CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

719662 Ontwerp omgevingsvergunning en ontwerp VVGB van Galenlaan 3b Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing

Besluit in de Raad 31 mei 2023, gemeente BaarnBij agendapunt: Ontwerp omgevingsvergunning en ontwerp verklaring van geen bedenkingen Van Galenlaan 3b14.205 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen de woningen en de hiervoor genoemde functies meer dan 30 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand en is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat te verwachten. Conclusie: Gezien het vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Geluidhinder De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van (spoor)wegen en/of industrieterreinen worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting. woningen zijn geluidgevoelige functies. Het plangebied is niet gelegen in de zone van een spoorweg of gezoneerd bedrijventerrein. Daarom hoeft er uitsluitend gekeken te worden naar de mogelijke invloed van wegverkeerslawaai. Het plangebied is gelegen in een gebied, waar een 30 km-regime geldt. De verkeersintensiteit op de omliggende 30 km-wegen, zoals de Van Galenlaan, Tromplaan en Heemskerklaan zijn relatief laag.

Gezien deze lage verkeersintensiteiten op de omliggende 30 km-wegen is het te verwachten dat er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal plaatsvinden. Temeer daar de geprojecteerde nieuwe woningen op een binnenterrein gelegen zijn, dat “afgeschermd” wordt door de bebouwing op de omringende woonpercelen. Om zeker te weten dat de voorkeursgrenswaarde niet overschreden zal worden heeft De Milieuadviseur in november 2022 een akoestisch onderzoek verricht. Dit onderzoek is als Bijlage 5 toegevoegd. Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden, dat de geluidsbelasting ruim beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal blijven. Conclusie: Gezien het vorenstaande vormt het aspect geluidhinder geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

25

4.2 Verkeer en parkeren Voor de ontsluiting van het binnenterrein zal gebruik gemaakt worden van de huidige toegang vanaf de Van Galenlaan. De bereikbaarheid van de geprojecteerde woningen wijzigt daarom niet ten opzichte van de huidige bereikbaarheid van de kwekerij. De toegangsweg heeft een breedte van minimaal 4,5m1. De 5 woningen zullen zodanig weinig verkeersbewegingen genereren dat deze zonder problemen opgenomen kan worden in het verkeersbeeld van de omliggende wegen. Op basis van de CROW-publicatie 381 kencijfers verkeersgeneratie is het verwachte aantal motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal van een groencentrum op deze locatie maximaal 252. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er een aandeel vrachtvoertuigbewegingen zal zijn. Het aantal motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal voor 5 vrijstaande woningen is op basis van deze kengetallen maximaal 42. Vrachtvoertuigbewegingen zijn hierbij niet aannemelijk. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het aantal motorvoertuigbewegingen aanzienlijk lager zal liggen bij de voorgestelde invulling van het perceel. De parkeernormen in de gemeente Baarn zijn gebaseerd op de maximumwaarde (bovengrens) van de kengetallen van de CROW-publicatie 317 minus 15%. Voor vrijstaande woningen dient in het centrum op basis hiervan uitgegaan te worden van een parkeernorm van 1,8 (1,5 voor bewoners plus 0,3 als bezoekersaandeel).

Concreet betekent dit, dat er voor de 5 vrijstaande woningen in totaal 9 parkeerplaatsen beschikbaar dienen te zijn. Er worden 11 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd (zie situatietekening). Hiermee wordt meer dan voldoende voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Conclusie: Gezien het vorenstaande vormen de aspecten verkeer en parkeren geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Gebiedsindeling parkeernormen

4.3 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer. Hierin is van bepaalde projecten getalsmatig vastgelegd dat ze "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Met de inwerkingtreding van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009, zijn deze grenzen verruimd.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

26

Een project draagt volgens het NSL "niet in betekenende mate" bij zolang de toename van de concentratie fijnstof of stikstofdioxide maximaal 3% bedraagt van de grenswaarde. Het NSL zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen zodat de luchtkwaliteit verbeterd en alsmede de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang kunnen vinden. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van projecten (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Voor woningbouwlocaties geldt dat voor maximaal 1.500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) of 3.000 woningen (in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden. Het betref hier realisatie van woningen in een bestaande woonwijk. Een significante toename van het aantal verkeersbewegingen is zodoende niet te verwachten. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient afgewogen te worden of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren.

Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Op basis van de monitoringstool NSL 2021 is berekend welke concentraties fijn stof (PM10 en PM2.5) en stikstofdioxide (NO2) langs de A1, de Eemweg/ Eemstraat, de Bosstraat en de Javalaan verwacht mogen worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico’s kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geraadpleegd.

De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) in het plangebied tussen 2015 en 2030. De monitoringstool kent scenario’s zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario’s laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2015, 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Resultaten monitoringstool NSL 2021

De concentraties langs deze weg zijn representatief voor de concentraties binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Uit de berekeningen blijkt, dat de concentraties PM10, PM2.5, en NO2 voor de jaren 2015, 2020 en 2030 onder de grenswaarden in de drie jaren (2015, 2020 en 2030) liggen. Deze grenswaarden zijn op Europees niveau vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Tevens geven de uitkomsten uit de monitoringstool aan dat de concentraties van de luchtvervuilende stoffen vanaf 2020 in het plangebied verder afnemen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

27

Conclusie: Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.4 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloed gebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloed gebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd. Tevens wordt de mogelijke invloed van elektromagnetische straling beschouwd.

Uitsnede risicokaart.

De risicokaart Nederland laat zien dat er geen inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied gelegen zijn, die vallen onder het Besluit externe veiligheid. Op circa 1.000 m afstand van het plangebied is de spoorlijn Baarn - Amersfoort gelegen. Voor sporen geldt een onderzoekszone van 200 meter. Nadere toetsing kan daarom achterwege blijven. De A1 ligt op 1.100 m, ruim buiten het invloedsgebied van deze snelweg (200 m). Ten noordoosten van het plangebied is een rode driehoek zichtbaar. Deze stelt het LPG station voor. Het invloedsgebied van het LPG station bedraagt 150 m. Het plangebied bevindt zich (ver) buiten deze zone.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

28

Conclusie: In het kader van de externe veiligheid is de risicokaart (www.risicokaart.nl) van het Interprovinciaal overleg (Ipo) geraadpleegd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.5 Water Provinciaal beleid De provincie Utrecht ziet zich bij het waterbeleid geconfronteerd met een sterk toenemende dynamiek. De provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange èn de korte termijn. • Een maatschappelijk acceptabel overstromingsrisico: Hoogwater zal vaker voorkomen en de rivierafvoer wordt op termijn bemoeilijkt door een stijgende zeespiegel. Bodemdaling is een voortgaand proces in het westelijk deel van de provincie en in het Eemland. • Omgaan met wateroverlast èn waterschaarste: Meer neerslag zal vallen in hevigere buien. Afvoer- en bergingsmogelijkheden in het stedelijke en landelijk gebied worden zwaarder belast. Tegelijkertijd vergroten warmere en drogere perioden de vraag naar drink-, irrigatie- en koelwater. Natuurgebieden mogen niet verdrogen en moeten soortmigratie als gevolg van klimaatverandering kunnen faciliteren. • Een sterkere bijdrage van water aan het leefklimaat: De behoefte aan vaar- en recreatiewater neemt toe. Water is de drager van veel van de Utrechtse landschappen. Daarom moet water zichtbaarder gemaakt worden. De provincie Utrecht ziet de ontwikkeling naar duurzame, robuuste systemen als een belangrijke maatschappelijke investering. Een geïntegreerde benadering van de watersystemen is daarvoor essentieel.

Daarbij wordt gestreefd naar voldoende water van de gewenste kwaliteit, beperkte (maatschappelijk acceptabele) overlast, beperking van het energiegebruik, beperking van functieconflicten rondom water en een hoge belevingswaarde. Naast ingrijpen in het watersysteem zelf kan dit echter ook betekenen dat functies, de locatie daarvan en de wijze waarop die worden ingevuld ter discussie komen te staan. Waterschap Vallei en Veluwe Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op november 2021 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Blauw Omgevingsprogramma (BOP)’. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 5 hoofddoelen: • Gebiedsgericht: De vier deelgebieden van ons beheergebied staan centraal. We opereren meer vanuit de deelgebieden en minder vanuit centrale sturing. • Omgevingsbewust: Volledig in de geest van de Omgevingswet; een digitaal product en sturend vanuit de behoeftes van de omgeving. • Co-creërend: Het faciliteert de samenwerking met andere partijen en geeft vorm aan participatie via uitnodiging en uitgenodigd worden. • Verantwoordelijk: Het BOP streeft maximale, maatschappelijke meerwaarde na op basis van onze rollen en bevoegdheden, die passen bij de opgaven (presterend, samenwerkend, responsief en rechtmatig).

• Adaptief: Voortschrijdend, responsief en flexibel, zodat kan worden ingespeeld op accentwijzigingen en veranderingen in de maatschappij.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

29

Beleid gemeente Baarn (Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Soest-Baarn 2018 - 2022) Op 20 december 2017 heeft de gemeenteraad van Baarn het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Soest-Baarn 2018-2022 vastgesteld. Het GRP beschrijft hoe de gemeente de rioleringstaak vorm geeft en geeft uitgangspunten en doelstellingen voor het (stedelijk) waterbeheer. Voor het verwijderen van afvalwater uit de woonomgeving is riolering een onmisbare voorziening. Aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak. Hemelwater, dat op onverharde gebieden valt, wordt grotendeels afgevoerd op een natuurlijke manier: via grondwaterstromen en verdamping via de grond en via de beplanting. Hemelwater dat op daken en wegen valt (verhard oppervlak) wordt afgevoerd via het rioolstelsel. Bij nieuwbouw en uitbreidingen moet hemelwater dat op verhard oppervlak valt, waar mogelijk niet op het vuilwaterriool worden aangekoppeld, maar in de bodem worden geïnfiltreerd. Als dat niet kan, is (vertraagd) lozen op oppervlaktewater een optie. Op deze manier wordt het rioolstelsel en de rioolwaterzuivering niet onnodig belast. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen.

Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Op 9 oktober is de digitale watertoets uitgevoerd. De resultaten van deze digitale watertoets zijn opgenomen in Bijlage 6. Geconcludeerd kan worden dat er geen belangen van het Waterschap in het geding zijn en dat nader overleg met het Waterschap niet nodig is. Conclusie: Het plangebied zal ontwikkeld worden volgens het principe het regenwater op te vangen, vast te houden, te hergebruiken, te infiltreren, en overschot af te voeren. De projectlocatie is geschikt voor infiltratie volgens de kaart “Afkoppelkansen en technieken”. Het regenwater zal door infiltratie in het grondwater plaatsvinden.

Er zal een grondwaterkwantiteitsonderzoek worden uitgevoerd om meer inzicht te verkrijgen is de exacte: Bodemsamenstelling (tot 3 m diep); Doorlatendheid Grondwaterstand Hiermee kan niet enkel het eerdergenoemde principe van opvangen, vasthouden, hergebruiken, infiltreren en afvoeren specifiek worden ontworpen en gerealiseerd voor het plangebied, maar ook een belangrijke bijdrage worden geleverd aan de verdrogingsbestrijding en tegelijkertijd mogelijke wateroverlast. De gezamenlijke binnentuin en de achtertuinen blijven grotendeels onverhard, zodat er geen compensatie noodzakelijk is. Bij elke woning zullen infiltratiekratten aangelegd worden om het hemelwater goed op te kunnen vangen en te kunnen bufferen op eigen terrein. Bij het bouwplan zullen zo min mogelijk materialen worden toegepast, welke een verontreinigende werking hebben op hemelwater en/of grondwater. De woningen zullen aangesloten worden op de gemeentelijke riolering. Het gemeentelijke vuilwaterriool is van voldoende omvang om de beperkte toename van afvalwater van de woningen te kunnen verwerken. Tenslotte kan opgemerkt worden, dat er op basis van de digitale watertoets geen belangen van het Waterschap in het geding zijn en dat er geen nader overleg met het Waterschap nodig is.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

30

4.6 Archeologie en cultuurhistorie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet 2016 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Archeologie In het kader van het bestemmingsplan ‘Eemdal’ is op basis van een bureaustudie door Vestigia de archeologische verwachtingswaarde van de locatie in beeld gebracht. Op basis hiervan is aan het perceel een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’ toegekend.

Archeologische verwachtingswaarde 2003, plangebied is aangepijld Dit houdt in dat voor bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 100 m², alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport word overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: • de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; • in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. Inmiddels heeft de gemeente Baarn in april 2019 een Beleidsvisie Erfgoed vastgesteld. In deze visie wordt onder andere verwezen naar de door RAAP in 2018 opgestelde archeologische waarden- en verwachtingskaart en een cultuurhistorische waardenkaart.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

31

Hieronder is een uitsnede opgenomen van deze archeologische waarden- en verwachtingskaart:

Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart 2018, plangebied is aangepijld Bij deze kaart hoort de volgende (uitsnede van de) legenda:

Uitsnede legenda archeologische waarden- en verwachtingskaart (Bron: Beleidsvisie Erfgoed)

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

32

Op basis van deze archeologische waarden- en verwachtingskaart kan geconcludeerd worden, dat het plangebied gelegen is in een gebied met een middelhoge verwachting. Voor een dergelijk gebied is een archeologisch onderzoek nodig. Om deze reden is door Vestigia in november 2022 een bureauonderzoek uitgevoerd, gevolgd door een inventariserend veldonderzoek, welke als Bijlage 7 bij dit bestemmingsplan is gevoegd . Op basis van het bureauonderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor alle archeologische perioden, vanwege de aanwezigheid van dekzandwelvingen en de ligging op de overgang van de Baarnse stuwwal naar de Eemvallei, op een hoogte van ongeveer 2,8 meter boven NAP. De aanwezigheid van dekzandafzettingen en de relatief hoge ligging in het landschap maakte deze locatie in principe gunstig voor bewoning en bewerking van het land; • Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek worden met name archeologische resten uit het Mesolithicum en het Neolithicum en uit de Nieuwe tijd verwacht. Resten uit de vroege prehistorie bestaan naar verwachting uit artefacten van vuursteen en aardewerk en eventueel paal- of haardkuilen. Deze sporen en resten zullen naar verwachting dicht onder het maaiveld voorkomen.

Dat betekent dat er ook een gerede kans is dat dergelijke resten verstoord zijn geraakt bij de aanleg van de tuin en/of de aanplant van bos, en later bij het bouwrijp maken van het gebied voor de huidige bebouwing; • Er zijn geen aanwijzingen voor bewoning in de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd, al kan dit ook niet helemaal worden uitgesloten. Het plangebied lag buiten de historische kern van Baarn. Het AMKterrein met resten van de historische kern van Baarn ligt op circa 300 meter ten noorden van het plangebied. Het plangebied heeft waarschijnlijk een agrarisch gebruik gekend tot aan het begin van de 19e eeuw de tuin van landgoed Schoonoord werd aangelegd. Naar verwachting verschijnt er pas vanaf begin 20e eeuw bebouwing in het plangebied met de bouw van de kas. Om deze verwachting te toetsen is op 1 november 2022 een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. Binnen het plangebied is voornamelijk een profiel aangetroffen dat bestaat uit een laag opgebrachte grond tot een diepte van 110 tot 160 centimeter beneden maaiveld. Daaronder is verspoeld dekzand aangetroffen met in twee boringen een deels intact bodemprofiel bestaande uit een venige bodem met aanwijzingen van podzolering. In de overige boringen zijn geen aanwijzingen voor bodemvorming aangetroffen; waarschijnlijk is de bodem hier afgetopt.

Op basis van het inventariserend veldonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • Op basis van de aangetroffen bodemopbouw en de afwezigheid van archeologische indicatoren kan de archeologische verwachting binnen het zuidelijke en centrale deel van het plangebied worden bijgesteld naar laag. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) in dit deel van het plangebied dan ook niet noodzakelijk geacht; • In het noordelijk deel van het plangebied is de archeologische verwachting echter onverminderd hoog, zeker met het oog op de vele vondsten uit de vroege prehistorie in de omgeving op de dekzandrug. Aangezien het archeologische niveau vanaf 110 centimeter beneden maaiveld kan worden aangetroffen dient er vervolgonderzoek te worden uitgevoerd indien de geplande verstoringen dieper reiken dan 85 centimeter beneden maaiveld (rekening houdend met een buffer van 25 centimeter).

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

33

Advieskaart (Bron: Vestigia) •

• •

Dit vervolgonderzoek zou het beste kunnen worden uitgevoerd in de vorm van een karterend booronderzoek in een grid van ca. 13 x 15 m met een 12 cm boor, waarbij de monsters worden gezeefd over een zeef maaswijdte 3 mm, conform Richtlijn Karterend Booronderzoek methode A3 (geschikt voor het opsporen van middelgrote vuursteenvindplaatsen, met een matig-hoge vondstdichtheid van >80 stuks vuursteen per m2). Het bevoegd gezag, de gemeente Baarn, dient eerst over het advies in dit rapport een besluit te nemen. Het is mogelijk dat dit besluit afwijkt van het advies in dit rapport. Wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Baarn, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Om te borgen dat dit daadwerkelijk gebeurt is een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2 (conform het geldende bestemmingsplan) opgenomen. Cultuurhistorie Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening moet in bestemmingsplannen aandacht worden besteed aan cultuurhistorie. Cultuurhistorisch waardevolle elementen moeten in het bestemmingsplan worden beschermd. In de nabijheid van het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Ook is het plangebied niet gelegen binnen de begrenzing van een Beschermd Stads- of Dorpsgezicht. De gewenste ontwikkeling in het plangebied heeft dan ook geen invloed op bestaande cultuurhistorische waarden. Conclusie: Vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie zijn er geen belemmeringen aanwezig voor de gewenste ontwikkeling in het plangebied.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

34

4.7 Flora en fauna (Wet natuurbescherming) Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017 en vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet. Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De Wet Natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000gebied (of Beschermd natuurmonument) zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur bestaat uit het Natuurnetwerk Utrecht (voormalig EHS). Het Natuurnetwerk Utrecht is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones.

Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Quickscan Flora en Fauna Door Baecx B.V. is in oktober 2022 een quickscan verricht naar de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor beschermde natuurgebieden en beschermde soorten. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport, dat als Bijlage 8 aan dit plan is toegevoegd. Op basis van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden Gebiedsbescherming • Gezien de plaats van de te realiseren woningen en de ligging van beschermde natuurgebieden worden schadelijke effecten niet verwacht. Een Natura 2000-gebied bevindt zich op geruime afstand en het projectgebied ligt niet in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS); • Gezien de binnenstedelijke ligging zijn geen verbindingen aanwezig tussen het plangebied en de genoemde natuurgebieden en zijn negatieve effecten op beschermde gebieden niet te verwachten. Gebiedsbescherming is op deze locatie niet aan de orde. Soortenbescherming • Binnen het plangebied zijn er geen waarnemingen gedaan en/of sporen aangetroffen van vleermuizen, gierzwaluwen, huismussen en/of de grote gele Kwikstaart.

Nader onderzoek naar deze diersoorten is daarom niet noodzakelijk; • Binnen het plangebied zijn de koolmees, pimpelmees, roodborst, Vlaamse gaai, merel en heggemus waargenomen. De voorgenomen werkzaamheden hebben hier geen invloed op; • Binnen het plangebied zijn er geen beschermde insecten en/of reptielen te verwachten. De soorten zijn niet waargenomen en er zijn tevens geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. Conclusie: De geplande ontwikkeling heeft naar verwachting geen schadelijk effect op flora en fauna. Uiteraard geldt voor initiatiefnemer altijd de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

35

4.8 Stikstofdepositie Door Langelaar milieuadvies is 1maart 2023 een berekening gemaakt van de stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen in het plangebied. De resultaten van deze berekening zijn opgenomen in een rapport, dat als Bijlage 9 is toegevoegd. Het projectgebied ligt op circa 7 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden “Naardermeer” en “Oostelijke vechtplassen”. Op kortere afstand liggen nog de Natura 2000 gebieden “Eemmeer & Gooimeer Zuidoever” en “Arkemheem”, echter hebben deze geen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden. Op onderstaande afbeelding zijn het projectgebied en het Natura 2000-gebied zwart omlijnd weergegeven. De stikstofgevoelige habitats en leefgebieden zijn roze gekleurd. De overige niet stikstofgevoelige delen van het Natura 2000-gebied zijn groen en blauw gekleurd.

Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000- gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename. Conclusie: Vanuit het aspect stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.

4.9 Kabels en leidingen Voor de aanvang van de graafwerkzaamheden zal een KLIC-melding worden gedaan om de meeste recente gegevens te verkrijgen.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

36

4.10 Duurzaamheid/ natuurinclusiviteit Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen sinds 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). In de geplande ontwikkeling zal aan de duurzaamheidseisen zoals opgenomen in BENG 3 worden voldaan. Daarbij zullen onder andere de volgende maatregelen getroffen worden: • De woningen worden gasloos; • De woningen krijgen een hoog isolatieniveau door toepassing van een extra dikke buitenschil en HR+++-beglazing; • De woningen worden voorzien van de benodigde PV-panelen. Daarnaast zullen de nodige maatregelen getroffen worden ten behoeve van de natuurinclusiviteit. Daarbij wordt onder andere gedacht aan het toepassen van enkele inbouwstenen voor huismussen/ ringmussen en/of mezen in de gevel en/of zwaluwkasten in gevel of dakoverstek.

Voorbeeld inbouwsteen mus

Voorbeeld Zwaluwkast

Conclusie: De geplande ontwikkeling zal worden uitgevoerd naar de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) en aansluiten bij- en bijdragen aan additionele gemeentelijke duurzaamheidsambities. Daarnaast zal een bijdrage geleverd worden aan de natuurinclusiviteit.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

37

5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de uitvoering van een project wordt in zijn algemeenheid onderscheid gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij de eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het project samenhangen. Bij het tweede gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.

5.1 Economische uitvoerbaarheid De totale investering in het project is geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Het betreft een particulier initiatief. Er zijn geen financiële gevolgen of risico’s van het bouwplan voor de gemeente Baarn. In artikel 6.4a van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat indien een belanghebbende ten gevolge van een vergunning voor het bouwen schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel tot zijn last behoort te blijven, de gemeente op aanvraag een schadevergoeding kan toekennen. De initiatiefnemer is voornemens voor de start van de planologische procedure met de gemeente Baarn een anterieure overeenkomst af te sluiten, waarin wordt afgesproken dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer zal zijn. Het aspect uitvoerbaarheid is daarmee voldoende verzekerd. Conclusie: Wanneer initiatiefnemers en gemeente Baarn een anterieure overeenkomst sluiten, wordt voldaan aan artikel 6.12, lid 2 Wro. In de anterieure overeenkomst zullen afspraken worden vastgelegd betreffende eventuele planschade. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsparticipatie Het volledige participatietraject is omschreven in het participatieverslag welke als Bijlage 1 is toegevoegd. Het totale proces in chronologische volgorde is als volgt samen te vatten: • In augustus 2017 is de grond aangekocht door de initiatiefnemers; • 2017-2020: gesprekken tussen initiatiefnemers en de gemeente over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een ontwikkeling. Een drietal voorstellen van initiatiefnemer met variërende invulling leidt uiteindelijk tot een eerste voorstel op hoofdlijnen wat voldoet aan het beleid van de gemeente; • Na deze stap is door de gemeente aangegeven dat omwonenden geïnformeerd en betrokken konden worden; • Dien ten gevolge is op 15 sep 2020 het eerste voorstel aan de buurt gepresenteerd; • Een groep omwonenden voelde zich overvallen met en niet betrokken bij het voorstel. Zij uiten hun ongenoegen hierover bij wethouder Jansma en zetten een ‘buurt-enquête’ uit; • Op 28 april 2021 vindt er een eerste gesprek plaats tussen omwonenden en wethouder Jansma. Met name het proces om tot het gepresenteerde plan (op 15 sep 2020) te komen staat op de agenda; • Op 27 mei 2021 is er een gesprek tussen wethouder Jansma en initiatiefnemer met als doel om het gesprek tussen initiatiefnemer en omgeving op gang te brengen.

De initiatiefnemer heeft een externe participatie-adviseur aangetrokken om het participatieproces in te richten en te begeleiden; • Op 15 juli 2021 is er een tweede gesprek tussen wethouder Jansma en omwonenden over de uitslag van de buurt-enquête en hebben bewoners 7 vragen voor de gemeente opgesteld.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

38

•

•

• • • • •

Op 6 september 2021 verstuurt de gemeente Baarn een brief (zie ook bijgevoegd) naar alle omwonenden met het verzoek deel te nemen aan een werkgroep van 6-8 personen. Hierop wordt in eerste instantie niet gereageerd. Na aandringen van de projectleider bij de eerdere contactpersonen van de wethouder, blijkt dat zij regie voeren over de deelnemers van de klankbordgroep. Ze leveren de mailadressen aan. De klankbordgroep bestaat op dat moment uit 11 omwonenden; Op 30 september 2021 treffen initiatiefnemers, gemeente en een groep omwonenden elkaar in de kassen op het terrein. Omwonenden geven aan dat ze de beantwoording door de gemeente van de 7 vragen onvoldoende vinden. Daarnaast vragen ze de initiatiefnemers of ze bereid zijn tot een gesprek over mogelijke alternatieve functies / bestemmingen op het terrein (zoals die uit de buurt-enquête kwamen). De gemeente zegt toe nogmaals naar de beantwoording te kijken, de initiatiefnemers zijn bereid tot een gesprek over alternatieven; 26 oktober 2021: eerste klankbordgroep bijeenkomst. Verkenning standpunten ontwikkelaar en opzet volgende bijeenkomst (zie verslag); 16 november 2021: tweede klankbordgroep bijeenkomst. Verkenning standpunten gemeente en omwonenden op de alternatieven die uit de buurt-enquête zijn gekomen (zie verslag); 7 december 2021: derde klankbordgroep bijeenkomst.

Verkenning standpunten gemeente en omwonenden op de overige denkbare bestemmingen (zie verslag); 18 januari 2022: vierde klankbordgroep bijeenkomst. Verwoording van belangen omwonenden gemeente – ontwikkelaar en reactie op inrichtingsprincipe (zie verslag); 15 maart 2022: vijfde klankbordgroep bijeenkomst. Vraag aan-, en mogelijkheid voor omwonenden te reageren op ontwerpvarianten en vragen te stellen aan initiatiefnemer en gemeente (zie verslag). In de ochtend voorafgaand aan de klankbordgroep bijeenkomst bericht de stichting van omwonenden via email schriftelijk te zullen reageren op drie uitgewerkte ontwerpvarianten en desgewenst het standpunt die aan deze keuze ten grondslag ligt te kunnen toelichten. Dien ten gevolge is een reactie van omwonenden op de uitgewerkte ontwerpvarianten uit gebleven tijdens de vijfde klankbordgroep bijeenkomst. De stichting van omwonenden heeft 6 weken vanaf de bijeenkomst de tijd genomen een schriftelijke reactie in te dienen aan gemeente.

De vijf bijeenkomsten met omwonenden in het participatietraject hebben als resultaat gehad dat er forse aanpassingen zijn gedaan aan de inrichting van het terrein, de inpassing van de woningen op het perceel en het ontwerp van de woningen. Deze aanpassingen zijn gedaan om tegemoet te komen aan de wensen van omwonenden en zijn als volgt terug te vinden in het plan: • Meer aandacht voor de inrichting van de toegangsweg naar het hofje zodat deze een duidelijke introductie vormt voor de woningen op het terrein. Op deze manier wordt een betere relatie gelegd met de buurt en vice versa; • Het minimaliseren van voertuigbewegingen op het terrein door het situeren van de parkeervakken bij de entree van het terrein; • Het beperk van het aantal woningen. Waar het initiële plan voorzag in 8 geschakelde levensloopbestendige woningen is het aantal teruggebracht tot slechts 5 vrijstaande woningen. Hierdoor is de invulling ‘verluchtigd’; • De zo groot mogelijke afstand van de achtergevels van de woningen tot de erfgrens rondom; • Het ontbreken van gevelopeningen op de verdieping aan de zijde van de omliggende percelen met als doel privacy voor omwonden te waarborgen. Er is geen mogelijkheid later dakkapellen te realiseren door bewoners; • De beperkte bouwhoogte van 6,70m van de woningen op het terrein, dat op zich al circa 0,4m lager ligt dan de aangrenzende woningen aan de Tromplaan.

Dit heeft een direct effect op zichtlijnen vanuit omliggende woningen en de verwaarloosbare invloed op bezonning; • Het ontbreken van houtgestookte open haarden in de woningen om rook en geur overlast te voorkomen;

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

39

6. Conclusie In voorgaande hoofdstukken is uiteengezet hoe de voorgenomen ontwikkeling op Van Galenlaan 3B, sectie M perceel 4482 tot stand is gekomen en welke afwegingen en keuzes er zijn gemaakt om tot het ontwerp te komen. Daarnaast is er uiteengezet hoe deze zich verhoudt tot het voor deze ontwikkeling relevante ruimtelijke en maatschappelijke beleid. De bestemmingswijziging is integraal benaderd en afgewogen zoals dat voor een goede ruimtelijke onderbouwing is vereist. Concluderend kan er worden gesteld dat er een duidelijke maatschappelijke relevantie en prioriteit is om voorliggende ontwikkeling te realiseren. Daarbij kan worden gesteld dat er geen juridische of planologische belemmeringen zijn om de het gebied te transformeren van een agrarische functie (kwekerij) naar een woonfunctie.

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

40

Externe Bijlagen Bijlage 1. Participatieverslag Bijlage 2. Ontwerpvarianten Bijlage 3. Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4. Asbestinventarisatie Bijlage 5. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6. Watertoets Bijlage 7. Verkennend archeologisch onderzoek Bijlage 8. Quickscan Flora en Fauna Bijlage 9. Memo stikstofdepositie, inclusief AERIUS berekeningen

De inhoud van dit document is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Gebruik, openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12635643/1