CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

644585 Bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 2022 - Toelichting

Besluit in de Raad 29 maart 2023, gemeente BaarnBij agendapunt: Bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 202222.735 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplannen is rekening gehouden met het ruimtelijk streefbeeld voor het gebied, zoals ook blijkt uit de ruimtelijke visies die zijn opgesteld (zie 3.2.1 en 3.3.1). Bij de toekomstige aanvragen voor omgevingsvergunningen voor nieuwbouw op de woon-/zorgparken van de zorgorganisaties, worden de ontwerpen door de gemeente getoetst aan de redelijke eisen van welstand.

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 30 van 61

Hoofdstuk 5

5.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

De gevolgen voor de milieu- en omgevingskwaliteit vormen een belangrijke afweging bij het al dan niet planologisch mogelijk maken van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In dit hoofdstuk komen, ter onderbouwing van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Per aspect wordt allereerst kort het toetsingskader toegelicht, waarna wordt ingegaan op uitgevoerd onderzoek. Ten slotte wordt per aspect een conclusie gegeven waarbij ook aandacht is voor de eventuele vertaling in het bestemmingsplan.

5.2

Ecologie

5.2.1

Toetsingskader

Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wet natuurbescherming implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gedeputeerde Staten zijn in beginsel bevoegd gezag voor de vergunningverlening onder de Wnb. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Verder geldt een verplichting om een passende beoordeling te verrichten indien significant negatieve effecten op voorhand niet zijn uitgesloten. In dat geval kan het plan alleen worden vastgesteld indien met zekerheid is vastgesteld dat uitvoering van het plan niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Eventueel noodzakelijke mitigerende maatregelen moeten in dat geval bij vaststelling van het plan geborgd zijn. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming kent twee soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura 2000/gebieden; b. Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura 2000-gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk (of in combinatie met andere plannen of projecten) significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 31 van 61

volgende drie voorwaarden: Er zijn geen alternatieve oplossingen; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en die verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de Interim Omgevingsverordening. In beginsel zijn geen ontwikkelingen binnen het NNN mogelijk. Uitzonderingen hierop zijn ontwikkelingen ten behoeve van een groot openbaar belang (zie ook paragraaf 4.2.1) waarvoor geen alternatieven zijn, dan wel dat deze ontwikkelingen mede leiden tot een meerwaarde voor het NNN (in kwaliteit, oppervlakte en samenhang). Deze meerwaardebenadering is in de verordening geformuleerd in artikel 6.3 'Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland`. Soortenbescherming Naast gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming de soortenbescherming geregeld.

Soortenbescherming geldt voor alle beschermde soorten ongeacht waar deze soorten zich bevinden en hoeveel soorten het betreft. In de Wet natuurbescherming zijn verbodsbepalingen opgenomen voor handelingen en effecten op beschermde soorten die niet mogen plaatsvinden, behoudens ontheffing. In de Wet natuurbescherming wordt een onderscheid gemaakt tussen: Soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; Soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; De soorten die worden beschermd in de Verdragen van Bern en Bonn; De bescherming van overige soorten. De Wet natuurbescherming bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk doden, vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

Gedeputeerde Staten kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten (art. 3.10 Wet natuurbescherming). De overige soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wet natuurbescherming. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan voor deze soorten ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Houtopstanden De Wet natuurbescherming geldt ook voor het kappen van houtopstanden in het plangebied. Bij de provincie Utrecht moet een melding worden gedaan voor het kappen van bomen. Daarnaast is

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 32 van 61

ook de Bomenverordening van de gemeente Baarn van toepassing. 5.2.2

Onderzoek

Er is een verkennend natuuronderzoek (Bijlage 10) uitgevoerd naar de mogelijke effecten van het voorliggende bestemmingsplan op eventueel aanwezige beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Dit onderzoek is aangevuld met een onderzoek naar het voorkomen binnen en gebruik van het plangebied door beschermde soorten (Bijlage 11). Ten aanzien het ontwikkelen binnen het NNN op het woon-/zorgpark Amerpoort is in een later stadium een verkenning naar wezenlijke kenmerken en waarden van de betreffende ontwikkellocaties binnen het NNN uitgevoerd en zijn de potenties van de verschillende compensatiegebieden in beeld gebracht (Bijlage 14). Dit in aanvulling op de NNN-toetsing die in het kader van het verkennend natuuronderzoek al eerder had plaatsgevonden. Gebiedsbescherming Natura 2000 & stikstofdepositie Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd Natura 2000-gebied. Er zijn derhalve door de bestemmingsplanherziening geen directe effecten te verwachten op Natura 2000-gebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen de Oostelijke Vechtplassen op circa 7,5 kilometer afstand Eemmeer & Gooimeer Zuidoever, ook op circa 7,5 kilometer afstand. De stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is berekend voor de gebruiksfase (Bijlage 15).

Er is een worst case aanname gedaan voor de verkeerstoename in de gebruiksfase en een berekening gemaakt van het toekomstige extra gasgebruik als gevolg van de uitbreiding. Hieruit volgt dat de stikstofemissie per jaar 34 kg bedraagt voor Amerpoort en 35 kg voor Sherpa. Met deze worst case aanname is de toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden in de gebruiksfase niet groter dan 0,00 mol N/ha/jaar. Externe effecten op Natura 2000-gebieden door de depositie van stikstof worden in de gebruiksfase niet verwacht. Omdat hier sprake is van een bestemmingsplan dat flexibele ontwikkelruimte biedt en op voorhand nog niet bekend is wat/waar/wanneer er exact ontwikkeld gaat worden, is er voor de aanlegfase berekend hoeveel kilogram emissie door het gebruik van mobiele werktuigen en werkverkeer er per jaar kan plaatsvinden om binnen de maximale toename van stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar ter plaatse van stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden uit te komen. Op basis van de uitgevoerde berekeningen (Bijlage 15) volgt dat er binnen het plangebied maximaal 376,3 kg stikstofemissie per jaar mag plaatsvinden om te voorkomen dat er sprake is van meer dan 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Hiermee is sprake van een uitvoerbaar bestemmingsplan op het gebied van stikstof.

Een stikstofemissie van 376,3 per jaar houdt namelijk in dat er circa 12.000 m2 BVO aan bebouwing per jaar gesloopt kan worden, of dat er per jaar ongeveer 34.500 m2 aan BVO gebouwd kan worden. Gelet op de maximale ontwikkelruimte die dit bestemmingsplan biedt is het zeer onwaarschijnlijk dat op dit tempo ontwikkeld zal worden, ook omdat het bestaande gebruik van de woon/-zorgparken tijdens de aanlegfase doorgang vindt en het dus per definitie onmogelijk is om per jaar in deze aantallen te slopen en/of te ontwikkelen. De maximale stikstofemissie van 376,3 per jaar tijdens de aanlegfase is geborgd in de regels van het bestemmingsplan (artikel 16.1). Wanneer er al ontwikkelingen plaats hebben gevonden en nieuwe gebouwen in gebruik zijn genomen, dan is vanaf dat moment de maximale stikstofemissie verminderd met de 34+35 kg van de gebruiksfase. De stikstofemissie in de aanlegfase bedraagt daarna dus maximaal 307,3 kg per jaar. Ook dit is vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt deels onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het betreft, zoals is te zien in onderstaande afbeelding, enkele gedeelten van het woon-/zorgpark Amerpoort en een klein deel van het woon-/zorgpark Sherpa (oostelijk deel, halverwege het woon-/zorgpark). Op het woon-/zorgpark Amerpoort vallen in de huidige situatie delen die in gebruik zijn ten

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 33 van 61

behoeve van de zorgfunctie, en waar soms ook gebouwen staan, binnen de begrenzing van het NNN.

NNN in relatie tot het plangebied In de ruimtelijke visie die is opgesteld voor het woon-/zorgpark van Amerpoort, zijn ten opzichte van de bestaande situatie, functies verschoven. Dit om de indeling van het woon-/zorgpark in de toekomst te optimaliseren, waarmee functies beter op elkaar aansluiten. Dit brengt met zich mee dat in de toekomst ontwikkeld gaat worden binnen de begrenzing van het NNN. Dit omdat met de zorguitgangspunten elders onvoldoende ruimte beschikbaar is voor uitbreiding en dit derhalve het enige alternatief is. In de notitie in Bijlage 12 wordt de noodzaak voor het ontwikkelen binnen het NNN onderbouwd. Er zijn echter ook locaties op het woon-/zorgpark waar juist nieuwe ecologische waarden worden toegevoegd (compensatielocaties). Op de visiekaart verderop in deze paragaaf zijn de ontwikkellocaties binnen door de provincie aangewezen NNN-gebieden op het woon-/zorgpark van Amerpoort binnen de oranje kaders aangegeven. Het betreft de ontwikkellocaties A1a, A1b, A2 en A3. In onderstaande tabel is per ontwikkellocatie de oppervlakte weergegeven met daarbij de oppervlakte die onttrokken wordt aan het NNN, uitgaande van de bestaande verharding ter plaatse Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 34 van 61

van de betreffende ontwikkellocaties. Ontwikkellocatie

Oppervlakte

Onttrekking aan NNN

A1a

3.000 m2

1.800 m2

A1b

2.300 m2

2.200 m2

A2

6.400 m2

6.400 m2

A3

6.500 m2

2.800 m2

In het veldonderzoek ten behoeve van de NNN op het terrein van Amerpoort (Bijlage 14) is in het kader van de zogenoemde meerwaardenbenadering uitgebreid op de kenmerken en waarden van de verschillende ontwikkellocaties binnen het NNN ingegaan. Middels de meerwaardebenadering zal de aantasting van het NNN, die de ontwikkelingen in het NNN met zich mee brengt, gecompenseerd dienen te worden. Om inzichtelijk te maken hoe groot de aantasting van het NNN is, welke natuurwaarden aangetast worden en hoe deze eventueel gecompenseerd kunnen worden, zijn de bestaande waarden van de ontwikkellocaties binnen het NNN in beeld gebracht, evenals de potentiële natuurwaarden van mogelijke compensatielocaties. Vervolgens is, met dit veldonderzoek als vertrekpunt, een natuurvisie opgesteld (Bijlage 13) ter onderbouwing van de meerwaardebenadering. In de natuurvisie wordt aangetoond dat er door de ontwikkelingen in het NNN in relatie met de compensatiemaatregelen een meerwaarde ontstaat voor het NNN, zoals bedoeld in de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht. In de natuurvisie wordt enkel in gegaan op de daadwerkelijke compensatielocaties, niet meer op alle mogelijke compensatielocaties die eerder in het veldonderzoek zijn bekeken (Bijlage 14).

De te nemen maatregelen ter compensatie van het NNN, zoals die zijn opgenomen in de natuurvisie zijn geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Om deze reden is de natuurvisie tevens als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan gevoegd. Onderstaand is een uitsnede weergeven van de visiekaart, met daarop de ontwikkellocaties in het NNN en de compensatielocaties.

Natuurvisie/ecologische maatregelen woon-/zorgpark Amerpoort Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 35 van 61

Voor de compensatielocaties is de bestemming 'Natuur' opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding. Ook is er nog een aanduiding 'overige zone - natuur' ter plaatse van de kinderboerderij, waarbinnen compensatie plaatsvindt. Er wordt ruim gecompenseerd voor de ontwikkeling in het NNN. In totaal wordt er 24.200 m2 aan nieuwe natuur bestemd.

Uitsnede verbeelding ter plaatse van het terrein van Amerpoort Conform de Interim omgevingsverordening van de provincie is een inrichting- en beheerplan opgesteld voor de compensatielocaties. Dit plan is te vinden als bijlage bij de Natuurvisie, welke is opgenomen in Bijlage 13 bij de toelichting. Soortenbescherming Uit de onderzoeken blijkt dat er (mogelijk) verschillende beschermde soorten aanwezig zijn in of in de nabijheid van het plangebied. Dit betreffen vleermuizen, das, boommarter, eekhoorn, huismus, gierzwaluw, sperwer, ransuil, buizerd, havik, overige broedvogels, hazelworm, ringslang en een (individuele) kamsalamander. Ontwikkelingen op de woon-/zorgparken hebben mogelijk effect op enkele beschermde soorten. Dit betreft de vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze laatstgenoemde soorten is uitgevoerd om inzicht te krijgen in de noodzaak en verleenbaarheid van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming. In het plangebied is de aanwezigheid van verblijfsfuncties van vleermuizen en huismussen vastgesteld. Aanwezigheid van de gierzwaluw in het plangebied is niet vastgesteld. Het verkrijgen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor deze soorten wordt mogelijk geacht. Er zijn op de woon-/zorgparken en in de uitvoering van de toekomstige werkzaamheden

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 36 van 61

op de woon-/zorgparken, ruime mogelijkheden om effectieve maatregelen te nemen ter bescherming van de genoemde soorten. Zo kan bijvoorbeeld worden overgegaan op het gestuurd ongeschikt maken van huidige verblijfslocaties. 5.2.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan wordt ecologisch uitvoerbaar geacht. De in het plangebied en de (directe) omgeving daarvan aanwezige ecologische waarden worden niet geschaad door de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Indien bij een concrete ontwikkeling een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming, wordt deze verleenbaar geacht. Dit vanwege de ruime mogelijkheden op de woon-/zorgparken om effectieve maatregelen te nemen ter bescherming van beschermde soorten. Beschermde Natura 2000-gebieden worden niet geschaad als gevolg van het bestemmingsplan. De ontwikkeling binnen NNN-gebieden op het woon-/zorgpark Amerpoort, wordt één-op-één gecompenseerd op alternatieve locaties op de gronden van Amerpoort binnen het plangebied. Van zowel de ontwikkelingslocaties, als de compensatielocaties is onderzocht in hoeverre sprake is van aantasting van wezenlijke kenmerken en -waarden en de wijze waarop deze kunnen worden teruggebracht en kunnen worden ontwikkeld binnen de compensatiegebieden. Deze compensatiegebieden worden in het bestemmingsplan planologisch mogelijk gemaakt en beschermd met de bestemming 'Natuur' en is een voorwaardelijke verplichting voor vergunningverlening opgenomen. Een bijzondere regeling is opgenomen in artikel 13.1.

Hierin wordt bepaald dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen binnen de als 'overige zone herbegrenzing NNN' aangeduide gronden alleen toegestaan is, als is aangetoond dat natuurcompensatie plaatsvindt binnen de als 'Natuur' aangemerkte gronden en waarbij sprake is van meerwaarde na 10 jaar, gerekend vanaf het moment van afgifte van de omgevingsvergunning en overeenkomstig de natuurvisie zoals opgenomen in de bijlage bij de regels. Voorts is in de regels van onderhavig plan voor verschillende bestemmingen ter bescherming van aanwezig groen of aanwezige natuurwaarden een vergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden, waaronder het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen. Tevens is het niet mogelijk om zonder omgevingsvergunning bomen te rooien en gronden tot meer dan 60 cm diep te ontginnen, te verlagen, af te graven, op te hogen of te egaliseren. Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een meldplicht en een herplantplicht in geval er meer dan 10 are of een rijbeplanting van 20 bomen of meer gekapt wordt. Hiermee is geborgd dat de plaatselijke natuurwaarden beschermd worden en het groene karakter van beide woon-/zorgparken in stand gehouden wordt.

5.3

Geluid

5.3.1

Toetsingskader

In een bestemmingsplan dat geluidsgevoelige functies zoals zorg en wonen mogelijk maakt, moet aandacht worden besteed aan het aspect geluid. Er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners van de woon-/zorgparken. De Wet geluidhinder vormt hiervoor het toetsingskader. Vanuit de Wet geluidhinder is er aandacht voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Vanwege de ligging van het plangebied zijn enkel wegverkeerslawaai en spoorweglawaai relevant. Artikel 74 van de Wet geluidhinder stelt dat alle wegen zoneplichtig zijn, met uitzondering van woonerven en wegen die zijn opgenomen in een 30 km/zone. Iedere zoneplichtige weg heeft, afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied, een geluidszone. Indien geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen de zone conform de Wet geluidhinder, moet de optredende geluidsbelasting ter plaatse van deze bestemmingen

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 37 van 61

worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Aantal rijstroken

Geluidszone binnenstedelijk

Geluidszone buitenstedelijk

1 of 2

200 meter

250 meter

3 of 4

350 meter

400 meter

5 of meer

350 meter

600 meter

Geluidzones wegen Wet geluidhinder Voor woningen gelegen binnen een zone is in de Wet geluidhinder een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevel bepaald van 48 dB (Lden). Het college van Burgemeester en Wethouders (B&W) kunnen onder voorwaarden een toelaatbare geluidsbelasting van de gevel toelaten, tot maximaal 63 dB voor binnenstedelijke situaties en tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke locaties. De Wet geluidhinder stelt tevens eisen aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in de geluidzone rondom spoorwegen. De zone is afhankelijk van het geluidproductieplafond, zoals dat is opgenomen in het Geluidregister voor hoofdspoorwegen. Voor de spoorlijn nabij het plangebied geldt een geluidsproductieplafond van 65,5 dB. Daarbij hoort een zonebreedte van 300 meter. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting railverkeerslawaai is gesteld op 55 dB. Deze waarde geldt ter plaatse van gevels van geluidgevoelige bestemmingen, die gelegen zijn binnen de zone. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde verlenen tot maximaal 68 dB. 5.3.2

Onderzoek

Voor de woon-/zorgparken Amerpoort en Sherpa is afzonderlijk akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportages van deze onderzoeken zijn opgenomen in Bijlage 16 (Amerpoort) en Bijlage 17 (Sherpa). Amerpoort Wegverkeer A27: uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van het wegverkeer op de A27 op het woon-/zorgpark Amerpoort deels sprake is van een geluidsbelasting van meer dan 48 dB. Dit geldt ook voor de locaties waar in de toekomst mogelijk geluidsgevoelige gebouwen worden gerealiseerd zoals zorgwoningen. Zandheuvelweg: uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeer op de Zandheuvelweg op een klein deel van woon-/zorgpark Amerpoort sprake is van een geluidbelasting van meer dan 48 dB. Dit betreft de zone langs de Zandheuvelweg, waar geen sprake is van een bouwvlak en waar in de toekomst dus geen geluidsgevoelige gebouwen gerealiseerd kunnen worden. Op de rest van het terrein is geen sprake van een geluidbelasting van meer dan 48 dB als gevolg van de Zandheuvelweg. Railverkeer Op een deel van woon-/zorgpark Amerpoort wordt de maximale toegestane geluidbelasting van 55 dB als gevolg van railverkeer overschreden. Dit is echter voornamelijk buiten de bouwvlakken. Slechts op een beperkt aantal locaties is er binnen de bouwvlakken sprake van een geluidbelasting van meer dan 55 dB, tot maximaal 62 dB.

Sherpa Wegverkeer A27: uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van het wegverkeer op de A27 op woon-/zorgpark Sherpa grotendeels sprake is van een geluidsbelasting van meer dan 48 dB. Dit geldt ook voor de locaties waar in de toekomst mogelijk geluidsgevoelige gebouwen worden gerealiseerd zoals zorgwoningen.

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 38 van 61

Zandheuvelweg: uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeer op de Zandheuvelweg op een relatief klein deel van woon-/zorgpark Sherpa sprake is van een geluidbelasting van meer dan 48 dB. Dit betreft de zone langs de Zandheuvelweg, waar deels sprake is van bouwvlakken en waar in de toekomst dus mogelijk geluidsgevoelige gebouwen gerealiseerd kunnen worden. Op de rest van woon-/zorgpark Sherpa is geen sprake van een geluidbelasting van meer dan 48 dB als gevolg van de Zandheuvelweg. Railverkeer: Woon-/zorgpark Sherpa ligt buiten de geluidzone van de spoorlijn. 5.3.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

De maximaal toegestane geluidbelasting van 48 dB als gevolg van de A27 en Zandheuvelweg wordt op beide woon-/zorgparken overschreden. Het treffen van maatregelen om de geluidbelasting van beide wegen te verlagen naar maximaal 48 dB is niet haalbaar vanwege de kosten en complexiteit van maatregelen. Dit geldt ook voor de maximaal toegestane geluidbelasting van 55 dB als gevolg van railverkeer op woon-/zorgpark Amerpoort. Ook deze wordt overschreden en het treffen van maatregelen is ook voor de geluidsbelasting ten gevolge van railverkeer niet haalbaar. Om de geluidgevoelige functies te kunnen realiseren, is een besluit hogere waarden voor beide woon-/zorgparken noodzakelijk. Dit kan conform de Beleidsregel Wet geluidhinder van de gemeente Baarn. Er is sprake van bestaand stedelijk gebied, waardoor sprake is van een ten hoogste toelaatbare gevelbelasting van 63 dB voor woningen op de woon-/zorgparken Sherpa en Amerpoort als gevolg van wegverkeer op de Zandheuvelweg, 53 dB als gevolg van wegverkeer op de A27 en 68 dB als gevolg van railverkeer. De ten hoogste toelaatbare gevelbelastingen voor wegverkeer op Zandheuvelweg en voor en spoorverkeer worden niet overschreden op de woon-/zorgparken Sherpa en Amerpoort. De ten hoogste toelaatbare gevelbelasting voor wegverkeer op de A27 van 53 dB wordt op een zeer klein deel van woon-/zorgpark Amerpoort overschreden.

Op woon-/zorgpark Sherpa is sprake van een wat groter gebied waar de 53 dB wordt overschreden. Voor vervangende nieuwbouw geldt hier echter een maximale gevelbelasting van 58 dB, welke vrijwel niet wordt overschreden binnen de bouwvlakken. Voor het ontwikkelen van woningen op diverse locaties op de woon-/zorgparken dienen hogere waarden te worden aangevraagd als gevolg van wegverkeerslawaai en op een enkele locatie als gevolg van railverkeerslawaai. Dit wordt onderstaand nader toegelicht. Hogere waarden besluit Volgens de Wet geluidhinder geldt voor alle nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemmingen die in een geluidszone van een weg zijn gelegen een voorkeurswaarde van 48 dB. Als deze waarde wordt overschreden, kan het bevoegd gezag onder voorwaarden een hogere waarde vaststellen. Deze hogere waarde is aan de in de Wet geluidhinder opgenomen plafondwaarde gebonden. Voor woningen in buitenstedelijk gebied geldt een maximaal toegestane geluidsbelasting van 53 dB. De voorkeurswaarde mag worden overschreden als geluidsbeperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn dan wel als deze voorzieningen om stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of om financiële redenen niet wenselijk zijn. Daarnaast moet worden voldaan aan het gemeentelijk beleid.

Op grond van ex artikel 110g Wgh moet voor wegverkeer voor toetsing van de berekende geluidbelasting op de gevel aan de grenswaarde een aftrek worden toegepast. Deze aftrek bedraagt voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/uur of meer 2 dB en voor wegen met een maximumsnelheid van minder dan 70 km/uur 5 dB. Aanvullend geldt voor wegen waar de maximumsnelheid hoger is dan 70 km/uur en de gevelbelasting bedraagt 56 dB een aftrek van 3 dB, bij een gevelbelasting van 57 dB is een aftrek van toepassing van 4 dB. De aftrek mag alleen worden toegepast bij het toetsen van de geluidbelasting aan de normstelling (Wgh) en niet bij de

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 39 van 61

bepaling van de noodzakelijke gevelwering om aan het maximaal toelaatbare binnenniveau te voldoen (Bouwbesluit). Een overzicht van de normen voor nieuwe situaties is in onderstaande tabel opgenomen

Grenswaarden voor nieuwe en bestaande situaties Het geluidsbeleid van de gemeente Baarn is verwoord in de "Beleidsregel Wet Geluidhinder Gemeente Baarn" van 20 september 2007. Het beleid volgt overwegend de bepalingen uit de Wet geluidhinder. Onder andere wordt aangegeven dat vaststelling van hogere waarden slechts plaats vindt voor situaties die: 1. in een uitbreidings-, stads- of dorpsvernieuwingsplan worden opgenomen; of 2. door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestische afschermende functie gaan vervullen voor andere woningen - in aantal ten minste de helft van het aantal woningen waaraan de afschermende werking wordt toegekend -, of voor andere gebouwen of geluidsgevoelige objecten; of 3. ter plaatse noodzakelijk zijn om redenen van grond- en of bedrijfsgebondenheid; of 4. door de gekozen situering een open plaats tussen aanwezig bebouwing opvullen; of 5. ter plaatse gesitueerd worden als vervanging van bestaande bebouwing; of 6. in de omgeving van een station of halte gesitueerd worden. Burgemeester en wethouders zullen alleen een hogere waarde dan 53 dB als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vaststellen, indien tenminste één geluidsgevoelige ruimte aan de geluidsluwe gevel wordt gesitueerd, tenzij overwegingen van stedenbouw en volkshuisvesting zich daartegen verzetten.

Onderhavig plan valt onder punt 3: functies die ter plaatse noodzakelijk zijn om redenen van grond- en of bedrijfsgebondenheid. Zorgorganisaties Sherpa en Amerpoort zijn al vele jaren gevestigd op de locaties. Het betreft vervangende nieuwbouw en de toevoeging van nieuwe woningen om een gezonde bedrijfsvoering te kunnen blijven voeren. Bij realisatie van de woningen wordt zoveel mogelijk gewerkt met een geluidsluwe gevel, voor zover dat stedenbouwkundig inpasbaar is. Er is namelijk sprake van bestaande woon-/zorgparken waarvan het bestaande karakter leidend is in de opzet van de woon-/zorgparken. Conform de bepalingen uit de Wet geluidhinder kan de maximaal toelaatbare geluidbelasting uit de Wgh worden aangehouden. Echter, Burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn stellen alleen een hogere waarde dan 53 dB als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vast, indien tenminste één geluidsgevoelige ruimte aan de geluidsluwe gevel wordt gesitueerd, tenzij overwegingen van stedenbouw en volkshuisvesting zich daartegen verzetten. In onderhavig plan wordt dit mogelijk geacht, waarmee deze voorwaarde geen belemmering vormt voor de

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 40 van 61

uitvoerbaarheid van het plan. Tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan wordt het hogere waardenbesluit ter inzage gelegd. Dit besluit is als Bijlage 18 bij deze toelichting van het bestemmingsplan opgenomen.

5.4

Trillingen

5.4.1

Toetsingskader

Het plangebied bevindt zich naast de spoorlijn Hilversum - Baarn. Spoorlijnen kunnen trillingshinder veroorzaken. Bewoners en gebruikers van panden langs het spoor kunnen hinder ervaren van trillingen als gevolg van treinverkeer. Bij ontwikkelingen in de nabijheid van het spoor, is het raadzaam om het thema trillingshinder te betrekken bij de voorgenomen ontwikkelingen conform de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Deze handreiking stelt onder andere dat tot een afstand van 250 meter van het spoor, spoortrillingen een relevant thema zijn en dat een vorm van onderzoek (quickscan of uitgebreider) nodig is bij initiatieven. 5.4.2

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

Omdat de concrete uitwerking van eventuele bouwplannen in de zone van 250 meter langs het spoor nog niet bekend is, is ervoor gekozen om aan de hand van een quickscan trillingshinder (Bijlage 19) risico's en eventuele kans op hinder van spoortrillingen in kaart te brengen. Bij deze quickscan is gebruik gemaakt van de ruimtelijke en stedebouwkundige visie voor het terrein van Amerpoort. In onderstaande afbeeldingen, zijn de aandachtszones weergegeven:

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 41 van 61

Aandachtszones spoortrillingen (bron: BK bouw- & milieuadvies) Binnen een zone van 100 meter ten opzichte van de buitenste spoorstaaf van aanpalende spoorverbinding, bevinden zich in de (huidige en) nieuwe situatie geen woningen of andere trillingsgevoelige verblijfsruimten. Hier is sprake van een brede groenstrook en voor een deel een kinderboerderij. Binnen de zone van 100 tot 250 meter zijn wel woningen en andere trillingsgevoelige verblijfsruimten aanwezig en voorzien. Aan de hand van de quickscan trillingshinder, uitgevoerd op basis van de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen', kan worden geconcludeerd dat de trillingsbelasting op een afstand groter dan 100 meter vanaf het spoor dermate is gedempt en uitgedoofd dat de kans op hinder voor personen in gebouwen zeer klein is. Derhalve kan op basis van de quickscan worden geconcludeerd dat een nader onderzoek naar spoortrillingen en hinder door spoortrillingen ter plaatse van het plangebied 'Amerpoort' niet noodzakelijk is.

5.5

Bodem

5.5.1

Toetsingskader

Conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat de toelichting van het bestemmingsplan altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit van het plangebied dient geschikt te zijn voor de functies die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Uitgangspunt hierbij is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. 5.5.2

Onderzoek

Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde uitbreiding van de zorg- en woonfunctie is een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd. Deze is gebaseerd op de onderzoeksnorm: NEN 5725:2017 nl – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (Bijlage 20). Uit voorgaande bodemonderzoeken in het plangebied zijn enkele lichte bodemverontreinigingen met PAK en PCB in de bovengrond aangetroffen. In de ondergrond is geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater zijn tevens licht verhoogde concentraties gemeten. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium en licht tot plaatselijk matig verhoogde concentraties zink aangetroffen. Van de bariumverontreiniging wordt aangenomen dat dit een natuurlijke oorsprong betreft. Op de woon-/zorgparken is met name woningbouw aanwezig in combinatie met dagbesteding en

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 42 van 61

kantoren. Daarnaast zijn er ook gebouwen met een recreatief gebruik aanwezig, zoals een zwembad en een sportzaal. Op zowel woon-/zorgpark Sherpa als woon-/zorgpark Amerpoort waren in het verleden ondergrondse brandstoftanks aanwezig. Deze zijn inmiddels verwijderd. Op het zuidelijk deel van woon-/zorgpark Amerpoort was een verzamelplaats voor afval aanwezig. Er vinden momenteel voor zover bekend geen bodembedreigende activiteiten plaats op de beide woon-/zorgparken. In voorgaand onderzoek zijn er geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging aangetroffen. De woon-/zorgparken kunnen dan ook als onverdachte locaties beschouwd worden. 5.5.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

Op basis van de bevindingen van het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat beide woon-/zorgparken niet verdacht zijn op het voorkomen van een ernstige bodemverontreiniging. De oorspronkelijk aanwezige brandstoftanks zijn verwijderd en de verontreiniging is gesaneerd. Voor de beoogde verruiming van de zorgfunctie kan het vooronderzoek als leidraad voor de bodemkwaliteit worden gebruikt. Aangezien er maximaal licht verhoogde gehalten in de grond en licht tot plaatselijk matig verhoogde concentraties in het grondwater zijn aangetroffen, is er geen noodzaak om een aanvullend bodemonderzoek uit te voeren. De bodemkwaliteitskaart ter plekke geeft de kwaliteit van de grond dan ook representatief weer. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde verruiming van de zorgfunctie.

5.6

Archeologie

5.6.1

Toetsingskader

Rijksbeleid Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet vormt het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed. Voor onderdelen die de fysieke leefomgeving betreffen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen die geldt tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet (verwacht in januari 2022). Een belangrijk onderdeel van de Erfgoedwet is dat niets aan een monument mag worden veranderd zonder voorafgaande vergunning. Ook het opgraven van archeologische resten is aan regels gebonden. De bescherming van de archeologische waarden is onder andere vertaald in een Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) op zowel nationaal als provinciaal niveau. Deze IKAW laat zien hoe groot de 'trefkans' is om iets archeologisch waardevols aan te treffen. Op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) staan terreinen waarvan bekend is dat ze daadwerkelijk een archeologische waarde hebben. 5.6.2

Onderzoek

In 2010 is in opdracht van de gemeente Baarn door Vestigia een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, waarbij onder andere het gehele woon-/zorgpark Amerpoort en het gehele woon-/zorgpark Sherpa tot het onderzoeksgebied behoorden. Dit onderzoek is te raadplegen via de website van de gemeente Baarn (zie Bijlage 21). Dit onderzoek voldoet ook voor het voorliggende bestemmingsplan. Voor vrijwel het gehele plangebied van het bestemmingsplan Drakenburgergracht – Zorg wordt in het onderzoek de archeologische verwachting naar beneden bijgesteld tot 'laag'. Voor twee kleine gebieden op woon-/zorgpark Amerpoort is op basis van het onderzoek de verwachtingswaarde bijgesteld naar 'middelhoog'. Voor een kleine zone aan de westzijde van woon-/zorgpark Sherpa is een hoge verwachtingswaarde van toepassing. Dit geldt ook voor een klein bosperceel aan de oostzijde van woon-/zorgpark Amerpoort. In het onderzoek wordt ter plaatse van de hoge archeologische verwachtingswaarde een nadere onderzoekseis voorgesteld in geval van bodemroerende werkzaamheden dieper dan 50 cm en Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 43 van 61

groter dan 100 m2. Ter plaatse van de middelhoge archeologische verwachtingswaarde wordt een archeologische begeleidingsplicht voorgesteld bij bodemroerende werkzaamheden dieper dan 50 cm en groter dan 100 m2. 5.6.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Op het grootste gedeelte van de woon-/zorgparken is op basis van het onderzoek weinig tot geen aanleiding voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Voor deze delen van de woon-/zorgparken is dan ook geen dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen. Ontwikkelingen zijn op de locaties met een hoge archeologische verwachtingswaarde niet op voorhand uitgesloten. Indien er een concreet plan is voor een ontwikkeling op een locatie met een hoge archeologische verwachtingswaarde, is aanvullend onderzoek nodig. Op locaties met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde kan worden ontwikkeld met archeologische begeleiding van de werkzaamheden. Om voorgaande te kunnen borgen, voorziet het bestemmingsplan in één dubbelbestemming: Waarde - Archeologie. Deze geldt voor de hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor de middelhoge verwachtingswaarde geldt een aanduiding 'specifieke vorm van archeologie middelhoog'.

5.7

Externe veiligheid

5.7.1

Toetsingskader

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor kwetsbare objecten moet gekeken worden naar het aspect externe veiligheid. Gevoelige functies in het kader van externe veiligheid zijn de zogenaamde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet binnen de risicocontour van bestaande risicobronnen liggen. Beperkt kwetsbare objecten mogen wel binnen de risicocontour liggen, maar bij voorkeur niet. Er is dan een goede motivatie nodig. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld inrichtingen, transport gevaarlijke stoffen en luchthavens. 5.7.2

Onderzoek

5.7.2.1 Risicobronnen Uit onderzoek (Bijlage 22) blijkt dat de volgende risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn: 7. Transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-500-01; 8. Transport van aardgas door een aardgastransportleiding A-510-01; 9. Transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-533-01; 10. Transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-533-07; 11. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Hilversum - Baarn; 12. Transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A27; 13. Transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A1; 14. LPG-tankstation BP-tankstation ‘De Witte Bergen’; 15. LPG-tankstation Esso-tankstation ‘t' Groeneveld; 16. Consumentenvuurwerk ‘Witte tentenverhuur’. Risicobronnen 1,2,3,4,5 en 6 zijn relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid voor het bestemmingsplan. De overige risicobronnen bevinden zich op een te grote afstand van het plangebied om relevant te zijn. De woon-/zorgparken Amerpoort en Sherpa zijn gelegen binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen. Het plangebied ligt op zeer kleine afstand van de spoorlijn Hilversum Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 44 van 61

Baarn. Over deze spoorlijn worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van de spoorlijn wordt bepaald door het vervoer van zeer toxische vloeistoffen (D4) over de spoorlijn. De grens van het invloedsgebied van de stof D4 ligt op meer dan 4000 meter. Aangezien het plangebied zich hierbinnen bevindt, is deze bron relevant voor de planontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Het plangebied ligt op ongeveer 60 meter van de rijksweg A27. Over de A27 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van de A27 wordt bepaald door het vervoer van brandbare gassen vloeistoffen (GF3) over de A27. De grens van het invloedsgebied van de stof GF3 ligt op 355 meter. Aangezien het plangebied zich hierbinnen bevindt, is deze bron relevant voor de planontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Het plaatsgebonden risico van de genoemde risicobronnen vormt geen belemmering voor het plangebied. Door het voorliggende bestemmingsplan neemt het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleidingen W-500-1, A-510-01, W-533-01 en W-533-07 beperkt toe en blijft in alle situaties onder de 0,1 van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van het transport voor gevaarlijke stoffen over het spoortraject Hilversum – Baarn neemt beperkt toe en blijft in alle situaties onder 0,1 van de oriëntatiewaarde.

Het groepsrisico van het transport voor gevaarlijke stoffen over de rijksweg A27 neemt toe. Het groepsrisico ligt echter beneden 1,0 van de oriëntatiewaarde en de toename van het groepsrisico is minder dan 10%. 5.7.2.2 Verantwoording van het groepsrisico Op basis van het Bevt dient het groepsrisico van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor (Hilversum – Baarn) en de weg (A27) verantwoord te worden. Deze verplichting geldt ook voor de hogedrukaardgastransportleidingen W-500-01, A-510-01, W-533-01 en W-533-07 op basis van het Bevb. Zoals gebleken is uit de risicoberekeningen van de risicobronnen, volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het groepsrisico blijft namelijk onder de 0,1 van de oriëntatiewaarde, behalve voor de rijksweg A27. Daar ligt het groepsrisico boven de 0,1 van de oriëntatiewaarde, maar beneden de 1,0 van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt minder dan 10% toe als gevolg van het te ontwikkelen plangebied, waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico volstaat. De elementen voor een beperkte verantwoording van het groepsrisico zijn voor een hogedrukaardgasleiding anders dan voor vervoer gevaarlijke stoffen per spoor. In onderstaande tabel zijn de elementen per risicobron weergegeven: Elementen beperkte verantwoording groepsrisico

Risicobro Risicobro n n Bevt Bevb

Dichtheid van personen binnen invloedsgebied

-

X

Hoogte van het groepsrisico (per kilometer)

-

X

De mogelijkheden voor het voorkomen, beperken en bestrijden van incidenten

X

X

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied

X

X

Personendichtheid Binnen het invloedsgebied van de hogedrukaardgastransportleidingen W-500-01 (140 meter), A-510-01 (245 meter), W-533-01 (140 meter) en W533-07 (175 meter) bevinden zich delen van het plangebied. Het bestemmingsplan biedt flexibiliteit in de locaties waar uiteindelijk ontwikkelingen gaan plaatsvinden. Daarom is uitgegaan van een worstcasesituatie waarbij al het verzorgend personeel en de bewoners/cliënten zich binnen de 1% letaliteitgrens bevinden. Voor zorgcentrum Sherpa betekent dat er 1.309 personen aanwezig zijn en 1.774 personen voor zorgcentrum Amerpoort. Door het plangebied neemt de bevolkingsdichtheid toe. Groepsrisico

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 45 van 61

Het groepsrisico is onderstaande nader toegelicht voor de hogedrukaardgastransportleidingen. Uit de berekeningen blijkt dat de realisatie van het plangebied Sherpa en Amerpoort leidt tot een toename van het groepsrisico. De 0,1 van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden voor zowel de huidige als de toekomstige situatie. In onderstaande tabel is het groepsrisico voor de huidige als de toekomstige situatie van de hogedrukaardgasleidingen samengevat. Leidingnaam

Maximale waarde ten opzichte van oriëntatiewaarde Huidig situatie

Toekomstige situatie

leiding-W-500-01-deel-1

<0,01

<0,01

leiding-A-510-01-deel-1

<0,01

0,043

leiding-W-533-01-deel-1

0,071

0,091

Leiding W-533-07-deel-1

0,000037 0,00011

Rampenbestrijding en zelfredzaamheid Op basis van het Bevt en het Bevb dient voor het spoortraject Hilversum - Baarn, de A27 en de hogedrukaardgasleidingen inzicht gegeven te worden in de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en rampenbestrijding. Voor de maatgevende scenario's is de rampenbestrijding en de zelfredzaamheid beoordeeld op basis van het scenarioboek externe veiligheid Maatgevende scenario's Als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over spoor en weg en door buisleidingen kunnen zich diverse scenario's met vervolgeffecten voordoen. Onderstaande tabel geeft het overzicht van het type vervolgeffecten per modaliteit. Effect

Spoor

Weg

Buisleiding

Fakkelbrand

X

X

X

Plasbrand

X

Toxische gaswolk

X

BLEVE

X

X

Fakkelbrand Door transport van LPG over het spoor en de weg kan er bij een ongeval met een ketelwagen of een tankwagen, waarbij LPG vrijkomt en direct ontsteekt, een fakkelbrand optreden. Daarnaast kan door een scheur in de buisleiding met directe ontsteking, eveneens een fakkelbrand optreden. Een fakkelbrand is zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen juist worden ingeschat: zij moeten het gebied, afgeschermd van hittestraling, ontvluchten. Aanwezigen binnen de 135 meter, 90 meter en 80 meter van de fakkelbrand veroorzaakt door een ongeval met een spoorwagon, tankwagen en respectievelijk hogedrukaardgastransportleiding, hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de snelle ontwikkeltijd van het scenario en de hoge hittestraling. Plasbrand Door het transport van (zeer) licht ontvlambare vloeistoffen over het spoor kan er bij een ongeval met een ketelwagon, waarbij de wagon openscheurt en brandbaar vloeistof vrijkomt die vervolgens ontsteekt, een plasbrand optreden. Een plasbrand is zichtbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen juist worden ingeschat: zij dienen het gebied, al dan niet afgeschermd van hittestraling, te ontvluchten.

Aanwezigen binnen de 20 meter van de plasbrand hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de snelle ontwikkeltijd van het scenario en de hoge hittestraling. Toxische gaswolk Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 46 van 61

Door het transport van toxische gassen en toxische vloeistoffen over het spoor kan er bij een ongeval met een ketelwagon, waarbij toxisch gas of toxische vloeistof vrijkomt en vervolgens verdampt, een toxische gaswolk optreden. Een toxische gaswolk is niet zichtbaar en niet altijd waarneembaar via de reuk voor aanwezigen. Een toxische gaswolk kan daarnaast leiden tot irritatie van huid en/of ogen en, indien niet direct wordt gehandeld, zelfs tot de dood. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen goed worden ingeschat: zij moeten binnenblijven, ramen en deuren sluiten en eventuele mechanische ventilatie uitzetten. Hoewel een toxische gaswolk niet direct geconstateerd hoeft te worden (wat een risico verhogende factor is), zijn de effecten van het in aanraking komen met een dergelijke wolk pas na verloop van tijd merkbaar (wat een risico verlagende factor is omdat er tijd is om de symptomen te behandelen) en is het risico daardoor beter te beheersen. Door transport van LPG over het spoor (A) en de weg (GF3) kan er bij een ongeval met een ketelwagen of een tankwagen een BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion of kokende vloeistof-gasexpansie-explosie) optreden. Een BLEVE geeft zowel een drukgolf als een intense warmtestraling. BLEVE Er is een onderscheid tussen warme en een koude BLEVE. Hieronder zijn beide type BLEVE toegelicht.

Warme BLEVE: Wanneer een tank met bijvoorbeeld LPG wordt blootgesteld aan een externe brand, zal de tank verwarmd worden. In het begin (bij een volle tank) wordt de toegevoerde warmte benut om de vloeistof in de tank te verdampen (koken). Doordat voor het verdampen van de vloeistof veel energie nodig is, houdt de kokende vloeistof de wand van de tank (nog) relatief koel. Wel zal de gevormde damp in de tank de inwendige druk doen stijgen. Wanneer de druk hoger wordt dan de instelwaarde van het overdrukventiel, zal deze (gas) gaan afblazen. In de meeste gevallen zal deze uitgeblazen stoom gas vlamvatten, hetgeen voor de tank echter minder bedreigend is. Naarmate de tank langer blootgesteld staat aan de externe brand, zal er meer en meer vloeistof verdampen en het vloeistofniveau in de tank dalen. Dit betekent dat een groter deel van de tankwand niet meer gekoeld wordt door de kokende vloeistof met als resultaat dat de metalen wand warmer wordt. Het warmer worden van het metaal heeft tot gevolg dat de mechanische eigenschappen van het metaal (sterkte) afnemen. Uiteindelijk bezwijkt de tank doordat deze niet langer bestand is tegen de inwendige druk. Er zal dan plotseling een grote hoeveelheid damp gevormd worden die door het omringende vuur ontstoken zal worden.

Het ontsteken van een dergelijke grote hoeveelheid damp gaat gepaard met een grote vuurbal die een groot vernietigend effect heeft in de directe omgeving, vanwege de hitte, maar ook de druk. Koude BLEVE: Door een botsing van de tank scheurt de tank en komt de vloeistof instantaan vrij. Door de wrijving tijdens de botsing kunnen er vonken optreden, waardoor het gas en/of vloeistof vlamvat. Er ontstaat een vuurbal, die zowel een drukgolf als een intense hittestraling geeft. De hittestraling is kort en hevig en kan daardoor leiden tot secundaire branden in de omgeving. Een BLEVE is zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen juist worden ingeschat: zij dienen het gebied zo mogelijk, al dan niet afgeschermd. te ontvluchten. Tenzij zichtbaar of hoorbaar is dat 'lucht' onder hoge druk ontsnapt uit de wagon of tank. In dat geval is het verstandiger om te schuilen achter betonnen muren en uit de buurt van deuren en ramen te blijven vanwege het glas dat eruit kan springen. Aanwezigen in de nabijheid van het spoor en de weg waar de BLEVE plaatsvindt, hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de grote hittestraling en druk. Zelfredzaamheid Het plan dient te worden voorzien van voldoende vluchtwegen van de risicobronnen af gericht.

Daarnaast is het een mogelijkheid dat het bevoegd gezag de burgers, die binnen het invloedsgebied wonen of werkzaam zijn, informeert over de mogelijkheden en onmogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen bij een eventuele calamiteit.

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 47 van 61

Belangrijk is om na te gaan wat de mogelijkheden tot zelfredzaamheid zijn om slachtoffers bij de diverse scenario's te voorkomen en om na te gaan of het gebied zodanig ingericht is dat de zelfredzaamheid wordt bevorderd. Het is van belang dat duidelijk is waarheen gevlucht moet worden. Er moeten (nood)uitgangen en vluchtroutes zijn van de risicobronnen af. Er wordt geadviseerd om een calamiteitenplan op te stellen. Daarnaast is het van belang om de bewoners, werknemers en bezoekers van het plangebied erop te wijzen wat te doen bij een calamiteit. Fakkelbrand Bij een fakkelbrand wordt geadviseerd om het gebied te ontvluchten door zich van de risicobron af te wenden. Daarom zijn voldoende vluchtroutes van belang. Daarnaast kunnen mensen zich verschuilen achter of in de gebouwen, om zich te kunnen afwenden van de hittestraling. Mensen die in een gebouw verblijven tijdens de calamiteit wordt geadviseerd om binnen te blijven. Plasbrand Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Indien de hittestraling te groot is om te vluchten, kan bescherming worden gezocht in een daarvoor aangewezen gebouw, dat niet te dicht bij de risicobron staat. Het is belangrijk om geen bescherming te zoeken bij een raam, want de warmte van een plasbrand is dermate groot dat ramen kunnen springen.

Toxische gaswolk/plas Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een toxische gaswolk, al dan niet via verdamping van een toxische plas, dienen zij zoveel als mogelijk te schuilen in gebouwen en ramen en deuren goed te sluiten. Voorwaarde hierbij is dat via ventilatieopeningen in het gebouw geen gas kan toetreden, deze dienen (centraal) te kunnen worden gesloten. In geval van een toxische gaswolk dienen installaties voor mechanische ventilatie uitgeschakeld te worden om zodoende de luchttoevoer van buiten naar binnen af te sluiten. BLEVE Na een BLEVE dienen de personen in het gebied zo snel mogelijk het gebied te ontvluchten om de effecten van secundaire branden te mijden. Tegen de warmtestraling en de overdrukeffecten van een BLEVE zijn moeilijk maatregelen te nemen. Buiten de 150 meter is het effect van een BLEVE dusdanig, dat mensen binnenshuis voldoende beschermd zijn, mits ze zich niet direct achter glas bevinden. Het advies is ook om zo min mogelijk glas, geen grote glas oppervlakten of openslaande ramen aan de risicobronzijde toe te passen. Het noodzakelijke glasoppervlak aan de risicobronzijde kan worden voorzien van een splinterwerende film, of er kan gelamineerd glas toe worden gepast. Vanwege de overdruk is tot op 180 meter glasbreuk te verwachten.

Stevige muren en blast-resistant beglazing helpen wel enigszins tegen de overdrukeffecten, maar bieden weinig soelaas tegen de warmtestraling die tot op grote hoogte en over grote afstand effecten kan sorteren. Tevens zijn dit zeer kosten intensieve maatregelen. Rampenbestijding Fakkelbrand Een fakkelbrand zal vrijwel direct na het vrijkomen van de brandbare stof optreden. De brandweer heeft geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding. Ingeval van een fakkelbrand veroorzaakt door een buisleiding, dient de beheerder van de buisleiding de toevoer af te sluiten. De inbloklengte bedraagt over het algemeen meer dan 10 kilometer. Indien het inblokken automatisch geschiedt (bijvoorbeeld bij constatering dat de nominale werkdruk afwijkt van de standaard) dan gebeurt dit direct. Bij handmatig inblokken kan dit tot enkele uren duren. Eventuele secundaire branden, die ontstaan zijn doordat het vuur is overgeslagen, zijn wel te bestrijden. De hulpverlening dient de mogelijkheid te hebben om het rampgebied snel en goed te kunnen betreden. Daarnaast dienen bluswatervoorzieningen goed beschikbaar te zijn. Plasbrand Bij een plasbrand kan de schade beperkt worden door het verminderen van het plasoppervlak. Ook kan de schade beperkt worden door de verspreiding van brandbare vloeistof te beperken. De hulpverlening dient de mogelijkheid te hebben om het rampgebied goed te bereiken.

De blusvoorzieningen dienen goed beschikbaar te zijn, daarnaast dienen de juiste blusvoorzieningen Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 48 van 61

beschikbaar te zijn. Blussen met water is niet altijd de juiste optie. Daarnaast dienen vloeistofkerende voorzieningen beschikbaar te zijn. Toxische gaswolk Bij een ongeval met toxische vloeistoffen of (zeer) toxische gassen kan de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Dit geldt echter alleen voor stoffen, welke geen gevaarlijke chemische reactie aangaan met water. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen is crisiscommunicatie ook erg belangrijk. Het invloedsgebied van stofcategorie B2 is 995 meter. Dat is dus een erg groot gebied en mede daarom is communicatie richting onder andere de bewoners, medewerkers en bezoekers van de woon-/zorgparken zeer belangrijk. Koude BLEVE Doordat bij een koude 'BLEVE' de tank direct bij impact expandeert, is dit scenario niet te bestrijden. De secundaire branden, die ontstaan doordat het vuur is overgeslagen, zijn wel te bestrijden. De hulpverlening dient de mogelijkheid te hebben om het rampgebied snel en goed te kunnen betreden. Daarnaast dienen bluswatervoorzieningen goed beschikbaar te zijn op de woon-/zorgparken. 5.7.3

Conclusie en vertaling in het bestemmingsplan

De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken. De genoemde mogelijkheden voor incidentenbestrijding en zelfredzaamheid kunnen de effecten van ongevallen reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico, is er echter altijd sprake van een restrisico. De betreffende zorgorganisaties zijn geïnformeerd over de door de VRU voorgestelde maatregelen. Waar nodig vindt bij toekomstige ontwikkelingen afstemming plaats met de VRU.

5.8

Waterparagraaf

5.8.1

Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. In deze 'waterparagraaf' wordt verslag gedaan van het watertoetsproces, waarvoor in een vroeg stadium afstemming heeft plaatsgevonden met het Waterschap Vallei & Eem. 5.8.2

Beleidsuitgangspunten

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen gelden de volgende algemene beleidsuitgangspunten: 5.8.2.1 De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

Drakenburgergracht Zorg 2022 Pagina 49 van 61

5.8.2.2 Nationaal Waterplan In het Nationaal Waterplan (NWP) zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Het Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening en is opgesteld voor de planperiode 2016-2021. 5.8.2.3 Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast, moet ten minste behouden blijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12442145/1