854040 VVGB Zuidereind 11 bijlage 10 Gedragscode F F
Tekst van het document
Het is mogelijk werkzaamheden uit te voeren op essentiële locaties in leefgebied, mits er sprake is van een tijdelijke aantasting (faseren) waarbij 10% ter plaatse (met een maximum van 1000 m2) gedurende maximaal 2 maanden niet beschikbaar is voor de soort en daarnaast aan het onderstaande wordt voldaan: -
-
-
Werkzaamheden starten buiten de kwetsbare voortplantings- en winterrustperiode (bij voorkeur werken in de periode half augustus tot en met september). Indien werkzaamheden plaats vinden in de gebruiksperiode: dieren door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige tijdelijk weren met een scherm in combinatie met vangen en verplaatsen naar geschikt leefgebied in de directe omgeving buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Na de werkzaamheden is het terrein weer voor 100% beschikbaar en geschikt.
Ringslang A
Broeihopen van ringslang dienen te worden gespaard; deze markeren met een beschermingszone, zie bijlage 5. Ook de verbinding met overige essentiële onderdelen in het leefgebied dient in stand te worden gehouden.
D
60
Aantasting van een broeihoop is enkel toegestaan buiten de periode dat deze voor voortplanting of overwintering gebruikt wordt. De beste maanden hiervoor zijn half april tot en met half juni.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Voorafgaand aan de aantasting, dienen minimaal 2 nieuwe broeihopen te worden gerealiseerd in het leefgebied. De hoop bestaat uit kruidig materiaal, bladeren, takken en paardenmest. De broeihopen liggen altijd in de buurt van water, in of naast struweel of ruigte en een deel van de dag in de zon. De hoop is 2-3m breed en minimaal 1m hoog en is luchtig en vochtig.
4.5.7 Vlinders Het gaat hierbij om kommavlinder, veldparelmoervlinder en teunisbloempijlstaart waarbij waardplanten en voedselplanten aanwezig zijn in kruidige vegetatie. Voor de sleedoornpage, iepenpage, bruine eikenpage en kleine ijsvogelvlinder gaat het enkel om voedselplanten. De waardplanten vallen onder de categorie houtige begroeiing. Voor vlinders dienen negatieve effecten te worden voorkomen. A
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in essentieel leefgebied. Een ecologisch deskundige dient te bepalen welke begroeiing van essentieel belang is voor deze soorten en behouden moeten blijven (waardplanten en nectarplanten).
4.5.8 Libellen Kruidige begroeiingen langs oevers biedt beschutting en insecten om op te jagen. Ook gebruiken sommige soorten planten langs de oever om als imago uit te kruipen. Voor libellen dienen negatieve effecten te worden voorkomen. A
In leefgebied van libellensoorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd bij kruidige begroeiingen langs voortplantingswater of andere kruidige begroeiing in het leefgebied die een essentiële rol vervullen als foerageerlocatie. Een ecologisch deskundige dient te bepalen welke elementen behouden moeten blijven.
B
In het leefgebied vegetatie niet verwijderen in de vliegtijd van libellen. De vliegtijd is globaal mei tot en met september. Verwijderen van kruidige begroeiingen mag niet leiden tot habitatverlies van soorten. Een beperkte aantasting is echter mogelijk mits voor imago’s in het volgende vliegseizoen voldoende schuil- en voedselmogelijkheid aanwezig blijven en de karakteristieken van het voortplantingswater behouden blijven. Een ecologisch deskundige dient te bepalen welke kruidige begroeiing verwijderd zou kunnen worden zonder negatieve effect op genoemde libellensoorten.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
61
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.5.9 Planten Veel van de beschermde plantensoorten komen voor in kruidige begroeiingen. Voorbeelden zijn beschermde orchideeën, beschermde oude akkeronkruiden. Voor alle soorten dienen negatieve effecten te worden voorkomen. A
62
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde planten markeren en behoud van abiotische omstandigheden zoals temperatuur, de hoeveelheid licht, de aanwezigheid van water en de samenstelling van de bodem.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
4.6
(Half)verharding en terreinmeubilair
De werkzaamheden in deze categorie omvatten het (gedeeltelijk) verwijderen of vervangen van (half)verhardingen (ook depots) en terreinmeubilair zoals lantaarnpalen, banken, borden en verkeersregelinstallaties. Tevens behoort bij deze categorie het aanleggen of verwijderen van ondergrondse (nuts)voorzieningen onder een (half)verharding.
4.6.1 Vogels Bij niet in gebruik zijnde (half-)verhardingen kan sprake zijn van de aanwezigheid van broedende vogels zoals visdiefjes en scholeksters. Negatieve effecten op vogels dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
Bij terreinmeubilair met rust- of voortplantingsplaatsen van beschermde vogelsoorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd. Deze elementen markeren en ontzien tijdens de werkzaamheden. Verstoring van broedgevallen voorkomen.
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode.
B
Het gebied voor aanvang van de werkzaamheden (tijdelijk) ongeschikt te maken in de periode dat de dieren niet aanwezig zijn, zodat ze zich niet vestigen. Dit is alleen mogelijk bij tijdelijke nesten en indien er voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn.
4.6.2 Amfibieën Amfibieën komen met name tijdens de voorjaars- en najaarsmigratie tussen het winter- en voortplantingshabitat in aanraking met verharding. Het gaat daarbij om het oversteken van wegen, maar ook afwateringssystemen zoals rioolputten en afwateringsgoten waar dieren in terecht komen. Maatregelen zijn met name gericht op het in stand houden van voorzieningen die verkeersslachtoffers voorkomen en voorzieningen die voorkomen dat dieren in afwateringssystemen verdwijnen en het voorkomen van barrièrewerking. Rugstreeppad gebruikt soms verharding ook als dagrustplaats of overwinteringslocatie. Ook kan bij plasvorming op verharde locaties voortplanting plaats vinden.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
63
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor de rugstreeppad.
Alle soorten B
Op locaties met migratie van amfibieën morgen in de migratieperiode werkzaamheden geen barrière vormen voor trekkende dieren. Op deze locaties alleen overdag werken en aanwezige amfibieëntunnels en verbindingen functioneel houden.
C
In leefgebied van beschermde amfibieën dient bij het plaatsen van nieuwe straatkolken maatregelen genomen te worden voor het voorkomen van faunaslachtoffers bijvoorbeeld door het plaatsen van uitklimvoorzieningen.
Rugstreeppad A
Bij overwinteringslocaties van rugstreeppad worden geen werkzaamheden uitgevoerd.
B
Op locaties waar rugstreeppadden overwinteren, werkzaamheden buiten de kwetsbare periode uitvoeren. De kwetsbare periode is van april tot en met september. De mogelijkheid om te overwinteren blijft behouden.
D
Het is mogelijk enkele overwinteringslocaties van rugstreeppad aan te tasten buiten de kwetsbare winterrustperiode. De winterrustperiode is van half oktober tot en met maart. Er dienen nieuwe mogelijkheden voor overwintering gecreëerd te worden met dezelfde omvang en kwaliteit als hetgeen wat verloren gaat, zoals een goed vergraafbare bodem van zand of hopen met stenen. Bij de oude locaties werende/geleidende schermen plaatsen Een ecologisch deskundige dient de maatregelen en locaties te bepalen.
4.6.3 Reptielen Verharding zoals bijvoorbeeld wegen en fietspaden worden door reptielen regelmatig benut als zonlocatie. In gebieden waar reptielen een hoge dichtheid kennen, komen beschermde soorten soms ook op industrieterreinen voor bij betonplaten, stoeptegels en opgeslagen materiaal etc. Het gaat hier om soorten als zandhagedis, levendbarende hagedis en ringslang. Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor zandhagedis, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang.
Alle soorten A
64
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd op terreinen of delen van terreinen) waar reptielen voorkomen.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
B
Op locaties waar reptielen overwinteren, werkzaamheden uitvoeren in april tot en met september, dit is buiten de kwetsbare periode. Op locaties waar voortplanting plaatsvindt de werkzaamheden in de periode september tot en met maart uitvoeren, dit is buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. Na de werkzaamheden dient de locatie weer geschikt te zijn voor de soort en de functie.
Zandhagedis, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang D
Op locaties waar reptielen kunnen rusten en/of voortplanten dienen voorafgaand aan de werkzaamheden buiten de kwetsbare winterrust- en /of voortplantingsperiode schermen te worden geplaatst waarmee toegang tot de werklocatie voor reptielen wordt voorkomen. De winterrustperiode is van oktober tot en met maart en de voortplantingsperiode is van april tot en met september. Wanneer dieren reeds aanwezig zijn, dienen individuen door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige te worden gevangen en overgeplaatst naar geschikt leefgebied in de omgeving.
4.6.4 Planten Voor deze categorie zijn voornamelijk muurflora en planten die groeien op stenige plaatsen relevant. Voorbeelden zijn muurbloem, smalle raai, echte gamander en beschermde varens. Ook straatkolken of rioolputten kunnen een groeiplaats bieden aan muurflora. Negatieve effecten op plantensoorten dienen te worden voorkomen.
Alles soorten A
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde planten markeren en abiotische factoren zoals vocht en schaduw in stand houden.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
65
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.7
Wateren en oevers
De werkzaamheden in deze categorie omvatten het (her)profileren van oevers, waterbodems en (gedeeltelijk) dempen van open water. Voorbeelden zijn: sloten, grachten en parkvijvers. Ook plasdraszones, grenzend aan het water worden tot deze categorie gerekend. Tevens behoort bij deze categorie het aanleggen of verwijderen van (nuts)voorzieningen in of onder water.
4.7.1 Algemeen zorgvuldig handelen Werkzaamheden vinden in eerste instantie overdag plaats om verstoring door verlichting te voorkomen. Als werkzaamheden ‘s nachts worden uitgevoerd, wordt enkel de werklocatie verlicht en uitstraling naar de omgeving voorkomen.
4.7.2 Vogels Het gaat hierbij met name om de soortgroepen watervogels, steltlopers, meeuwen en sterns die in sterke mate gebonden zijn aan water. Nesten kunnen langs de oever en op het water aanwezig zijn als drijvende of verankerde constructies. Het vormt een belangrijke voedselbron voor soorten die planten, vis en schelpdieren eten. Daarnaast vindt voor een aantal soorten ook de balts plaats op het water en kunnen grotere waterlichamen voor o.a. ganzen een functie vervullen als slaapplaats. Negatieve effecten op vogels dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
In essentieel leefgebied voor vogels worden geen werkzaamheden uitgevoerd. Verstoring van broedgevallen door werkzaamheden in de directe omgeving dient voorkomen te worden bijvoorbeeld door het afschermen van licht, beweging of geluid.
B
Herprofileren van waterbodems en dempen van open water wordt uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode. Op locaties met nesten die tijdelijk in gebruik zijn, kan de broedlocatie worden opgeheven indien er alternatieven in de omgeving zijn.
66
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Zwarte stern, witwangstern, witvleugelstern, kokmeeuw en dwergmeeuw A
Voor nesten van in kolonies broedende vogels, waar elk jaar naar toe wordt teruggekeerd, geldt dat deze functie behouden dient te blijven. Dempen van waterlichamen met nestlocaties van deze soorten is niet toegestaan.
B
Herprofilering op deze locaties mag maximaal in 50% van de watergang per jaar. De broedmogelijkheden in de vorm van nestvlotjes, krabbescheervelden of andere drijvende watervegetatie behouden.
4.7.3 Vleermuizen Waterlichamen kunnen vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen zijn. Er zijn soorten die sterk gebonden zijn aan water voor zoals watervleermuizen en meervleermuizen. Ook andere soorten kunnen in de beschutting van de oevervegetatie en boven het water foerageren. Het verwijderen van deze oevervegetatie kan effect hebben om het functioneren van het foerageergebied, zie hiervoor onderdeel kruidige begroeiing. Rondom wateren zorgen rietkragen en andere oevervegetatie voor beschutting tegen de wind en hoge concentraties vliegende insecten. Met name voor soorten die afhankelijk zijn van deze locaties dienen maatregelen getroffen worden. A
Werkzaamheden worden niet uitgevoerd op essentiële foerageerlocaties of essentiële vliegroutes van vleermuizen.
B
Werkzaamheden op essentiële foerageerlocaties of essentiële vliegroutes worden uitgevoerd buiten de actieve gebruiksperiode. De actieve periode is van april tot en met oktober. Essentiële foerageergebieden van vleermuizen blijven hierbij behouden en vliegroutes kunnen weer functioneren na uitvoering van de werkzaamheden.
C
Geringe aantasting van begroeiingen langs het water kan wel in de actieve periode van vleermuizen worden uitgevoerd bij daglicht, mits er voldoende (kunstmatige) beschutting of beschaduwing beschikbaar blijft. De actieve periode is van april tot en met oktober. Bijvoorbeeld door bij een watergang de oevervegetatie aan één zijde te bewerken. Hierbij geen kunstverlichting gebruiken en de (aan)vliegroute vrij van belemmeringen houden.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
67
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.7.4 Overige zoogdieren Er zijn diverse zoogdiersoorten die in belangrijke mate gebonden zijn aan water en de oeverzone, (o.a. waterspitsmuis, noordse woelmuis, bever en otter) als onderdeel van hun leefgebied.
Alle soorten A
Essentiele onderdelen van het leefgebied dienen te worden behouden en beschermd. Naast burchten en holen waar dieren verblijven, gaat het hier om routes die worden gebruikt en belangrijke foerageergebieden. De essentiële onderdelen dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Versnippering van leefgebied en barrièrewerking dienen te worden voorkomen.
Waterspitsmuis A
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in het leefgebied van de waterspitsmuis. Bepalen beschermingszone door een ecologisch deskundige.
B
Herprofileren van waterlichamen wordt uitgevoerd buiten de kwetsbare perioden. Dit zijn voortplantingsperiode van april tot en met augustus en de winterrustperiode van december tot en met februari. Werkzaamheden ontzien de oeverzone met leefgebied van waterspitsmuis tot een meter in het natte profiel. Werkzaamheden vinden in maximaal 50% van de watergangen met leefgebied van waterspitsmuis plaats per jaar in stroken van maximaal 250 meter lengte. Er wordt geen materiaal gedeponeerd in het leefgebied van deze soort. Dempen van watergangen in het leefgebied van de waterspitsmuis is niet toegestaan.
Noordse woelmuis A
Essentiele onderdelen van het leefgebied dienen te worden ontzien door het hanteren van een beschermingszone. Geen opslag van materiaal en dergelijke in leefgebied van noordse woelmuis.
Bever en otter A
Bij essentiële onderdelen van het leefgebied van bever en otter (burcht, hol, wissels/looproutes, belangrijke foerageerlocaties) vinden geen werkzaamheden plaats. De beschermingszone(s) op basis van verstoringsvrije afstand en functionaliteit dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige.
B
Bij rust- en voortplantingsplaatsen worden geen werkzaamheden uitgevoerd in de kwetsbare periode. De kwetsbare periode van bever is van mei tot en met augustus en die van otter van april tot en met augustus.
68
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
-
-
Er wordt alleen bij daglicht gewerkt en niet bij ijsgang. Schade aan de rust- en voortplantingsplaatsen wordt voorkomen: de beschermingszone en de aanpak op basis van behoud functionaliteit dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Dempen van water in leefgebied van bevers en otters is niet toegestaan. Wissels, zwemroutes en looproutes blijven vrij toegankelijk in de gebruiksperiode en op de gebruikstijdstippen van de soort.
4.7.5 Amfibieën Voor alle amfibieënsoorten is water van belang voor de voortplanting. Eitjes worden afgezet in tal van waterlichamen, elke soort heeft zijn eisen. Diverse soorten overwinteren echter ook in (diepere delen van) waterlichamen en maken jaarrond gebruik van de locatie. Beperkende maatregelen (D-maatregelen) zijn mogelijk voor rugstreeppad, heikikker, poelkikker, vinpootsalamander en alpenwatersalamander.
Alle soorten A
Werkzaamheden worden niet uitgevoerd in leefgebied van amfibieën.
B
Voor soorten die overwinteren op land vinden herprofileringswerkzaamheden plaats buiten de soortspecifieke voortplantingsperiode. Globaal is de geschikte werkperiode oktober tot en met februari. De exacte periode dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Na afloop van de werkzaamheden is de locatie weer geschikt voor de soort (behoud functionaliteit). Voor soorten die jaarrond in water leven vinden herprofileringswerkzaamheden buiten de kwetsbare voortplantingsperiode en winterperiode plaats. Globaal is de geschikte werkperiode september tot en met oktober. Bij deze werkzaamheden wordt maximaal 50% van de watergang per jaar bewerkt. De herprofilering mag geen afbreuk doen aan de voortplantingsmogelijkheden van de watergang voor amfibieën. Daarvoor dienen relevante (a)biotische factoren behouden te blijven zoals aanwezigheid van ondiepe zones, afwezigheid van vis, begroeide oevers. Er worden amfibieschermen gebruikt om te voorkomen dat soorten op de werklocatie terecht komen. Na de werkzaamheden is 100% van het leefgebied weer beschikbaar.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
69
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Rugstreeppad, heikikker, poelkikker, vinpootsalamander en alpenwatersalamander D
Werkzaamheden in het leefgebied (water en oeverzone) worden gefaseerd uitgevoerd. Maximaal 10% (met een maximum van 1000 m2) van het essentiële leefgebied wordt tijdelijk bewerkt, waarbij aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: -
-
Voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten de kwetsbare periode, dient de werklocatie afgeschermd te worden en de dieren op de werklocatie dienen over het scherm gezet te worden. De meest geschikte werkperiode is globaal van oktober tot en met februari. Zie het voorbeeld van maatwerk in het kennisdocument heikikker. Na de werkzaamheden is 100% van het areaal weer beschikbaar en functioneel.
4.7.6 Reptielen Voor adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang zijn oeverzones en vochtige randzones relevant als foerageergebied, rust- en zonlocaties. Voor ringslang is de oever tevens een voortplantingslocatie (bij aanwezigheid van broeilocaties). Negatieve effecten op reptielen dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
Oevers welke worden gebruikt als zon- en rustlocatie of in gebruik zijn als voortplantingsbiotoop worden bepaald door een ecologisch deskundige. Op basis van functionaliteit en verstoringsvrije afstand wordt een beschermingszone gehanteerd. Werkzaamheden alleen buiten deze zone uitvoeren.
B
Werkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd in de winterrustperiode. De winterrustperiode is van oktober tot en met maart. Werkzaamheden in de actieve periode (buiten de winterrust) zijn toegestaan als voortplantingslocaties ontbreken en als er sprake is van niet essentieel leefgebied. Bodemmateriaal op de niet gemarkeerde oevers deponeren. Reptielen moeten de gelegenheid krijgen uit eigen beweging de werklocatie te verlaten. Materiaal, voertuigen en bodemmateriaal worden niet op oevers waar reptielen voorkomen gedeponeerd.
70
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
4.7.7 Libellen Open water is voor libellen cruciaal voor de voortplanting: als ei-afzetplek en als leefgebied voor de larven. Het uitkruipen van de imago’s vindt plaats in de oevervegetatie. Daarnaast zijn met name volwassen waterjuffers gebonden aan het leefgebied boven en rondom open water. De sliblaag is van belang voor overwintering van de larven. Voorbeelden van te beschermen soorten zijn: gevlekte glanslibel, Kempense heidelibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, noordse winterjuffer. Negatieve effecten worden voorkomen.
op
libellensoorten
dienen
te
Alle soorten A
Essentiel leefgebied wordt bepaald door een ecologisch deskundige. Op basis van functionaliteit wordt een beschermingszone gehanteerd. Werkzaamheden worden alleen buiten deze zone uitgevoerd.
4.7.8 Kevers Het gaat hierbij om de gestreepte waterroofkever. De gestreepte waterroofkever kan voorkomen in onbeschaduwde, stilstaande of licht stromende wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie zonder kroos. Volwassen dieren zijn jaarrond in het water aanwezig. Boven het water uitstekende oevervegetatie is van belang voor de ei-afzet. Een goed ontwikkelde oeverzone boven de waterlijn is van belang voor verpopping. Volwassen dieren overwinteren in de sliblaag. Ook de oeverzone is van belang voor de gestreepte waterroofkever in de periode mei – juli. Verpopping vindt plaats in een holletje op het oevertalud. Negatieve effecten op deze soort dienen te worden voorkomen.
Gestreepte waterroofkever A
In het leefgebied van de gestreepte waterroofkever worden geen werkzaamheden uitgevoerd.
B
Werkzaamheden in het oevertalud worden niet uitgevoerd in de kwetsbare periode in verband met verpopping. De kwetsbare periode is van mei tot en met juli. Bij aanleg of vervanging van oeverconstructie in het leefgebied van de gestreepte waterroofkever dient het volgende voortplantingsseizoen de
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
71
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
oeverzone te zijn hersteld of nieuw zijn aangelegd, inclusief benodigde oevervegetatie. Dit dient te worden begeleid door een ecologisch deskundige.
4.7.9 Vissen Onder de Wet natuurbescherming zijn een aantal soorten beschermd die met name gerelateerd zijn aan snelstromend water of beken: beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver en kwabaal. Kwabaal komt ook in meren voor. Ondiepe warme delen zijn veelal van belang voor de voortplanting. Stenen en grind op de bodem worden benut voor de voortplanting. Aanwezigheid van slib en detritusbanken is van belang voor het opgroeien van de larven van beekprik. De grote modderkruiper komt voor in (deels) verlande sloten met een goed ontwikkelde vegetatie. Negatieve effecten op deze soorten dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
In het leefgebied van beschermde vissoorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd.
B
Voor het gefaseerd vervangen of aanleggen van oevers vinden de werkzaamheden plaats in de periode september tot december, dit is buiten de kwetsbare periode. Maximaal 25% van het leefgebied is werklocatie. Werkzaamheden worden alleen uitgevoerd bij watertemperaturen tussen de 5 graden en de 20 graden. Na de werkzaamheden is weer 100% van het leefgebied functioneel.
4.7.10 Weekdieren Het gaat hierbij om de platte schijfhoren. De platte schijfhoren leeft vooral in vrijwel stilstaande of zwak stromende wateren met een rijke onderwatervegetatie in het veenweidegebied. Draadwier lijkt van belang voor de ei-afzetting. Grotere volwassen dieren worden ook vaak op andere waterplanten gevonden. In de winter zakken de schelpdieren samen met de waterplanten naar de bodem. Negatieve effecten op deze soorten dienen te worden voorkomen.
72
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Platte schijfhoren A
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in leefgebied van platte schijfhoren.
C
Voor het gefaseerd vervangen of aanleggen van oevers geldt: maximaal 25% van het leefgebied is werklocatie. Voorafgaand aan de werkzaamheden worden waterplanten met platte schijfhoren door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige verplaatst naar geschikt leefgebied buiten de invloedzone van de werkzaamheden. Na de werkzaamheden is weer 100% van het leefgebied beschikbaar.
4.7.11 Planten In het water gaat het om drijvende waterweegbree. Drijvende waterweegbree groeit in uiteenlopende stilstaande of zwak stromende wateren, ondergedoken of op de oever. De soort heeft baat bij locaties met kale bodems en locaties die niet snel dichtgroeien. Ook op oevers kunnen beschermde plantensoorten voorkomen. Voor alle plantensoorten dienen negatieve effecten te worden voorkomen
Drijvende waterweegbree A
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde planten markeren en abiotische factoren zoals vocht en schaduw in stand houden.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
73
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
Deel II BESTENDIG BEHEER of ONDERHOUD (BB)
74
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
5.
WERKPROCES Bestendig beheer of onderhoud
5.1
Gehele beheerproces
Bij het voorbereiden en realiseren van bestendig beheer of onderhoud (BB) voor en door gemeenten hebben diverse organisaties en diensten van organisaties een rol. Het werkproces kan worden opgedeeld in een aantal fasen. Deze gedragscode geeft invulling aan het aantoonbaar zorgvuldig handelen gedurende het totale werkproces: van voorbereiding tot en met realisatie van de beheerwerkzaamheden. Wie, welke stappen uitvoert hangt af van de taakverdeling of het tussen bepaalde partijen opgestelde opdracht of contract. De rode draad in het werkproces is dat er tijdens elke stap aantoonbaar zorgvuldig wordt gehandeld en dat informatie op een juiste en volledige wijze wordt overgedragen. Het betreft de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.
Wel of geen gedragscode? (zie § 5.2). Toetsen aan verbodsbepalingen (zie § 5.3). Uitwerken zorgvuldig handelen (zie § 5.4). Zorgvuldig realiseren (zie § 5.5). Omgang met calamiteiten (zie § 5.6).
In de paragrafen hierna wordt elk onderdeel uitgewerkt.
5.2
Wel of geen gedragscode?
Het doorlopen van checklist I geeft antwoord op de vraag of inzet van de gedragscode mogelijk is. De resultaten van de drie stappen uit checklist I dienen te worden opgenomen in het contractdossier. Voor checklist I is volledige en actuele soortinformatie van de werklocatie noodzakelijk. Dit is inclusief de omgeving van de werklocatie, tot zover de invloed4 van de werkzaamheden op aanwezige soorten merkbaar is. Hiervoor is nodig:
•
Soortinformatie die niet ouder is dan 3 jaar voor vogels en habitatrichtlijnsoorten en niet ouder dan 5 jaar voor overige soorten.
• •
Inzicht in de exacte locaties van rust- en voortplantingsplaatsen. Inzicht in de functionaliteit van de werklocatie als essentieel leefgebied.
4 Inventariseer de omgeving tot zover er geen invloed (bv. geluid, trilling) van de werkzaamheden
meer merkbaar is
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
75
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
Aandachtspunten bij het verzamelen van soortinformatie zijn:
76
•
Informatie over aanwezige beschermde soorten zijn beschikbaar van het volledige beheerareaal of ten minste het bepaalde areaal waar wordt gewerkt.
•
Informatiebronnen zoals de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) of een eigen databank met soortinformatie kunnen worden gebruikt.
•
Een ecologisch deskundige bepaalt of de soortinformatie actueel en volledig is.
•
Indien soortinformatie niet beschikbaar is of onvolkomenheden bevat, dient er te worden geïnventariseerd. Het vaststellen of het uitsluiten van soorten op een werklocatie dient volgens geldende protocollen en BIJ12 kennisdocumenten plaats te vinden (indien deze beschikbaar zijn voor de soort). Voor soorten waar geen protocol of kennisdocument beschikbaar is, bepaalt een ecologisch deskundige de inventarisatiemethode(n). De gedragscode geeft hiervoor richtlijnen (zie bijlage 4). De specifieke werkwijze wordt vastgelegd in de rapportage.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
BB-checklist I – Wel of geen gedragscode? Stap 1. Verzamelen van informatie Werkinformatie Wat zijn de kenmerken van het werk? Wat is de werklocatie en de beheergrens inclusief aan- en afvoerroutes, depots e.d.? Wat is de bestaande situatie op de werklocatie? Welke werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd? Waar is de onderhoudscyclus in vastgelegd (bv. in beheersysteem)? Wat is de aanleiding voor het werk, is er sprake van wettelijke belang? Wat is de planning en welke vaste data gelden?
Soortinformatie -
Zijn er (vaste) rust- en voortplantingsplaatsen en/of essentiële leefgebieden van wettelijk beschermde soorten aanwezig op de werklocatie en/of binnen invloedszone van de werkzaamheden (zie § 5.2 voor de wijze van inventariseren)? Is het antwoord ja, ga naar stap 2. Is het antwoord nee, dan is soortbescherming geen randvoorwaarde voor het werk. Inzetten van de gedragscode is niet nodig. De algemene zorgplicht blijft wel van kracht.
Stap 2. Toetsen aan verbodsbepalingen -
Confronteer werkinformatie met soortinformatie: welke verboden worden er (mogelijk) overtreden (zie § 5.3)? Controleer ook rijks of provinciaal vrijgestelde soorten Wel een (mogelijke) overtreding: ga naar stap 3. Geen overtreding: soortbescherming is geen randvoorwaarde voor het werk. Inzetten van de gedragscode is niet nodig. De algemene zorgplicht blijft wel van kracht.
Stap 3. Uitwerken zorgvuldig handelen -
Werk het zorgvuldig handelen uit conform § 5.4.
-
Neem de uitkomsten van alle stappen op in het contractdossier.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
77
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
5.3
Toetsen aan verbodsbepalingen
Wanneer worden er (mogelijk) verboden overtreden?
• Er zijn rust- en voortplantingsplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig op de werklocatie en daarmee kans op een overtreding van de verboden: doden van individuen, verstoren en beschadigen rust- en voortplantingsplaatsen.
• Er zijn rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig buiten de werklocatie en binnen de invloedszone van de uit te voeren werkzaamheden en daarmee kans op een overtreding van het verbod verstoren.
BB-checklist II – Uitwerking zorgvuldig handelen Stap 1. Bepalen gebruik, functionaliteitszones en leefgebied Op basis van de soort, de locatie en de werkzaamheden wordt door een deskundige (zie § 2.3) per rust- en voortplantingsplaats en/of leefgebied de verstoringsvrije afstanden, de kwetsbare periode en functionaliteitszone bepaald (zie § 5.4.1, § 5.4.2 en § 5.4.2).
Stap 2. Schade voorkomen of beperken 1. Overtreding voorkomen De werkzaamheden zo aanpassen dat er geen verboden worden overtreden: Buiten de verstoringsvrije afstand werken. Buiten de functionaliteitszone werken. Buiten essentieel leefgebied werken. Buiten de soort specifieke kwetsbare periode werken. De werkwijze uitwerken in het ecologisch werkprotocol op basis van de maatregelencatalogus BB (zie hoofdstuk 6). Indien dit niet mogelijk is, stap 2 uitwerken. Dit kan alleen op basis van noodzaak (o.a. een wettelijk belang, zie § 2.2.3).
2. Overtreding beperken (uitsluitend mogelijk o.b.v. belang) De werkzaamheden zo aanpassen dat er in beperkte mate verboden worden overtreden; bijvoorbeeld door: Binnen de functionaliteitszone werken buiten de gebruikersperiode. Binnen een deel van het essentieel leefgebied werken. Op zorgvuldig wijze binnen de soortspecifieke kwetsbare periode werken. Dit uitwerken in het onderdeel specifiek zorgvuldig handelen in het ecologisch werkprotocol op basis van de maatregelencatalogus BB (zie hoofdstuk 6).
78
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
5.4
Uitwerken zorgvuldig handelen
Het uitgangspunt voor dit onderdeel is dat er (mogelijk) verboden overtreden worden. Hiervoor dient checklist II doorlopen te worden. Checklist II beschrijft het gedrag en de maatregelen om in eerste instantie overtredingen te voorkomen. Indien dit aantoonbaar niet mogelijk is EN er geldt een noodzaak (o.a. wettelijk belang) dan mag er in tweede instantie schade worden beperkt.
5.4.1
Bepalen verstoringsvrije afstand
De verstoringsvrije afstand is de minimale afstand tussen werkzaamheden en een rust- en voortplantingsplaats waarbij er geen verstoring plaatsvindt. De werktechniek is hierbij zeer bepalend (bv. inzet bladblazer of bladhark). Het is alleen noodzakelijk de verstoringsvrije afstand te bepalen wanneer een soort gebruik maakt van de rust- en voortplantingsplaats en/of het leefgebied in de periode dat er werkzaamheden worden uitgevoerd. De verstoringsvrije afstand dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Soorten zijn veelal gewend aan een bepaalde omvang van geluid, licht en trilling. De bestaande situatie, voorafgaand aan de werkzaamheden, is dan ook maatgevend voor de werkmethoden en werkafstanden tot een rust- en voortplantingsplaats. Daarom is het noodzakelijk om verstoringsvrije afstand(en) te bepalen door een ecologisch deskundige. Bijlage 5 geeft richtlijnen en criteria voor het bepalen van deze afstand(en). De wijze waarop de verstoringsvrije afstand(en) zijn bepaald met onderbouwing opnemen in het ecologisch werkprotocol. Bij verplaatsende werkzaamheden is er op basis van de verstoringsvrije afstand sprake van een invloedzone. Het zorgvuldig handelen binnen de verstoringsvrije afstand maakt deel uit van de verdere uitwerking.
5.4.2
Bepalen kwetsbare gebruiksperiode
Bij veel soorten is er sprake van een duidelijk aanwijsbare rust- en voortplantingsplaats (bv. groeiplaats, nest, hol, hoop of holte). Voor elke rust- en voortplantingsplaats geldt een soortspecifieke gebruiksperiode. Binnen die gebruiksperiode kan nog een kwetsbare periode gelden. Er kunnen drie typen gebruik van rust- en voortplantingsplaatsen worden onderscheiden: 1.
Vaste rust- en voortplantingsplaatsen, jaarrond in gebruik: De soort is jaarrond aanwezig, er geldt dan ook jaarrond zorgvuldig
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
79
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
handelen. De kwetsbare perioden zijn de perioden van voortplanting, winterrust, bloei en zaadzetting. 2.
Vaste rust- en voortplantingsplaatsen, tijdelijk in gebruik: De soort keert na een bepaalde afwezigheid weer terug op dezelfde plek en maakt veelal ook gebruik van dezelfde verblijfplaats. De kwetsbare periode geldt indien de soort aanwezig is. Het betreft de voortplantingsperiode of rustperiode.
3.
Tijdelijke rust- en voortplantingsplaatsen: Er geldt alleen een kwetsbare periode als de soort de rust- en voortplantingsplaats in gebruik heeft.
Per soort en type rust- en voortplantingsplaats dient de specifieke kwetsbare periode bepaald te worden door een ecologische deskundige (zie § 2.3). Vogels kunnen ook voor of na de aangegeven periode broeden, een ecologisch deskundige stelt vast of er sprake is van een broedgeval. Een soort kan gebruik maken van de werklocatie zonder dat er sprake is van een aanwijsbare rust- en voortplantingsplaats; dan is het (een deel van het) leefgebied. Binnen dat leefgebied kunnen bepaalde essentiële delen in een bepaalde periode kwetsbaar zijn (bv. voedselbiotoop, overwinteringsbiotoop of voortplantingsbiotoop).
5.4.3
Bepalen functionaliteitszones
Voor vaste rust- en voortplantingsplaatsen (zowel jaarrond in gebruik als tijdelijk in gebruik) geldt als uitgangspunt het behouden en functioneel houden van de rust- en voortplantingsplaats. Het betreft de noodzakelijke behoeften binnen de soortspecifieke actieradius. Dit is de functionaliteitszone. Voor tijdelijke rust- en voortplantingsplaatsen is deze bepaling alleen noodzakelijk indien er binnen de kwetsbare gebruiksperiode van de rust- en voortplantingsplaats wordt gewerkt. Voorbeelden zijn:
80
•
In- en uitvliegruimte, in- en uitloopruimte of in- en uitzwemruimte. Bijvoorbeeld deel van het water in de watergang met de toegang tot de beverburcht en verbinding met de foerageerlocatie(s).
•
Een constant leefklimaat in en nabij de rust- en voortplantingsplaats. Bijvoorbeeld plek met bezonning van de oever met kikkerdril.
•
Beschikbaarheid van noodzakelijke bouwstoffen voor het maken en onderhouden van de voortplantingsplaats. Bijvoorbeeld natte klei voor zwaluwen nabij de nestlocatie, inclusief vrije vliegroute.
•
Beschikbaarheid van voedsel voor het continue voeden van de jongen. Bijvoorbeeld voor vleermuizen bestaat de zone uit de kraamkamer, de foerageerlocatie en de route tussen beide locaties.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Op basis van de soort en de bestaande situatie wordt door een ecologisch deskundige (zie § 2.3) per rust- en voortplantingsplaats de omvang van de functionaliteitszone bepaald. Indien er beschermde soorten op of nabij de werklocatie leven, zonder aanwijsbare rust- en voortplantingsplaatsen, is er alleen sprake van een leefgebied (bv. vissen in het grachtenstelsel). Ten behoeve van het behoud van deze soorten dient het essentieel leefgebied op en nabij de werklocatie in kaart te worden gebracht. Dit betreft de begrenzing en eventueel een opdeling in specifieke biotopen per kwetsbare perioden (bv. overwinteringsbiotoop en voortplantingsbiotoop). Binnen het leefgebied kan schade voorkomen of beperkt worden door te faseren en/of te geleiden (met tijdelijke voorzieningen) met behoud van de functionaliteit van de werklocatie als leefgebied. Dit is nader uitgewerkt in de maatregelencatalogus.
5.4.4
Opstellen ecologisch werkprotocol
Het ecologisch werkprotocol vormt de opdrachtspecifieke uitwerking van de gedragscode. Het ecologisch werkprotocol wordt opgesteld aan de hand van het format uit checklist III. Gedurende de werkvoorbereiding wordt er een ecologisch werkprotocol op hoofdlijnen opgesteld op basis van voorgaande paragrafen. Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden wordt dit ecologisch werkprotocol verder uitgewerkt met technische specificaties voor de realisatie. Hoofdstuk 6 vormt hiervoor de basis.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
81
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
BB-checklist III - Format ecologisch werkprotocol 1.
Algemene werkbeschrijving Omschrijving contract waar dit ecologisch werkprotocol bij hoort.
2.
Risicoanalyse Verzamelen en ordenen informatie: • Werklocatie en werkgrens. • Werkzaamheden. • Wettelijk belang(en). • Planning. • Soortinformatie. Welke flora en fauna risico’s gelden op basis van het combineren van de werkinformatie met de locatie, soortinformatie en planning? Welke verboden kunnen overtreden worden? Conclusie: Is het werk uitvoerbaar middels voorkomen of beperken?
3.
Risicomanagement Deskundig handelen -
Inzet deskundig personeel (aantoonbaar). Wanneer werkinstructies: overdracht informatie en werkwijze.
Zorgvuldig handelen -
Algemeen zorgvuldig handelen: o Controle informatie in het veld. o Planning. o Werkwijze: werkrichting/werktechniek/fasering. o Geluid, trilling en licht. o Menselijke aanwezigheid. o Omgang met vrijkomende materialen.
o
4.
Verzamelen en uitwisselen gegevens -
5.
Controle actualiteit soortgegevens. Format voor overdracht soortgegevens. Overdrachtsmomenten.
Communicatie -
82
Specifiek zorgvuldig handelen: Omgang met individuen, rust- en voortplantingsplaatsen en leefgebied. Uitwerken voorkomen en/of beperken o.b.v. maatregelencatalogus.
Taakverdeling: wie communiceert over wat aan wie? Overlegmomenten, bijwoonpunten/veldcontroles. (Eind)evaluatie.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
5.5
Zorgvuldig realiseren
De realisatie dient aantoonbaar conform het ecologisch werkprotocol plaats te vinden. Hiervoor gelden de volgende aandachtspunten:
5.6
•
Deze gedragscode en het bijbehorende ecologisch werkprotocol inclusief bijlage zijn aanwezig op de werklocatie (opgenomen in het contractdossier)
•
Er wordt aantoonbaar conform het ecologisch werkprotocol gewerkt en medewerkers krijgen werkinstructies op basis van het ecologisch werkprotocol.
•
Het ecologisch werkprotocol is actueel: mutaties in de aanpak worden verwerkt in het ecologisch werkprotocol op basis van overleg tussen betrokken partijen.
•
Na afronding van de werkzaamheden worden tijdelijke voorzieningen zoals markeringen verwijderd.
• •
Na afronding wordt het ecologisch werkprotocol geëvalueerd. Het contractdossier wordt minimaal vijf jaar gearchiveerd.
Omgaan met calamiteiten
Een calamiteit betreft een onvoorziene gebeurtenis die actie vereist vanwege een acuut risico voor de volksgezondheid of openbare veiligheid. Voorbeelden van situaties zijn acute of dreigende wateroverlast, overstroming, stormen, droogte of waterverontreiniging of de noodzakelijke inzet van een waterberging. In die gevallen kunnen de voorschriften uit deze gedragscode mogelijk niet worden opgevolgd. Dergelijke calamiteiten vallen buiten de vrijstelling van de gedragscode. In minder acute situaties waarbij niettemin de veiligheid van mensen, gebouwen, installaties of kunstwerken in gevaar is, wordt onmiddellijk met een ecologisch deskundige overlegt over de werkwijze die in die situatie het meeste recht doet aan de bescherming van aanwezige juridisch beschermde soort(en). Vervolgens vindt er een afweging plaats van het advies in de context van het incident en wordt op basis daarvan gehandeld. Het advies, de genomen maatregelen en de eventuele effecten op beschermde soorten worden in het contractdossier gedocumenteerd. Voor zover mogelijk wordt de calamiteit, de gevolgen voor rust- en voorplantingsplaatsen en de werkwijze met beelden vastgelegd zodat het zorgvuldig handelen kan worden aangetoond.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
83
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
VOORBEELD 2, Bestendig beheer Snoeien houtige begroeiing 1.
Werkzaamheden: Snoeien van de randen van houtige begroeiing in het kader van veilig gebruik van de aangrenzende weg en het open en toegankelijk houden van het schouwpad en de naastliggende hoofdwatergang. Er is soortinformatie nodig vanaf 20m de rand van de begroeiing.
2.
Werklocatie: randzone beplanting en aangrenzende weg (deels) en schouwpad langs watergang.
3.
Planning: oktober met een doorlooptijd van 1 week.
4.
Belang: openbare veiligheid.
5.
Aangetroffen rust- en voortplantingsplaatsen binnen 20m zone: - Beverburcht op oever aan het einde van het schouwpad op 20m. - Buizerdhorst in kern van houtige beplanting (10m vanaf de rand).
6.
Gebruik en functionaliteitszones in uitvoeringsperiode: - Beverburcht: jaarrond in gebruik, oktober is geen kwetsbare periode. Toegang tot beplanting vanaf de burcht en ingang burcht vanuit water bepalen de functionaliteit. - Buizerdhorst: oktober is buiten de gebruiksperiode.
7.
Mogelijke risico’s zijn: beschadigen beverburcht en/of buizerdhorst en verstoren bever. Bij beide verblijfplaatsen kan het risico voorkomen worden. In verband met het belang veiligheid wordt verstoring van de bever beperkt.
8.
Verstoringsvrije afstand: 20m vanuit werklocatie o.b.v. van werken in handkracht (met accuzaag en accu stokzaag). De afstand is bepaald door een ecologisch deskundige op basis van de verstoringsgevoeligheid van de bever, het bestaande gebruik van de locatie en de werktechniek.
9.
Uitwerken zorgvuldig handelen volgens de categorie houtige begroeiing en oever uit de catalogus: - Buizerdhorst: hanteren tijdelijke beschermingszone zodat horst en horstboom niet worden beschadigd door het aanbrengen van markeerlint op 10m rond de horstboom. Niet werken in deze zone. - Beverburcht: hanteren tijdelijke beschermingszone van 20m rondom burcht tijdens werkzaamheden (markeren met lint). Naar de zone toewerken in verband met gewenning. Binnen de zone snoeit 1 persoon, overdag, gevaarlijke takken weg met accuzaag. Takken buiten beschermingszone verwerken tot takkenril. - Na de werkzaamheden de markeringen verwijderen.
84
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
85
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
6.
MAATREGELEN Bestendig beheer of onderhoud
6.1
Gebruik maatregelencatalogus
Per categorie en soortgroep zijn in § 6.3 tot en met § 6.7 maatregelen uitgewerkt om zorgvuldig om te gaan met aanwezige beschermde flora en fauna. De maatregelencatalogus bestaat uit de volgende categorieën:
1. Gebouwen en werken, zie § 6.3. 2.
Houtige begroeiingen, zie § 6.4.
3.
Kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein, zie § 6.5.
4.
(Half)verhardingen en terreinmeubilair, § 6.6.
5.
Wateren en oevers, zie § 6.7.
Op basis van hoofdstuk 5 is al een groot deel van het zorgvuldig handelen uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol, het betreft de volgende onderdelen: A. B. C. D. E.
Uit te voeren werkzaamheden. Omvang van de werklocatie: beheergrens en werkgrenzen. Uitvoeringsperiode en planning. Wettelijk belang. Aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied op de werklocatie en binnen invloedszone van de werkzaamheden. F. Gebruik en functionaliteitszone per rust- en voorplantingsplaats. G. Verstoringsvrije afstand tussen werkzaamheden, en rust- en voortplantingsplaatsen, werkwijze en werktechniek. H. Voorkomen van mogelijke overtredingen door het aanpassen van de werkwijze en/of planning waardoor buiten de kwetsbare locaties en/of kwetsbare periode(n) wordt gewerkt.
86
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Vervolgens wordt in het ecologisch werkprotocol nader uitgewerkt op basis van de maatregelencatalogus: I.
J.
6.2
Bepaal uit welke categorie(en) de werklocatie bestaat. De focus ligt op categorieën met rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied. LET OP: het kan ook om categorieën gaan die buiten de werklocatie vallen en binnen de invloedszone liggen, zie ook ‘Voorbeeld 2’ in het tekstkader. Vul het ecologisch werkprotocol aan met algemene en specifieke werkwijzen op basis van de bij de betreffende categorie en soortgroep beschreven aanpak uit de catalogus.
Type maatregelen in de catalogus
In de maatregelencatalogus (zie § 6.3 tot en met § 6.7) is per categorie en per soortgroep invulling gegeven aan vier typen maatregelen: A, B, C en D. Bij de maatregelen A, B en C is sprake van voorkomen van overtreding. Bij maatregel D is sprake van beperkt overtreden onder de vrijstelling van de gedragscode. Dit beperkt overtreden kan alleen als er geen alternatieven voorhanden zijn, als er sprake is van een in de wet genoemd belang (zie toelichting in bijlage 2). Dit in de wet genoemde belang moet worden onderbouwd en gedocumenteerd. De maatregelen staan in volgorde van (afnemende) prioriteit. Waar nodig zijn specifieke soorten uitgelicht. A. Markeren van een beschermingszone op basis van de essentiële onderdelen van het leefgebied van de soort, de verstoringsgevoeligheid van de soort en de invloed van de uit te voeren werkzaamheden. Alleen werken buiten deze zone en voorkomen negatieve effecten binnen deze zone. B. Binnen de beschermingszone buiten de kwetsbare periode van de soort werken. Geen aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied en voorkomen van verstoren door het treffen van maatregelen. C. Binnen de beschermingszone binnen de kwetsbare periode van de soort werken. Voorkomen van aantasting essentiële onderdelen van het leefgebied en verstoren door het treffen van maatregelen. D.
Binnen de beschermingszone werken met een geringe (tijdelijke) aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied. Het werk faseren waarbij een deel van het essentiële leefgebied tijdelijk niet beschikbaar is. Er worden maatregelen getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken. In de laatste plaats kunnen essentiële delen van het leefgebied opgeheven worden indien er (tijdelijke) alternatieven beschikbaar zijn en duurzame alternatieven op termijn beschikbaar komen.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
87
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
De maatregelen zijn ingedeeld in soortgroepen voor zover deze binnen de categorie voorkomen. De kleur geeft weer bij welke categorie de maatregelen horen. Ze komen dus in vijf verschillende kleuren voor.
88
Vogels
Vleermuizen
Overige zoogdieren
Amfibieën
Reptielen
Vlinders
Libellen
Kevers
Weekdieren
Planten
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
6.3
Gebouwen en werken
De werkzaamheden in deze categorie omvatten periodiek terugkerend onderhoud: reinigen, schilderen van gebouwen en (civieltechnische) werken, kades en (grachten)muren en bovengrondse nutsvoorzieningen en de daaraan groeiende gevelbegroeiing. Ook herstelwerkzaamheden na schade vallen onder deze categorie, zolang de oorspronkelijk situatie in stand gehouden wordt.
6.3.1 Vogels In gebouwen zal de aanwezigheid van beschermde vogelsoorten vooral de aanwezigheid van nesten betreffen onder (zoals huismus) of op dakconstructies (zoals visdief, scholekster of slechtvalk), holtes in muren (zoals gierzwaluw) of in nabijgelegen schuren (zoals kerkuil). Bij civieltechnische werken kunnen nesten aanwezig zijn van bijvoorbeeld duiven, huiszwaluw of grote gele kwikstaart.
Alle soorten A
Bij gebouwen en werken met rust- of voortplantingsplaatsen van beschermde vogelsoorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd óf worden deze delen gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Verstoring van broedgevallen door werkzaamheden in de directe omgeving van deze gebouwen dient voorkomen te worden of dienen maatregelen te worden getroffen om dat te voorkomen door bijvoorbeeld het aanbrengen van een beschermingszone.
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode. Voor nesten die jaarrond worden gebruikt of waar elk jaar naar toe wordt teruggekeerd geldt dat deze functies behouden moeten blijven.
Voor de volgende soorten gelden specifieke maatregelen:
Huismus, kerkuil en steenuil C
Werkzaamheden faseren in ruimte en tijd waarbij: -
Werkzaamheden worden bij huismus gefaseerd uitgevoerd, zodanig dat altijd 25% van de aanwezige rustplaatsen beschikbaar zijn. Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de broedperiode. De broedperiode betreft een indicatieve periode van maart tot en met augustus voor huismus, van februari tot en met juli voor steenuil en februari van tot en met augustus voor kerkuil. Voor huismus worden vorstperioden ook aangemerkt als kwetsbare periode.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
89
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
D
In- en uitvliegopeningen toegankelijk blijven. De rustplaatsen zijn ’s avonds en nachts weer beschikbaar. De constructie met rust- en voortplantingsplaatsen behouden blijft. Er wordt gewerkt zonder apparatuur met grote geluidsbelasting wanneer soorten aanwezig zijn Aanwezige muurbegroeiing die wordt gebruikt door huismus dient zoveel mogelijk behouden te blijven.
Het is mogelijk onderhouds- of herstelwerkzaamheden uit te voeren op locaties met rust- en voortplantingsplaatsen, mits aan het onderstaande wordt voldaan: -
-
-
-
Werkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd buiten de broedperiode. Zie genoemde periodes onder C. Werkzaamheden worden bij huismus gefaseerd uitgevoerd, zodanig dat altijd 50% van de aanwezige rustplaatsen binnen de werklocatie beschikbaar zijn. Rust- en voortplantingsplaatsen zijn maximaal 1 maand niet te gebruiken en in de directe omgeving zijn alternatieve rustplaatsen beschikbaar. De constructie met rust- en voortplantingsplaatsen blijft behouden of wordt direct hersteld. Dieren de gelegenheid wordt geboden de werklocatie uit eigen beweging te verlaten. Aanwezige muurbegroeiing die wordt gebruikt door huismus dient zoveel mogelijk behouden te blijven.
Gierzwaluw, meeuwen, visdief, grote gele kwikstaart en slechtvalk B
Werkzaamheden faseren in ruimte en tijd waarbij: -
-
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode. De broedperiode betreft een indicatieve periode van maart tot en met juli en voor gierzwaluw van mei tot en met juli, voor slechtvalk van februari tot en met april en voor visdief mei tot en met juni. In- en uitvliegopeningen toegankelijk blijven. De constructie met rust- en voortplantingsplaatsen behouden blijft.
Boerenzwaluw en huiszwaluw B
90
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de broedperiode. De broedperiode betreft een indicatieve periode van mei tot en met augustus. Nestlocaties worden enkel aangetast als alternatieve nestgelegenheid in de omgeving niet schaars is en daaropvolgende broedseizoen nieuwe nesten kunnen worden gebouwd.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
6.3.2 Vleermuizen Diverse soorten vleermuizen in Nederland maken gebruik van bouwwerken om overdag te rusten, hun jongen groot te brengen of te overwinteren en soms om te foerageren. In gebouwen kan het gaan om spouwconstructies, zolders, ruimtes onder het dak, boeiborden en allerlei andere nauwe en holle ruimtes in de buitenschil van een gebouw, maar ook schuren, bunkers etc worden benut. Ook zijn er soorten die onder bruggen en in oude rioolsystemen verblijven. Bruggen en tunnels kunnen voor vleermuizen ook onderdeel uitmaken van een essentiële vliegroute. Zie voor grotere herstelwerkzaamheden (renovatie) de maatregelen onder de catalogus Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Rust- en voortplantingsplaatsen A
Werkzaamheden uitvoeren buiten de beschermingszone. De beschermingszone wordt bepaald door een ecologisch deskundige op basis van functionaliteit, verstoringsvrije afstand en geen aantasting van rust- en voortplantingsplaatsen.
B
Werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, binnen de beschermingszone: -
-
D
Op locaties met kraam- en of winterverblijven wordt niet gewerkt in de kwetsbare perioden. De kwetsbare perioden zijn de kraamperiode van mei tot en met juli en de winterrustperiode van november tot en met maart. In- en uitvliegopeningen blijven toegankelijk. De constructie met rust- en voortplantingsplaatsen blijft behouden. Er wordt gewerkt zonder apparatuur met grote geluidsbelasting wanneer vleermuizen aanwezig kunnen zijn, zie ook bijlage 5. Indien vleermuizen aanwezig zijn: werken bij daglicht, geen kunstmatige verlichting toepassen. Werkzaamheden mogen niet leiden tot veranderingen in het interne klimaat en toegangen tot de ruimte waar soorten gebruik van maken mogen niet worden dicht gezet.
Het is mogelijk werkzaamheden uit te voeren binnen de beschermingszone op de volgende wijze: -
Werkzaamheden worden gefaseerd uitgevoerd, zodat altijd 50% van de aanwezige rust- en voortplantingsplaatsen op de projectlocatie beschikbaar zijn. Bij de tijdelijk niet beschikbare locaties worden tijdelijk werende voorzieningen aangebracht voorafgaand aan de gebruiksperiode (bv. vleermuis exclosure flaps).
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
91
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
-
-
Op locaties met kraam- en of winterverblijven wordt niet gewerkt in de kwetsbare perioden. De kwetsbare perioden zijn de kraamperiode van mei tot en met juli en de winterrustperiode van november tot en met maart. De werkzaamheden duren maximaal een maand en in de directe omgeving zijn alternatieve rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig. In- en uitvliegopeningen en de constructie met rust- en voortplantingsplaatsen worden zo snel mogelijk hersteld zodat 100% van de locaties weer beschikbaar komt.
Vliegroutes B
Bij aanwezigheid van essentiële vliegroutes van vleermuizen door tunnels of onder bruggen wordt in de periode van november tot en met maart gewerkt. Dit is buiten de gebruiksperiode.
C
Werkzaamheden aan bruggen of tunnels met essentiële vliegroutes van vleermuizen kunnen in de actieve periode van deze soortgroep worden uitgevoerd wanneer in de avond en nacht een obstakelvrije doorgang (de soortspecifieke omvang door een ecologisch deskundige te bepalen), onder het plafond/brugdek toegankelijk blijft voor vleermuizen. Werkzaamheden uitsluitend bij daglicht uitvoeren. Aanwezige begeleidende begroeiing, richting de tunnel of brug behouden. Eventuele verlichting mag de functionaliteit van de essentiële vliegroute niet beperken.
6.3.3 Overige zoogdieren De overige zoogdieren die in of direct bij gebouwen en werken voorkomen, zijn steenmarters en soms ook boommarters. Zij kunnen gebruik maken van zolders, kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen of schuurtjes om te rusten of hun jongen groot te brengen. In veel mindere mate kan het voorkomen dat eikelmuizen in stallen of schuurtjes overwinteren. A
Er worden (delen van een) locatie(s) met rust- of voortplantingsplaatsen van deze soorten gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Verstoring dient voorkomen te worden.
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode van steenmarter en/of boommarter. De voortplantingsperiode is van maart tot en met augustus. Pas nadat is vastgesteld dat rust- en voortplantingsplaatsen zijn verlaten, kan worden gestart met werkzaamheden. Bij uitvoering van werkzaamheden moet de constructie van de rust- en voortplantingsplaatsen intact en toegankelijk gehouden worden.
92
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
6.3.4 Amfibieën en reptielen Amfibieën en reptielen kunnen overwinteren in vorstvrije en veelal vochtige gebouwen, zoals kelders, souterrains, portieken of valluiken.
A
Werkzaamheden worden niet uitgevoerd op overwinteringslocaties van amfibieën of reptielen. Deze delen worden gemarkeerd door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige.
B
Bij (delen van) gebouwen waar overwintering van amfibieën en reptielen plaats vindt, worden geen werkzaamheden uitgevoerd in de kwetsbare winterrustperiode. De winterrustperiode is van oktober tot en met maart. Werkzaamheden mogen niet leiden tot veranderingen in het interne klimaat en toegangen tot de ruimte waar soorten gebruik van maken mogen niet worden dichtgezet.
D
Werkzaamheden (bv. vochtproblematiek in kelders) bij voorkeur uitvoeren buiten de winterrustperiode. De winterrustperiode oktober tot en met maart. Bij aantoonbare noodzaak in de kwetsbare periode werken waarbij aangetroffen individuen door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige worden gevangen en teruggeplaatst direct na afronding van de werkzaamheden of verplaatst naar een geschikte plek.
6.3.5 Planten Voor deze categorie zijn vooral muurflora zoals beschermde varens en muurbloem relevant. Bij het uitvoeren van werkzaamheden moeten groeiplaatsen worden ontzien. Verplaatsen van soorten is niet altijd effectief en kan niet onder de gedragscode.
A
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde (muur)planten markeren en abiotische omstandigheden zoals temperatuur, de hoeveelheid licht, de aanwezigheid van water, de samenstelling van de voeg/bodem handhaven.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
93
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
6.4
Houtige begroeiingen
De werkzaamheden in deze categorie omvatten het reguliere onderhoud zoals dunnen, snoeien, knippen, scheren, knotten, afzetten, inboeten, water geven, onkruidbeheersing, blad verwijderen, bemesten in bossen, bosplantsoen, laanbegroeiingen, singels, struwelen grienden, hakhout, heesterbegroeiingen, hagen, blokhagen en bomen.