CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

644585 Bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 2022 Bijlage Toelichting - 11 Aanvullend natuuronderzoek

Besluit in de Raad 29 maart 2023, gemeente BaarnBij agendapunt: Bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 20225.908 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rapport Projectnummer: 361003 Referentienummer: SWNL0239718.docx Datum: 25-02-2019

Aanvullend natuuronderzoek woon-/zorgparken Nieuwenoord en Eemeroord te Baarn Nader onderzoek naar het voorkomen en gebruik van het plangebied door beschermde soorten

Sweco Velperweg 26 6824 BJ Arnhem Postbus 485 6800 AL Arnhem Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Arnhem Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Yann Horstink Adviseur ecologie T +31 88 811 61 70 M +31 6 30 37 78 48

Verantwoording Titel

Aanvullend natuuronderzoek woon/zorgparken Nieuwenoord en Eemeroord te Baarn

Subtitel

Nader onderzoek naar het voorkomen en gebruik van het plangebied door beschermde soorten

Projectnummer

361003

Referentienummer

SWNL0239718.docx

Revisie

D1

Datum

25-02-2019

Auteur

Yann Horstink

E-mailadres

yann.horstink@sweco.nl

Gecontroleerd door

Hans Jaspers

Goedgekeurd door

Maarten Mouissie

2 (25)

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 4

1.1

Ligging plan- en onderzoeksgebied......................................................................... 4

1.2

Voorgenomen activiteiten ........................................................................................ 9

2

Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 10

2.1

Toetsingkader ........................................................................................................ 10

3

Methodiek veldonderzoek ................................................................................... 13

3.1

Vleermuizen ........................................................................................................... 13

3.2

Huismus ................................................................................................................. 16

3.3

Gierzwaluw ............................................................................................................ 17

4

Resultaten ............................................................................................................ 18

4.1

Vleermuizen ........................................................................................................... 18

4.2

Huismus ................................................................................................................. 24

4.3

Gierzwaluw ............................................................................................................ 26

5

Conclusies............................................................................................................ 28

6

Referenties ........................................................................................................... 29

3 (25)

1

Inleiding

In de gemeente Baarn, aan de Zandheuvelweg, bevinden zich het woon-/zorgpark Nieuwenoord van zorginstelling Amerpoort en het woon-/zorgpark Eemeroord van zorginstelling Sherpa. De terreinen zijn omgeven door groen en bieden een beschutte woonomgeving voor de cliënten. Veranderingen in de zorgbehoefte, veranderende eisen ten aanzien van de zorg en een steeds strenger wordende wet- en regelgeving voor gebouwen leidt tot een behoefte aan uitbreidingsruimte op de woon-/zorgparken. Het huidige bestemmingsplan ‘Drakenburgergracht – Zorg’, dat in 2011 voor de terreinen van Eemeroord en Nieuwenoord is vastgesteld, biedt onvoldoende ruimte om de gewenste kwaliteit aan de parken toe te voegen. Beide zorginstellingen lopen dagelijks tegen de beperkingen van het bestemmingsplan aan. Om kwalitatief goede zorg te kunnen blijven bieden voor de huidige en toekomstige bewoners is meer flexibiliteit gewenst en zijn meer bouwmogelijkheden nodig. Een wijziging van het huidige bestemmingsplan is daarvoor noodzakelijk. Voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplanwijziging is het noodzakelijk in beeld te brengen welke effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en op basis hiervan te toetsen of ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming vereist is, zo ja of deze verleenbaar is met de eventueel daarbij behorende mitigerende maatregelen.

Op basis van de ligging van de terreinen is in eerste instantie een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (Horstink, 2018). Uit dit onderzoek is gebleken dat nader veldonderzoek nodig is naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Sweco Nederland B.V. is door Sherpa en Amerpoort gevraagd dit nader onderzoek uit te voeren. In de voorliggende toets zijn de resultaten hiervan weergegeven en is toetsing aan de Wet natuurbescherming voor de relevante soorten uitgevoerd. Omdat sprake zal zijn van een flexibel bestemmingsplan en de ontwikkelingen niet in detail bekend zijn, is omwille van de juridische houdbaarheid een worstcasebenadering toegepast. Dit betekent dat de maximaalmogelijke effecten op de relevante soorten zijn onderzocht. 1.1 Ligging plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is gelegen in provincie Utrecht tussen de plaatsen Baarn (oosten) en Hilversum (westen), zie Figuur 1 en Figuur 2. Het gebied ligt in de oksel van de A27 en A1 (knooppunt Eemnes). Rondom het plangebied liggen landerijen, landgoed Groeneveld, natuur (merendeels bos) en een conferentiecentrum (Drakenburg). Voor een impressie van het plangebied, zie Figuur 3 en Figuur 4.

De terreinen bestaan uit diverse gebouwen met maatschappelijke functies op het gebied van wonen, werken, leren en vrije tijd waarin mensen met een verstandelijke- en lichamelijke beperking ondersteund worden.

4 (25)

Figuur 1

Globale ligging plangebied (rode lijn) in relatie tot de omgeving, met aan noordzijde Eemeroord (Sherpa) en zuidzijde Nieuwenoord (Amerpoort). Bron: Google.maps.nl.

5 (25)

Figuur 2

Globale ligging plangebied (rode lijn). De Zandheuvelweg scheidt de twee gebieden. Bron: Google.maps.nl.

6 (25)

Figuur 3

Impressie van Eemeroord

7 (25)

Figuur 4

Impressie van Nieuwenoord

8 (25)

1.2 Voorgenomen activiteiten Sherpa en Amerpoort zijn beiden actief in het vernieuwen van het woonaanbod aan mensen met een verstandelijke beperking. Voor beide zorginstellingen geldt dat reeds belangrijke kwaliteitsslagen zijn gemaakt in de nieuwbouw, renovatie en de aanwezige infrastructuur. Voor verdere ontwikkelingen lopen Amerpoort en Sherpa echter tegen de beperkingen van het huidige bestemmingsplan Drakenburgergracht – Zorg aan, dat op 27 januari 2010 door de gemeenteraad is vastgesteld. De in het bestemmingsplan aangewezen bouwvlakken en BVO’s worden door Amerpoort en Sherpa als beperkend ervaren. Beide zorginstellingen hebben de behoefte om om ook buiten de bouwvlakken te bouwen. Voor beide zorginstellingen geldt dat zij willen ontwikkelen, zonder het kenmerkende karakter van de terreinen met de aanwezige bomen en groenvoorziening aan te tasten. Deze toetsing richt zich op het onderbouwen van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplanwijziging, waarbij meer ontwikkelruimte voor beide woon-/zorgparken gecreëerd moet worden. Voor Sherpa betreft dit naar 15.000 m2 BVO, voor Amerpoort 9.000 m2 BVO. Gedetailleerde ontwikkelplannen liggen er op dit moment nog niet, de detailuitwerking van ontwikkelingen volgt gefaseerd in een later stadium.

Vandaar dat de toetsing uitgaat van een worstcasescenario, waarbij in theorie binnen enkele algemene kaders op elke plek binnen terreinen ontwikkeling mogelijk is. De toetsing betreft derhalve de mogelijke gevolgen van uitbreiding op alle delen van de betreffende terreinen, binnen de randvoorwaarden van het behoud van het karakter van de terreinen en het aanwezig groen. Concreet betekent dit dat in ieder geval het bosrijke karakter behouden blijft, maar dat individuele bomen mogelijk gekapt kunnen worden vanwege ontwikkelingen. Bestaande, oudere, bebouwing wordt mogelijk gesloopt en vervangen.

9 (25)

2

Wet natuurbescherming: soortenbescherming

2.1 Toetsingkader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

10 (25)

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.): • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:  onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;  onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of  onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming.

Provincie Utrecht volgt het landelijk beleid en maakt gebruik van de regeling om diverse algemene soorten vrij te stellen bij ruimtelijke ontwikkelingen, omdat hun landelijke gunstige staat van instandhouding zeer gunstig is. De betreffende soorten staan genoemd in paragraaf 3.5 en bijlage 2 van de Verordening natuur en landschap Provincie Utrecht 2017. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en waarvoor de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de Wnb geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.

11 (25)

Het is ook mogelijk om ten aanzien van beschermde soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming, mits de soorten en de voorgenomen activiteit als zodanig in de gedragscode is beschreven. Er is dan (mogelijk) geen ontheffingsplicht van toepassing.

12 (25)

3

Methodiek veldonderzoek

Nieuwenoord en Eemeroord zijn twee vergelijkbare woon-/zorgparken wat betreft gebruik, type gebouwen en omgeving. Dergelijke terreinen zijn slechts voor enkele soortgroepen geschikt. Op basis van bestaande kennis (Horstink, 2018 en andere referenties) zijn dit de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Voor andere soorten hebben de gebieden minder potentie. Hieronder wordt per soort(groep) de onderzoeksmethodiek toegelicht. 3.1 Vleermuizen Juridisch houdbaar vleermuisonderzoek wordt normaliter uitgevoerd conform het vigerende Vleermuisprotocol (versie 2017) dat is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging, in overleg met Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. Het huidige vleermuisprotocol is echter niet toegespitst op grootschalige inventarisaties, bijvoorbeeld op wijkniveau. Een strikte toepassing van dit protocol voor grootschalig bebouwd gebied zorgt voor een onuitvoerbare en onevenredige onderzoeksinspanning om alle individuele verblijfplaatsen in een groter gebied op te sporen of juist aanwezigheid uit te kunnen sluiten. Conform de regels van het protocol zou namelijk 75% van een potentiele verblijfslocatie vanuit een waarnemersstandpunt zichtbaar moeten zijn.

Voor iedere potentiele verblijfslocatie die niet vanuit een enkel standpunt te overzien is, moet vervolgens een extra waarnemer ingezet worden. Onoverzichtelijke terreinen als Nieuwenoord en Eemeroord zouden derhalve zeer intensief onderzocht moeten worden. Het Netwerk Groene Bureaus erkent dit probleem en is bezig met het opstarten van het opstellen van een aanvullend protocol voor dergelijke grootschalige inventarisaties, maar deze is nog niet voorhanden. Vanuit de Wnb moet bij grootschalige inventarisaties in bebouwd gebied de focus liggen op het in kaart brengen van de kraamverblijven en winterverblijfplaatsen waar (grotere) groepen verblijven én de elementen als vliegroutes en foerageergebieden die essentieel zijn voor het behoud van de functionaliteit van deze verblijfplaatsen. Dit omdat aantasting hiervan de grootste directe gevolgen heeft voor de staat van instandhouding van de lokale populatie. Tijdens dit onderzoek zijn de functies van de terreinen van Sherpa en Amerpoort voor vleermuizen op wijkniveau in kaart gebracht. Een groot voordeel van grootschalige inventarisaties is dat deze een goed inzicht geeft in het belangrijkste voorkomen van vleermuizen op populatie-niveau en het functioneel gebruik van de gebieden.

Met deze kennis is vervolgens aan te geven hoe om te gaan met deze belangrijkste waarden, zoals winter- en kraamverblijven en essentiële vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoek moet juridisch voldoende zekerheid bieden om de bestemmingsplanwijziging mogelijk te maken, zonder dat hiervoor direct een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd hoeft te worden en dat passende maatregelen (mitigerende-, planningtechnische- en compenserende maatregelen) genomen moeten worden. Die maatregelen neemt men pas wanneer de daadwerkelijke uitvoering van een voorgenomen ontwikkeling aan de orde is.

13 (25)

Uit bestaande verspreidingsgegevens (samengevat in Horstink, 2018) blijken in de wijken en de omgeving daarvan diverse soorten vleermuizen voor te komen, waaronder de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Op basis van de voorkomende elementen zijn de gebieden potentieel geschikt als habitat voor diverse soorten vleermuizen. Zo hebben de bebouwing en bomen potentie voor verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het gaat dan om zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en bijvoorbeeld ruige dwergvleermuis, (massa)winterverblijven voor de gewone dwergvleermuis en eventueel zomer- en/of paarverblijven van soorten als ruige- en kleine dwergvleermuis. Of de panden en bomen ook daadwerkelijk geschikt zijn, is afhankelijk van of er geschikte ruimten aanwezig zijn voor vleermuizen. Onderzoek naar vleermuizen in de wijken is uitgevoerd in de geest van het vigerende Vleermuisprotocol (versie 2017) en met het oog op een gebiedsgerichte aanpak. Dat wil zeggen dat de belangrijkste functies van het gebied voor vleermuizen in kaart zijn gebracht (er is inzicht op het functioneren op populatieniveau) door de methodiek van het vleermuisprotocol zo veel mogelijk te volgen. De onderzoeksinspanning is gericht uitgevoerd op basis van: • De te verwachten soorten op basis van bestaande informatie (verspreidingsgegevens en voorgaande onderzoeken).

Dit betreffen met name gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ook de ruige dwergvleermuis. De kleine dwergvleermuis kan op basis van de verspreidingsgegevens niet uitgesloten worden, maar de kans op aanwezigheid daarvan is zeer klein. Andere soorten als gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis en watervleermuis worden niet direct verwacht, maar zouden eventueel de wijk aan kunnen doen en hier verblijven kunnen hebben. Hoewel de aandacht met name uitgaat naar laatvlieger en gewone dwergvleermuis zijn de overige soorten ook meegenomen in het onderzoek. • Mogelijke functies van de aanwezige elementen (met name bebouwing, bomen). Dit betreffen zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen, massawinterverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. • Grootte en overzichtelijkheid van het onderzoeksgebied. Er is een inschatting gemaakt van het aantal benodigde onderzoekers, waarbij het gebied stelselmatig kon worden onderzocht en de belangrijkste functie aangetroffen konden worden. Om objecten zowel aan voor- en achterzijde te kunnen overzien, zijn daarop telkens twee onderzoekers aanwezig geweest. Inventarisaties • Zijn uitgevoerd tussen zonsondergang en zonsopgang, waarbij onderscheid gemaakt is in:  avondrondes (vanaf zonsondergang);  middernachtrondes (vanaf middernacht);  ochtendrondes (vanaf minimaal 2 uur voor zonsopkomst).

• Hebben per onderzocht gebied een tussenperiode van 20 à 30 dagen en minimaal 10 dagen. • Vonden plaats tijdens gunstige weersomstandigheden (droog, weinig wind, gunstige temperatuur). • Zijn uitgevoerd door ter zake kundige ecologen en met een heterodyne batdetector, voorzien van time-expansion en opnameapparatuur.

14 (25)

Het vleermuisonderzoek is in twee ‘blokken’ (periodes, zoals beschreven in het Vleermuisprotocol 2017) ingedeeld, inventarisaties naar kraamverblijven (mei tot en met juli) en winterverblijven (augustus en september). De grootste aandacht is uitgegaan naar het inventariseren van kraamverblijven en (massa)winterverblijfplaatsen alsmede naar essentiële foerageergebieden en vliegroutes. Dit zijn de belangrijkste functies in een gebied. Behoud en bescherming van deze typen verblijfplaatsen en essentiële vliegroutes en foerageergebieden zijn immers het belangrijkst voor de instandhouding van de lokale populatie en hiermee ook de haalbaarheid van de bestemmingsplanwijziging. Paarverblijven (augustus-september) zijn mede onderzocht, maar zijn algemener van aard; vleermuizen stellen hieraan relatief weinig eisen. Inventarisatierondes zijn, waar mogelijk, gecombineerd uitgevoerd. Met onderstaande onderzoeksmethodiek is voldoende inzicht verkregen in de essentiële verblijfplaatsen en andere functies van vleermuizen in de wijken. Blok 1: periode mei-juli Het eerste blok had als voornaamste doel om kraamverblijven in kaart te brengen. Tevens werden zomerverblijven opgespoord en belangrijke foerageergebieden en vliegroutes in beeld gebracht. Inventarisaties vonden plaats in de periode (half) mei tot en met half juli.

Er is gestart met een avondronde om de gebieden met de hoogste vleermuisactiviteit te traceren. Daarbij geven de avondrondes inzicht in aanwezigheid van verschillende vleermuissoorten en aanwezigheid verblijfplaatsen van vleermuizen. Voor de laatvlieger geldt dat er conform het vleermuisprotocol tijdens de kraamperiode twee avondbezoeken afgelegd zijn. Voor de gewone dwergvleermuis geldt dat ochtendrondes geschikter zijn voor het opsporen van kraam- en zomerverblijfplaatsen. Dit omdat het zwermen 's ochtends meer tijd in beslag neemt dan het uitvliegen ’s avonds. Hierdoor kan een waarnemer in de nanacht een groter gebied overzien door rond te lopen of te fietsen. Voor de onderzoeksinspanning is uitgegaan dat een bepaalde locatie iedere 10 à 15 minuten door een waarnemer opnieuw aangedaan kan worden tijdens het lopen of fietsen van een route. Blok 2: periode augustus-september Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massawinterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Tijdens de zomer en het begin van de paarperiode kan zwermgedrag worden waargenomen bij gebouwen die in gebruik worden genomen voor overwintering door (grote) groepen dieren.

Inventarisaties naar winterverblijfplaatsen voor grotere groepen gewone dwergvleermuizen zijn conform het vleermuisprotocol uitgevoerd middels twee bezoeken vanaf middernacht, in de periode 1 augustus tot en met 10 september. De onderzoeksinspanning is gericht op het gebied met bebouwing dat geschikt is voor overwintering van grotere groepen. Op basis van voorgaande is de hieronder in tabel 1 beschreven onderzoeksinspanning voor vleermuizen verricht. Het veldwerk en een beknopte verslaglegging hiervoor is uitgevoerd door Ekoza. De verkregen resultaten en afbeeldingen zijn in deze rapportage verwerk.

15 (25)

Tabel 1

Onderzoeksmomenten vleermuizen

Blok

Datum

Tijd

Weer

Wind

Locatie

1 1 1 1 1 1 2 2 2 2

23 mei 2018 31 mei 2018 19 juni 2018 26 juni 2018 5 juli 2018 9 juli 2018 20 Augustus 2018 21 Augustus 2018 12 September 2018 13 September 2018

21.15 - 23.50 21.10 - 23.55 03.10 - 05.30 03.00 - 05.35 21.10 - 00.05 21.05 - 00.25 21.50 - 23.55 00.10 - 02.15 21.55 - 23.55 00.05 - 02.10

Licht bewolkt, 23 ºC Helder, 22 ºC Helder, 14 ºC Helder, 12 ºC Helder, 22 ºC Licht bewolkt, 20 ºC Helder, 15 ºC Helder, 13 ºC Licht bewolkt, 14 ºC Licht bewolkt, 13 ºC

NO 2 NW 2 ZW 2 NO 2 NW 2 NW 1 N2 N2 NW 2 NW 2

Sherpa Amerpoort Sherpa Amerpoort Sherpa Amerpoort Sherpa Amerpoort Amerpoort Sherpa

Aantal waarnemers 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2

3.2 Huismus Onderzoek naar de aanwezigheid van huismussen is uitgevoerd conform de richtlijnen uit het kennisdocument huismus van BIJ12 (versie 1.0. juli 2017) en het soorteninventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (versie juli 2017). Deze richtlijnen geven aan dat inventarisaties op een potentiele locatie plaats moeten vinden op twee onderzoeksmomenten: • in de periode begin april tot en met 20 juni; • tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang, met een piek in de ochtend; • met een minimale periode van 10 dagen tussen de bezoeken; • met gunstige weersomstandigheden (geen regen, harde wind en/of lage temperatuur). Tijdens de soortgerichte inventarisaties is specifiek gelet op broed- en territoriumindicerend gedrag. Ook zijn het functionele leefgebied en de verblijfplaatsen en de essentiële onderdelen hiervan in kaart gebracht. Het totale aantal inventarisatiemomenten is bepaald op basis van de richtlijnen en de grootte en geschiktheid van het te onderzoeken gebied. Het daarop uitgevoerde aantal bezoeken en inventarisatiemomenten is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 2

Onderzoeksmomenten huismus

Bezoek

Datum

Tijdstip

Weer

Wind

Locatie

1

7 mei 2018

06:00 – 09:00

Onbewolkt, 18 ºC

OZO 2

1

9 mei 2018

06:00 – 09:00

WNW 2

1

22 mei 2018

05:30 – 08:30

Licht bewolkt, 19 ºC Bewolkt, 16 ºC

1

23 mei 2018

05:30 – 08:30

Bewolkt, 18 ºC

NO 2

2

24 mei 2018

05:30 – 08:30

Bewolkt, 18 ºC

O2

2

28 mei 2018

05:30 – 08:30

Bewolkt, 18 ºC

NO 2

2

5 juni 2018

05:30 – 08:30

Half bewolkt 16 ºC

NNO 2

2

6 juni 2018

05:30 – 08:30

Onbewolkt, 16 ºC

NNO 2

Sherpa, deelgebied 1 Sherpa, deelgebied 2 Amerpoort, deelgebied 1 Amerpoort, deelgebied 2 Sherpa, deelgebied 1 Sherpa, deelgebied 2 Amerpoort, deelgebied 1 Amerpoort, deelgebied 2

NNO 2

Aantal waarnemers 1 1 1 1 1 1 1 1

Met deze onderzoeksmethodiek is voldoende inzicht verkregen waar de nestlocaties zich bevinden en hoeveel nestlocaties aanwezig zijn in de wijk. Tevens is de grootte van de populatie huismussen in beeld gebracht.

16 (25)

3.3 Gierzwaluw Onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de gierzwaluw is uitgevoerd conform de richtlijnen uit het kennisdocument gierzwaluw van BIJ12 (versie 1.0. juli 2017) en het soorteninventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (versie juli 2017). Deze richtlijnen geven aan dat inventarisaties plaats moeten vinden op minimaal drie onderzoekmomenten: • in de periode begin juni tot en met 15 juli; • met minimaal 1 bezoek tussen 20 juni en 7 juli (jongen aanwezig); • met een minimale periode van 10 dagen tussen de bezoeken; • tijdens gunstige weersomstandigheden (droog, weinig wind) vanaf 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang. Uit bestaande verspreidingsgegevens (samengevat in Horstink, 2018) blijkt dat er geen eerdere waarnemingen van de gierzwaluw bekend zijn op de terreinen van Sherpa en Amerpoort. Op basis van habitatgeschiktheid is een beperkt aantal gebouwen potentieel geschikt bevonden als broedlocatie voor de gierzwaluw. Of de panden daadwerkelijk geschikt zijn, is afhankelijk van en/of er geschikte en toegankelijke holtes zijn in de bebouwing. Net als bij de huismus bieden de panden met schuine daken en overhangende dakpannen ook voor de gierzwaluw geschikte nestlocaties, al broedt de soort anders dan de huismus vooral in hogere bebouwing. In het plangebied is het aandeel hiervan zeer beperkt.

Tijdens de inventarisaties is specifiek gelet op groepsgedrag, gierende (langsvliegende, luidroepende) dieren en in- en uitvliegende individuen. Op basis hiervan kunnen nesten herleid en geteld worden. Per deelgebieden is 15-30 minuten gepost per strategisch gekozen plek, van waaruit verschillende potentiële nestlocaties overzien konden worden. Wanneer dit onmogelijk bleek te zijn, werden alle laagvliegende vogels genoteerd met onderscheid tussen luidruchtige vluchten op dakgoot-, nok- en huishoogte en bezoek van (waarschijnlijke) nestplaats door invliegende exemplaren: • vluchten op dakgoot-, nok- en huishoogte. Groepje vliegt gierend door de straten ter hoogte van de daken. Hoogste aantal per deelgebied wordt aangehouden en (volgens protocol) gedeeld door 1,5; • bezoek waarschijnlijke nestplaats. Vogel duikt onder dakgoot, achter regenpijp, dakkapel, dakpan, gat in de muur en dergelijke of verschijnt plotseling uit zo’n plek. Het onderzoek naar gierzwaluwen is uitgevoerd met één persoon per wijk. Dit is voldoende, omdat er relatief weinig geschikte voldoende hoge gebouwen aanwezig zijn in het gebied en de focus vooral op die gebiedsdelen zal liggen. Bovendien kunnen, anders dan bijvoorbeeld bij vleermuizen, op grotere afstand zichts- en geluidswaarnemingen gedaan worden.

Met deze onderzoeksinspanning is in voldoende mate inzichtelijk gemaakt waar eventuele nestlocaties zich bevonden en hoeveel nestlocaties aanwezig zijn in de wijk. Tevens is de grootte van de populatie gierzwaluwen in beeld gebracht. In onderstaande tabel zijn de onderzoeksmomenten weergegeven van de gierzwaluw. Tabel 3

Onderzoeksmomenten gierzwaluw

Datum 5 juni 2018 21 juni 2018 5 juli 2018 9 juli 2018

Tijd 21:00 – 23:15 21:15 – 23:05 21:10 – 00:05 21:05 – 00:25

Weer Licht bewolkt, 19 ºC Helder, 16 ºC Helder, 22 ºC Helder, 21 ºC

Wind NO 2 NW 2-3 NW 2 NW 2

Locatie Beide Beide Sherpa Amerpoort

Aantal waarnemers 2 (1 per wijk) 2 (1 per wijk) 1 1

17 (25)

4

Resultaten

4.1

Vleermuizen

Actueel voorkomen In het onderzoek dat is uitgevoerd in de kraamperiode zijn drie soorten vleermuizen waargenomen, gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Verblijfplaatsen of indicaties daarvan werden alleen waargenomen van de gewone dwergvleermuis. Rosse vleermuis werd alleen overvliegend tweemaal gehoord (allebei op 31 mei), laatvlieger twee tot drie keer en alleen foeragerend of overvliegend. In figuur 6 en Figuur 7 zijn de plekken met verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen weergegeven, inclusief maximaal aantal invliegers en/of uitvliegers op één moment. A. Kraamverblijfplaats onder de blauwe daklijst, soms van links, soms van rechts om de hoek uitvliegend, soms van voorkant. Maximaal aantal uitvliegers van links is 35. B. Kraamverblijfplaats onder een vensterbank, maximaal aantal uitvliegers 16. Om de hoek hangen vleermuiskasten. Kan afsplitsing zijn van groep A. C. Zomerverblijfplaats vanuit open stootvoeg, maximaal twee aantikkende en invliegende dieren D. Zomerverblijfplaats onder daklijst. Kort verdwijnend onder deze lijst, paar seconden later weer uitvliegend. E. Kraamverblijfplaats onder vensterbank (tegel ontbreekt); mogelijk betreft dit een deel van de dieren van de kraamkolonie genoemd bij F. F. Kraamverblijfplaats: onder vensterbank en vanonder dakpannen uitvliegend; maximaal 62 op één moment. Tijdens ochtendronde hier geen vleermuizen. G.

Kraamverblijfplaats achter regenpijp in de muur. Aanwezig tijdens ochtendbezoek dus mogelijk onderdeel van kolonie F in het hoofdgebouw. Er zijn per wijk twee bezoeken gebracht in de paartijd: in de nacht van 28/29 augustus en de nacht van 12/13 september 2018. De bezoeken vonden plaats rond middernacht. Er werden drie baltsroepende vleermuissoorten waargenomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. De resultaten zijn in onderstaande figuur weergegeven. Er zijn diverse paarverblijfplaatsen van zowel gewone als ruige dwergvleermuis in het plangebied aanwezig. De rosse vleermuis werd maar kort tweemaal roepend waargenomen op 12 augustus. Rosse vleermuizen roepen vanuit een holte in een boom. Mogelijk bevindt zich in de eikenlaan (Huydecoperlaan) zich een holte die tijdens de nachtelijke bezoeken niet waargenomen kon worden. Ruige dwergvleermuizen roepen vanaf een vast punt. Meestal in een gebouw, soms vanuit een boom. Toch was het niet mogelijk om exact de locatie aan te wijzen. Wel tot op een paar vierkante meter nauwkeurig. Het geluid van één van de ruige dwergvleermuizen leek vanuit een jong dun boompje in de voortuin te komen (Amerpoort). De vleermuis werd echter niet gezien. De andere twee ruige dwergvleermuizen riepen vanuit een gebouw (Sherpa).

De gewone dwergvleermuis roept in vlucht, waarbij het paarverblijf zich voornamelijk in gebouwen bevindt. Omdat de paarterritoria een doorsnede tot 200 meter kunnen hebben en de vleermuis voortdurend in beweging is, is de paarverblijfplaats zelf zelden aan te wijzen tenzij men invliegende of uitvliegende vleermuizen waarneemt.

18 (25)

Het onderzoek heeft geen essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied aangetoond. In vrijwel het hele plangebied wordt door gewone dwergvleermuizen gefoerageerd. Op sommige plekken werd ook door andere soorten gefoerageerd. Plekken met veel foeragerende vleermuizen zijn niet aangetroffen.

19 (25)

Figuur 5

Verblijfplaatsen van vleermuizen op de terreinen van Sherpa en Amerpoort. De hoofdletters corresponderen met de tekst. De rode pijl geeft de in-/uitvliegopening weer.

20 (25)

Analyse en toetsing van mogelijke effecten In de woon-/zorgparken zijn op enkele plekken belangrijke kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen vastgesteld. Het gaat daarbij soms om grotere aantallen, soms meer dan 60 dieren. De locaties waar de waarnemingen zijn gedaan, betreffen locaties die in aanmerking zouden kunnen komen voor renovatie of sloop. Sloop van deze locaties is een worstcase scenario, zeker wanneer dit betekend dat alle gebouwen tegelijkertijd gesloopt zullen worden. De lokale staat van instandhouding die, gelet op de hoge aantallen aangetroffen vleermuizen, gunstig lijkt, zal daardoor in geding komen. Dit betekent dat een vorm van totaalsloop niet mogelijk is, maar dat fasering in sloop en nieuwbouw noodzakelijk is en voorafgaand aan eventuele sloop in vervangende verblijfplaatsen voor de dieren voorzien zal moeten worden. Gelet op de omvang van de eigen terreinen, de verscheidenheid aan bouwcomplexen (alsmede het bezit daarvan) en de bewezen effectieve mogelijkheden voor vleermuis-vriendelijke nieuwbouw, is het goed mogelijk om onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen gefaseerd vervangende verblijfplaatsen te creëren. Zo zijn er verschillende natuurinclusieve voorzieningen (in nieuwbouw en renovatie, maar ook bij het opwaarderen van nu ongeschikte panden) die toegepast kunnen worden, voordat de eigenlijke werkzaamheden beginnen.

Dit geeft de mogelijkheid om verhuizing van een verblijfplaats te sturen, waarbij na een ruime gewenningsperiode van een vervangende locatie de huidige locatie op een zorgvuldige wijze ongeschikt wordt gemaakt. Het betrekken van een deskundige op het gebied van vleermuizen daarbij zal voldoende zekerheid moeten bieden dat de lokale staat van instandhouding gewaarborgd blijft gedurende de ontwikkeling. Er zijn tijdens het onderzoek geen essentiële vliegroutes en foerageergebied vastgesteld. Het verwijderen van een grote hoeveelheid groen en het toepassen van meer (verstorende) verlichting zou wel negatieve effecten met zich mee kunnen brengen wanneer het gaat om locaties nabij de kraamburchten en wanneer deze door de maatregelen ongeschikt kunnen raken. Een worstcase scenario waarbij al het groen verwijderd wordt, kan derhalve niet uitgevoerd worden. Er zal omwille van het functioneel houden van de kraamlocaties, rekening gehouden moeten worden met individueel groen en lokale verlichting tijdens de uitvoering. Het voornemen is ook het groene karakter van de wijken te behouden. Dat houdt in dat er niet grootschalig groen verwijderd zal worden en dat bij nieuwbouw ook groen aangelegd zal worden.

Momenteel is het terrein al deels verlicht en kan, door rekening te houden met verlichting (bijvoorbeeld door het opstellen van een vleermuisvriendelijk verlichtingsplan), voorkomen worden dat er verstorende effecten optreden en de staat van instandhouding van de betreffende soorten ongunstig wordt. Gelet op de omvang van de terreinen is een gefaseerde uitvoering ook hier mogelijk, waardoor een worstcase uitvoering (verwijderen van al het groen) niet kan zonder ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming. Door voortijdig bij de plannen een deskundige op het gebied van vleermuizen te betrekken, kunnen effecten op de gunstige staat van instandhouding worden voorkomen.

21 (25)

Figuur 6

Kraamverblijven. Getallen geven de maximaal aantal waargenomen in- of uitvliegende gewone dwergvleermuizen voor. De hoofdletter corresponderen met de tekst.

22 (25)

Figuur 7

Waarnemingen van vleermuizen in de paartijd. Niet relevante hoog overvliegende vleermuizen zijn niet opgenomen.

23 (25)

4.2

Huismus

Actueel voorkomen Tijdens het onderzoek zijn op enkele plekken in beide woon-/zorgparken huismussen aangetroffen. Het betroffen hoogstens enkele dieren tegelijk. Territorium indicatieve waarnemingen werden alleen gedaan op het terrein van Sherpa. Hier werden alarmerend mannetjes op enkele daken vastgesteld ter hoogte van oudere bebouwing langs de Zwinstraat. Op basis van roepende mannetjes gaat het hierbij om 3 à 5 mogelijke broedterritoria (zie figuur 8.). De vrouwtjes broedden waarschijnlijk onder de pannendaken. In- of uitvliegende huismussen zijn echter niet vastgesteld. Analyse en toetsing van mogelijke effecten De aanwezige panden waarin huismussen hun broedterritorium hebben, zullen gelet op hun ouderdom tot de mogelijk sloop- of renovatiepanden behoren. Uitgaande van het worstcase scenario zullen deze gesloopt worden. Om dit te mogen, zal ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn en zal tijdig in vervangende verblijfplaatsen moeten worden voorzien. Net als bij vleermuizen maakt de omvang van de woon/zorgparken en het eigen bezit daarvan het mogelijk gefaseerd in ruimte en tijd nieuwe mogelijkheden in de vorm van nestkasten voor de soorten aan te bieden. Dat kan geïntegreerd in nieuwbouw (meest wenselijk) of door het ophangen van nestkasten op daarvoor geschikte plekken. Beiden zijn bewezen effectief.

Zodoende is het mogelijk na een gewenningsperiode de oude locatie onder relatief eenvoudige voorwaarden (buiten het broedseizoen) te slopen of te renoveren. Gelet op het aantal broedparen en de daarvoor te verwachten compensatie-factor (volgens protocol ‘meerdere’, bijvoorbeeld 3x het aantal te verwijderen verblijven) moeten 15 nieuwe nestvoorzieningen aangebracht worden wanneer alle verblijven weggehaald zouden worden. In een deel van de reeds gerealiseerde nieuwbouw in het noorden van het terrein van Sherpa zijn al nestvoorzieningen opgenomen zijn. Huismussen zijn hierin niet vastgesteld. Er zijn derhalve ook nu al alternatieve locaties voorhanden, hetgeen één en ander kunnen vergemakkelijken bij aantasting van de nu in gebruik zijnde locaties. Door voortijdig een deskundige op het gebied van huismussen te betrekken, kunnen effecten op de gunstige staat van instandhouding worden voorkomen.

24 (25)

Figuur 8

Broedterritoria huismussen. Getallen geven de maximaal aantal waargenomen mannetjes weer.

25 (25)

4.3

Gierzwaluw

Actueel voorkomen Meerdere avonden observeren, leverden geen nestlocaties van gierzwaluwen op. Er werden tijdens de eerste twee avonden kort een groepje van drie tot vijf gierzwaluwen gezien boven beide wijken. Jagend boven de boomtoppen maar zonder aanwezigheid binnen de wijken. De derde avond werden alleen kort twee gierzwaluwen gezien, hoog cirkelend boven het terrein van Sherpa. Tijdens een bezoek overdag aan het terrein van Amerpoort op 6 augustus 2018 werden, ondanks dat er geen relatie tussen de panden en een eventuele verblijfsfunctie voor gierzwaluw was vastgesteld, mestsporen aangetroffen onder een dakoverstek van het hoofdgebouw van Amerpoort aan de Vijverlaan (zie onderstaande afbeelding). De betreffende mestsporen bevonden zich direct onder de boeiborden, aan weerszijde van de nokgording, hetgeen vrijwel uitsluitend kan betekenen dat hier sprake is geweest van een broedgeval van de gierzwaluw. Nestsporen van echte zwaluwen (boerenzwaluw, huiszwaluw) werden niet aangetroffen. Op andere gevels werden deze sporen niet aangetroffen.

Figuur 9

Dakoverstek van hoofdgebouw Amerpoort aan de Vijverlaan met zichtbare mestsporen van gierzwaluw. De foto-inzet geeft een detailweergave van de situatie weer. Foto genomen op 6 augustus.

Analyse en toetsing van mogelijke effecten De gierzwaluw is als soort alleen hoogvliegend boven de woon-/zorgparken waargenomen. Gelet op het ontbreken van recente waarnemingen die binding met gebouwen binnen het plangebied aantonen, is het waarschijnlijk dat de aangetroffen mestsporen dateren van voorgaande jaren. De dakoverstek is dusdanig lang dat sporen niet snel verregenen.

26 (25)

Bovendien bijt het urinezuur in de bakstenen, waardoor sporen gedurende langere tijd zichtbaar kunnen zijn. Verblijven van de gierzwaluw worden derhalve uitgesloten voor de woon-/zorgparken. Negatieve effecten op de soort zijn niet aan de orde. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Het nieuwe bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt.

27 (25)

5

Conclusies

Wet natuurbescherming: soortbescherming In het plangebied zijn de belangrijkste functies van vleermuizen, huismus en gierzwaluw in beeld gebracht. Dit betreft met zekerheid de verblijfsfuncties van vleermuizen en huismussen. Voor de gierzwaluw gaat het om een vermoedelijke oude broedlocatie. Uitgaande van een worstcase scenario waarbij sloop van diverse panden mogelijk is, zal er sprake zijn van effecten op de vastgestelde verblijfplaatsen van deze beschermde soorten. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden zal het noodzakelijk zijn de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten te waarborgen. Gelet op de ruime mogelijkheden, zoals gefaseerd in ruimte en tijd nieuwe bewezen effectieve maatregelen te nemen en het gestuurd ongeschikt maken van huidige verblijfslocaties, kan voorkomen worden dat de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten in het geding komt. Bovenstaande biedt juridisch voldoende zekerheid om de bestemmingsplanwijziging mogelijk te maken, zonder dat hiervoor direct een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd hoeft te worden en dat passende maatregelen (mitigerende-, planningtechnische- en compenserende maatregelen) genomen moeten worden. Die maatregelen neemt men pas wanneer de daadwerkelijke uitvoering van een voorgenomen ontwikkeling aan de orde is.

Uiteindelijk zal bij daadwerkelijke uitvoering wel een ontheffing voor deze soorten nodig zijn wanneer de vastgestelde verblijfplaatsen worden aangetast. Het onderzoek naar huismussen volstaat conform de gestelde methodiek hiervoor. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming zou op basis van de gevoerde onderzoeksinspanning verkregen kunnen worden. De werkwijze rondom vleermuizen past mogelijk bij het verkrijgen van een generieke ontheffing Wet natuurbescherming, of zal daarnaast mogelijk aangevuld moeten worden op het in beeld brengen van paarverblijven.

28 (25)

6

Referenties

Geraadpleegde literatuur • Horstink, 2018. Verkennend natuuronderzoek Woon-/zorgparken Sherpa en Amerpoort, Baarn. Sweco Nederland B.V., Arnhem. • Janssen, E.W.A., 2018. Nader onderzoek gierzwaluwen en vleermuizen Woon/zorgparken Sherpa en Amerpoort, Baarn. Ekoza BV, Arnhem. Onderzoek in opdracht van Sweco, als onderdeel van deze rapportage. Geraadpleegde websites • https://ndff-ecogrid.nl. • https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl. • https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx.

29 (25)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12442195/1