644585 Bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 2022 Bijlage Toelichting - 10 Verkennend natuuronderzoek
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 361003 Referentienummer: SWNL0230325 Datum: 10-08-2018
Verkennend natuuronderzoek Sherpa en Amerpoort, Baarn Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Definitief
1
Verantwoording Titel Subtitel
Verkennend natuuronderzoek Sherpa en Amerpoort, Baarn Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Projectnummer
361003
Referentienummer
SWNL0230325
Revisie
D0
Datum
10-08-2018
Auteur(s)
Yann Horstink
E-mailadres
yann.horstink@sweco.nl
Gecontroleerd door
John van Vliet
Goedgekeurd door
Tim Verver
2
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Kader van het onderzoek ........................................................................................ 4
1.3
Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten .................................................... 5
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden .............................................. 10
2.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 10
2.2
Inventarisatie ......................................................................................................... 11
2.3
Analyse van de mogelijke effecten ........................................................................ 11
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 13
3.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 13
3.2
Methode ................................................................................................................. 14
3.3
Voorkomende ecotopen ........................................................................................ 15
3.4
Planten ................................................................................................................... 15
3.5
Vleermuizen ........................................................................................................... 16
3.6
Overige zoogdieren ............................................................................................... 17
3.7
Vogels .................................................................................................................... 19
3.8
Amfibieën en Reptielen ......................................................................................... 21
3.9
Vissen .................................................................................................................... 22
3.10
Ongewervelden...................................................................................................... 23
4
Natuurbeleidskaders ........................................................................................... 24
4.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 24
4.2
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 24
4.3
Aanvullende vraag vanuit Amerpoort betreffende de NNN ................................... 25
5
Conclusies............................................................................................................ 28
6
Referenties ........................................................................................................... 30
6.1
Geraadpleegde literatuur ....................................................................................... 30
6.2
Geraadpleegde websites ....................................................................................... 30
3
1
Inleiding
1.1 Aanleiding In de gemeente Baarn, aan de Zandheuvelweg, bevinden zich de woon/zorgparken van de zorgorganisaties Sherpa en Amerpoort. Beide zorgorganisaties hebben behoefte aan een nieuw bestemmingsplan voor hun woon/zorgparken. Het vigerende bestemmingsplan voor woon/zorgpark Eemeroord (Sherpa) en voor woon/zorgpark Nieuwenoord (Amerpoort) voldoet namelijk niet meer. Het vigerende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor het toevoegen van bebouwing. Om ook in de toekomst de huidige cliëntaantallen te kunnen behouden zijn er echter meer bebouwingsmogelijkheden benodigd. Vanwege veranderingen in de zorg en de wensen van de cliënten, maar ook vanwege strengere eisen op het gebied van bouwen in het bouwbesluit, zijn er namelijk meer vierkante meters per cliënt benodigd. Sherpa heeft daarnaast de wens om in de toekomst met 100 cliëntplaatsen uit te breiden. Ook dit is niet passend binnen de bebouwingsmogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. Het nieuwe bestemmingsplan moet beide zorgorganisaties meer ruimte bieden voor toekomstige ontwikkelingen op de woon/zorgparken. De uitvoerbaarheid van de ontwikkelingen die het nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt, dient te worden getoetst aan de actuele wet- en regelgeving voor natuur. Sweco Nederland B.V.
is door beide organisaties gevraagd een verkennend natuuronderzoek uit te voeren om te bepalen of en zo ja welke vervolgstappen noodzakelijk zijn in het kader van het nieuwe bestemmingsplan. 1.2 Kader van het onderzoek Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden; Soorten; • Natuurbeleidskaders: Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het verkennend onderzoek is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. In dit verkennend onderzoek heeft toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders.
4
1.3
Figuur 1
Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten
Globale ligging plangebied (rode lijn) in relatie tot de omgeving, met aan noordzijde Sherpa en zuidzijde Amerpoort. Bron: Google.maps.nl.
5
Figuur 2
Globale ligging plangebied (rode lijn). De Zandheuvelweg scheidt de twee gebieden. Bron: Google.maps.nl.
Het plangebied is gelegen in provincie Utrecht tussen de plaatsen Baarn (oosten) en Hilversum (westen), zie Figuur 1 en Figuur 2. Het gebied ligt in de oksel van de A27 en A1 (knooppunt Eemnes). Rondom het plangebied liggen landerijen, landgoed Groeneveld, natuur en een conferentiecentrum (Drakenburg). Voor een impressie van de plangebieden zie Figuur 3 en Figuur 4. Het plangebied beslaat de bestemmingsvlakken van de twee woon/zorgparken Sherpa en Amerpoort. De terreinen bestaan uit diverse gebouwen met
6
maatschappelijke functies op het gebied van wonen, werken, leren en vrije tijd, waarin mensen met een verstandelijke- en/of lichamelijke beperking ondersteund worden. Sherpa en Amerpoort zijn beiden zeer actief in het vernieuwen van het woonaanbod aan mensen met een verstandelijke- en/of lichamelijke beperking. Voor beide organisaties geldt, dat zij ontwikkelingen op de woon/zorgparken willen realiseren zonder het bestaande karakter van de terreinen aan te tasten. Deze toetsing richt zich op het aantonen van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplanwijziging, waarbij meer ontwikkelruimte voor beide woon/zorgparken gecreëerd moet worden. Voor Sherpa betreft dit 15.000 m2 bruto vloeroppervlakte, voor Amerpoort 9.000 m2. Concrete ontwikkelplannen liggen er niet vanwaar de toetsing uitgaat van een worstcasescenario, waarbij in theorie binnen enkele algemene kaders op elke plek binnen terreinen ontwikkeling mogelijk is. De toetsing betreft derhalve de mogelijke gevolgen voor eventuele natuurwaarden op heel de terreinen, rekening houdend met het karakter van de woonwijk en het aanwezig groen. Meer concreet betekent dit dat bos behouden blijft en dat oudbouw gesloopt en vervangen moet kunnen worden. Nieuwbouw zal vanzelfsprekend niet gesloopt worden.
7
Figuur 3
Impressie van het deelgebied van Sherpa
8
Figuur 4
Impressie van het deelgebied van Amerpoort
9
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) in Nederland. Projecten of handelingen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel niet toegestaan. Binnen het kader van de Wnb is ook toetsing nodig van effecten in het kader van de externe werking van toepassing. Bij de toetsing zijn er de volgende procedurevarianten: • Geen nader onderzoek: effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten (er zijn geen Natura 2000-gebieden in de omgeving aanwezig). • Voortoets: effecten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. • Verslechteringstoets: effecten kunnen op basis van de Voortoets niet worden uitgesloten, significantie hiervan wel. • Passende beoordeling: significantie van effecten kan op basis van de Voortoets of Verslechteringstoets niet worden uitgesloten. • ADC-toets: indien significantie van effecten op basis van de Passende beoordeling niet kan worden uitgesloten. Aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is dwingende redenen van groot openbaar belang en in compensatie is voorzien. Indien negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten, is in ieder geval een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming.
Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) maakt onderdeel uit van de Wet natuurbescherming. Vergunningverlening voor Natura 2000-gebieden bij een toename aan stikstofdepositie is gekoppeld aan het PAS. Dit programma is via het Besluit PAS in de Wet natuurbescherming verankerd. In de Regeling PAS zijn de volgende te volgen procedureregels vastgelegd ten aanzien van nieuwe projecten en/of andere handelingen: • Toename van minder dan 0,05 mol N/ha/jr: geen vergunning en geen melding nodig. • Toename van 0,05-1 mol N/ha/jr: geen vergunning nodig, een melding volstaat*. • Toename van meer dan 1 mol N/ha/jr: vergunning nodig. * Wanneer een melding volstaat (bij 0,05 mol N/ha/jr of bij 1 mol N/ha/jr), hangt af van de beschikbare ontwikkelingsruimte voor het betreffende Natura 2000-gebied. Voor het uitvoeren van de stikstofberekening dient gebruik te worden gemaakt van de Aerius-calculator. Bij een melding of vergunningsaanvraag dient deze berekening te worden bijgevoegd. Bij een vergunningsaanvraag zal door het bevoegd gezag worden bepaald of er nog ontwikkelingsruimte beschikbaar is voor de toename van stikstof voor de betreffende habitattypen of soorten1. Op basis daarvan zal worden bepaald of een vergunning kan worden verleend.
1
In de Aerius monitor is in te zien voor welke gebieden geen ruimte meer beschikbaar is. Omdat deze informatie niet altijd up-to-date kan deze afwijken van de beoordeling van de provincie.
10
2.2
Figuur 5
Inventarisatie
Globaal plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (geel gearceerd). Bron: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx
Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Uit deze gebiedendatabase blijkt dat er verschillende Natura 2000-gebieden in een ruime cirkel om het plangebied gelegen zijn, zie Figuur 5. Dit betreffen met de klok mee de Oostelijke Vechtplassen, het Naardermeer, Eemmeer & Gooimeer Zuidoever en Arkemheen. De dichtstbijzijnde afstand tot deze gebieden bedraagt circa 6,6 kilometer van het plangebied. 2.3 Analyse van de mogelijke effecten Het plangebied ligt buiten de grenzen van beschermde Natura 2000-gebieden. De directe effecten op deze beschermde gebieden in het kader van voorgenomen ontwikkeling zijn dan ook op voorhand uit te sluiten. Indirecte effecten zijn eveneens op voorhand uit te sluiten, aangezien het gebied zich buiten de mogelijke beïnvloedingsafstand bevindt. De mogelijke verstoring door licht, geluid en beweging als gevolg van voorgenomen activiteiten bedraagt maximaal enkele honderden meters en worden weggenomen door het tussenliggende gebied en er zijn geen ecologische relaties tussen het plangebied en de beschermde gebieden.
11
De ontwikkeling zal naar verwachting niet leiden tot een significant negatieve stikstofdepositie op beschermde habitattypen in gebruiksfase en aanlegfase. De afstand hiertoe alsmede het type ontwikkeling zijn doorgaans niet van dergelijk grote invloed. Hoewel aannemelijk is dat er geen negatieve effecten zullen plaatsvinden, wordt echter wel aanbevolen dit nader te beoordelen met de Aerius calculator, zodat eventuele onzekerheden uitgesloten kunnen worden.
12
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: •
Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
•
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
•
Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: − onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; − onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of
13
vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuw wet. Er is dan geen ontheffing nodig. 3.2
Methode
Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en habitatgeschiktheidsbeoordeling. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: • NDFF; • Soortenatlassen; • Onderzoeksrapporten. Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 7 mei 2018 door een deskundig ecoloog van Sweco en is uitgevoerd bij daarvoor geschikte weersomstandigheden. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit.
Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten.
14
Niet-beschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen, zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten, worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming. 3.3 Voorkomende ecotopen Beide woon/zorgparken hebben een overeenkomstig terrein, waarin kenmerkend is dat de wijken gelegen zijn in een groene, natuurlijke omgeving met landerijen, bossen en agrarische gronden. Het bosrijke karakter strekt zich door tot in het plangebied waar groene uitlopers vanuit naastgelegen bossen en bosrelicten aanwezig zijn. Zo zijn er uitlopers van omliggende natuurgebieden en landgoederen in het terrein. Met name in de oudere delen van Nieuwenoord zijn nog duidelijk bomen van de oorspronkelijke bossen aanwezig. Die kenmerken zich duidelijk door het natuurverband, dit in tegenstelling tot de geordende aanplant van lanen en de aanleg van plantsoenen bij nieuwbouwdelen. De (veelal) gemengde bossen zijn karakteristiek voor hoge zandgronden met soorten als grove den, zomereik, Amerikaanse eik, beuk, lijsterbes, gewone vogelkers en kruidenrijke ondergroei waarin adelaarsvaren soms dominant is. Het bos verkeert in de boomfase, waarin volwassen bomen en lager ook opgroeiende aanwas aanwezig zijn.
Er is sprake van een structuurrijk bos met gelaagdheid in vegetaties, waaronder ook in het kroondak (er zijn hoge en lage bomen). Er is sprake van openheid in het bos, waardoor een struik-, kruid- en moslaag zich heeft kunnen ontwikkelen. Natuurlijk open water ontbreekt in beide gebieden. Wel is er op het woon-/zorgpark van Amerpoort een door overhangende bomen sterk beschaduwde vijver met watergang. Een andere overeenkomstigheid is het type gebouwen dat op beide terreinen aanwezig is. Merendeels betreffen dit laagbouw zorgwoningen en laagbouw zorg gerelateerde complexen en/of dagbestedingen. Hoogbouw is in beide wijken op enkele plekken aanwezig. De variatie aan gebouwen is groot wat mede te maken heeft met de leeftijd van de wijken (60 en 48 jaar) en de verschillende typen gebouwen met noodzakelijke voorzieningen. Dit resulteert in allerlei mogelijk ecotopen, zoals die te vinden zijn in het urbane district. Net zoals in de stad, zijn de wijken ook voorzien van een eigen wegennet en is sprake van verlichting langs de wegen en rondom gebouwen. 3.4
Planten
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten bekend (NDFF, afgelopen 5 jaar). Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn deze niet bekend. Tijdens het veldbezoek werden deze ook niet aangetroffen. De aanwezige soorten betroffen met uitzondering van de plantsoenen en grasvelden alleen algemene soorten, zoals Amerikaanse vogelpest, lijsterbes, adelaarsvaren (voorgaande soorten vooral in bosrelicten en -randen), gewoon biggenkruid, duizendblad, grote brandnetel, gewone paardenbloem, boerenwormkruid, vijfvingerkruid, ridderzuring en diverse grassen. Bijzondere en beschermde soorten, zoals die van heischrale graslanden en (vochtige) naaldbossen, zijn niet aangetroffen en worden, op basis van aanwezige vegetatietypen alsmede hun landelijke verspreiding en de standplaatsen die zij behoeven, niet verwacht. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er komen geen beschermde plantensoorten voor in het plangebied. Derhalve is er geen noodzaak voor nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vaatplanten.
15
3.5
Vleermuizen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In het plangebied komt de gewone dwergvleermuis voor (NDFF, afgelopen 5 jaar). Ook zijn er recente waarnemingen van de soorten ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis in de directe omgeving bekend (NDFF). Rust en voortplantingsplaatsen Gewone dwergvleermuis en laatvlieger gebruiken voornamelijk gebouwen als rust- en verblijfplaats. De ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis gebruiken veelal bomen als rusten verblijfplaats. In het plangebied is een groot potentieel aanwezig voor gebouwbewonende soorten. Potentiele invliegplaatsen zijn onder meer te vinden in open stoot- en dilatatievoegen, onder daktrimmen, loodslabben en dakpannen alsmede onder gevelbetimmering en windveren en in scheuren en kieren. De meeste nieuwbouw is voorzien van toegankelijke stootvoegen, vooral op de kopgevels, of heeft een zekere vorm van gevelbetimmering en/of windveren. Bij oude gebouwen betreft het ook vaak schade aan panden. Alle panden zijn individueel beoordeeld op potentieel voor rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Voor geen van de panden kan op voorhand de geschiktheid uitgesloten worden. Zie Figuur 6.
16
Figuur 6
Potentiele rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen onder loodslabben, gevelpannen, daktrimmen scheuren, dilatatie- en open stootvoegen en in boomholte.
Foerageergebied en vliegroute Het plangebied ligt omsloten tussen de bossen en landerijen en bestaat uit een afwisseling van gebouwen, groenstructuren en open plekken (gazons). Er zijn volop geleidende structuren aanwezig, waarlangs vleermuizen in de luwte kunnen foerageren. De gewone dwergvleermuis doet dit langs alle geleidende structuren, waaronder ook gebouwen en bij verlichte gebieden. De andere soorten doen dit meer langs donkere delen, al betreft het hier niet de meest lichtgevoelige soorten. Vooral natuurlijke bosranden met een hoge variatie aan vegetatiestructuur zijn geschikt om langs te foerageren. Soortenarme plantsoenen met uitheemse beplanting zijn minder geschikt als foerageergebied. Gelet op de omvang van het plangebied, de hoge mate van natuurlijkheid van sommige delen en de ligging ervan, is het aannemelijk dat het plangebied gebruikt wordt als foerageergebied door vleermuizen. In het plangebied zijn potentiele rust- en verblijfplaatsen en foerageergebieden aanwezig en daarmee mogelijk ook vliegroutes. Deze kunnen bijvoorbeeld aanwezig zijn in het landgoed Groeneveld, maar evenwel in het plangebied zelf. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Vleermuizen maken voor hun rust- en verblijfsplaatsen gebruik van gebouwen en bomen. In het plangebied zijn potentieel geschikte rust- en verblijfplaatsen aanwezig.
Ook is het plangebied geschikt als foerageergebied en kan het dienst doen als vliegroute voor verschillende soorten. Voor de ontwikkeling van het plangebied worden mogelijk gebouwen gesloopt en kunnen bomen verwijderd worden. Hierdoor worden mogelijk rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes aangetast. Op voorhand kan niet uitgesloten worden of dit het geval is en of dit een aantasting van een essentiële functie betreft. Mogelijk is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen is noodzakelijk om inzicht te krijgen over de noodzaak en verleenbaarheid van een ontheffing. Hieruit zal blijken of het bestemmingsplan uitvoerbaar is met betrekking tot de soortgroep. 3.6
Overige zoogdieren
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In het plangebied komen diverse beschermde soorten overige zoogdieren voor. In de NDFF (afgelopen 5 jaar) worden de volgende soorten gemeld: boommarter, eekhoorn en konijn
17
(vastgesteld). Daarnaast komen in de directe omgeving ook de volgende soorten voor: bosmuis, rosse woelmuis, ree, haas, bunzing, das (vastgesteld) en vos. Mogelijk komen daarnaast ook nog enkele andere algemeen voorkomende soorten voor, zoals egel, veldmuis en wezel. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Bosmuis, veldmuis, rosse woelmuis, vos, egel, bunzing, wezel, konijn, haas en ree komen algemeen voor in Nederland. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ontwikkelingen, omdat de ontwikkeling geen effect heeft op de gunstige staat van instandhouding op de soorten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt. De boommarter is in 2016 langs de Zandheuvelweg aangetroffen. Daarnaast zijn er twee waarnemingen gedaan van verkeersslachtoffers langs de A27 (beide in 2017). De soort heeft zijn vaste rust- en voortplantingsplaats voornamelijk in boomholten. Dit zijn vaak omvangrijke oude bomen die gelegen zijn op rustige locaties. In het plangebied zijn deze locaties niet bekend. Mogelijk dat deze locaties in de groene mantel op het gebied voorkomen en dat de soort sporadisch door het plangebied migreert en/of foerageert. Van een essentiële functie is echter geen sprake.
De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van behoud van het bosgebied vanwaar eventuele effecten niet aan de orde zijn. Door maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol kunnen negatieve effecten hierop uitgesloten worden. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt. De das is niet bekend in het plangebied. Van de soort zijn twee burchten (respectievelijk 6 en circa 15-20 pijpen) vastgesteld (zie Figuur 7) in het bosgebied ten noordoosten van Sherpa op tenminste 400 meter afstand, buiten het plangebied van het bestemmingsplan. In het bos zijn ook foerageersporen aangetroffen en lopen wissels, richting de landgoederenzone. In het plangebied zijn geen sporen van das aangetroffen, maar verwacht mag worden dat de soorten sporadisch de randen van het plangebied bezoeken. Het plangebied heeft geen essentiële functie als leefgebied. Dit is, gelet op de mate van verstoring en ongeschiktheid van het plangebied als habitat, te verwachten. Door maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol kunnen negatieve effecten op das eenvoudig uitgesloten worden. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt.
18
Figuur 7
Een dassenpijp, hier als onderdeel van een omvangrijke burcht, is makkelijk te herkennen aan de niervormige stortbult, de schuine uitloop en de vorm van de ingang (liggende hoofdletter 'D').
De eekhoorn leeft graag in naaldbos en gemengd bos en schuwt hierbij de bewoonde wereld niet. Het is aannemelijk dat de soort voorkomt in het plangebied, waarbij vooral de grove dennen in de bosrelicten en groene uitlopers van naastgelegen bosgebieden relevant zijn. Vrijstaande bomen midden in het plangebied of bomen nabij meer open gebied worden minder frequent gebruikt. De soort is bovendien voor zijn voedselvoorziening grotendeels afhankelijk van de kegels van naaldbomen. Het voornemen is rekening te houden met het karakter van het aanwezige groen in het gebied. Bomen zijn niet specifiek voorgenomen te worden verwijderd vanwaar er geen sprake is van negatieve effecten. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt. 3.7
Vogels
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Vogels met jaarrond beschermde nest- en rustplaatsen die voorkomen in of in de directe omgeving van het plangebied, zijn huismus, gierzwaluw, buizerd, havik, wespendief en sperwer. Mogelijk komt ook de ransuil voor in de directe omgeving. Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen jaarrond beschermde nest- en rustplaatsen aangetroffen in het plangebied. Huismus en gierzwaluw zijn gebonden aan de aanwezigheid van gebouwen, welke ook in het plangebied aanwezig zijn. Huismus heeft hierbij de voorkeur voor gebouwen met een pannendak, waaronder zij kunnen nestelen. Het betreft hierbij veelal de wat ouder panden,
19
maar ook toegankelijke plekken in nieuwbouw worden gebruikt. De gierzwaluw heeft een voorkeur voor hoge (meerdere verdiepingen) gebouwen met een vrije aanvliegroute. Beide typen gebouwen zijn aanwezig in het plangebied vanwaar er mogelijk ook huismussen en gierzwaluwen broeden. De buizerd, havik en wespendief broeden in bosrijke omgeving. In het plangebied worden de soorten echter niet verwacht. De mate van verstoring is hier hoog (op basis hiervan kan geschiktheid voor wespendief uitgesloten worden) en er is volop geschikt leefgebied in de directe omgeving. De soorten dulden bovendien geen concurrentie in hun territorium. De aanwezigheid van de soorten in omliggend gebied is aannemelijk. Buizerd is hier ook vastgesteld (leeft in het bosgebied ten noordoosten van het plangebied). Op basis van de omvang van hun territorium en de geschiktheid van de directe omgeving van het plangebied, kan uitgesloten worden dat zij in het plangebied een jaarrond beschermde nesten rustplek hebben. Het veldbezoek heeft deze ook niet aangetoond. Buizerd en havik kunnen wel foerageren in het plangebied. De sperwer en ransuil broeden ook in stedelijk gebied. Zij komen relatief vaak voor in groene woonwijken. De woon/zorgparken voldoen als broedterritorium en rustplek voor deze soorten, met name voor sperwer. Het is aannemelijk dat de soort in de hoge bomen binnen het plangebied broedt.
Net als de ransuil maakt hij gebruik van ekster en kraaiennesten, die ook aanwezig zijn in het gebied. Tot slot kunnen overige algemene broedvogels worden verwacht in het plangebied, waarvan het nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Het gaat hierbij om enkele algemene vogels die broeden in bossen en parkachtige omgeving, zoals de koolmees, pimpelmees, zwartkop, merel, zanglijster, boomklever, zwarte kraai, ekster, houtduif en de Turkse tortel. Van deze soorten zijn meerdere recente waarnemingen in de NDFF aanwezig. Ook zijn deze aangetroffen tijdens het veldbezoek. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Negatieve effecten op huismus en gierzwaluw zijn niet op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek naar het voorkomen van huismus en gierzwaluw is noodzakelijk om inzicht te krijgen over de noodzaak en verleenbaarheid van een ontheffing. Hieruit zal blijken of het bestemmingsplan uitvoerbaar is met betrekking tot deze twee soorten. Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van het territorium van buizerd en havik. Voor hun territorium gebruiken de soorten omvangrijke gebieden, groter dan het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling is in deze relatie zeer beperkt. Gelet hierop alsmede de huidige invulling van het plangebied (verstoord gebied en daardoor minder intensief gebruikt), maken dat hier geen sprake is van essentieel leefgebied.
Wel zou vestiging van buizerd of havik mogelijk kunnen zijn in de bosranden om (en bij gewenning ook in) het plangebied. Door maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol kunnen negatieve effecten hierop uitgesloten worden. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt. Sperwer en ransuil kunnen niet op voorhand worden uitgesloten voor het plangebied. Aangezien bomen behouden blijven en er voor de soorten voldoende foerageergebied blijft bestaan, is er geen sprake van negatieve effecten op eventueel aanwezige jaarrond beschermde rust- en nestplaatsen. Door maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol kunnen negatieve effecten uitgesloten worden. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt.
20
Het leefgebied van algemene broedvogelsoorten zal door de ontwikkeling verkleinen. Van deze vogels is echter alleen het functioneel leefgebied dat verband houdt met hun nest (broedperiode) beschermd. Negatieve effecten op algemene broedvogels dienen voorkomen te worden door buiten het broedseizoen – dit is globaal de periode half maarthalf juli – uit te voeren. Opgemerkt moet worden dat de wetgeving geen datumgrenzen kent en dat broedende vogels ook buiten deze datumgrenzen beschermd zijn. Door tijdig preventieve maatregelen te treffen, zoals het vroegtijdig (voor het broedseizoen) opstarten van werkzaamheden of het ongeschikt houden van het betreffende terreindeel (bijvoorbeeld door het kort maaien van de vegetatie), kan voorkomen worden dat soorten zich gaan vestigen als broedvogel. Negatieve effecten op broedvogels zijn zodanig te voorkomen. Door maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol kunnen negatieve effecten eenvoudig uitgesloten worden. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt. 3.8
Amfibieën en Reptielen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de NDFF staan waarnemingen van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, kamsalamander, hazelworm en ringslang. Andere soorten komen niet in de omgeving voor en worden op basis van de locatie uitgesloten. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander komen algemeen voor in Nederland. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ontwikkelingen, omdat de ontwikkeling geen effect heef top de gunstige staat van instandhouding op de soorten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt. Kamsalamander betreft een waarneming in de kwekerij van Amerpoort. Dit is een vreemde locatie, omdat er geen nabijgelegen waarnemingen bekend zijn en geschikte habitat niet aanwezig lijkt in de omgeving. Mogelijk betreft het hier een dier uit een relictpopulatie op landgoed Groeneveld of is de soort aanwezig in een vijver in de omgeving (conferentiecentrum Drakenburg of de oostelijk gelegen boomkwekerij). Het bestaan van een relict-populatie wordt versterkt door enkele waarnemingen in de NDFF op ruime afstand ten zuiden in het bosgebied.
Ook dit zijn vreemde locaties, die niet herleidbaar zijn tot reeds bekende populaties. De enige bekende populaties van de soort liggen aan de westzijde van de A27, die een harde barrière vormt. Gelet op het ontbreken van geschikt voortplantingshabitat in het plangebied of de directe omgeving, word uitgegaan dat het hier een enkel dier betreft, mogelijk een dwalend exemplaar. Van essentieel landhabitat is derhalve ook geen sprake. Door maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol kunnen negatieve effecten op kamsalamander eenvoudig uitgesloten worden. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt. De hazelworm is tweemaal waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Dit betreft alleen waarnemingen rondom Amerpoort. De soort is typisch voor halfopen, droge bossen, zoals deze rondom en in de plangebieden aanwezig zijn. Daar leeft de soort een verborgen bestaan. Waarnemingen van hazelwormen worden vaak gedaan als toevalstreffer, bijvoorbeeld wanneer dieren langs wegen en paden zonnen of zich hierlangs verplaatsen. Open gecultiveerde gebieden worden door de soort gemeden. Op plekken waar geen
21
ondergroei en strooisel is of waar geen ander materiaal (bijvoorbeeld dood hout of bouwpuin) op de grond ligt, is geen sprake van essentieel leefgebied. Wel kunnen zij sporadisch hierlangs migreren. Voor de organisaties geldt, dat zij de plannen willen realiseren zonder de aanwezige bomen en groenvoorziening aan te tasten. Het leefgebied van hazelworm wordt derhalve niet aangetast. Een check, kort voorafgaand aan de uitvoerende werkzaamheden, is voldoende voor het ondervangen van eventuele migrerende dieren, zoals hierboven beschreven. Door deze maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol kunnen negatieve effecten op hazelworm voorkomen worden en is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar op dit punt. De ringslang komt met een populatie voor aan de zuidzijde van het plangebied. De voortplantingsplaatsen liggen bij de boerderij De Huydecoper. Dit betreffen ongetwijfeld broedplaatsen in daarvoor aangelegde broeihopen. Het leefgebied van de soort bestaat uit een afwisselend kleinschalig landschap, waarbij de soort zich ophoudt bij open water (vijvers, beken). In het plangebied betreft dit het gebied tussen het conferentiecentrum Drakenburgh, de boerderij De Huydecoper en Kasteel Groeneveld. Vanuit deze locatie verspreidt de soort zich ook daarbuiten.
De ringslang is in staat over grote afstanden te zwerven en wordt daarom ook aangetroffen in niet typisch habitat. Dit betreft bijvoorbeeld droge vegetaties, zoals heide en naaldbos. In de NDFF worden verschillende waarnemingen getoond van dieren op dergelijke ‘ongewone’ locaties. Dit betreft allemaal zwervende dieren. In het plangebied bevindt zich alleen aan de zuidzijde essentieel leefgebied. De buitenruimte met broeihopen rondom de boerderij maakt hiervan onderdeel uit. Ook de direct hieromheen gelegen bossen vallen hieronder. Immers zijn dit de plekken waarlangs de soort migreert. Indien de situatie rondom de boerderij onveranderd blijft, zijn eventuele negatieve effecten op het essentiële leefgebied van de soort op voorhand te voorkomen. Voor de voorgenomen ontwikkeling van de woon/zorgparken, waaronder ook het complex aan de bedrijfsweg, volstaat een korte check voorafgaand aan de uitvoerende werkzaamheden. Door maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol kunnen negatieve effecten op ringslang voorkomen worden en is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar op dit punt. 3.9
Vissen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissen in het plangebied of de directe omgeving daarvan. In het plangebied is op enkele plekken open water aanwezig. Het betreft in alle gevallen beschaduwde (door overhangende bomen) watergangen, die soms breder uitlopen als zijnde een vijver. Er groeit geen watervegetatie in de watergangen. Het substraat bestaat er uit een dikke laag rottend blad, wat de kwaliteit ervan sterk negatief beïnvloedt. Beschermde vissen hebben specifieke habitats. Zulk type habitat ontbreekt in het plangebied. Beschermde vissen kunnen derhalve op voorhand uitgesloten worden. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er komen geen beschermde vissen voor in het plangebied. Nader onderzoek naar vissen of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt.
22
3.10
Ongewervelden
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden bekend (NDFF). Ook direct buiten het plangebied is dit niet het geval. In de NDFF staan wel twee waarnemingen van de gevlekte witsnuitlibel ruim buiten het plangebied (ten westen van de A27). Deze soorten leven nabij laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen welke ontbreken in het plangebied. Het ontbreken van geschikt habitat maakt dat beschermde ongewervelden op voorhand uitgesloten kunnen worden. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het plangebied vervult geen functie voor beschermde ongewervelden. Derhalve is er geen noodzaak voor nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor ongewervelden. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op dit punt.
23
4
Natuurbeleidskaders
4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: • Provinciaal beleid: Natuurnetwerk Nederland (NNN); • Gemeentelijk beleid (geen onderdeel van deze toetsing). 4.2
Natuurnetwerk Nederland
Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor provincie Utrecht is vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) 2015 (geconsolideerd). De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het ’nee, tenzij-principe’. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In provincie Utrecht is de externe werking van het NNN niet van toepassing. Nader onderzoek in de vorm van een ‘nee, tenzij, procedure’ is derhalve niet noodzakelijk. Een ’nee, tenzijtoets’ behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.
Schema: Het ‘nee, tenzi’"-principe van het compensatiebeginsel.
Inventarisatie Het plangebied is deels gelegen in NNN bestemd gebied, zie Figuur 8.
24
Figuur 8
Globale plangebied (rode lijn) in relatie tot NNN en de Groene contour. Bron: https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl/
Analyse en toetsing effecten Negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken zijn niet uit te sluiten vanwege de ligging van het terrein van Amerpoort binnen de begrenzing van het NNN. Als gevolg van de bestemmingswijziging is er sprake van strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de vigerende Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (Herijking 2016) (geconsolideerd). Nadere toetsing aan de bepalingen uit de vigerende Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (Herijking 2016) (geconsolideerd) in de vorm van een ‘nee, tenzij-toets’ is derhalve noodzakelijk. 4.3
Aanvullende vraag vanuit Amerpoort betreffende de NNN
Aanleiding De locatie Huydecoperlaan/ Vijverlaan staat op de nominatie om vervangen te worden in 2022-2023. Dat zou op dezelfde locatie kunnen plaatsvinden wat, gezien vanuit het bestemmingsplan, de meest eenvoudige weg is. Dat betekent echter wel dat we bouwen binnen de ecologische hoofdstructuur. Daarom wordt gedacht aan een alternatieve locatie: in de oksel van de Rondweg en Mariaoordlaan achter het Cultureel Centrum. Dit heeft voor Amerpoort twee voordelen: 1. de locatie ligt dichter bij de dagbesteding; 2. we hoeven geen tijdelijke voorziening te realiseren.
25
Een nadeel is dat deze plek de bestemming bos heeft. Maar een voordeel is dat we de ruimte in de ecologische hoofdstructuur met rust kunnen laten. Amerpoort wil graag de landschapskwaliteiten versterken. Er zijn twee andere bouwlocaties in beeld, op dit moment wordt er specifiek nader onderzoek uitgevoerd om een versterking van het NNN te realiseren. Voor de provincie brengt de nieuwe natuur voordelen met zich mee aangezien een door de provincie gewenste zone terug wordt gebracht in de ecologische hoofdstructuur komt en dat oorspronkelijke landschappelijke kenmerken worden versterkt. Dit verhoogt de dagrecreatieve waarde van het gebied. Inventarisatie Het voornemen is de bestaande zorgwoningen in het zuidwestelijk deel te slopen en hiervoor op het noordoostelijk perceel nieuwbouw te realiseren. De daar verloren natuur (bos bestemd als NNN) zal op de sloop-locatie in het zuidwesten teruggebracht worden. Analyse en toetsing effecten De voorgenomen ontwikkeling past niet in het huidige bestemmingsplan. Er mogen geen woningen of andere gebouwen in het als ‘bos’ bestemde gebied gebouwd worden. Anderzijds vallen bos en groenvoorzieningen wel binnen de bestemming ‘maatschappelijk’.
Vanzelfsprekend is er geen sprake van een borging van bos wanneer deze onder de huidige bestemming ‘maatschappelijk’ blijft bestaan vanwaar het noodzakelijk is het bestemmingsvlakken anders te bestemmen wil men het bos kunnen omwisselen. De provincie kent hiervoor verschillende manieren, welteverstaan door ‘Plussen en minnen’, de ‘Saldobenadering’ en de ‘Herbegrenzing’. In alle gevallen zal onderbouwd moeten worden waarom en hoe de ontwikkeling bijdraagt aan de verbetering van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN, dit zowel in kwantiteit als in kwaliteit. Op basis van de hoeveelheid te bieden nieuwe natuur (waarbij tenminste een gelijke oppervlakte natuur terug moet komen, maar bij voorkeur een plus gegenereerd moet worden) en een sterke onderbouwing van nut, noodzaak en verbetering voor het NNN, kan een eventuele voorgestelde wisseling mogelijk zijn wat per saldo leidt tot een versterking van de kwaliteiten van het landschap.
Advies Gelet op de waarde van de locaties, waarbij het woon/zorgpark deels ligt op een ecologisch potentie-volle locatie (water, reeds bestaande natuurwaarde, oude laan, gevarieerde omgeving, zie Figuur 100) en het bos op een weinig potentievolle locatie (nabij wegen en druk complex, zie Figuur 99) alsmede de actuele waarde van de terreinen (omgeving woon/zorgpark hoog, omgeving bos zeer laag mede door kap en type bos), wordt een positief advies afgegeven over de haalbaarheid om de kwaliteit van het landschap te versterken. Geadviseerd wordt om de versterking van het landschap meer te concretiseren en te onderbouwen om deze vervolgens voor te leggen aan bevoegd gezag. Op basis van hun inbreng kan gekozen worden voor de best passende methode ('Plussen & minnen', 'Saldobenadering' of 'Herbegrenzing') waarna een concreet voorstel ingediend kan worden naast de hierboven (paragraaf 4.2) genoemde noodzakelijke ‘Nee, tenzij-toets’. Aanvullend zal bij een voorgenomen bomenkap in dit deelgebied getoetst moeten worden op soortenbescherming en houtopstanden, omdat bij bomenkap (in bovenstaande toetsing niet voorzien) negatieve effecten op soorten uitgesloten moeten worden en er wetgeving en beleid omtrent de kap van bomen kan gelden (onderdeel Houtopstanden Wet natuurbescherming en gemeentelijk kapbeleid).
26
Figuur 9
De locatie bestemd als bos met weinig actuele en potentiële natuurwaarden is nu bestemd als bos en opgenomen in het NNN.
Figuur 10. Grote ecologische waardevolle zomereiken langs de Huydecoperlaan.
27
5
Conclusies
Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden Er zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig in of in de nabijheid van het plangebied. Derhalve zijn er geen effecten te verwachten op deze gebieden. Ook effecten door stikstofdepositie worden niet verwacht. Ten aanzien hiervan is geconcludeerd dat er geen nadere toetsing noodzakelijk is ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Er zijn (mogelijk) verschillende beschermde soorten aanwezig in of nabijheid van het plangebied. Dit betreffen vleermuizen, das, boommarter, eekhoorn, huismus, gierzwaluw, sperwer, ransuil, buizerd, havik, overige broedvogels, hazelworm, ringslang en kamsalamander. De voorgenomen werkzaamheden hebben mogelijk effect op enkele beschermde soorten. Dit betreft de vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Mogelijk is er voor deze soorten een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Nader onderzoek naar het voorkomen van deze soorten is noodzakelijk om inzicht te krijgen over de noodzaak en verleenbaarheid van een ontheffing. Hieruit zal blijken of het bestemmingsplan uitvoerbaar is met betrekking tot de soorten. Voor hazelworm maakt het plangebied geen essentieel onderdeel uit van zijn leefgebied. Voor ringslang geldt dit ook, met uitzondering van de directe omgeving van Boerderij de Huydecoper.
Door voorwaarden op te nemen in een ecologisch werkprotocol kan voor deze soorten voorkomen worden dat negatieve effecten zullen plaatsvinden. Het bestemmingsplan is hiermee uitvoerbaar. Er komen enkele beschermde soorten voor, waarvoor provinciale vrijstellingen gelden vanwege hun algemeenheid en landelijk gunstige staat van instandhouding. Dit betreft soorten als de bruine kikker, kleine watersalamander, konijn en egel. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling van ontheffingsplicht Wet natuurbeschermingswet bij ruimtelijke ingrepen. Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen werkzaamheden op het terrein van Amerpoort vinden deels plaats in het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden zijn niet uit te sluiten. Er is een nadere procedure noodzakelijk in de vorm van een ‘Nee, tenzij-toets’, waarbij getoetst wordt aan de bepalingen uit de vigerende Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (Herijking 2016) (geconsolideerd). Aanvullende vraag Amerpoort m.b.t. het NNN Het behouden van de kwaliteit van het landschap is kansrijk. Het is vanuit ecologische en maatschappelijke motieven goed te onderbouwen. De mogelijkheden hiervoor worden gegeven in de spelregels NNN, onderdeel 'Plussen & minnen', 'Saldobenadering' of 'Herbegrenzing'.
Per saldo moet er tenminste een gelijke kwaliteit en kwantiteit natuurwinst behaald worden. Dit lijkt, gelet op de locatieomvang en hun actuele en potentiéle natuurwaarden, mogelijk. Geadviseerd wordt een eerste concretisering op te stellen en deze voor te leggen ter beoordeling aan bevoegd gezag. Vervolgens wordt verwacht een
28
concreet voorstel uit te kunnen werken op basis van één van boven genoemde mogelijkheden (‘Plussen en minnen’, etc.). Samenvattende tabel Effecten
Nader veld onderzoek • Geen
Wnb, Natura 2000- gebieden
•
Gering kans op effect door stikstofuitstoot
Wnb, soorten bescherming
• •
Planten: geen Vleermuizen: mogelijk Zoogdieren: mogelijk Vogels: mogelijk Amfibieën en reptielen: mogelijk Vissen: geen Ongewervelden: geen
• •
Mitigerende maatregelen* • Niet bekend
Nadere procedure • Niet bekend
•
•
•
Toets aan Houtopstande n (Wnb) en gemeentelijk beleid
•
Nee-tenzijtoets
Wnb, houtopstanden (aanvullende vraag Amerpoort)
•
Mogelijk
•
Mogelijk
•
Onbekend
•
Voor zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen moet een ecologisch werkprotocol opgesteld worden. Vleermuizen, huismus en gierzwaluw: onbekend. Onbekend
NNN (reguliere uitvraag)
•
Gebieden deels in NNN gelegen
•
Onbekend. Nader onderzoek soortbescherming brengt eventuele lacunes hiervoor in beeld.
•
Ja, op wezenlijke kenmerken en waarden
•
Onbekend
• • •
• •
Effecten NNN (aanvullende vraag Amerpoort)
•
Gebieden deels in NNN gelegen
•
Vleermuizen Huismus, gierzwaluw Overige: geen
Nader effect onderzoek • Ja, toetsen stikstofdepositie met AERIUS calculator • Vleermuizen • Huismus, gierzwaluw • Overige: geen
•
Nader veld onderzoek • Onbekend. Nader onderzoek soortbescherming brengt eventuele lacunes hiervoor in beeld.
Nader effect onderzoek • Mogelijk, op wezenlijke kenmerken en waarden
Mitigerende maatregelen* • Onbekend
•
Vleermuizen, huismus en gierzwaluw: nog niet bekend Overige: geen
Nadere procedure • Advies: versterken van het landschap lijkt haalbaar. Eerste voorstel aan bevoegd gezag, vervolgens volgen mogelijk nadere procedures
* mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen
29
6
Referenties
6.1 Geraadpleegde literatuur • Bureau Bleijerveld (2018). Quick Scan Flora en Fauna Muzeplein Baarn. Bureau Bleijerveld / Ruimte voor Advies. • Van der Veen, D. (2014). Verkennend natuuronderzoek Sherpa terrein, bouwvlak 3, 16, 19+20. Grontmij Nederland B.V., Houten. 6.2 Geraadpleegde websites • https://ndff-ecogrid.nl. • https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl. • https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx.
30