854040 VVGB Zuidereind 11 bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan Aanvraag aanleg nieuwe stal
Opdrachtgever:
A. Breij Zuidereind 11 3741LG Baarn
Opdrachtnemer:
VanWestreenen B.V. G.J. Nap nap@vanwestreenen.nl
Status:
Definitief
Datum:
4 januari 2023
Inhoud 1.
INLEIDING ........................................................................................................................................ 4 1.1 Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................. 4 1.2 Projectgebied ................................................................................................................................ 4 1.3 Aanpak ........................................................................................................................................... 4 1.4 Geldend bestemmingsplan............................................................................................................ 4 1.5 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 5
2.
PLANBESCHRIJVING ......................................................................................................................... 6 2.1 Bestaande situatie ......................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving planontwikkeling ....................................................................................................... 6 2.3 Afwijking vigerend bestemmingsplan ........................................................................................... 8
3.
BELEIDSKADER ................................................................................................................................. 9 3.1 Nationaal beleid ............................................................................................................................ 9 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ......................................................................................... 9 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening................................................................................. 9 Bro; ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................... 10 3.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................ 10 Omgevingsvisie Utrecht ................................................................................................................ 10 Natuur- en landschapsbeleid ........................................................................................................ 10 Interim Omgevingsverordening Utrecht ....................................................................................... 11 3.3 Gemeentelijk beleid ....................................................................................................................
14 Vergroten bebouwingsoppervlak .................................................................................................. 14 Vergroten bouwperceel ................................................................................................................ 14
4.
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN .............................................................................................. 17 4.1 Natuur en ecologie ...................................................................................................................... 17 4.2 MER ............................................................................................................................................. 17 4.3 Archeologie.................................................................................................................................. 17 4.4 Waterhuishouding ....................................................................................................................... 17 Beleidskader .................................................................................................................................. 17 Watertoets .................................................................................................................................... 18 4.5 Milieuzonering............................................................................................................................. 18 Inleiding .........................................................................................................................................
18 Agrarische bedrijfsactiviteiten Bepaling milieucategorie ............................................................. 18
Ruimtelijke onderbouwing
2
4.6 Bodem ......................................................................................................................................... 20 4.7 Geluid .......................................................................................................................................... 20 4.8 Luchtkwaliteit .............................................................................................................................. 21 4.9 Externe veiligheid ........................................................................................................................ 21 4.10 Verkeer en parkeren.................................................................................................................. 22 4.11 Kabels en leidingen.................................................................................................................... 22 5.
ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE HAALBAARHEID............................................................. 23 5.1 Economische uitvoerbaarheid..................................................................................................... 23 5.2 Maatschappelijke aanvaardbaarheid .......................................................................................... 23 5.3 Afweging en conclusie ................................................................................................................. 23
6.
Overzicht bijlagen .......................................................................................................................... 23
Ruimtelijke onderbouwing
3
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doelstelling Op 30 juni 2021 en 23 november 2021 is namens initiatiefnemer, A. Breij, een principeverzoek ingediend voor het optimaliseren van het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer aan de Zuidereind 11 te Baarn. Door het bevoegd gezag is besloten in principe medewerking te verlenen aan het vergroten van het agrarisch bouwvlak. Het bevoegd gezag heeft aangegeven dat voor het verzochte plan een aanvraag om omgevingsvergunning kan worden ingediend. Onderdeel van de aanvraag om omgevingsvergunning is het aanleveren van een ruimtelijke onderbouwing. Hier wordt middels voorliggend document in voorzien.
1.2 Projectgebied De locatie is gelegen ten noorden van Baarn. De locatie ligt in een gemengd gebied met daarin zowel agrarische als niet agrarische functies. De veehouderij is gelegen op een afstand van 1000 meter van de bebouwde kom van Baarn.
Afbeelding 1.2 Luchtfoto projectgebied, bron: Streetsmart
1.3 Aanpak Voor onderhavige ontwikkeling wordt middels een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3 Wabo afgeweken van het bestemmingsplan. Ten behoeve van deze afwijking is onderhavige ruimtelijke onderbouwing opgesteld en betreft de onderbouwing van het ruimtelijk spoor in het kader van de planologische procedure.
1.4 Geldend bestemmingsplan Het perceel aan de Zuidereind 11 valt onder het regime van ‘Bestemmingsplan landelijk gebied’, zoals vastgesteld op 26 augustus 2009 door de gemeente Baarn. Het perceel heeft de bestemming ‘Agrarisch met landschappelijke en natuurlijke waarden’. Ruimtelijke onderbouwing
4
De gronden binnen het plangebied mogen conform de bestemmingsomschrijving gebruikt worden voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven. Bedrijfsbebouwing mag enkel binnen het bouwvlak worden gerealiseerd en het maximale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing mag niet meer dan 4000 m2 bedragen.
Afbeelding 1.4. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan “Consolidatieplan Buitengebied Rhenen”.
1.5 Leeswijzer In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt na dit inleidende hoofdstuk in hoofdstuk 2 het plan zelf beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleid van de verschillende overheden dat van toepassing is. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het plan getoetst aan de hand van milieu- en omgevingsaspecten. Ten slotte komen in het vijfde hoofdstuk de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Ruimtelijke onderbouwing
5
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie De heer A. Breij is eigenaar van het perceel aan de Zuidereind 11 te Baarn. De locatie ligt in een gemengd gebied met daarin zowel agrarische als niet agrarische functies. De veehouderij is gelegen op een afstand van 1000 meter van de bebouwde kom van Baarn. De heer A. Breij exploiteert een melkgeitenhouderij met de daarbij behorende voorzieningen en installaties. Ten behoeve van de geitenhouderij zijn op het perceel meerdere gebouwen aanwezig in de vorm van veestallen en opslagvoorzieningen voor ruwvoer en mest. Verder is op het perceel een bedrijfswoning aanwezig. Cliënt heeft een natuurvergunning voor het houden van 1.200 melkgeiten (Rav. C1.100), 600 (C2.100) en 600 (Rav. C3.100) opfokgeiten. Het bedrijf is een volwaardig familiebedrijf dat
grondgebonden is, al het ruwvoer is afkomstig van eigen land.
Afbeelding 2.1. Uitsnede luchtfoto projectgebied.
2.2 Beschrijving planontwikkeling Het bedrijf van cliënt heeft zich ontwikkeld tot een volwaardig melkgeitenbedrijf met een gemiddelde bedrijfsgrote. Cliënt heeft een voormalig melkveebedrijf aangekocht en omgezet naar melkgeiten. Hiervoor is destijds een nieuwe stal voor melkgeiten gebouwd. Omdat de stal met zeer geringe middelen is gebouwd, voldoet het niet meer aan de huidige eisen van een moderne geitenhouderij. Ook qua arbeidsgemak en dierenwelzijn voldoet de stal niet meer. Tenslotte is het voorste gedeelte van de stal met melklokaal afgeschreven en aan vervanging toe. Door een aantrekkende afzetmarkt zijn de melkprijzen de laatste jaren boven gemiddeld. Hierdoor heeft het bedrijf economisch de ruimte gekregen om een nieuwe stal te bouwen die voldoende ruimte biedt om de melkgeiten middels bovenwettelijke dierwelzijnseisen te kunnen houden. Zoals genoemd is de wens van cliënt om een nieuwe melkgeitenstal te bouwen op het perceel. Hiermee dient een deel van de oude stal als opfokstal voor lammeren die op het bedrijf geboren worden. De nieuwe stal wordt een vrijstaande stal achterop het perceel met een lengte van 104,4 Ruimtelijke onderbouwing
6
meter. Hiermee wordt de grens van het bouwperceel licht overschreden. In de nieuwe stal komt tevens een nieuw melklokaal. Op de plaats van de sleufsilo’s, gedeeltelijk buiten het bouwperceel, wordt de nieuw te bouwen stal gepositioneerd. De melkgeitenstal wordt gesitueerd achter de bestaande melkgeitenstal. De nieuwe stal zal evenwijdig aan de Lodijk komen te staan, met daar tussen een smalle groenstrook. Er is gekozen voor een lange stal, omdat dit beter past bij de vormgeving van het bouwkavel en de breedte van het bouwblok. Wanneer er een korte en brede stal gebouwd zou worden ontstaat er te weinig werkruimte tussen de gebouwen om veilig te werken. Verder zou een brede stal een nokhoogte van meer dan 10 meter opleveren. Om de nokhoogte hierbinnen te houden is om deze en voornoemde redenen, na overleg met de gemeente, besloten om een lange stal te bouwen.
Afbeelding 2.2. Uitsnede luchtfoto projectgebied met uitgelicht het huidige bouwperceel.
In het plan is er tot in verhouding van de rest van het gebouw een beperkte overschrijding van het bouwblok. De gevel is aan de onderzijde voorzien van betonpanelen met daarboven damwand in een gedekte kleur. De twee zijgevels zijn aan de onderzijde voorzien van betonpanelen met daarboven een ventilatiegordijn. Wanneer er een nieuwe stal wordt gebouwd ontstaat er op het bedrijf extra ruimte om de overige gebouwen te optimaliseren. Op het bedrijf is op dit moment beperkt ruimte voor stro opslag en machineberging. In de plannen is er altijd van uitgegaan in de oude geitenstal hier plaats voor wordt gemaakt. De huidige melkgeitenstal krijgt hierdoor gedeeltelijk een nieuwe functie voor de opslag van o.a stro/hooi en andere grondstoffen. Het overige gedeelte zal nog worden gebruikt als geitenstal. Hiervan zal ook een gedeelte worden omgebouwd voor de huisvesting van jongvee om deze dieren meer ruimte te kunnen bieden. Tevens is de huidige melkgeitenstal verouderd en voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd. Om als bedrijfsopvolger ook in de toekomst te kunnen voort zetten is het van belang het bedrijf up to date te
Ruimtelijke onderbouwing
7
houden. Zo is er in de nieuwe stal meer leef oppervlakte per geit, en zorgt de grotere inhoud van de stal voor een verbeterde luchtkwaliteit voor zowel mens als dier. De huidige melkgeitenstal is van binnen verzakt waardoor het onmogelijk is om hierin eventueel te automatiseren. In de nieuwe stal zal ook een nieuwe melkstal worden gesitueerd die zorgt voor een verbeterde ergonomie en kortere looplijnen op het bedrijf.
Afbeelding 2.3. Uitsnede tekening gewenste situatie
2.3 Afwijking vigerend bestemmingsplan De geldende juridisch-planologische situatie van het plangebied is vastgesteld in het ‘Bestemmingsplan landelijk gebied. Het plangebied ter plaatse heeft de bestemming ‘Agrarisch met landschappelijke en natuurlijke waarden’. Het plan past niet binnen het huidige bouwvlak en is daarom in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Verder is in de beoogde situatie de oppervlakte aan bebouwing groter dan 4.000 m2, wat ook in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Door middel van een omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan wordt voorzien in de mogelijkheid om de voorgestelde ontwikkeling te realiseren.
Ruimtelijke onderbouwing
8
3. BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het actuele algemene ruimtelijke beleidskader behandeld met conclusies over de betekenis van het beleidskader voor de planlocatie. Het specifieke sectorale beleid gericht op bepaalde thema’s komt in Hoofdstuk 4 Milieu- en Omgevingsaspecten nader aan bod.
3.1 Nationaal beleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en in werking getreden. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteitsaanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving en vervangt enkele ruimtelijke doelen en uitspraken uit andere documenten. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de voormalige Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium ‘decentraal, tenzij’. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van het Rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap (waaronder het beleid voor Nationale Landschappen) laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
Het Rijk borgt dat het rivierensysteem ruimte houdt om water over Rijntakken en Maas veilig af te voeren, ook voor de lange termijn, mede ter bescherming van het binnendijkse plangebied. Het belang van bescherming van de buisleidingen is in een aparte structuurvisie vastgelegd. Conclusie Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het Rijk een nationaal belang heeft aangewezen. Derhalve heeft de SVIR geen consequenties voor voorliggend plan. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Dit betreft onder meer het Nationale Natuurnetwerk (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Conclusie Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het Rijk een ander nationaal belang heeft aangewezen.
Ruimtelijke onderbouwing
9
Bro; ladder voor duurzame verstedelijking Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is per 1 oktober 2012 op onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6 van het Bro is de ‘ladder duurzame verstedelijking’ opgenomen. Deze ladder stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken Conclusie Onderhavig initiatief kan niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling, derhalve is een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Utrecht Op 10 maart 2021 is de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie staat beschreven hoe de provincie om gaat met ruimtelijke ontwikkelingen binnen haar provinciegrenzen. De regio Amersfoort bestaat uit zeven gemeenten in het noordoostelijke deel van de provincie Utrecht. Eemland is een waardevol veenweidegebied, met zowel hoge recreatieve als ecologische waarden. De landbouw bestaat voornamelijk uit grondgebonden melkveehouderij. Provincie Utrecht ondersteund de transitie naar een duurzame landbouw, die circulair en natuurinclusief is. De regio Amersfoort biedt vanwege de nauwe verweving van stedelijk en landelijk gebied goede mogelijkheden voor het realiseren van korte voedselketens. Naar verwachting verliest in de komende decennia veel agrarische bebouwing zijn oorspronkelijke functie. Door maatwerk en waar mogelijk herbestemming willen wij voorkomen dat dit leidt tot een afnemende ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied. Toetsing Initiatiefnemer exploiteert op de locatie een geitenhouderij. De markt voor geitenmelk is een groeiende markt, de ondernemer levert dus een belangrijke bijdrage aan gezond voedsel voor de toekomst. De geitenhouderij is grondgebonden en past daarom uitstekend in de omgeving. Verder wordt het perceel landschappelijk ingepast.
Het plan is derhalve niet in strijd met de Omgevingsvisie. Natuur- en landschapsbeleid De planlocatie is niet gelegen binnen Natura 2000-gebieden’, de ‘Groene Contour’, of ‘Natuurnetwerk Nederland’ (zie navolgende kaart).
Ruimtelijke onderbouwing
10
Planlocatie
Afbeelding 3.2.1. Uitsnede Omgevingsvisie Themakaart: Natuur- en landschapsbeleid
Interim Omgevingsverordening Utrecht In de Interim Omgevingsverordening Utrecht zijn een aantal artikelen opgenomen met betrekking tot uitbreidingen van bestaande functies. Dit betreft een nadere uitwerking van de Omgevingsvisie Utrecht. Onderstaand zijn de relevante artikelen weergegeven en getoetst voor onderhavig plan. Artikel 7.9 Instructieregel landschap 1. Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. Voor het landschap Eemland willen we de volgende kernkwaliteiten behouden: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
extreme openheid; slagenverkaveling; veenweidekarakter; historie van de Zuiderzee; Grebbelinie; overgangsgebieden (bij Eemnes, Soest en Amersfoort)
Ruimtelijke onderbouwing
11
Toetsing De landschappelijke inpassing van het perceel is beschreven in paragraaf 4.6 ‘Landschap’. Uit dit inpassingsplan blijkt dat het plan niet in strijd is met deze kernkwaliteiten. Artikel 8.1 Instructieregel agrarische bedrijven 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat geen bestemmingen en regels die voorzien in: a. nieuwe agrarische bouwpercelen, tenzij het gaat om de verplaatsing van een grondgebonden landbouwbedrijf voor het voldoen aan internationale verplichtingen; en b. een omschakeling van grondgebonden agrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden veehouderij. 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat bestemmingen en regels die voorzien in een agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, waarbij per bouwperceel maximaal één bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen met maximaal één bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor een grondgebonden veehouderij tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing: b.
de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn; c. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; d. en de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid. 4. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan bestemmingen en regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de nevenactiviteit blijft ruimtelijk ondergeschikt aan de agrarische activiteiten; b. de nevenactiviteit vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel; c. erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschappelijk goed inpasbaar; en d. omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. Toetsing Het plan voorziet niet in de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf of de omzetting van een grondgebonden veehouderij naar een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf. Het plan voorziet wel in het bouwen buiten het agrarisch bouwperceel. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een
Ruimtelijke onderbouwing
12
wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan, waardoor dit onderdeel niet hoeft te worden getoetst aan de verordening.
Ruimtelijke onderbouwing
13
3.3 Gemeentelijk beleid Vergroten bebouwingsoppervlak De heer A. Breij is voornemens om de oppervlakte van bedrijfsbebouwing te vergroten van 2718 naar 5500m2. Onderhavig plan is derhalve in strijd met het geldende bestemmingsplan. In artikel 3 onder 3b is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het uitbreiden van de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van: b. het bepaalde in lid 2 onder a.2, voor het verhogen van het maximale oppervlak aan gebouwen met maximaal 1.500 m², onder de voorwaarde dat vooraf is aangetoond dat deze verhoging niet in strijd is met natuurbeschermingswetgeving. Ad 3.3b: het uitbreiden van de oppervlakte aan bebouwing; Het bebouwde oppervlak bedraagt momenteel 2.718 m2. De beoogde stal heeft een afmeting van 34,5 meter bij 104,4 meter. Er komt aan bebouwing 2.782 m2 bij. Totaal aan bebouwd oppervlak komt neer op 5.500. Hiervoor kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van: het bepaalde in lid 2 onder a.2, voor het verhogen van het maximale oppervlak (van 4.000 m2 aan bedrijfsbebouwing) aan gebouwen met maximaal 1.500 m², onder de voorwaarde dat vooraf is aangetoond dat deze verhoging niet in strijd is met natuurbeschermings-wetgeving.
Uit de AERIUS berekening die bij dit verzoek is opgenomen blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentie.
Vergroten bouwperceel Naast het uitbreiden van de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing is er ook sprake van het overschrijden van de grens van het bouwperceel. In artikel 28 lid A.3 van het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten van het bouwperceel tot 1,5 ha: Burgemeester en wethouders kunnen overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het bestemmingsplan, voor zover de gronden zijn bestemd als 'Agrarisch met landschappelijke en natuurlijke waarden', wijzigen ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak tot maximaal 1,5 ha, met dien verstande, dat: 1. aangetoond dient te zijn dat de uitbreiding noodzakelijk is om bedrijfseconomische redenen dan wel vanwege eisen van dierenwelzijn; 2. de bebouwing landschappelijk wordt ingepast; 3. de uitbreiding plaats dient te vinden ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering; 4. voorafgaand aan de wijziging onderzoek in het kader van de Flora- en faunawet dient te zijn verricht.
Ruimtelijke onderbouwing
14
Op voorgaande bepalingen kan als volgt worden gereageerd: Ad 1. bedrijfseconomische noodzaak en dierenwelzijn Uit voorgaande blijkt dat er sprake is van een uitbreiding t.b.v. dierwelzijn, van de melkgeiten. Er is geen toename in het aantal dieren zoals vergund in de vergunning op grond van Wet natuurbescherming. Omdat de beoogde geitenstal een stimulans moet geven aan dierwelzijn, is het ook van belang deze stal te ventileren doormiddel van natuurlijke ventilatie, hierdoor is het niet verstandig om te kiezen voor een brede stalopzet. Een smalle stal geeft een optimale dwarsventilatie. Omdat het oude melklokaal gedateerd is en aan vervanging toe is dient de nieuwe stal ook te worden voorzien van een nieuw melklokaal. De ruwvoeropslag vindt nu deels plaats op de plek waar de nieuwe stal zou moeten komen. Om voldoende voer op te kunnen slaan dient de voeropslag verplaatst te worden naar elders op het bouwperceel. De oude melkstal (voormalig melkveestal) zou worden gesloopt. De oude melkgeitenstal krijgt een nieuwe invullen als opfokstal en stro/foerage opslag. Momenteel is er te weinig opslag voor stro aanwezig, hierdoor is cliënt erg afhankelijk van stijgende marktprijzen. Wanneer cliënt voldoende opslag voor stro heeft, kan hij tegen een lagere prijs zijn opslag direct na de oogst aanvullen.
Hierdoor komen er gedurende het jaar minder verkeersbewegingen voor en wordt dit beperkt naar hooguit 3 piekperiodes per jaar. De melkgeiten worden gehouden op stro middels een potstalprincipe, de mest dat hieruit vrijkomt wordt tijdelijk opgeslagen in een vaste mestopslag. Deze mestopslag worden enkele keren per jaar leeggereden. Cliënt overweegt deze mestopslag op termijn te overkappen. Uit voorgaande onderbouwing in combinatie met bijgevoegde plattegrondtekening blijkt dat nieuwe melkgeitenstal bedrijfseconomisch noodzakelijk is en bijdraagt aan een verbetering van het dierenwelzijn. Ad 2. De bebouwing landschappelijk wordt ingepast; Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage toegevoegd. Ad 3. De uitbreiding plaats dient te vinden ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering; In de vergunning op grond van de Wet natuurbescherming zijn de volgende dieraantallen vergund, 1200 melkgeiten (Rav C1.100), 600 lammeren (Rav C2.100) en 600 lammeren (Rav C3.100). In de beoogde situatie is er geen toename in het aantal geiten in categorie C1, C2 en C3. Tevens is het niet toegestaan middels de provinciale verordening om meer geiten te gaan houden. Dit besluit is vastgesteld op 4 juni 2018, Provinciale ruimtelijke verordening inzake vestiging, uitbreiding of omschakeling geitenhouderijen.
In de aanvraag omgevingsvergunning 2012 is in een brief aan het college, aangetoond dat het bedrijf destijds al grondgebonden was. De huidige situatie is onveranderd. Doordat er geen extra dieren gehouden worden kan worden voldaan aan een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering.
Ruimtelijke onderbouwing
15
Ad 4. Voorafgaand aan de wijziging onderzoek in het kader van de Flora- en faunawet dient te zijn verricht. Op de locatie van de nieuw te bouwen melkgeitenstal bevinden zich nu ruwvoeropslagen in de vorm van sleufsilo’s. Omdat hier dagelijkse activiteiten plaatsvinden, door het afhalen van grond als toplaag van de rijkuilen en het uitkuilen van het voer, is niet te verwachten dat hier beschermde diersoorten zitten zoals benoemt in kader Wet natuurbescherming. Waar de ruwvoeropslag eindigt begint het weiland. Ook hier zijn regelmatig activiteiten zoals bemesten en maaien van het land. Mede doordat het stuk weiland kort aan de inrichting ligt is het niet te verwachten dat ook hier beschermde diersoorten zitten zoals benoemt in kader Wet natuurbescherming. Hierdoor is een quickscan Flora- en faunawet niet nodig.
Ruimtelijke onderbouwing
16
4. MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk wordt worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld.
4.1 Natuur en ecologie Gebiedsbescherming / Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterweg te laten of te beperken. Het plangebied is niet gelegen in of nabij een Natura 2000-gebied. In bijgevoegde AERIUS-berekening is aangetoond dat er geen significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden optreden.
4.2 MER Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt vaak een m.e.r. doorlopen. Onderhavig plan bevat geen activiteiten zoals benoemd in kolom 1, onderdeel D in het Besluit m.e.r. De beoogde ontwikkeling vormt hiervoor dan ook geen belemmering.
4.3 Archeologie Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn geen bepalingen opgenomen voor het aspect archeologie.
4.4 Waterhuishouding Beleidskader Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022 - 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Dit NWP beschrijf de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan pleit daarom voor meer samenhang tussen het beleid voor water, ruimtelijke ordening en milieu, gericht op de verschillende belangen zoals veiligheid, landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, transport, recreatie en visserij, daarbij ruimte scheppend voor gebiedsgericht maatwerk. Kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water’
Ruimtelijke onderbouwing
17
In december 2000 is het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' vastgesteld. Dit is met name nodig om het hoofd te kunnen bieden aan zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling. Dit vergt een aanpak van het waterbeheer in samenhang met de ruimtelijke ordening. Het kabinetsstandpunt noemt de 'Watertoets' als instrument voor het vooraf beoordelen van ruimtelijke plannen op de gevolgen voor de waterhuishouding. Watertoets Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterbelang, de korte procedure en de normale procedure.
Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van waterschap nodig. Toetsing Het totale aantal vierkante meters aan bebouwing neemt slechts licht toe. Verder komt de stal op de plek van de sleufsilo’s, hierdoor treedt juist een verbetering op daar het water dat van de daken vloeit schoner is dan van sleufsilo’s het geval is. Hierdoor is het niet nodig om een watertoets uit te voeren.
4.5 Milieuzonering Inleiding Naast de ruimtelijke impact dient tevens onderzocht te worden of ter plaatse van de omliggende woningen (gevoelige objecten) na het realiseren van het plan nog steeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook dient te worden onderzocht of door het realiseren van het plan de bedrijfsontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende (agrarische) bedrijven worden aangetast. Middels milieuzonering kan hierover een uitspraak worden gedaan. Agrarische bedrijfsactiviteiten Bepaling milieucategorie Voor het aspect zonering tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies wordt de VNG brochure “Bedrijven en milieuzonering” editie 2009 gebruikt. De brochure is bedoeld als hulpmiddel. Als gevolg van jurisprudentie heeft de publicatie bijna de status van “pseudowetgeving” gekregen waarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken. Het uitgangspunt in de nieuwe versie is gemotiveerd toepassen, met Ruimtelijke onderbouwing
18
als doel te komen tot maatwerk op lokaal niveau. De brochure is toe te passen voor plannen en voor het toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De gewenste afstand tussen een bedrijfsactiviteit en woningen (of andere gevoelige functies zoals scholen en kantoren) wordt mede bepaald door het type gebied waarin de gevoelige functie zich bevindt. Conform de VNG-publicatie worden daarbij omgevingstypen onderscheiden die zijn gebaseerd op functiescheiding: rustige woonwijk en gebieden die zijn gebaseerd op functiemenging: gemengd gebied.
GELUID
GEVAAR
GROOTSTE AFSTAND
CATEGORIE
LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW Fokken en houden van overige graasdieren 50 30
30
0
50
3.1
-
GEUR
nummer
SBI 2008 01 0145
STOF
Voor onderhavig bedrijf geldt de SBI code 0145. Volgens de richtafstandenlijst (zie onderstaand figuur) zoals opgenomen in de VNG brochure kan een dergelijk bedrijf worden aangemerkt als een categorie 3.1 bedrijf, waarbij de grootste afstand (geur) 50 meter bedraagt.
De richtafstanden die zijn vermeld in de SvB gelden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Voor een gemengd gebied (en daarmee te vergelijken gebieden) gelden kleinere afstanden. In een gemengd gebied komen naast wonen ook andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer is gesitueerd in een lint met een variatie van burgerwoningen, agrarische bedrijven, en niet-agrarische bedrijven. Derhalve moet het plangebied worden aangemerkt als gemengd gebied. In de onderstaande tabel is per milieucategorie de bijbehorende richtafstand weergegeven. De richtafstand geldt tussen de bestemmingsgrens en de uiterste situering van de gevel van het gevoelige object. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2
Richtafstand (m) in gemengd gebied 0 10 30 50
Richtafstand (m) in rustig woongebied 10 30 50 100
De grootste richtafstand kan derhalve worden verkleind tot 30 meter. Toetsing Ruimtelijke onderbouwing
19
Het dichtstbijzijnde gevoelige object bevindt zich op een afstand van circa 100 meter aan de westelijke zijde van het huidige bouwvlak. Andere geurgevoelige objecten liggen op circa 150 meter aan noordelijke en 165 meter aan zuidelijke zijde van het huidige bouwvlak. Derhalve wordt voor de aspecten geluid, stof en gevaar voldaan aan de richtafstanden zoals deze gelden in gemengd gebied. De grootste richtafstand (geur) kan door de ligging in gemengd gebied worden verkleind tot 30 meter. De uitbreiding van het bouwvlak bevindt zich op meer dan 100 meter van omliggende geur-gevoelige objecten. Gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden naastgelegen gronden De uitbreiding vindt plaats op eigen gronden. Tevens wordt met het plan geen gevoelig object mogelijk gemaakt welke de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven zou kunnen beperken. De gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen gronden worden derhalve niet belemmerd. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.6 Bodem In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Toetsing In onderhavige situatie wordt geen gevoelig object opgericht. De stal zal een vloeistofdichte vloer krijgen, waardoor de onderliggende bodem niet van invloed is op het gebruik van de stal. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het verlenen van een omgevingsvergunning.
4.7 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient er, op basis van de Wet geluidhinder, onderzocht te worden of er sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer, spoor of bedrijven. Het plan zelf voorziet niet in een geluidgevoelige functie. Als gevolg van het plan is wel sprake van geluidsuitstraling van het perceel op de omgeving. De beoogde geluidsuitstraling zal licht anders zijn dan nu feitelijk al reeds plaatsvindt. Gezien de geluidssituatie licht veranderd en de gevoelige objecten (woningen en bedrijven) allen op minimaal 100 meter afstand van het perceel bevinden, kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de gewenste ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing
20
4.8 Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentratie van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging, dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit. Met de Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkeling in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
In artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de bijlagen van de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarde voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft slechts het ruimtelijk spoor in het kader van de omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan. Het aspect luchtkwaliteit hoeft derhalve niet nader te worden beoordeeld.
4.9 Externe veiligheid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid (EV) naar verschillende aspecten te worden gekeken: -
Bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen.
Externe veiligheid heeft betrekking op de beheersing van de risico’s voor de burger, die verbonden zijn aan het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen bij tal van industriële activiteiten. De aandacht richt zich vooral op veiligheidsaspecten in het kader van de ruimtelijke ordening in relatie tot de beheersing van de risico’s die samenhangen met het grootschalig gebruik van gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij alleen om de directe gevolgen die door het eenmalig vrijkomen van gevaarlijke stoffen kunnen ontstaan.
Ruimtelijke onderbouwing
21
Planlocatie
Afbeelding 4.9 Uitsnede risicokaart
Aan de hand van de nationale risicokaart is een inventarisatie uitgevoerd naar de aanwezigheid van EV relevante bronnen in de nabije omgeving van het plangebied. Uit deze inventarisatie blijkt dat er geen risicovolle bedrijven in de nabije omgeving aanwezig zijn. Wel blijkt uit de kaart dat er ten noorden en oosten van het plangebied, een tweetal tankstations zijn die beschikken over LPG opslag. Op grond van het voornoemde kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de besluitvorming van onderhavig wijzigingsplan.
4.10 Verkeer en parkeren Onderhavig wijzigingsplan zal leiden tot een lichte toename van het aantal verkeersbewegingen, hierdoor zal het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor de besluitvorming van onderhavig wijzigingsplan.
4.11 Kabels en leidingen Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Ook liggen in de omgeving van het plangebied geen hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen. Het aspect kabels en leidingen oplevert geen belemmering op voor de uitvoering van het plan.
Ruimtelijke onderbouwing
22
5. ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE HAALBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten voor deze ruimtelijke onderbouwing komen voor rekening van de initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten betreffende verhaal van exploitatiekosten en eventuele planschade wordt afgewend op de initiatiefnemer. Het plan is hiermee economisch uitvoerbaar. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. Het plan heeft verder geen consequenties voor de gemeentelijke kas.
5.2 Maatschappelijke aanvaardbaarheid In het kader van de haalbaarheid en draagvlak voor de ontwikkeling, heeft de initiatiefnemer zelf de omwonenden hiervan op de hoogte gesteld en apart gesproken.
5.3 Afweging en conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de economische vitaliteit van het buitengebied. In algemene zin kan het onderhavige plan derhalve als een wenselijke ontwikkeling worden beschouwd. Uit de toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling past in het beleid van Rijk, provincie en gemeente. Het plan is getoetst aan ruimtelijke, milieutechnische en andere relevante aspecten. Deze aspecten leveren geen belemmering op voor het onderhavige plan. Voorts kan het plan als uitvoerbaar worden beschouwd. Eindconclusie kan derhalve zijn dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, dat er geen belemmeringen bestaan dat planrealisering in de weg staat.
6. Overzicht bijlagen -
Bijlage 1: Plattegrondtekening gewenste bedrijfsopzet. Bijlage 2: AERIUS-verschilberekening Bijlage 3: Landschappelijke inpassing
Ruimtelijke onderbouwing
23