755960 Ontwerpbestemmingsplan Drakenburgerweg 23-25a bijlage 3 Aanmeldnotitie BURO
Tekst van het document
Aanmeldnotitie m.e.r. Bestemmingsplan Drakenburgerweg 23-25
21 april 2023 Kenmerk 0308-36-N02 Projectnummer 0308-36
buRO Brabantsestraat 17 Kantoor 2.20 3812 PJ Amersfoort telefoon: fax: e-mail: internet:
033 465 45 31 033 462 41 15 info@bu-ro.nl www.bu-ro.nl
ing. M.H. van den Bosch ing. R. van Veen
Aan gemeente Baarn Van Roel van Veen 1.
Algemeen Het gasontvangstation aan de Drakenburgerweg 25a is recent naar een perceel ten noorden van de Drakenburgerweg verplaatst. De vrijkomende locatie, die deel uitmaakt van het onderhavige ontwikkeling, heeft daarbij een woonbestemming gekregen. Voor deze locatie en voor de percelen Drakenburgerweg 23 en 25 is een bouwplan ontwikkeld om hier het Baarnhuis te realiseren. Het Baarnhuis is een woonvoorziening met 16 appartementen waar jongeren met een verstandelijke beperking onder begeleiding zelfstandig kunnen wonen. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. In het kader van het project is het volgende van belang. Het Europees parlement heeft op 12 maart 2014 en de Europese Raad op 16 april 2014 ingestemd met de Wijzigingsrichtlijn m.e.r.1 (2014/52/EU). De Wijzigingsrichtlijn m.e.r. moest uiterlijk 16 mei 2017 in de Nederlandse regelgeving zijn geïmplementeerd. Dit is in artikel 2 van de Wijzigingsrichtlijn m.e.r. vastgelegd. Met de wijziging wordt beoogd de m.e.r.-beoordelingsprocedure te verduidelijken, de kwaliteit en de inhoud van het MER te verbeteren en de m.e.r.-procedure te stroomlijnen met milieubeoordelingen uit hoofde van andere EU-regelgeving, teneinde het milieu beter te beschermen, hulpbronnen efficiënter te gebruiken en duurzame groei in de Europese Unie te bevorderen.
Sinds 16 mei 2017 is het op basis van artikel 7.17 Wet milieubeheer verplicht een aanmeldnotitie op te stellen wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De aanmeldnotitie dient door het bevoegd gezag te worden vastgesteld. De aanmeldnotitie beschrijft of er (mogelijk) sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Aan de vormgeving van deze notitie wordt slechts één belangrijke randvoorwaarde gesteld: er moet aandacht besteed worden aan de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn "betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten".
1
m.e.r. = milieueffectrapportage, MER = milieueffectrapport
In bijlage III van de Europese richtlijn "betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten" staan drie hoofdcriteria centraal die verder zijn aangevuld met subcriteria. Bij een beoordeling of in het kader van de herontwikkeling van een locatie naar woningbouw sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen dienen deze criteria in acht te worden genomen. De criteria als beschreven in bijlage III van de Europese richtlijn zijn: ▪ de kenmerken van het project de omvang van het project de cumulatie met andere projecten het gebruik van natuurlijke hulpbronnen de productie van afvalstoffen verontreiniging en hinder risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën ▪ de plaats van het project het bestaande grondgebruik de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: wetlands kustgebieden berg- en bosgebieden reservaten en natuurparken gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) gebieden waarin de bij communautaire
wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang ▪ de kenmerken van de potentiële effecten het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) het grensoverschrijdende karakter van het effect de waarschijnlijkheid van het effect de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. 2.
De kenmerken van het project Algemeen Als eerste hoofdcriterium wordt genoemd: de kenmerken van het project. Hierbij komen naast algemene gegevens van het project, zoals de locatie en de omvang van de voorgenomen activiteit ook zaken aan de orde op het gebied van het productieproces, gebruikte stoffen en technologieën (en de daarvan afgeleide afvalproductie, gebruik van grondstoffen, verontreiniging, hinder en risico's). Bij meer ruimtelijk georiënteerde projecten, bijvoorbeeld woningbouw (valt onder activiteit 11.2: stedelijk ontwikkelingsproject), spelen productiepro-
-2-
cessen en dergelijke geen rol. Hier zijn andere kenmerken, zoals de verkeersaantrekkende werking en duurzaamheidsaspecten, van belang. Deze kenmerken zijn ook noodzakelijk om uitspraken te kunnen doen over (mogelijke) belangrijke nadelige milieueffecten. Ten slotte geldt dat aandacht moet worden besteed aan mogelijke cumulatie-effecten met andere nabijgelegen projecten. Specifiek met betrekking tot de realisatie van de woonwijk Het project omvat de realisatie van het Baarnhuis, een woonvoorziening waar 16 jongeren met een verstandelijke beperking onder begeleiding zelf-standig kunnen wonen. Daarmee is het project significant kleiner dan het aantal van 2.000 woningen genoemd in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het project betreft geen bedrijfsinstallatie of de inwerkingtreding daarvan. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de productie van afvalstoffen heeft daarom slechts betrekking op het functioneren van de woonvoorziening. Daarbij kan worden gedacht aan het gebruik van (fossiele) brandstoffen en water en het afvoeren van huisvuil en rioolwater. Er is geen sprake van overige verontreinigingen of hinder voor de omgeving. De woonvoorziening wordt 'gasloos' gerealiseerd. Hierdoor zal de uitstoot van rookgassen worden beperkt ten opzichte van traditionele woongebieden. In de ASVV2021 zijn geen kengetallen opgenomen voor de verkeersgeneratie voor woonzorgvoorzieningen.
Voor de bepaling van de verkeersaantrekkende werking is uitgegaan van de kengetallen van serviceflats (rest bebouwde kom, matig stedelijk). In dat geval betreft de gemiddelde verkeersgeneratie voor een serviceflat 2,45 per kamer/appartement. Voor de 16 appartementen betekent dit een etmaalintensiteit van 39,2 motorvoertuigen per etmaal. De Drakenburgerweg en het omliggende wegennet hebben voldoende capaciteit om dit verkeersaanbod te verwerken. Er is geen sprake van enige vorm van risico van ongevallen als gevolg van de aanwezigheid van een woonzorgvoorziening. 3.
Plaats van het project Algemeen Een voorgenomen activiteit vindt altijd plaats in een bepaalde omgeving, bijvoorbeeld een binnenstedelijk gebied, een historisch veenlandschap of een gebied met hoge ecologische waarden. Deze verschillende gebieden zijn in meer of mindere mate kwetsbaar voor nieuwe activiteiten. Voorbeelden hiervan zijn de locaties van Natura2000-gebieden, waterwingebieden, enzovoort. Het gaat bij het criterium 'plaats van het project' niet alleen om het gebied waarin de activiteit gelegen is, maar juist ook om aangrenzende gebieden. Zo is het bijvoorbeeld van belang om te weten of er Natura2000-gebieden in de omgeving zijn waarop de activiteit impact kan hebben. Ook is inzicht nodig in andere ontwikkelingen die in de nabijheid van het project spelen. Dit kan helpen om te bepalen of er mogelijke cumulatie kan optreden door realisatie van activiteiten.
-3-
Specifiek met betrekking tot de woonzorgvoorziening aan de Drakenburgerweg Het plangebied aan de Drakenburgerweg is gelet op de huidige mate van verstedelijking en de ligging als inbreidingslocatie aan te merken. Voor deze inbreidingslocatie is een bouwplan vervaardigd voor de woonzorgvoorziening dat bestaat uit twee hoofdvolumes, die met elkaar worden verbonden door een derde volume. De beide hoofdvolumes worden aan de zijde van de Drakenburgerweg in de rooilijn gebouwd, terwijl het tussenliggende volume wat terug ligt, zodat het gebouw niet te massaal oogt. Het oostelijke hoofdvolume bestaat uit twee bouwlagen zonder kap, het westelijk uit drie bouwlagen zonder kap. Hierdoor wordt de bouwhoogte langs de Drakenburgerweg opgebouwd in de richting van het appartementengebouw aan de overzijde van de Professor Krabbelaan dat uit vijf bouwlagen bestaat. Het bouwplan zal zodoende voor wat betreft massaopbouw, schaal en maat aansluiten bij de bestaande bebouwing. Voor het plangebied is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat er vanuit archeologie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het bouwplan. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning (inclusief bestemmingsplanwijziging).
Het plangebied is niet gesitueerd binnen een geluidszone van een industrieterrein. Het plangebied ligt in de geluidszone van een aantal wegen. Uit het onderzoek blijkt dat voor de gevelbelasting vanwege de A1 maximaal 53 dB inclusief aftrek conform artikel 110g Wgh bedraagt en vanwege de Drakenburgerweg is de gevelbelasting maximaal 61 dB inclusief aftrek conform artikel 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde wordt daarmee overschreden. De maximale grenswaarde wordt niet overschreden. Derhalve zal een hogere waarde procedure worden doorlopen. Vanwege het inpandige trappenhuis aan de achterzijde van het pand beschikken de woningen over een geluidluwe zijde en ook over een buitenruimte die geluidluw is (een afgesloten tuin achter het oostelijk deel van de bebouwing). De aanvraag past daarmee binnen het gemeentelijke geluidbeleid. De geluidsbelasting ten gevolge van de overige wegen liggen ruim onder de voorkeurskeursgrenswaarde van 48 dB. Daarmee is vanuit akoestisch oogpunt voor wegverkeerslawaai sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te bepalen of het aspect externe veiligheid belemmeringen oplevert voor de realisatie van het plangebied is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat zich in de nabijheid van het plangebied zich inrichtingen, transportassen of buisleidingen bevinden die van invloed zijn op de externe veiligheid in het plangebied.
Tegenover het plangebied is een nieuw gasontvangstation gebouwd. Naar dit gasontvangstation loopt de hogedruk aardgasleiding W500-23 van de Nederlandse Gasunie N.V. Daarnaast worden gevaarlijke stoffen over de A1 vervoerd. Gelet hierop is onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied buiten de veiligheidsafstand van 25 meter van het gasontvangstation ligt. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de rijksweg A1 ligt, hoeft het groepsrisico hiervan niet inzichtelijk te worden gemaakt. In verband met de hogedruk aardgasleiding is wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd. De conclusie van het
-4-
onderzoek externe veiligheid luidt dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. Ook voor wat betreft bedrijven en milieuzonering is het gasontvangstation relevant. Hiervoor is gevaar het hinderbepalende aspect. Uit het onderzoek externe veiligheid blijkt dat dit gasontvangstation geen belemmering vormt voor de realisatie van een woonvoorziening in het plangebied voor jongeren met een beperking. Uit de vigerende bestemmingsplannen blijkt dat er voor het overige geen bedrijven en voorzieningen aanwezig zijn, waarvan de richtafstand reikt tot het plangebied. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het zinvol om inzicht te hebben in de luchtkwaliteit om te beoordelen of de toekomstige bewoners niet worden blootgesteld aan te hoge concentraties luchtvervuiling. In het kader van het bestemmingsplan is onderzocht of er overschrijdingen van grenswaardes plaatsvindt. Er zijn echter geen overschrijdingen van de grenswaarden voor de componenten PM10, PM2,5 en NO2 geconstateerd. Derhalve is de luchtkwaliteit geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging.
Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen wordt in de uitgevoerde Quickscan Wet natuurbescherming geconcludeerd dat vanwege de tussenliggende afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de tussenliggende infrastructuur en de ligging van het plangebied in een stedelijke omgeving worden negatieve effecten op de Natura 2000 en het NNN uitgesloten. Uit de quickscan ecologie was gebleken dat de bestaande woningen in het plangebied mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen, mussen en gierzwaluwen. Uit nader onderzoek is gebleken dat de huismus, gierzwaluw en diverse vleermuizen in en rond het plangebied zijn vastgesteld. Essentiële functies, als verblijfplaatsen, foerageergebied en/of vliegroutes, zijn binnen het plangebied echter niet aanwezig. Als gevolg van de geplande werkzaamheden (slopen en nieuwbouw) is geen sprake van negatieve effecten op deze soorten. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de wet natuurbescherming, ten aanzien van bovengenoemde soorten, niet wordt overtreden bij de geplande ingreep. Het nemen van vervolgstappen als een ontheffing Wet natuurbescherming, is niet aan de orde. Ook voor andere soorten zal de Wnb als gevolg van de planontwikkeling niet worden overtreden. 4.
Kenmerken van de potentiële effecten Algemeen Waar het bij de voorgaande criteria vooral gaat om beschrijvingen van de voorgenomen activiteiten en de omgeving gaat het bij de 'kenmerken van de potentiële effecten' juist om de interactie tussen de voorgaande criteria. Hier worden dan ook de effectbeschrijvingen voor de beschouwde milieuthema's weergegeven. Er wordt ingegaan op het bereik van het effect, hiermee wordt bedoeld tot waar er sprake is van significante wijzigingen bijvoorbeeld op het gebied van geluid, lucht en verkeersintensiteiten. Als sprake is van grensoverschrijdende effecten moeten deze apart benoemd worden. Specifiek met betrekking tot de woonzorgvoorziening aan de Drakenburgerweg
-5-
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Baarn. Het heeft de voorkeur om zorgvuldig met de schaarse ruimte om te gaan en eerst (beschikbare) locaties binnen het bestaand stedelijk gebied in te vullen voordat uitbreidingslocaties worden benut. Invulling van het plangebied aan de Drakenburgerweg met een woonzorgvoorziening past binnen de uitgangspunten voor duurzaam ruimtegebruik. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het Besluit NIBM niet afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor fijn stof en NO2. Voor woningbouw ligt de 3%-grens op 1.500 woningen. Het project is NIBM omdat het (per saldo) 16 wooneenheden omvat. Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura2000-gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) opgenomen. Het Natura2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn.
Het plangebied maakt geen deel uit van een gebied dat is beschermd krachtens de Natuurbeschermingswet, het Natuurnetwerk Nederland of ander gebiedsgericht natuurbeleid. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de identieke nieuwe situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake Om te bepalen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige natuurgebieden zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd met de AERIUScalculator. Uit de berekeningen voor de aanlegfase en de beoogde gebruiksfase is gebleken dat de stikstofdepositie maximaal 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Significant negatieve effecten op de stikstofgevoelige habitats als gevolg van dit plan zijn daarmee uitgesloten. Voor dit project geldt daarom geen vergunningplicht voor het onderdeel stikstof vanwege de wet Natuurbescherming. Stikstofemissie vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het plangebied aan de Drakenburgerweg. Ten behoeve van de planontwikkeling is op 12 mei 2022 de digitale watertoets ingevuld. Voor het Waterschap Vallei en Veluwe geven de resultaten hiervan geen aanleiding tot nader overleg. Ten opzichte van de situatie dat ter plaatse het gasontvangstation aanwezig was, neemt na de realisatie van de woonzorgvoorziening het bebouwd en verhard oppervlak per saldo af.
Het hemelwater van de bebouwing zal worden opgevangen in infiltratiekratten. Het water dat op straat valt zal naar straatkolken worden geleid. In het plangebied zal hiervoor een gescheiden stelsel worden aangelegd tot aan de perceelsgrens. De riolering wordt daar aangesloten op het bestaande gemengde stelsel. Indien dit gemengde stelsel te zijner tijd wordt vervangen, kan zodoende de droogweerafvoer en hemelwaterafvoer van het plangebied op dit gescheiden stelsel worden aangesloten. Omdat in het plangebied geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen) liggen, waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging, betekent dit dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt.
-6-
De relatieve kleinschaligheid van het project leidt ertoe dat het project uitsluitend effect heeft op de directe omgeving. Internationale, nationale, regionale en lokale effecten treden dan ook niet op. Voor zover er effecten zouden kunnen optreden voor een beperkt aantal relatief een enkele beschermde soort (vleermuizen) worden bij de uitvoering mitigerende maatregelen genomen ter voorkoming van de mogelijke effecten. 5.
Conclusie Het vaststellen van een bestemmingsplan Drakenburgerweg 23-35 kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van kolom 4, bij categorie D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (nieuwe stedelijke ontwikkeling). Ondanks het feit dat de mogelijk gemaakte ontwikkeling bij lange na niet aan de drempelwaarden van de gevallen (kolom 2) uit het Besluit m.e.r. voldoet, heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats gevonden. De in de toelichting van het bestemmingsplan beschreven onderzoeksresultaten (en de daarop gebaseerde voorliggende Aanmeldnotitie) voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling. Artikel 5, lid 1 van de "Europese richtlijn milieu-beoordeling projecten" geeft aan dat de opdrachtgever in "passende vorm" de in bijlage III bedoelde informatie verstrekt. Gelet op de aard van de nu voorgestelde ontwikkeling kan worden gesteld dat de "Kenmerken van het project", de "Plaats van het project" en de "Kenmerken van het potentiële effect" zo kleinschalig en niet significant voor de omgeving zijn dat met de in dit hoofdstuk beschreven kenmerken en gevolgen voldaan is aan de criteria van 'Bijlage III Europese richtlijn milieubeoordeling projecten'.
De in het voorgaande beschreven criteria geven aan dat belangrijke nadelige milieugevolgen, als gevolg van de beschreven ontwikkeling, zijn uitgesloten, dan wel door mitigerende maatregelen worden ondervangen. Er zijn geen significante effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000-gebieden. Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.
6.
Procedure Uit de beoordeling blijkt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn en er dus geen m.e.r.-procedure wordt opgestart. Het bevoegd gezag meldt dit tevens in de Staatscourant op de website www.officielebekendmakingen.nl. Het is mogelijk om bezwaar en beroep aan te tekenen op het besluit van het bevoegd gezag dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze procedure loopt gelijk met de bezwaar en beroepsprocedure van het moederbesluit, in dit geval het bestemmingsplan.
-7-