestdichte plaat opslag in afgesloten kast werkvoorraad in dichte kast vloeistofkerende vloer productbestendige silo’s en zakgoed foliebalen en sleufsilo’s
Gelet op bovenstaande zijn voor alle bodembedreigende activiteiten voldoende maatregelen getroffen. Op grond van de Nederlandse Richtlijn Bodemrisico is er hierdoor sprake van een aanvaardbaar verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging (cat. I). 16.2
Bedrijfsafvalwater
Verontreinigde stoffen die in het afvalwater kunnen komen: Handeling waarbij afvalwater vrijkomt
Afvalstof
Opvang afvalwater in
Reinigen stallen
Stof-, voer- en mestresten
Pot
Hemelwater
-
Bodem/ sloot
Sanitaire voorzieningen
Afvalwater van huishoudelijke aard
Riolering
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 22
17. NADERE GEGEVENS Ten aanzien van de aanwezige installaties, het elektrische vermogen en het vermogen van de verbrandingsmotoren wordt verwezen naar de plattegrondtekening. 17.1
Metingen en registratie leidingwaterverbruik grondstoffenverbruik afvalstoffen energieverbruik dierbezetting mest en mineralenboekhouding keuringen / inspecties, o.a. brandblusmiddelen, Cv’s, etc. bedrijfsafvalwater
17.2
Brandveiligheid
De aanwezige brandblusmiddelen zijn aangegeven op de plattegrondtekening. 17.3
Toekomstige ontwikkelingen
Er zijn geen toekomstige ontwikkelingen die van belang zijn voor onderhavige aanvraag.
18. CONCLUSIE Het onderhavige initiatief is getoetst en beoordeeld aan de hand van de Europese criteria en relevante wet- en regelgeving. Hieruit kunnen wij concluderen dat: 1. De ligging en voorgenomen activiteiten van de inrichting leiden niet tot ontoelaatbare c.q. onherstelbare milieugevolgen voor de omgeving; 2. De milieu hygiënische effecten als gevolg van de voorgenomen omschakeling van het bedrijf zijn niet zodanig dat een beoordeling door middel van een milieueffectrapportage nodig is; 3. De milieugevolgen met betrekking tot de omschakeling kunnen door het bevoegd gezag afdoende worden beoordeeld in een procedure op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (activiteit milieu) en op grond van het Activiteitenbesluit.
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 23
BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2:
Plattegrondtekening gewenste bedrijfsopzet AERIUS-verschilberekening
Toelichting WABO onderdeel milieu + vvMER – Zuidereind 11 te Baarn 24