854040 VVGB Zuidereind 11 bijlage 10 Gedragscode F F
Tekst van het document
COLOFON
De gedragscode is ontwikkeld in opdracht van: Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland
De gedragscode is opgesteld door: Auteurs: dhr. Ing. R.H.J. Borst en dhr. Ing. R. Sprong, IPC Groene Ruimte mevr. M. Teunissen, Eco Consult – Groen, Monitoring & Management De gedragscode is tot stand gekomen in samenspraak met een uitgebreide klankbordgroep van ecologen, projectleiders, beleidsmedewerkers, beheerders en uitvoerders van gemeenten en groenbedrijven. Daarnaast heeft het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en vooral het team vergunningen Natuur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) substantiële en waardevolle bijdragen geleverd aan de maatregelencatalogus. Bij deze gedragscode is een HANDBOEK SOORTBESCHERMING opgesteld bestaande uit de gedragscode, de handleiding voor implementatie en gebruik en een toelichting op het ecologische werkprotocol met voorbeelduitwerkingen. Het handboek is verkrijgbaar bij Stadswerk, zie www.stadswerk.nl
4 december 2020, met links
Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland Postbus 416 6710 BK Ede telefoon (0318) 69 27 21 e-mail: info@stadswerk.nl website www.stadswerk.nl Deze gedragscode is samengesteld op basis van de op dat moment beschikbare expertise en praktijkervaringen bij de samenstellers en klankbordgroep. Stadswerk staat open voor uw ervaringen en eventuele verbeteringen van deze gedragscode. U kunt uw reacties mailen aan info@stadswerk.nl. Alhoewel dit document met uiterste zorg is samengesteld kunnen aan dit document geen rechten worden ontleend. Stadswerk noch de auteurs zijn aansprakelijk voor schade die mogelijk voortvloeit uit het gebruik van dit document.
Gedragscode soortbescherming gemeenten voor Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting en Bestendig beheer of onderhoud
Geldigheidstermijn: goedgekeurd tot 1 juni 2023 versie 4 december 2020 (definitief)
INTRODUCTIE
VOORWOORD
Voor u ligt de ‘Gedragscode soortbescherming gemeenten’. In deze gedragscode zijn de gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling of inrichting en de gedragscode Bestendig Beheer of onderhoud geïntegreerd. Hiermee is een vaak gehoorde wens vanuit het werkveld gehonoreerd. Deze gedragscode is opgesteld gehoord hebbende de adviezen van onze leden -de vertegenwoordigers van gemeentenen van de opdrachtnemers in het groene werkveld vertegenwoordigd door brancheorganisatie VHG. Nieuw is de uitgebreide maatregelencatalogus met heel concrete richtlijnen. Deze gedragscode is bedoeld voor alle Nederlandse gemeenten. Door een college- of raadsbesluit kan deze van toepassing worden verklaard. In dit besluit kunnen ook aanvullende voorwaarden worden geformuleerd om de gedragscode het gewenste specifiek lokale karakter te geven. Voor een goed gebruik van de gedragscode bevelen wij gebruik van de begeleidende handleiding 1 aan. Het blijft een groot goed dat opdrachtnemers en opdrachtgevers met praktijkkennis samen deze richtlijnen hebben geformuleerd. De advisering over de gedragscode kreeg gestalte in de klankbordgroep. In dit proces waarbij de aanpassing van de gedragscodes aan de Wet natuurbescherming gestalte moest krijgen hebben we meermaals een beroep op de klankbordgroep gedaan. Nimmer was daarbij sprake van een lichtvoetige beoordeling of advisering.
Zowel de bescherming van ecologische waarden als de praktische uitvoerbaarheid werden steeds kritisch beoordeeld. Verdere uitwerking en toetsing vond plaats in samenspraak met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO, team Vergunningen Natuur en het Interprovinciaal Overleg (IPO)). Alles overziend kunnen we voor het gehele proces constateren: ‘Zonder wrijving geen glans.’ Dank ook aan de auteurs die steeds weer een nieuwe versie samenstelden en aan het team vergunningen Natuur van RVO dat zelf de hand aan de ploeg sloeg toen het nodig was. Maar nu ligt er een gedragscode die de komende jaren in de praktijk zijn waarde kan bewijzen en die voorbereid is op de aankomende Omgevingswet. Een praktisch instrument dat een zorgvuldige omgang met beschermde planten en dieren waarborgt. De minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft in 2020 goedkeuring gegeven aan deze gedragscode. De exacte datum vindt u in het goedkeuringsbesluit. Maarten Loeffen Directeur Vereniging Stadswerk Nederland.
1 Deze is als onderdeel van het HANDBOEK SOORTBESCHERMING bij Stadswerk verkrijgbaar.
4
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
INHOUDSOPGAVE VOORWOORD ......................................................................................................4 INHOUDSOPGAVE ................................................................................................5 Leeswijzer
......................................................................................................9
Gehanteerde begrippen ..................................................................................... 11 1.
INLEIDING ........................................................................................... 15
1.1 1.2 1.2.1 1.2.2 1.3 1.4 1.5 2.
INZETBEREIK GEDRAGSCODE ............................................................... 19
2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.3 2.4 Deel I 3.
Wet natuurbescherming..............................................................................19 Soortbescherming .........................................................................................19 Wettelijke belangen ......................................................................................21 Belangen versus gemeentelijke taken ..................................................22 Zorgvuldig handelen .....................................................................................23 Inzet deskundigheid .....................................................................................24 Toepassen gedragscode ..............................................................................24 ....................................................................................................25
WERKPROCES Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting .......................... 26
3.1 3.2 3.3 3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4 3.5 3.6 4.
Aanleiding .........................................................................................................15 Soortbescherming bij werkzaamheden .................................................15 Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting ...................................................16 Bestendig beheer of onderhoud ...............................................................16 Waarom deze gedragscode? .....................................................................17 Doelgroepen ....................................................................................................17 Doorgevoerde wijzigingen ..........................................................................18
Van initiatief tot en met realisatie ..........................................................26 Wel of geen gedragscode? .........................................................................26 Toetsen aan verbodsbepalingen ..............................................................27 Uitwerken zorgvuldig handelen ................................................................27 Bepalen verstoringsvrije afstand .............................................................29 Bepalen kwetsbare gebruiksperiode ......................................................30 Bepalen functionaliteitszone .....................................................................31 Opstellen ecologisch werkprotocol..........................................................31 Zorgvuldig realiseren ...................................................................................34 Omgaan met calamiteiten ..........................................................................34
MAATREGELEN Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting ......................... 37
4.1 4.2
Gebruik maatregelencatalogus ................................................................37 Type maatregelen in de catalogus ..........................................................38
4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5
Gebouwen en werken .............................................................................40 Vogels ................................................................................................................40 Vleermuizen .....................................................................................................43 Overige zoogdieren .......................................................................................45 Amfibieën en reptielen ................................................................................46 Planten ...............................................................................................................46
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
5
INTRODUCTIE
4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.4.4 4.4.5 4.4.6 4.4.7 4.4.8 4.4.9
Houtige begroeiingen............................................................................. 47 Algemeen zorgvuldig handelen ............................................................... 47 Vogels ............................................................................................................... 47 Vleermuizen .................................................................................................... 48 Overige zoogdieren ...................................................................................... 50 Amfibieën en reptielen ................................................................................ 52 Vlinders ............................................................................................................. 54 Libellen .............................................................................................................. 54 Kevers ............................................................................................................... 55 Planten .............................................................................................................. 55
4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.5.4 4.5.5 4.5.6 4.5.7 4.5.8 4.5.9
Kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein ........................ 56 Algemeen zorgvuldig handelen ............................................................... 56 Vogels ............................................................................................................... 56 Vleermuizen .................................................................................................... 57 Overige zoogdieren ...................................................................................... 57 Amfibieën ......................................................................................................... 59 Reptielen .......................................................................................................... 60 Vlinders ............................................................................................................. 61 Libellen .............................................................................................................. 61 Planten .............................................................................................................. 62
4.6 4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.6.4
(Half)verharding en terreinmeubilair ......................................... 63 Vogels ............................................................................................................... 63 Amfibieën ......................................................................................................... 63 Reptielen .......................................................................................................... 64 Planten .............................................................................................................. 65
4.7 4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.7.4 4.7.5 4.7.6 4.7.7 4.7.8 4.7.9 4.7.10 4.7.11
Wateren en oevers ................................................................................... 66 Algemeen zorgvuldig handelen ............................................................... 66 Vogels ............................................................................................................... 66 Vleermuizen .................................................................................................... 67 Overige zoogdieren ...................................................................................... 68 Amfibieën ......................................................................................................... 69 Reptielen .......................................................................................................... 70 Libellen .............................................................................................................. 71 Kevers ............................................................................................................... 71 Vissen ............................................................................................................... 72 Weekdieren ..................................................................................................... 72 Planten .............................................................................................................. 73
Deel II 5.
.................................................................................................... 74 WERKPROCES Bestendig beheer of onderhoud .................................... 75
5.1 5.2 5.3
6
Gehele beheerproces ................................................................................... 75 Wel of geen gedragscode? ........................................................................ 75 Toetsen aan verbodsbepalingen ............................................................. 78
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
5.4 5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.4.4 5.5 5.6 6.
Uitwerken zorgvuldig handelen ................................................................79 Bepalen verstoringsvrije afstand .............................................................79 Bepalen kwetsbare gebruiksperiode ......................................................79 Bepalen functionaliteitszones ...................................................................80 Opstellen ecologisch werkprotocol..........................................................81 Zorgvuldig realiseren ...................................................................................83 Omgaan met calamiteiten ..........................................................................83
MAATREGELEN Bestendig beheer of onderhoud ...................................86
6.1 6.2
Gebruik maatregelencatalogus ................................................................86 Type maatregelen in de catalogus ..........................................................87
6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.3.5
Gebouwen en werken .............................................................................89 Vogels ................................................................................................................89 Vleermuizen .....................................................................................................91 Overige zoogdieren .......................................................................................92 Amfibieën en reptielen ................................................................................93 Planten ...............................................................................................................93
6.4 6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.4.4 6.4.5 6.4.6 6.4.7 6.4.8 6.4.9
Houtige begroeiingen .............................................................................94 Algemeen zorgvuldig handelen ................................................................94 Vogels ................................................................................................................94 Vleermuizen .....................................................................................................96 Overige zoogdieren .......................................................................................97 Amfibieën en reptielen ................................................................................99 Vlinders ............................................................................................................100 Libellen.............................................................................................................102 Kevers ..............................................................................................................102 Planten .............................................................................................................103
6.5 6.5.1 6.5.2 6.5.3 6.5.4 6.5.5 6.5.6 6.5.7 6.5.8
Kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein .......................104 Algemeen zorgvuldig handelen ..............................................................104 Vogels ..............................................................................................................104 Vleermuizen ...................................................................................................105 Overige zoogdieren .....................................................................................105 Amfibieën en reptielen ..............................................................................108 Vlinders ............................................................................................................109 Libellen.............................................................................................................109 Planten .............................................................................................................109
6.6 6.6.1 6.6.2 6.6.3
(Half)verhardingen en terreinmeubilair ....................................111 Vogels ..............................................................................................................111 Amfibieën en reptielen ..............................................................................111 Planten .............................................................................................................112
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
7
INTRODUCTIE
6.7 6.7.1 6.7.2 6.7.3 6.7.4 6.7.5 6.7.6 6.7.7 6.7.8 6.7.9 6.7.10 6.7.11
Wateren en oevers ................................................................................. 113 Algemeen zorgvuldig handelen ............................................................. 113 Vogels ............................................................................................................. 113 Vleermuizen .................................................................................................. 114 Overige zoogdieren .................................................................................... 115 Amfibieën ....................................................................................................... 116 Reptielen ........................................................................................................ 117 Libellen ............................................................................................................ 118 Kevers ............................................................................................................. 119 Vissen ............................................................................................................. 120 Weekdieren ................................................................................................... 121 Planten ............................................................................................................ 121
Afkortingen
.................................................................................................. 123
Literatuur
.................................................................................................. 125
BIJLAGE 1 – Relevante verboden Wet natuurbescherming ............................. 127 BIJLAGE 2 – Reikwijdte soorten gedragscode ................................................. 128 BIJLAGE 3 – Reikwijdte inzet gedragscode bij Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting ............................................................. 144 BIJLAGE 4 – Inventarisatie .............................................................................. 147 BIJLAGE 5 – Minimaliseren verstoring ............................................................. 151 BIJLAGE 6 – Goedkeuringsbesluit .................................................................... 153
8
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Leeswijzer
Hoofdstuk 1 schetst de kaders die worden gevormd door de wettelijke soortbescherming en de relatie met werkzaamheden. Hoofdstuk 2 beschrijft het inzetbereik van de gedragscode (o.b.v. artikel 3.31 lid 1, Wet natuurbescherming). Daarna volgen er 2 delen:
• Deel 1, Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (hoofdstuk 3 en 4). • Deel 2, Bestendig beheer of onderhoud (hoofdstuk 5 en 6). Van beide delen is de opzet gelijk. Elk deel begint met het werkproces en de beschrijving van het zorgvuldig handelen van voorbereiding tot en met realisatie. Aansluitend volgt er in elk deel een hoofdstuk met de maatregelen voor het concreet uitwerken van het zorgvuldig handelen. De bijlagen bij deze gedragscode zijn:
• Bijlage 1, Relevante verboden uit de Wet natuurbescherming. • Bijlage 2, Lijst met soorten waarvoor deze gedragscode kan worden ingezet.
• Bijlage 3, Reikwijdte inzet gedragscode (RVO-beleid). • Bijlage 4, Wijze van inventariseren. • Bijlage 5, Minimaliseren van verstoring. • Bijlage 6, Goedkeuringsbesluit. Aan de hand van handleiding die bij deze gedragscode hoort, kunnen gebruikers de implementatie van de gedragscode vormgeven.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
9
INTRODUCTIE
INTRODUCTIE
10
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Gehanteerde begrippen
Biotoop Deel van het leefgebied waar een soort gedurende het jaar of in delen van het jaar voorziet in zijn levensbehoeften zoals voor voortplanting, zomerverblijf, of winterrust. Bijvoorbeeld het water van een poel voor de kamsalamander in de zomer en een deel van een dijk in de winter. Beschermingszone Fysiek gemarkeerde zone rondom een te beschermen rust- en voortplantingsplaats of essentieel leefgebied om beschadiging en verstoring te voorkomen of te beperken. Ecologisch deskundige Persoon die ecologisch advies geeft of werkzaamheden begeleidt op het gebied van met (wettelijk beschermde) soorten. RVO heeft criteria opgesteld waaraan een ecologisch deskundige dient te voldoen. Zie de website van RVO voor de actuele criteria en § 2.3 voor een toelichting. Ecologisch werkprotocol Document waarin maatregelen voor het voorkomen en/of beperken van schade aan flora en fauna zijn uitgewerkt. Tijdens de planvorming en werkvoorbereiding worden hierin effecten van inventarisaties op werkzaamheden, gemaakte keuzes en het zorgvuldig handelen uitgewerkt. Voorafgaand aan de realisatie worden de technische specificaties voor een zorgvuldige uitvoering toegevoegd. Het ecologisch werkprotocol is een onderdeel van het plan van aanpak zoals dat wordt gevraagd in contractsystematieken (o.a. de RAW-systematiek).
Essentieel leefgebied Betekenis van de werklocatie voor een soort als essentieel foerageergebied of essentiële migratieroute gekoppeld aan een vaste rust- en voortplantingsplaats binnen en buiten de werklocatie. Functionaliteitszone Zone rond een rust- en voortplantingsplaats die voorziet in de noodzakelijke behoeften van de soort zoals in- en uitvliegruimte, in- en uitloopruimte of in- en uitzwemruimte. Bijvoorbeeld water in de watergang met de toegang tot de beverburcht en verbinding met de foerageerlocatie(s) of plek voor bezonning van de oever met kikkerdril of plek waar natte klei voor zwaluwen nabij de nestlocatie, inclusief vrije vliegroute beschikbaar is. Kwetsbare periode Dit zijn de soortspecifieke perioden waarbij er sprake is van voortplanting of winterrust. De exacte periode dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
11
INTRODUCTIE
Leefgebied Zie essentieel leefgebied. Planvorming Fase van een project waarin onderzoeken (inventarisaties) plaatsvinden en het ontwerp of de werkopdracht wordt bepaald. Realisatie Fase van een project waarin het plan daadwerkelijk wordt aangelegd c.q. gerealiseerd. Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting In het kader van de Wet natuurbescherming betreft dit een fysieke verandering en/of functieverandering van een terrein, gebouw of voorziening waardoor ook de ecologische functie kan veranderen. Rust- en voortplantingsplaats Locatie van een soort om te rusten of zich voort te planten. Elke soort kent zijn eigen type rust- en voortplantingsplaats(en). Ook de onderdelen van de omgeving die onlosmakelijk met het functioneren van de locatie zijn verbonden worden tot rusten voortplantingsplaats gerekend. Soortspecifieke broedperiode Vrijwel jaarrond broeden er vogels. Elke vogelsoort heeft een eigen broedperiode. Hiervoor kan de natuurkalender broedvogels van RVO als richtlijn worden aangehouden, zie website RVO. Verstoren Het direct of indirect beïnvloeden van het voortplantingssucces en/of de overlevingskansen van vogels en Europees beschermde diersoorten zonder dat daarbij sprake is van fysieke schade aan de soort of rust- of voortplantingsplaatsen.
Verstoringsvrije afstand Dit is de minimale afstand tussen de werkzaamheden en soort en/of rust- en voortplantingsplaats waarbij er geen verstoring plaatsvindt (zie bijlage 5). Werklocatie Door middel van een werkgrens (inclusief transportroutes en depots) afgebakend gebied waarbinnen werkzaamheden plaatsvinden. Werkvoorbereiding Fase van een project waarin de technische uitwerking van een plan plaatsvindt, ter voorbereiding op de realisatie. Zorgplicht De algemene zorgplicht houdt een algemeen beschaafd en fatsoenlijk handelen in voor aangewezen natuurgebieden en alle in het wild levende dieren en planten en hun directe omgeving (zie artikel 1.11 Wet natuurbescherming).
12
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Zorgvuldig handelen Zorgvuldig handelen gaat verder: de aanvrager moet actief en aantoonbaar optreden om schade aan een soort te voorkomen, te beperken en/of ongedaan te maken. Wat dat in de praktijk betekent, verschilt van geval tot geval.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
13
INTRODUCTIE
Hoe deze gedragscode te gebruiken in 10 stappen 1.
Bepaal of de voorgenomen werkzaamheid onder het inzetbereik van deze gedragscode valt, zie § 1.1, § 1.2, § 1.3 en § 2.2.
2.
Zet voor elke stap in het werkproces passende deskundigheid in, zie § 2.3.
3.
Bepaal welk onderdeel van de gedragscode gevolgd dient te worden, zie § 2.4.
Vervolg per onderdeel (Ruimtelijk ontwikkeling of inrichting (zie hoofdstuk 3 en 4) OF Bestendig beheer of onderhoud (zie hoofdstuk 5 en 6)): 4.
Bepaal of de gedragscode nodig is, zie § 3.2 of § 5.2.
5.
Bepaal de mate van zorgvuldig handelen: voorkomen of beperken van nadelige effecten op soorten, zie § 3.3 en § 3.4 of § 5.3 en § 5.4.
6.
Werk de aanpak uit tot een ecologisch werkprotocol op hoofdlijnen, zie § 3.4.4 en § 3.5 voor RO en § 5.4.4 en § 5.5 voor BB.
7.
Meld ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de vrijstellingsruimte uit de gedragscode wordt gebruikt, bij het bevoegd gezag.
8.
Werk voor de start van de uitvoering het ecologisch werkprotocol technisch uit, zie § 3.6 en § 5.6.
9.
Realiseer het project aantoonbaar op basis van het ecologisch werkprotocol.
10.
Bewaar het project- of contractdossier met het volledige ecologisch werkprotocol en bijhorende informatie in elk geval 5 jaar.
14
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding
Deze gedragscode Soortbescherming voor gemeenten is de opvolger van de in 2011 goedgekeurde, Stadswerk gedragscode Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting en de in 2014 goedgekeurde Stadswerk gedragscode Bestendig beheer of onderhoud groenvoorzieningen. Deze gedragscode is van toepassing op voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden op locaties met wettelijk beschermde soorten. De werkzaamheden worden door gemeenten of in opdracht van gemeenten gerealiseerd. De gedragscode geeft invulling aan aantoonbaar zorgvuldig handelen. Het betreft een uitwerking van het onderdeel soortbescherming van de Wet natuurbescherming. Centraal hierin staat: behoud en herstel van biodiversiteit. Werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat individuele planten en dieren en bepaalde rust- en voortplantingsplaatsen negatieve effecten ondervinden. Door te handelen volgens deze gedragscode, worden negatieve effecten op (lokale) populaties van beschermde dieren en planten inzichtelijk gemaakt en voorkomen of beperkt. Daarvoor wordt er met deze gedragscode een degelijke procedure doorlopen vanaf de voorbereiding tot en met de realisatie en wordt biodiversiteit aantoonbaar behouden. Deze gedragscode is toepasbaar in de contract-systematiek en contractvoorwaarden zoals die in Nederland worden gehanteerd bij de uitvoering van werkzaamheden.
Het betreffen met name RAW- en STABU-bestekken, RVOI (regeling verhouding opdrachtgever en ingenieursbureaus), DNR (De Nieuwe Regeling, idem voor adviesbureaus), UAV (Uniforme Administratieve Voorwaarden; voorwaarden bij bestekken) en UAV-GC (voorwaarden bij geïntegreerde contracten).
1.2
Soortbescherming bij werkzaamheden
Deze gedragscode is specifiek bedoeld voor het zorgvuldig handelen bij het voorbereiden en uitvoeren van werkzaamheden op plaatsen met beschermde soorten. De werkzaamheden dienen te vallen onder ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (RO) of onder bestendig beheer of onderhoud (BB), zie artikel 3.31 lid 1 in de Wet natuurbescherming. Soortbescherming op een werklocatie dient volgens dit artikel op een passende wijze invulling te krijgen.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
15
INTRODUCTIE
Deze gedragscode voorziet daarin op 2 niveaus:
• Wettelijke borging: een door de Minister goedgekeurde gedragscode is een in de wet beschreven juridisch instrument voor het aantoonbaar zorgvuldig handelen op locaties met beschermde soorten.
• Praktische borging: Deze gedragscode beschrijft hoe het zorgvuldig handelen specifiek en aantoonbaar dient te worden ingevuld. Omdat er binnen de meeste gemeenten een duidelijke organisatorische scheiding is, tussen het werkproces “ruimtelijke ontwikkeling of inrichting” en het werkproces “bestendig beheer of onderhoud”, zijn deze processen in deze gedragscode in twee aparte delen uitgewerkt.
1.2.1
Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting
Onder ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (RO) wordt een breed scala aan werkzaamheden verstaan met als resultaat een functieverandering of uiterlijke verandering van een gebied of object. In de praktijk spreken we dan van (ver)bouwen, (her-)inrichten, aanleggen, reconstrueren, groot onderhoud, omvormen of een verandering in beheer of gebruik. Meestal worden dergelijke werkzaamheden gerealiseerd in de vorm van een project. Voorbeelden van RO-projecten zijn:
• • • •
Aanleg of verbreden van een weg. (Uit)bouwen van een gemeentehuis of buurthuis. Aanleg of herinrichten van een park. Aanleg van een kabel- of leidingtracé.
Dergelijke projecten gaan veelal gepaard met het omvormen van een bestaande situatie zoals:
• Verwijderen of vervangen van een beplanting. • Slopen van een gebouw. • Dempen van een watergang.
1.2.2
Bestendig beheer of onderhoud
Onder bestendig beheer of onderhoud (BB) wordt het voortzetten van (regulier) onderhoud verstaan. Het resultaat daarvan is het behoud van de bestaande situatie en het behoud van de aan de locatie gekoppelde functies voor flora en fauna. Werkzaamheden worden veelal op basis van een beheerplan of beheersysteem verricht en kennen een bepaalde cyclus of herhaling. Meestal worden dergelijke werkzaamheden gerealiseerd in de vorm van een contract.
16
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Voorbeelden van werkzaamheden zijn:
• Eén keer per drie jaar snoeien van een laanbeplanting. • Twee keer per jaar maaien van een wegberm. • Eén keer per zeven jaar schilderen van een gemeentehuis.
1.3
Waarom deze gedragscode?
Er gelden vier belangrijke motieven om deze gedragscode toe te passen: a.
b.
c.
d.
1.4
Maatschappelijk motief: invulling geven aan duurzaam behouden en ontwikkelen (bijvoorbeeld: circulaire economie, Lifecycle Engineering, natuur-inclusief bouwen of Breeam). Deze gedragscode geeft belangrijke handvatten op basis waarvan duurzaamheid (inclusief programma biodiversiteit) een concrete invulling krijgt. Juridische motief met erkend belang: benutten van de wettelijke ruimte die een gedragscode biedt. Bepaalde verbodsbepalingen gelden niet meer, wanneer wordt gewerkt volgens een gedragscode. Er moet dan wel sprake zijn van een wettelijk erkend belang (zie § 2.2), en aantoonbaar conform deze gedragscode en het goedkeuringsbesluit worden gewerkt. Juridisch motief zonder erkend belang: door het nemen van bepaalde voorzorgsmaatregelen kan een overtreding van de Wet natuurbescherming worden voorkomen. Middels deze gedragscode kunnen die voorzorgsmaatregelen zorgvuldig worden voorbereid en uitgevoerd. Er is dan sprake van aantoonbaar zorgvuldig handelen. Deze aanpak is inzetbaar bij ruimtelijke ingrepen waarvoor geen erkend belang geldt, maar waar wel sprake is van wettelijk beschermde soorten. Sectoraal motief: in het verleden zijn diverse gedragscodes opgesteld door individuele gemeenten. De Rijksoverheid en provincies willen vanuit uitvoerings- en handhavingsoogpunt het aantal gedragscodes beperken.
Deze gedragscode is een sectorale gedragscode, geldend voor alle gemeenten en organisaties die in opdracht van gemeenten werken.
Doelgroepen
Deze gedragscode is inzetbaar bij voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting EN bestendig beheer of onderhoud door gemeenten en partijen die onder regie van gemeenten vallen en organisaties die werken in opdracht van gemeenten.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
17
INTRODUCTIE
1.5
Doorgevoerde wijzigingen
Ten opzichte van de vorige Stadswerk gedragscodes zijn de volgende wijzigingen verwerkt:
• • • • • • • •
Wijziging van het wettelijk kader (Wet natuurbescherming). Aansluiting op de Omgevingswet. Aansluiting op soortmanagement. Wijzigingen in de lijsten met beschermde soorten. Wijzigingen in het inzetbereik van een gedragscode. Samenvoeging van twee gedragscodes tot één. Detaillering van de aanpak voor voorkomen en beperken. Detaillering van de maatregelen voor zorgvuldig handelen per soortgroep.
• Vervanging van de term plan van aanpak door ecologisch werkprotocol.
18
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
2.
INZETBEREIK GEDRAGSCODE
2.1
Wet natuurbescherming
Tot 2017 bestond natuurwetgeving in Nederland uit:
• Bescherming van gebieden: Natuurbeschermingswet 1998. • Bescherming van soorten: Flora- en faunawet. De Rijksoverheid heeft deze wetten, samen met de Boswet, geïntegreerd tot één Wet natuurbescherming die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Deze gedragscode is een uitwerking van het onderdeel soortbescherming van deze wet op basis van artikel 3.31, voor ruimtelijk ontwikkeling of inrichting en boor bestendig beheer of onderhouden, zie ook kader.
Artikel 3.31 Wet natuurbescherming De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode.
2.2
Soortbescherming
Soortbescherming is voor heel Nederland van kracht. Voor alle in het wild levende planten en dieren geldt de algemene zorgplicht (zie bijlage 1). Tevens heeft de minister beschermde soorten vastgesteld. De bescherming van deze soorten is nader uitgewerkt in verbodsbepalingen (zie bijlage 1). De beschermde soorten zijn in de eerste plaats ontleend aan Europese afspraken, vastgelegd in verdragen (Bern en Bonn) en richtlijnen (Habitat- en Vogelrichtlijn). In de tweede plaats is een lijst met nationaal beschermde soorten in de wet opgenomen. Een overzicht van de beschermde soorten is bijgevoegd in bijlage 2. In aanvulling op artikel 3.31 van de Wet natuurbescherming (zie 2.1) hanteert het bevoegd gezag voor gedragscodes de volgende aandachtpunten en beperkingen ten aanzien van het inzetbereik.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
19
INTRODUCTIE
Opzettelijk doden Een gedragscode is geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van individuen van beschermde soorten. Indien er tijdens het zorgvuldig handelen maatregelen zijn getroffen om doden te voorkomen, is er geen sprake van opzettelijk doden.
Vrijgestelde soorten De Rijksoverheid en de provincies hebben de bevoegdheid om een vrijstelling te verlenen van bepaalde verboden voor bepaalde beschermde soorten bij bepaalde handelingen. De reikwijdte van de vrijstelling is door elke provincie uitgewerkt in haar eigen verordening en het staat de provincies vrij om deze verordening te wijzigen. Bij toepassing van de gedragscode dient rekening te worden gehouden met de actuele provinciale verordening (zie de website van de provincie). Het in deze gedragscode uitgewerkte zorgvuldig handelen is niet verplicht als een soort is vrijgesteld van de verboden die mogelijk overtreden worden voor de betreffende handeling. Voor vrijgestelde soorten kan de gedragscode wel worden gebruikt als uitwerking van de zorgplicht.
Soortmanagementplannen Indien een gemeente beschikt over een geldend soortmanagementplan of een gebiedsgerichte ontheffing voor een bepaalde periode voor specifieke soorten, locaties en/of werkzaamheden, is het aan de initiatiefnemer om aan de hand van de aard van de activiteiten te bepalen welk instrument (bijvoorbeeld deze gedragscode of een gebiedsgerichte ontheffing) het beste past om de voorgenomen activiteiten binnen de regels van de Wet natuurbescherming uit te voeren, binnen de gestelde voorwaarden en waar nodig in overleg met het bevoegd gezag. De realisatie van maatregelen uit dergelijke soortmanagementplannen of ontheffingen kan worden meegenomen in het ecologisch werkprotocol van de gedragscode.
Uitgesloten soorten De volgende soorten zijn uitgesloten voor het werken met gedragscodes:
• Soorten die, van nature, slechts op één of enkele plekken in Nederland voorkomen.
• Soorten die niet (meer) in Nederland voorkomen, niet recent zijn waargenomen of waar geen sprake is van een gevestigde populatie.
• Soorten die alleen in zee leven. • Soorten die alleen in Natura 2000-gebieden leven. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage 2 met “nvt” in de kolom “inzet gedragscode”.
20
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Uitgezette soorten In het wild levende exemplaren van soorten die zijn uitgezet of uitgezaaid, buiten hun natuurlijk verspreidingsgebied, vallen niet onder de bescherming van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze exemplaren is geen gedragscode nodig.
Inzet bij ruimtelijke ontwikkelingen of inrichtingen Deze gedragscode is alleen inzetbaar voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen of inrichtingen. De omvang van het project dient te passen binnen de afgesproken reikwijdte (zie bijlage 3). Ruimtelijke ontwikkelingen die plaats vinden op zee en/of op terreinen die zijn aangewezen als kwalificerend habitattypen in Natura 2000gebied, vallen buiten de reikwijdte van deze gedragscode. Werkzaamheden aan of ten behoeve van infrastructuur binnen deze gebieden vallen wel onder het inzetbereik van de gedragscode.
Inzet bij bestendig beheer of onderhoud Deze gedragscode is alleen inzetbaar voor werkzaamheden waarbij de bestaande situatie behouden blijft. Bestendig beheer dat plaats vindt op zee en/of op terreinen die zijn aangewezen als kwalificerend habitattypen in Natura 2000-gebieden, vallen buiten de reikwijdte van deze gedragscode. Werkzaamheden aan of ten behoeve van infrastructuur binnen deze gebieden vallen wel onder het inzetbereik.
2.2.1
Wettelijke belangen
Verboden mogen (in beperkte mate) overtreden worden, indien er sprake is van één of meerdere in de wet genoemde belangen. Dit in relatie tot de beschermingsstatus van de aanwezige soorten, zie figuur 1.
Vogels
Habitat richtlijnsoorten
art 3.3.4
art 3.8.5
art 3.10.2 (art 3.8.5)
1. Volksgezondheid
X
X
X
2. Openbare veiligheid
X
X
X
3. Veiligheid van het luchtverkeer
X
4. Bescherming wilde flora en fauna
X
X
X
X
X
In de wet genoemde belangen
5. Dwingende redenen van groot openbaar belang (sociaal, economisch, wezenlijk gunstig effect voor milieu)
Nationale soorten
Figuur 1, De geldende wettelijk belangen per categorie soorten (met verwijzing naar de artikelen in de Wet natuurbescherming).
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
21
INTRODUCTIE
2.2.2
Belangen versus gemeentelijke taken
Werkzaamheden die door of in opdracht van gemeenten worden uitgevoerd en die binnen de reikwijdte van het “beperken” binnen deze gedragscode vallen, worden uitgevoerd in het kader van aan gemeenten opgedragen wettelijk taken2. Deze taken zijn nodig om de inwoners van gemeenten gezond, veilig en prettig te kunnen laten wonen, werken en recreëren. Om deze wettelijke taken uit te kunnen voeren, bezitten gemeenten vastgoed en terreinen. Deze worden beheerd en onderhouden of desgewenst opnieuw (her)ingericht of aangelegd. Voorbeelden zijn gemeentehuizen en andere gebouwen voor ambtenaren en publieke functies (scholen, wijkgebouwen, sportzalen etc.) en openbare wegen, nuts- en groenvoorzieningen en lokale waterpartijen. De gemeentelijke taken raken daarmee vrijwel alle wettelijke belangen, zie figuur 1. Het betreft de volgende taken:
• Het aanleggen van nutsvoorzieningen, droge en natte infrastructuur met bijbehorende voorzieningen en werken. Hiermee borgen gemeenten de toegankelijkheid en bereikbaarheid van gebouwen, werken en terreinen. Dit betreft alle categorieën in deze gedragscode. Deze wettelijke taken vallen onder de belangen openbare veiligheid en/of groot openbaar belang.
• Veilig en functioneel houden van de leefomgeving en de gebouwen, werken en terreinen daarin zodat inwoners geen schade ondervinden en niet worden blootgesteld aan schadelijke stoffen. Deze taken vallen onder de belangen openbare veiligheid en volksgezondheid.
• Het realiseren van gezondheid- en onderwijsbeleid, actualiseren van de leefomgeving en effectueren van water-, natuur- en milieubeleid. Hiervoor worden gebouwen, begroeiingen, verhardingen en andere inrichtingselementen beschermd, gerenoveerd of juist vervangen. Voor het onderdeel natuur geldt het belang flora en fauna, voor het onderdeel milieubeleid geldt het belang volksgezondheid en voor het actualiseren van de leefomgeving gaat het om de belangen openbare veiligheid en groot openbaar belang.
• Het duurzaam beheren en onderhouden van de hiervoor genoemde voorzieningen zodat overheidsgelden zinvol zijn besteed (voorkomen van vroegtijdige vernietiging van kapitaalgoederen). Beheerwerkzaamheden dragen ook bij aan min of meer constante standplaatsfactoren voor soorten zodat beschermde soorten kunnen blijven voortbestaan. Deze werkzaamheden vallen onder de belangen groot openbaar belang en flora en fauna.
2
Wettelijke taken die voortkomen uit de volgende wetten: Wegenwet, Gemeentewet, Burgerlijk Wetboek, Omgevingswet, Wet natuurbescherming en richtlijnen (o.a. CROW), zie ook https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gemeenten/taken-gemeente
22
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
2.2.3
Zorgvuldig handelen
Op locaties met beschermde soorten, dient zorgvuldig te worden gehandeld met als uitgangspunten:
• • • •
Behoud van aanwezige soort(en). Behoud van aanwezige rust- en voortplantingsplaatsen. Behoud van functionaliteit aanwezige rust- en voortplantingsplaatsen. Behoud van essentieel leefgebied.
In de gedragscode wordt onderscheid gemaakt tussen het voorkomen en het beperken van nadelige effecten.
Voorkomen van nadelige effecten Voor alle soorten geldt dat er met de gedragscode kan worden gewerkt als nadelige effecten aan beschermde soorten, rust- en voortplantingsplaatsen en daaraan gekoppeld essentieel leefgebied worden voorkomen. De essentie hierbij is:
• Op werklocaties met essentieel leefgebied en/of rust- en voortplantingsplaatsen buiten de kwetsbare perioden werken in combinatie met behoud van vaste rust- en voortplantingsplaatsen en de daarbij behorende functionaliteit van de werklocatie voor aanwezige soorten.
• Voldoende afstand houden bij rust- en voortplantingsplaatsen om verstoren te voorkomen.
• Voorkomen van nadelige effecten aan (individuen van) soorten. Hiervoor kunnen mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn.
Beperken van nadelige effecten In bepaalde situaties is het op basis van inzet van de gedragscode in beperkte mate toegestaan verblijfplaatsen te beschadigen vernielen of individuen te vangen of te verstoren. Hiervoor gelden de volgende criteria:
• De werkzaamheid valt onder een in de wet genoemd belang (zie § 2.2.1 en § 2.2.2).
• De werkzaamheid moet op die locatie worden uitgevoerd (noodzaak aantonen).
• De werkzaamheid moet op dat moment worden uitgevoerd (noodzaak aantonen).
• De werkzaamheid moet op die manier worden uitgevoerd (werkwijze onderbouwen). Bij bestendig beheer of onderhoud is dit mogelijk voor alle wettelijk beschermde soorten. Voor ruimtelijke ontwikkeling geldt dit alleen voor bepaalde soorten, zie kolom ‘Inzet gedragscode’ in de soortenlijst van bijlage 2.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
23
INTRODUCTIE
2.3
Inzet deskundigheid
Het invullen en borgen van de wettelijke soortbescherming en het daaruit voortkomende zorgvuldig handelen vereist een bepaalde deskundigheid van betrokkenen. De Rijksoverheid heeft deze deskundigheid beschreven op de website van RVO. In navolgend kader staat de versie die bij het indienen van deze gedragscode actueel is.
RVO Definitie ecologisch deskundige (december 2020) Onder een ecologisch deskundige verstaat RVO iemand die ecologisch advies geeft of werkzaamheden begeleidt op het gebied van habitats en soorten. Deze persoon heeft schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis. Toelichting Van belang hierbij is dat de ecologisch deskundige voldoende kennis en jarenlange ervaring heeft opgebouwd om ecologisch onderzoek te kunnen doen. Hierbij wordt hij/zij geacht de functionaliteit van leefgebieden van beschermde soorten te (her-) kennen, kennis te hebben van de algemeen erkende onderzoeksmethode, toe te zien op een juiste uitwerking van ecologische werkprotocollen en indien nodig specifiek te nemen maatregelen te begeleiden. Het kan ook zijn dat hij wordt ingeschakeld om toe te zien op de werkzaamheden.
Het aanbod ecologisch deskundigen is in verhouding tot de hoeveelheid werkzaamheden voor ruimtelijke ontwikkelingen en bestendig beheer schaars. Naast de ecologisch deskundige zijn ook diverse andere functies betrokken bij de uitvoering van werkzaamheden. Daarom zijn Stadswerk, VNG en branchevereniging VHG sinds 2007 actief bezig met het bevorderen van ecologische kennis en kunde in gemeenten en bij partijen die voor, met en in gemeenten werken. Dit om met ecologisch deskundigen te kunnen samenwerken en ook om meer kennis en kunde in de sector te krijgen. Meer informatie hierover is te vinden op de website van Stadswerk (onder Wet natuurbescherming).
2.4
Toepassen gedragscode
In deze gedragscode is vanaf hier sprake van 2 delen. Bepaal het juiste deel van de gedragscode op basis van onderstaande vragen.
• Betreffen de werkzaamheden een ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (zie paragraaf 1.2)? Ga dan verder bij deel I (hoofdstuk 3 en 4).
• Betreffen de werkzaamheden bestendig beheer of onderhoud (zie paragraaf 1.2)? Ga dan verder bij deel II (hoofdstuk 5 en 6).
24
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Deel I RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING (ROI)
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
25
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
3.
WERKPROCES Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting
3.1
Van initiatief tot en met realisatie
Bij het voorbereiden en realiseren van een ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (RO) hebben diverse organisaties en diensten van organisaties een rol. Een ruimtelijke ontwikkeling kan worden opgedeeld in een aantal fasen of werkprocessen. Deze gedragscode geeft invulling aan het aantoonbaar zorgvuldig handelen gedurende het totale werkproces: van initiatief tot en met realisatie. Wie, welke stappen uitvoert, hangt af van de taakverdeling of het contract tussen betrokken partijen. De rode draad in het werkproces is dat er tijdens elke stap aantoonbaar zorgvuldig wordt gehandeld en dat informatie op een juiste en volledige wijze wordt overgedragen. Het betreft de volgende stappen: 1. 2. 3. 4. 5.
Keuze wel of geen gedragscode inzetten (zie § 3.2). Toetsen aan verbodsbepalingen (zie § 3.3). Uitwerken zorgvuldig handelen (zie § 3.4). Zorgvuldig realiseren (zie § 3.5). Omgaan met calamiteiten (§ 3.6).
In de paragrafen hierna wordt elk onderdeel uitgewerkt.
3.2
Wel of geen gedragscode?
Het doorlopen van checklist I geeft antwoord op de vraag of inzet van de gedragscode mogelijk is. De resultaten van de drie stappen uit checklist I dienen te worden opgenomen in het projectdossier. Voor checklist I is volledige en actuele soortinformatie van de werklocatie noodzakelijk. Dit is inclusief de omgeving van de werklocatie, tot zover de invloed3 van de werkzaamheden op aanwezige soorten merkbaar is. Hiervoor is nodig:
• • •
Soortinformatie die niet ouder is dan 3 jaar. Inzicht in de exacte locaties van rust- en voortplantingsplaatsen. Inzicht in de functionaliteit van de werklocatie als essentieel leefgebied.
3 Inventariseer de omgeving tot zover er geen invloed (bv. geluid, trilling e.d) van de
werkzaamheden meer merkbaar is.
26
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
Aandachtspunten bij het verzamelen van soortinformatie zijn:
•
Informatie over aanwezige beschermde soorten zijn in een zo vroeg mogelijk projectstadium beschikbaar: initiatieffase of ontwerpfase.
•
Informatiebronnen zoals de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) of een eigen databank met soortinformatie kunnen worden gebruikt.
•
Een ecologisch deskundige bepaalt of de soortinformatie volledig is.
•
Indien soortinformatie niet beschikbaar is of onvolkomenheden bevat, dient er te worden geïnventariseerd. Het vaststellen of het uitsluiten van soorten op een werklocatie dient volgens geldende protocollen en BIJ12 kennisdocumenten plaats te vinden (indien deze beschikbaar zijn voor de soort). Voor soorten waar geen protocol of kennisdocument beschikbaar is, bepaalt een ecologisch deskundige de inventarisatiemethode(n). De gedragscode geeft hiervoor richtlijnen, zie bijlage 4.
•
De specifieke werkwijze wordt vastgelegd in de rapportage, waarin in elk geval staat wie, wat, waar en hoe heeft onderzocht.
•
Een ecologisch deskundige analyseert op welke wijze aangetroffen soorten gebruik maken van de projectlocatie en onderbouwt dit. Bijvoorbeeld de vijver op de projectlocatie is essentieel foerageergebied voor watervleermuizen.
3.3
Toetsen aan verbodsbepalingen
Wanneer worden er (mogelijk) verboden overtreden?
3.4
•
Er zijn rust- en voortplantingsplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig op de werklocatie en daarmee kans op een overtreding van de verboden: doden van individuen, verstoren en beschadigen rust- en voortplantingsplaatsen.
•
Er zijn rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig buiten de werklocatie en binnen de invloedzone van de uit te voeren werkzaamheden: en daarmee kans op een overtreding van het verbod verstoren.
Uitwerken zorgvuldig handelen
Uitgangspunt voor dit onderdeel is dat er (mogelijk) verboden overtreden worden. Hiervoor dient checklist II doorlopen te worden. Checklist II beschrijft het gedrag of de te nemen maatregelen om in eerste instantie overtredingen van de verboden te voorkomen. Indien dit aantoonbaar niet mogelijk is EN er geldt een noodzaak (o.a. wettelijk belang, zie § 2.2.3) EN in de soortenlijst van bijlage 2 is aangegeven dat beperken mogelijk is, dan mag er in tweede instantie schade worden beperkt.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
27
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
RO-checklist I – Wel of geen gedragscode? Stap 1. Verzamelen informatie Projectinformatie Wat zijn de kenmerken van het project? Wat is de werklocatie en de werkgrens inclusief aanvoer/afvoerroutes, depots e.d.? Wat is de bestaande situatie op de werklocatie en wat is nodig om het projectresultaat te bereiken? (bv. sloop gevel t.b.v. nieuwe aanbouw) Aanleiding: gelden er één of meerdere in de wet genoemde belangen en welke is/zijn dit? (zie § 2.2.1 en § 2.2.2) Wat is de planning, welke vaste data gelden? Past de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting binnen de reikwijdte van de gedragscode (zie § 1.2 en 2.2)? Valt het project onder de reikwijdte: ga verder bij Soortinformatie. Valt het project niet onder de reikwijdte: inzet van de gedragscode is niet mogelijk. Soortbescherming kan nog steeds een aandachtspunt zijn.
Soortinformatie -
Zijn er (vaste) rust- en voortplantingsplaatsen en/of essentiële leefgebieden van wettelijk beschermde soorten op de werklocatie en/of binnen de invloedzone van de werkzaamheden (zie § 3.2 voor wijze van inventariseren) aanwezig. Is het antwoord ja, ga naar stap 2. Is het antwoord nee, dan is soortbescherming geen randvoorwaarde voor het project. Inzetten van de gedragscode is niet nodig. De algemene zorgplicht blijft wel van kracht.
Stap 2. Toetsen aan verbodsbepalingen -
Confronteer projectinformatie met soortinformatie: welke verboden worden er (mogelijk) overtreden (zie § 3.3)? Controleer ook rijks of provinciaal vrijgestelde soorten. Wel een (mogelijke) overtreding: ga naar stap 3. Geen overtreding: soortbescherming is geen randvoorwaarde voor het werk. Inzetten van de gedragscode is niet nodig. De algemene zorgplicht blijft wel van kracht.
Stap 3. Uitwerken zorgvuldig handelen -
28
Werk het zorgvuldig handelen uit conform § 3.4. Neem de uitkomsten van alle stappen op in het projectdossier.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten
RO-checklist II – Uitwerken zorgvuldig handelen Stap 1. Bepalen gebruik, functionaliteitszone en leefgebied Op basis van de soort, de locatie en de werkzaamheden wordt door een ecologisch deskundige (zie § 2.3) per rust- en voortplantingsplaats en/of leefgebied de verstoringsvrije afstand, de kwetsbare gebruiksperiode en functionaliteitszone bepaald (zie § 3.4.1, § 3.4.2 en § 3.4.3).
Stap 2. Overtreding voorkomen of beperken 1. Overtreding voorkomen De werkzaamheden op aanwijzing van een ecologisch deskundige zo aanpassen dat er geen verboden worden overtreden: Buiten verstoringsvrije afstand werken. Buiten functionaliteitszone werken. Buiten essentieel leefgebied werken. Buiten soortspecifieke kwetsbare periode werken. De werkwijze uitwerken in het ecologisch werkprotocol maatregelencatalogus RO (zie § 3.4.4 en hoofdstuk 4).
op
basis
van
de
Indien dit niet mogelijk is, stap 2 uitwerken. Dit kan alleen maar voor soorten uit bijlage 2 met categorie beperken en voor projecten met een noodzaak (o.a. erkend belang, zie § 2.2.3).
2. Overtreding beperken (uitsluitend mogelijk o.b.v. belang en bijlage 2) De werkzaamheden zo aanpassen dat er in beperkte mate verboden worden overtreden; bijvoorbeeld door: Binnen de functionaliteitszone werken buiten de gebruikersperiode. Binnen een deel van het essentieel leefgebied werken. Op zorgvuldig wijze binnen de soortspecifieke kwetsbare periode werken. Dit uitwerken in het onderdeel specifiek zorgvuldig handelen van het ecologisch werkprotocol op basis van de maatregelencatalogus RO (zie § 3.5 en hoofdstuk 4).
3.4.1
Bepalen verstoringsvrije afstand
De verstoringsvrije afstand is de minimale afstand tussen werkzaamheden en een rust- en voortplantingsplaats waarbij er geen verstoring plaatsvindt. De werktechniek is hierbij zeer bepalend (bv. palen heien of palen pulsen). Het is alleen noodzakelijk de verstoringsvrije afstand te bepalen wanneer een soort gebruik maakt van de rust- en voortplantingsplaats en/of het essentieel leefgebied in de periode dat er werkzaamheden worden uitgevoerd. Soorten zijn veelal gewend aan een bepaalde omvang van geluid, licht en trilling. De bestaande situatie, voorafgaand aan de werkzaamheden, is dan ook maatgevend voor het bepalen van de werkmethoden en de werkafstanden tot een rust- en voortplantingsplaats.
STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx
29
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Daarom is het noodzakelijk om verstoringsvrije afstand(en) te bepalen door een ecologisch deskundige. Bijlage 5 geeft richtlijnen en criteria voor het bepalen van deze afstand(en). De wijze waarop de verstoringsvrije afstand(en) zijn bepaald met onderbouwing opnemen in het ecologisch werkprotocol. Het zorgvuldig handelen binnen de verstoringsvrije afstand maakt deel uit van de verdere uitwerking.
3.4.2
Bepalen kwetsbare gebruiksperiode
Bij veel soorten is er sprake van een duidelijk aanwijsbare rust- en voortplantingsplaats (bv. groeiplaats, nest, hol, hoop of holte). Voor elke rust- en voortplantingsplaats geldt een soortspecifieke gebruiksperiode. Binnen die gebruiksperiode kan een kwetsbare periode gelden. Er kunnen drie typen gebruik van rust- en voortplantingsplaatsen worden onderscheiden: 1.
Vaste rust- en voortplantingsplaatsen, jaarrond in gebruik: De soort is jaarrond aanwezig, er geldt dan ook jaarrond zorgvuldig handelen. De kwetsbare perioden zijn de voortplantingsperiode, winterrustperiode of bloeiperiode.
2.
Vaste rust- en voortplantingsplaatsen, tijdelijk in gebruik: De soort keert na een bepaalde afwezigheid weer terug op dezelfde plek. De kwetsbare periode geldt indien de soort aanwezig is. Het betreft de voortplantingsperiode of rustperiode.
3.
Tijdelijke rust- en voortplantingsplaatsen: Er geldt alleen een kwetsbare periode als de soort de rust- en voortplantingsplaats in gebruik heeft.
In bijlage 2 zijn per soort deze typen rust- en voortplantingsplaatsen vermeld in de kolom R&V. Per soort en type rust- en voortplantingsplaats dient de specifieke kwetsbare periode te worden bepaald door een ecologisch deskundige (zie § 2.3). De broedperiode van vogels kan afwijken van de periodes zoals weergegeven in de RVO-natuurkalender. Een ecologisch deskundige stelt vast of er daadwerkelijk sprake is van een broedgeval of in gebruik zijnde rust- en voortplantingsplaatsen. Een soort kan gebruik maken van de werklocatie zonder dat er sprake is van een aanwijsbare rust- en voortplantingsplaats; dan ligt de werklocatie in (een deel van) het leefgebied. Binnen dat leefgebied kunnen bepaalde essentiële delen in een bepaalde periode kwetsbaar zijn. Bijvoorbeeld voedselbiotoop, vaste migratieroute, overwinteringsbiotoop of voortplantingsbiotoop.