CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

644585 Bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 2022 Bijlage Toelichting - 14 Veldonderzoek ten behoeve van NNN Amerpoort, Baarn

Besluit in de Raad 29 maart 2023, gemeente BaarnBij agendapunt: Bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 202224.852 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rapport Projectnummer: 51001641 / 370914 Referentienummer: NL21-648800269-11254 Datum: 30-11-2021

Veldonderzoek ten behoeve van NNN Amerpoort, Baarn Bepaling wezenlijke kenmerken en waarden ten behoeve van de meerwaardebenadering

Definitief

Opdrachtgever: Amerpoort Nieuwenoordlaan 12 3744 PA BAARN

Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Mark Grutters Adviseur ecologie M +31 6 20 62 52 86

Verantwoording Titel

Veldonderzoek ten behoeve van NNN Amerpoort, Baarn

Subtitel

Bepaling wezenlijke kenmerken en waarden ten behoeve van de meerwaardebenadering

Projectnummer

51001641 / 370914

Referentienummer

NL21-648800269-11254

Revisie

D1

Datum

30-11-2021

Auteur

Mark Grutters

E-mailadres

mark.grutters@sweco.nl

Gecontroleerd door

Maurits Moes

Goedgekeurd door

Maarten Mouissie

2

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 5

1.1

Aanleiding en doel ................................................................................................... 5

1.2

Beleidskader NNN provincie Utrecht ....................................................................... 6

1.3

Onderzoeksgebied en voorgenomen activiteiten .................................................... 7

1.4

Oude bosgroeiplaatsen en oude boskernen ........................................................... 9

1.5

Rapport .................................................................................................................. 10

1.6

Ontwikkellocaties en compensatiegebieden ......................................................... 10

1.6.1

Ontwikkellocaties ................................................................................................................ 10

1.6.2

Compensatielocaties ...........................................................................................................12

1.7

Beschrijving locaties .............................................................................................. 13

1.7.1

A1 Nieuwenoordlaan ...........................................................................................................13

1.7.2

A2 Rondweg/Mariaoordlaan................................................................................................ 13

1.7.3

A3 Huydecoperlaan / Bedrijfsweg. ......................................................................................13

1.7.4

B1 Watergang Isengardlaan ...............................................................................................13

1.7.5

B2 Westrand Amerpoort......................................................................................................13

1.7.6

B3 Huydecoperlaan/Kinderboerderij ...................................................................................13

1.7.7

B4 en B5 Huydecoperlaan/Kinderboerderij .........................................................................14

1.7.8

B6 zuidelijke watergang met dijkje ......................................................................................14

1.7.9

B7 bos Rondweg.................................................................................................................14

1.8

Meerwaardebenadering NNN ................................................................................ 15

2

Veldonderzoek ..................................................................................................... 18

1.1

Inleiding ................................................................................................................. 18

2.1

Onderzoeksmethoden ........................................................................................... 18

2.2

Resultaten: aanwezige soorten en potenties ........................................................ 20

2.2.1

Paddenstoelen ....................................................................................................................20

2.2.2

Korstmossen .......................................................................................................................21

2.2.3

(Korst)mossen en vaatplanten ............................................................................................22

2.2.4

Broedvogels ........................................................................................................................ 24

2.2.5

Vleermuizen ........................................................................................................................ 25

2.2.6

Amfibieën en reptielen ........................................................................................................ 26

3

Conclusies natuurwaarden ................................................................................. 27

3.1

Oppervlakte, kwaliteit en samenhang ................................................................... 27

3.2

Wezenlijke kenmerken en waarden....................................................................... 28

3.2.1

Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem ......................................................28

3.2.2

De robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN ........................................................ 29

3

3.2.3

De aanwezigheid van bijzondere soorten ...........................................................................30

3.2.4

De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen .................................34

3.3

Meerwaarde ........................................................................................................... 35

4

Maatregelen per deelgebied ............................................................................... 36

4.1

Maatregelen ten behoeve van behoud en versterken ecologische verbindingen . 43

5

Samenvatting en conclusies .............................................................................. 45

Referenties ........................................................................................................................... 46 Bijlagen Bijlage 1

Natuurkaart - ecologische maatregelen (Natuurvisie)

Bijlage 2

Rapportage veldonderzoek korstmossen

Bijlage 3

Rapportage veldonderzoek paddenstoelen

4

1

Inleiding

1.1 Aanleiding en doel Amerpoort is voornemens ontwikkelingen uit te voeren binnen gebied dat is begrensd als Natuurnetwerk Nederland (NNN) en in het vigerend bestemmingsplan is bestemd als ’Maatschappelijk-Zorg’ of ’Bos’ (Bestemmingsplan Drakenburgergracht - Zorg, vastgesteld 27-01-2010). Deze gebiedsdelen liggen binnen het eigen terrein van Amerpoort (Figuur 1.1). Middels een meerwaardebenadering zal de aantasting van het NNN die deze ontwikkelingen met zich mee brengen, worden gecompenseerd binnen het woon/zorgpark. Om inzichtelijk te maken hoe groot deze aantasting is, welke natuurwaarden aangetast worden en hoe deze gecompenseerd kunnen worden, zijn de bestaande waarden (waaronder de wezenlijke kenmerken en waarden) van de beoogde ontwikkellocaties binnen het NNN in beeld gebracht, evenals de potentiële natuurwaarden van de gebieden die mogelijk als compensatie kunnen dienen. Sweco heeft in 2021 veldonderzoeken uitgevoerd naar deze huidige en potentiële waarden. Uitgangspunt hierbij is de begrenzing van de ontwikkellocaties en mogelijke compensatiegebieden zoals aangegeven in Figuur 1.6 en Figuur 1.8.

Figuur 1.1 Begrenzing woon/zorgpark Amerpoort en begrenzing NNN conform provinciaal Natuurbeheerplan.

Bij het veldonderzoek zijn de soortgroepen paddenstoelen, korstmossen, mossen, vaatplanten, broedvogels, vleermuizen, amfibieën en reptielen onderzocht. Van deze soortgroepen zijn relevante soorten bekend of te verwachten in het plangebied. Deze rapportage beschrijft de resultaten en conclusies van dit onderzoek.

5

Bij de conclusies wordt ingegaan op de vraag of met de voorgestelde compensatie de aan te tasten waarden van het NNN afdoende kunnen worden gecompenseerd (en herbegrensd) zodat de ontwikkelingen zullen leiden tot een meerwaarde voor het NNN. 1.2 Beleidskader NNN provincie Utrecht De basis van het natuurbeleid in de provincie Utrecht is het Natuurnetwerk Nederland. De planologische bescherming hiervan is geregeld via de Omgevingsvisie en de bijbehorende Interim Omgevingsverordening die per 1-4-2021 van kracht is. Hierin zijn regels opgesteld voor gebieden binnen het NNN die de natuur beschermen, een robuust netwerk van natuurgebieden in stand houden en versterken en de biodiversiteit behouden en versterken. Uitgangspunt bij deze regels is dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland wordt behouden. In de huidige regels is gesteld dat er in beginsel geen ontwikkelingen binnen het NNN mogelijk zijn. Uitzonderingen hierop zijn de volgende: ·

ruimtelijke ontwikkelingen ten behoeve van een groot openbaar belang waarvoor geen alternatieven zijn die het NNN niet of minder aantasten;

·

ontwikkelingen die, binnen een samenhangend gebied, binnen 10 jaar leiden tot een meerwaarde voor het NNN (kwaliteit, oppervlakte en samenhang); of

·

ontwikkelingen die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande bestemming.

De meerwaarde-benadering is in de verordening geformuleerd in artikel 6.3 ’Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland’. Het houdt in dat ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot aantasting moeten worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang. Bij ontwikkelingen binnen NNN is een NNN-toets noodzakelijk. Hierin wordt de aantasting beoordeeld op de aspecten oppervlakte, kwaliteit, wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang. Ook wordt hierin onderbouwd of voldaan wordt aan de voorwaarden bij de uitzonderingen die ontwikkelingen mogelijk maken. De wezenlijke kenmerken en waarden kunnen worden beschreven aan de hand van een viertal aspecten, te weten: · Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem; · De robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN; · De aanwezigheid van bijzondere soorten; · De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen.

6

1.3 Onderzoeksgebied en voorgenomen activiteiten Het onderzoeksgebied betreft de ontwikkel- en beoogde compensatielocaties binnen het woon-/zorgpark van Amerpoort. Zie ook Figuur 1.6 en Figuur 1.8. De basis voor de ontwikkel- en beoogde compensatielocaties is de ruimtelijke visie en stedenbouwkundige visie van het woon-/zorgpark Nieuwenoord (Figuur 1.2).

Figuur 1.2 Ruimtelijke visie woon-/zorgpark Nieuwenoord.

Op basis van impressietekeningen (varianten 1 en 2), uit de ‘visie Nieuwenoord’, worden binnen het gebied meerdere gebouwen gebouwd waarin woningen worden gesitueerd. Voorts worden gebouwen gerealiseerd met een bijeenkomstfunctie voor dagbesteding en recreatie van bewoners, worden enkele ‘welzijn en ontmoetingsplaatsen’ gebouwd/gerenoveerd en worden panden voor ondersteuning en bedrijfsvoering gebouwd. De gebouwen met verschillende functies worden in beide varianten verspreid over het gebied gebouwd of bestaande gebouwen worden verbouwd. In figuren 1.3 en 1.4 zijn impressies opgenomen van een mogelijke toekomstige stedenbouwkundige situatie (variant 1 en 2). Er is nog geen sprake van een definitief plan, maar van een visie. Derhalve betreffen de opgenomen varianten impressies van mogelijke

7

toekomstige scenario’s binnen de geschetste kaders van maximale hoeveelheden m2 bvo en footprint en maximale bouwhoogten.

Figuur 1.3 Impressie mogelijke toekomstige situatie Amerpoort variant 1.

Figuur 1.4 Impressie mogelijke toekomstige situatie Amerpoort variant 2.

Meer informatie wordt gegeven in Bijlage 3 bij het bestemmingsplan, waarin de ruimtelijke en stedenbouwkundige visie van Nieuwenoord is opgenomen.

8

1.4 Oude bosgroeiplaatsen en oude boskernen In verband met de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied is door Sweco, aan de hand van verschillende bronnen (o.a. www.topotijdreis.nl, www.landschapinnederland.nl/kaart-groen-erfgoed en een inventarisatie door Ruimte voor Advies op het terrein van Amerpoort)(Harleman 2020) nagegaan op welke delen van het woon-/zorgpark volgens deze bronnen sprake kan zijn van aanwezigheid van Oude Bosgroeiplaatsen en Oude Boskernen. Zie voor een beschrijving van deze werkwijze ook de Notitie Oude Bosgroeiplaatsen en Boskernen van Sweco 2021 (Bijlage 6 bij het bestemmingsplan). Voor het terrein van Amerpoort is, op basis van voornoemde bronnen, het in Figuur 1.5 weergegeven kaartbeeld met Oude Bosgroeiplaatsen en Oude Boskernen gereconstrueerd. Uit dit kaartbeeld kan worden geconcludeerd de Oude Boskernen en Oude Bosgroeiplaatsen niet in dezelfde mate aanwezig zijn als vastgelegd op kaartbeelden uit de Beleidsregels natuur en landschap Provincie Utrecht 2017.

Figuur 1.5 Kaartbeeld resterende Oude Bosgroeiplaatsen en Oude Boskernen op het terrein van Amerpoort na bronnenonderzoek (bronnen: Topotijdreis, Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en Ruimte voor Advies, d.d. 11 augustus 2020).

Met de voorgenomen ontwikkelingen op dit woon-/zorgpark worden dan ook geen Oude Bosgroeiplaatsen en Oude Boskernen aangetast. Er zal nog overleg met de Provincie plaatsvinden om de kaart verder in lijn te brengen met het beleid van de Provincie. Bovengenoemde onderzoeken zijn een eerste aanzet hierin en het is de verwachting dat dit onderzoek zal leiden tot een bijstelling van het provinciaal beleid op dit onderdeel. Vooruitlopend hanteren wij dit bovenstaande resterende kaartbeeld als uitgangspunt voor dit onderzoek.

9

1.5 Rapport Het rapport geeft een beschrijving van het voorkomen van de relevante soorten binnen de verschillende deelgebieden. Hierbij gaat de meeste aandacht uit naar de aandachtssoorten van het Utrechtse soortenbeleid1. Daarnaast worden beschermde soorten en soorten van de Rode Lijst besproken. Naast het beschrijven van de actuele waarden, worden de potenties van de mogelijke compensatielocaties voor de verschillende soortgroepen beschreven. Hiermee zal de conclusie kunnen worden getrokken of natuurwaarden die door ontwikkelingen verloren gaan gecompenseerd kunnen worden in andere gebieden voor wat betreft de (leefgebieden van) soorten. Van deze gebieden wordt gesproken welke (beheer)maatregelen getroffen dienen te worden om deze natuurkwaliteiten mogelijk te maken. 1.6

Ontwikkellocaties en compensatiegebieden

1.6.1 Ontwikkellocaties In Tabel 1.1 zijn de oppervlakten weergegeven van de ontwikkellocaties binnen het NNN op het woon-/zorgpark van Amerpoort. Van deze locaties is de wens ze uit de begrenzing van het NNN te halen. Het totale onverharde oppervlak van deze gebieden is 2,08 ha. Om een beeld te geven van het karakter van het gebied wordt in de tabel ook de oppervlakte gegeven van het terrein inclusief de verharding die hier aanwezig is in de vorm van bebouwing en bestrating (bron: BGT mei 2021). Eveneens wordt de oppervlakte gegeven van beheertypen die hierbinnen worden onderscheiden. Het gaat hierbij steeds om type N16.03 (Droog bos met productie). In Figuur 1.7 word de begrenzing van deze beheertypen weergegeven. Deze begrenzing komt goed overeen met de in het veld vastgestelde begrenzing. De daadwerkelijk huidige oppervlakte N16.03 in A2 is echter kleiner, omdat hier eerder een aanzienlijk deel van het bos is gekapt. Enkel in het zuidelijk deel van het gebied, langs het pad dat ten noorden van de poel loopt die net buiten het ontwikkelgebied ligt, is een bosje met berkenopslag aanwezig. Buiten de Rondweg resteert een deel van het sparrenbos. Tabel 1.1. Oppervlakten ontwikkellocaties binnen NNN (hectaren) naam A1 A2 A3

oppervlakte (ha) 0,72 1,19 0,84 2,75

oppervlakte onverhard (ha) 0,58 1,10 0,40 2,08

oppervlakte onverhard met beheertype/natuurwaarde (ha) 0,12 0,81 0,25 1,17

1

de soorten van het actief soortenbeleid zoals vastgesteld door PS op 22/12/2016 in het Beleidskader Wet Natuurbescherming

10

Figuur 1.6 Beoogde ontwikkellocaties op woon-/zorgpark Amerpoort (rode contouren).

Figuur 1.7 Begrenzing natuurbeheertype N16.03 binnen de drie ontwikkellocaties

11

1.6.2 Compensatielocaties De compensatielocaties die in het bestemmingsplan als natuur bestemd zullen worden, zijn weergegeven in Figuur 1.8. In Tabel 1.2 wordt van deze compensatielocaties de oppervlakte gegeven. De totale oppervlakte van het gebied dat als Natuur zal worden bestemd is 2,08 ha. Deelgebied B2 ligt deels in bestaand NNN, dit gedeelte is reeds ingericht als natuur (bos). Deze oppervlakte wordt niet meegeteld met de compensatie. Tabel 1.2. Oppervlakten compensatielocaties (ha) naam

oppervlakte totaal

B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7

0,27 1,02 0,76 0,13 0,13 0,11 0,01 2,44

oppervlakte buiten huidig NNN 0,27 0,64 0,01

met beheertype, binnen NNN 0,042 0,292 0,443 0 0,000 0,029 0 0,806

oppervlakte compensatie 0,27 0,65 0,76 0,13 0,13 0,12 0,01 2,08

Figuur 1.8 Beoogde compensatielocaties op woon-/zorgpark Amerpoort (blauwe contouren).

12

1.7

Beschrijving locaties

1.7.1 A1 Nieuwenoordlaan Deelgebied A1 bestaat uit twee delen, en is grotendeels door bosstroken omzoomd ruderaal terrein. Aan de westzijde ligt een verhard parkeerterrein met aan weerszijden vrij schraal grasland. In het ruderale deel groeien verspreid en in laanvorm oude solitaire bomen (zomereik, beuk, paardenkastanje, esdoorn, linde). Tussen twee gebiedsdelen ligt een bosstrook met enkele oude, dikke beuken en enkele hoge, oude paardenkastanjes. Deze strook valt buiten de ontwikkellocatie. Voorts zijn in de bosstrook aanwezig robinia, hazelaar, ruwe berk, douglasspar en grove den. Het bos is deels aangemerkt als N16.03 (Figuur 1.7). Het ruderale terrein kent een ruige grasvegetatie met soorten van een meer voedselrijke bodem. Dit terrein wordt deels gebruik om (grond)afval op te slaan, net als de rand van het bosstrook midden in het deelgebied, waar grote takkenhopen liggen. 1.7.2 A2 Rondweg/Mariaoordlaan Dit deelgebied is een voormalig sparrenbos. Enkele jaren geleden zijn door Amerpoort voor de veiligheid van haar cliënten de houtopstanden fijnspar op locatie A2 gerooid vanwege het risico op natuurbrand. In de oostelijke rand buiten de Rondweg staan nog sparren. De kapvlakte wordt nu gedomineerd door braam en adelaarsvaren. In het zuidelijke deel is vrij jong, open berkenbos aanwezig. Verder is een zanddepot op het terrein aanwezig. 1.7.3 A3 Huydecoperlaan / Bedrijfsweg.

Deelgebied A3 bestaat uit een perceel met verhardingen en bedrijfsgebouwen, enkele woningen en een kinderdagverblijf. Daartussen bevinden zich gazons met vrijstaande Amerikaanse eiken, langs de rand ligt de laan met Amerikaanse eiken, en in de zuidoosthoek een stukje bos met overwegend Amerikaanse eik. 1.7.4 B1 Watergang Isengardlaan In deelgebied B1 ligt een watergang met verruigde oevers, die aan de oostkant wordt omzoomd met een strook jonge dennen en douglassparren. Langs het hek bij het pad aan de westzijde groeit een oude beukenhaag. Westelijk van B1 ligt bos met hakhout, dat is aangewezen als oude boskern. 1.7.5 B2 Westrand Amerpoort Deelgebied B2 is een lange smalle strook langs de westelijke grens van het woon/zorgpark van Amerpoort. Over vrijwel de hele lengte ligt er een waterloop. De samenstelling van de strook is heterogeen. In het noordelijkste deel bevindt zich eikenbos met heesters, met name lijsterbes en hazelaar. Zuidelijker liggen gazons met wat vrijstaande bomen, en nog zuidelijker weer droog eikenbos met braam en berken. De westrand van het gebied is deels begroeid met Rododendron. In de bosgedeelten is naaldhout (douglassparren en dennen) aanwezig. In de ondergroei van het bos zijn flinke groeiplaatsen van Japanse duizendknoop aanwezig. Langs de Isengardlaan bevindt zich een oude beukenhaag.

1.7.6 B3 Huydecoperlaan/Kinderboerderij Deelgebied B3 is zeer heterogeen. In het westelijk deel bevindt zich bos met onder andere douglasspar, fijnspar, Amerikaanse eik en zomereik. In het noordelijk deel hiervan zijn barakken geplaatst, een kippenren en wat volières. Er lopen enkele paden doorheen. Langs de smalle strook langs het water bevindt zich eiken-berkenbos met wat abelen en Prunus. Het zuidelijk deel van het terrein is in gebruik als opslagplaats.

13

1.7.7 B4 en B5 Huydecoperlaan/Kinderboerderij De deelgebieden B4 en B5 bestaan grotendeels uit weiland met kort gras. Deze weilanden horen bij de kinderboerderij. Er lopen paarden, ezels en varkens. In de zuidoosthoek van B4 ligt een vijver met wat bomen eromheen. In het noorden bevindt zich een rij Amerikaanse eiken, welke onderdeel is van de laan langs de Huydecoperlaan. De huidige natuurwaarden zijn laag, omdat de weides tamelijk intensief gebruikt worden. 1.7.8 B6 zuidelijke watergang met dijkje Deelgebied B6 wordt gevormd door een zandig dijkje met kort gras. Deze staat in open verbinding met een dierenweide (met schapen) die bij de kinderboerderij hoort. 1.7.9 B7 bos Rondweg Deelgebied B7 bestaat uit een klein stukje bos met wat zomereik en Amerikaanse eik, aan de zuidkant begrenst door een greppel. Dit sluit aan op bospercelen binnen het NNN: het perceel met Lariks op Amerpoort en de bossen op landgoed Groeneveld.

14

1.8 Meerwaardebenadering NNN Omdat de ontwikkelingen plaatsvinden binnen het NNN, is een NNN-onderzoek en toetsing noodzakelijk. Bij de NNN-toetsing zijn de regels gehanteerd bij de Interimverordening zoals deze in concept zijn opgesteld. Bij ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland zijn de volgende artikelen van de Interimverordening (zie ook paragraaf 1.2) relevant: · Artikel 6.2 Regelt de algemene bescherming van het NNN in bestemmingsplannen; · Artikel 6.3 Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland; · Artikel 6.5 Regels compensatie; · Artikel 6.6 Borging compensatie. Om het bestemmingsplan mogelijk te maken, is gekozen voor de ‘meerwaardebenadering’ zoals in Artikel 6.3 wordt benoemd als uitzondering op de ‘Instructieregel geen aantasting Natuurnetwerk Nederland’. Voorwaarde hierbij is dat de ontwikkelingen, binnen een samenhangend gebied, binnen 10 jaar leiden tot een meerwaarde voor het NNN voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang. Stappenplan NNN-onderzoek en toetsing 1. Is er sprake van een samenhangend gebied waarbij er te samen met de ontwikkeling een meerwaarde te bereiken is? Er is sprake van een samenhangend gebied, zie verder ook paragraaf 3.1. De ontwikkellocaties en compensatielocaties liggen allen op het terrein van Amerpoort binnen of grenzend aan de huidige NNN-begrenzing.

Aantasting en compensatie hebben betrekking op zelfde veronderstelde ecologische verbindingszones. Maatregelen zijn gericht op het bevorderen van soorten die door de ontwikkelingen negatieve effecten ondervinden. 2. Stel een gebiedsvisie/natuurvisie op; onderbouw de meerwaarde en beperk de impact van de ontwikkeling Het gebied is niet groter dan het bestemmingsplan, er is dus een natuurvisie nodig en geen gebiedsvisie. De meerwaarde van de ontwikkelingen wordt in dit rapport beschreven, ondersteund met kaarten van de natuurvisie. De natuurvisie is opgesteld in de vorm van de potentie- en beheerkaarten. Deze visie is als bijlage bij deze rapportage opgenomen en maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan als Bijlage bij de regels (Bijlage 1). De visie geeft van de huidige situatie de natuurkwaliteit en benoemt de inrichtings- en beheermaatregelen die genomen worden. Daarnaast geeft het inzicht in de ecologische verbindingen die worden ingericht of versterkt. Van het eindbeeld wordt aangegeven wanneer verwacht wordt dat bijhorende doelstellingen behaald worden. De maatregelen uit de visie worden in dit rapport in hoofdstuk 4 beschreven. De ecologische verbindingen in het gebied worden beschreven in paragraaf 3.2.2 en 3.2.4 van deze rapportage.

Ontwikkelingen in deelgebieden A2 en A3 leiden tot beperkte afname van natuur aan de randen van NNN, waarmee robuustheid en/of verbindingen niet of weinig worden aangetast. Ontwikkeling A2 vermindert de verbindingsfunctie van het gebied met NNN dat hier 200 meter ten zuiden van ligt. Ontwikkeling A1 vermindert de robuustheid van de NNN-zone als verbinding in oostelijke richting. Met mitigerende maatregelen en inrichtingsmaatregelen kan dit teniet worden gedaan. Compensatiegebieden zijn zo gelegen dat ze de nu smalle verbinding in het zuidelijke deel tussen de zorgorganisaties en de spoorlijn versterken. Ook wordt de noord-zuidverbinding tussen Drakenburg en Amerpoort versterkt door de nu smalle en kwalitatief beperkte groenzone beter in te richten.

15

Met de maatregelen wordt de oppervlakte aan natuur groter dan in de huidige situatie het geval is. Er gaat beperkt een oppervlakte N16.03 verloren, dit wordt gecompenseerd door bestaand bos (ook N16.03) ecologisch te verbeteren door exoten te verwijderen en het beheer te richten op meer diversiteit in houtsoorten en leeftijd, en het laten staan van dood hout waar mogelijk. Daarnaast worden aanwezige wateren en oeverzones verbeterd, waardoor waardevolle soorten, waaronder ringslang en kamsalamander, meer kansen krijgen in het gebied, en worden enkele meer grazige terreinen heringericht. Dergelijke elementen zorgen voor variatie in bosstructuur en zijn belangrijk voor de biodiversiteit in een relatief monotoon, grootschalig bosgebied. De impact van de ontwikkelingen wordt zoveel als mogelijk beperkt. De ontwikkellocaties liggen allen dicht bij de huidige bebouwing. De locaties zijn niet groter dan noodzakelijk en zo gekozen, dat de ecologisch meest waardevolle gebiedsdelen worden ontzien. Om mogelijke verstoring in de gebruiksfase, zoals lichtverstoring, te voorkomen, worden in de ontwerpfase mitigerende maatregelen genomen die dit tot een minimum zullen beperken. 3. Bepaal de opgave en locatie voor compensatie.

Houd er rekening mee dat deze na 10 jaar bereikt moet zijn Uitgangspunten bij compensatie zijn de volgende: · de oppervlakte van de te realiseren compensatie is ten minste net zo groot als de oppervlakte natuur die verloren gaat; en · het aantal natuurpunten voor de compensatie die gerealiseerd gaat worden, is groter dan of gelijk aan het aantal natuurpunten voor de te realiseren compensatie. De compensatieopgave betreft een areaal van 2,08 ha. die in het bestemmingsplan als natuur zal worden bestemd. Dit is gelijk aan de oppervlakte van de beoogde ontwikkelingslocaties. Binnen de ontwikkellocaties is in de huidige situatie sprake van 1,17 hectare met een beheertype (N16.03). Deze gebieden hebben in de huidige situatie ook daadwerkelijk (potenties voor) natuurwaarden. Dit beheertype wordt in Bijlage 11 van de Interimverordening geclassificeerd als ’Klasse 3 laagste waardering’. De toeslag bij compensatie is hierbij 0. Voor de hersteltijd, die voor de voorgestelde compensatie kleiner is dan 10 jaar, geldt een toeslagfactor van 0,1. Dit houdt in dat er 1,30 ha met gelijkwaardig natuurbeheertype moet worden gerealiseerd. Met de voorgenomen maatregelen wordt bestaand bos verbeterd in kwaliteit, er wordt geen nieuw bos aangeplant.

Verder worden door beheermaatregelen andere grazige natuurtypen ontwikkeld op locaties met geen of lagere natuurwaarden in de huidige situatie (zie hoofdstuk 4). Aan verschillende oeverzones zal eenmalig grondverzet nodig zijn, waarna de gewenste eindsituatie kan worden behaald, bijgestuurd door beheer. De natuurbeheertypen die met de compensatie ontwikkeld worden (anders dan N16.03) vallen in een zelfde (lage) waarderingsklasse. Met het realiseren van 1,30 ha natuur ‘tenminste gelijkwaardig aan N16.03’ blijft het aantal natuurpunten netto tenminste even groot. 4. Borg de mitigatie en compensatie in bestemmingsplan in bestemmingen en regels en voorwaardelijke verplichting en stel een compensatieplan op. Sluit een overeenkomst met provincie De compensatielocaties en overige NNN binnen Amerpoort worden in het bestemmingsplan bestemd met ‘Natuur’. Tevens is in deze bestemming een vergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, met daaraan een voorwaarde voor vergunningverlening gekoppeld, zodat natuurwaarden beschermd worden. De koppeling

16

met de natuurvisie, die als bijlage bij de regels opgenomen is, wordt gevonden in de algemene aanduidingsregel ‘overige zone-herbegrenzing NNN’. Dit artikel regelt dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen binnen de ontwikkellocaties alleen afgegeven kan worden, als kan worden aangetoond dat natuurcompensatie plaatsvindt binnen de als ‘Natuur’ bestemde gronden, waarbij sprake is van meerwaarde na 10 jaar (gerekend vanaf het moment van afgifte van de vergunning). Een en ander overeenkomstig de visie zoals die opgenomen is als bijlage bij de regels.

17

2

Veldonderzoek

1.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de resultaten van de veldonderzoeken weergegeven, waarmee een deel van de wezenlijke kenmerken en waarden in beeld worden gebracht. De volgende soortgroepen zijn onderzocht: paddenstoelen, korstmossen, mossen, vaatplanten, broedvogels, vleermuizen, amfibieën en reptielen. De onderzoeksmethodieken worden in paragraaf 2.1 gegeven, in paragraaf 0 staan de resultaten. 2.1

Onderzoeksmethoden

Paddenstoelen Paddenstoelen zijn de zichtbare vruchtlichamen van schimmels die (veelal) onder de grond leven. Het verschijnen van paddenstoelen is sterk afhankelijk van het seizoen en het weer. Vooral bij koel en vochtig weer in de nazomer en de herfst zijn veel paddenstoelen te zien. Als de omstandigheden ongunstig zijn (bijvoorbeeld te droog of te warm), zijn er maar weinig paddenstoelen te vinden. Sommige soorten kunnen dan jaren overslaan voordat ze weer zichtbaar zijn. De levensduur van veel paddenstoelen is vaak maar kort, tussen enkele uren en ongeveer een week. Er zijn echter ook uitzonderingen. Sommige inktzwammen zijn na enkele uren al weer verdwenen, terwijl houtzwammen soms enkele jaren lang goed te herkennen zijn. Bovendien zijn veel soorten maar een beperkte tijd van het jaar te vinden. Al deze eigenschappen van paddenstoelen maakt het inventariseren van de paddenstoelenflora moeilijker dan bij veel andere soortgroepen. Er worden snel veel soorten gemist. Om een (min of meer) compleet beeld te krijgen van de paddenstoelenflora van een gebied, zijn gedurende minimaal 5 jaar tenminste 5 inventarisatierondes per jaar noodzakelijk, waarvan tenminste 1 in het voorjaar. Voor veel projecten is deze inspanning niet mogelijk en onhaalbaar.

Om een redelijke indruk van het voorkomen van paddenstoelen te krijgen, is het mogelijk om de inventarisaties in 1 jaar uit te voeren: 1 inventarisatie in het voorjaar en 3 in de nazomer en herfst. Echter bij ongunstige omstandigheden in de nazomer en herfst (te droog of te warm) levert de inventarisatie onvoldoende informatie om conclusies over de samenstelling van de paddenstoelen-flora te kunnen trekken. Voor de determinatie van de paddenstoelen is in veel gevallen microscopisch onderzoek nodig. Van moeilijker te determineren, meer bijzondere of zeldzame soorten wordt herbariummateriaal verzameld, in combinatie met een fotorapportage en een (beknopte) beschrijving. De gebieden van Amerpoort zijn in 2021 in vijf ronden onderzocht op het voorkomen van paddenstoelen tussen april en eind oktober. De bezoeken vonden plaats op 16 april, 21 mei, 5 augustus, 4 oktober en 27 oktober. In het voorjaar waren de omstandigheden voor paddenstoelen slechts op enkele momenten matig tot vrij goed, wat niet ongebruikelijk is. Deze momenten zijn gebruikt om het gebied twee keer te bezoeken. In normale jaren kunnen in de nazomer en de vroege herfst de meeste soorten worden gevonden. In de periode van half augustus tot eind september 2021 viel er echter maar heel weinig neerslag en waren de omstandigheden voor paddenstoelen matig tot slecht.

Pas eind september trok de hoeveelheid regen aan er werd het voor paddenstoelen beter. In de periode van eind september tot eind oktober is het gebied daarom 2 keer bezocht. De nadruk van het onderzoek lag op het voorkomen van de provinciale aandachtssoorten, maar ook andere bijzondere en/of indicatieve soorten, zoals Rode Lijst-soorten zijn gekarteerd.

18

Korstmossen Korstmossen komen op veel verschillende plekken voor. Buiten bomen en rotsen zijn ze ook te vinden op bijvoorbeeld bestratingen, muren, daken, in schrale gazons. De nadruk van het onderzoek lag op het voorkomen van de provinciale aandachtssoorten. Deze soorten betreffen voornamelijk (zeer) zeldzame soorten van halfnatuurlijke bossen, heides of zandverstuivingen. Naast deze aandachtssoorten zijn ook de soorten van de Rode Lijst geïnventariseerd. Bij het onderzoek naar korstmossen is het gebied gedurende twee veldbezoeken geïnventariseerd op de aanwezige korstmossen. Het veldwerk is begin maart 2021 uitgevoerd. Mossen en vaatplanten De aandachtssoorten van de flora en de mossen zijn onderzocht gedurende een veldbezoek in de zomer. Het grootste deel van de te verwachten soorten is dan herkenbaar aanwezig in het veld. Lastig te determineren (mos)soorten zijn verzameld en naderhand gedetermineerd. Broedvogels Om de aanwezige broedvogels in beeld te krijgen is een onderzoek uitgevoerd waarbij gedurende vijf veldbezoeken in de ochtend alle in het onderzoeksgebied aanwezige vogels die zich territoriaal gedragen op kaart zijn genoteerd. Dit is conform de SNL-methodiek van broedvogelmonitoring. Deze methodiek is gelijk voor alle beheertypen. Nachtelijke soorten zijn niet apart onderzocht omdat deze soorten niet als kwalificerende soort zijn aangemerkt bij SNL.

Nachtelijke soorten zijn wel genoteerd gedurende het vleermuisonderzoek. Anders dan bij de SNL-methodiek worden alle soorten geteld, inclusief de zeer algemene soorten. Er zijn 5 (vroege) ochtendbezoeken gebracht in de periode maart-juni 2021 onder goede weersomstandigheden. Vleermuizen Met drie veldbezoeken is een beeld gevormd van de in het gebied aanwezige vleermuissoorten en de functies die het gebied voor ze heeft. Dit als aanvulling op het vleermuisonderzoek dat eerder heeft plaatsgevonden en dat gericht was op aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten op het terrein van Amerpoort. Gezien het karakter van het gehele terrein lag de nadruk van het onderzoek bij het bepalen van de verschillende aanwezige soorten. Amfibieën en reptielen In twee bezoeken zijn de watergangen onderzocht op aanwezigheid van amfibieën, en is gericht gezocht naar aanwezige andere amfibiesoorten en reptielen, in het bijzonder kamsalamander en ringslang. Binnen de te ontwikkelen deelgebieden liggen geen wateren, maar de deelgebieden kunnen een functie hebben als landhabitat voor verschillende amfibieënsoorten. Ringslang is bekend uit het gebied, met het onderzoek wordt de verspreiding van de soort en ligging van potentieel leefgebied nauwkeuriger in beeld gebracht.

19

2.2

Resultaten: aanwezige soorten en potenties

2.2.1 Paddenstoelen De paddenstoeleninventarisatie resulteerde in 110 soorten paddenstoelen. Hierbij was één Rode Lijst-soort, te weten de bruine ringboleet. Provinciale aandachtssoorten zijn niet aangetroffen (Van Tweel 2021). Op locatie A1 zijn de omstandigheden voor paddenstoelen ongunstig. Het grasland is te voedselrijk en is er te veel bodemverstoring. Het bosgedeelte heeft een te dikke strooisellaag. Enkele bomen bij de parkeerplaats hebben wel enige potenties. In dit deelgebied zijn in totaal 32 soorten aangetroffen, hoofdzakelijk soorten van loofbossen, bermen en ook soorten van verstoorde omstandigheden, waaronder oranjerode stropharia, gekraagde aardster en de langsteelfranjehoed. In A2 werden paddenstoelen voornamelijk gevonden in de resterende bosstrook aan de oostkant. Hier zijn karakteristieke soorten van naaldbos gevonden, zoals kleverig koraalzwammetje, blauwe kaaszwam, sparrenkegelzwam en rossige melkzwam. Op de kapvlakte zijn vooral houtzwammen gevonden zoals geelbruine plaatjeshoutzwam en diverse soorten elfenbankjes, kenmerkend voor dood hout. Ook voor A3 geldt dat de omstandigheden voor paddenstoelen matig zijn doordat de bosgedeelten een dikke strooisellaag en/of veel groei bramen kennen, de graslanden kennen te veel verstoring.

Naast een aantal soorten die kenmerkend zijn voor bermen en bossen zijn ook hier verschillende soorten van voedselrijke en verstoorde omstandigheden gevonden, zoals franjehoeden. De taluds in compensatielocaties B1 en B2 zijn door struiken, takken en strooisel ongeschikt voor paddenstoelen. Daarnaast zijn de struwelen met rododendrons ongeschikt, en zijn de graslanden te voedselrijk voor paddenstoelen. De dikkere bomen op en langs de grasstroken hebben wel potenties voor paddenstoelen, vooral mycorrhiza-vormers. Verder zijn het de bosjes waar paddenstoelen aangetroffen zijn. In B1 zijn in totaal 14 soorten aangetroffen, de meeste hiervan zijn algemeen in bossen. Twee soorten vallen hier op: de narcisridderzwam, een mycorrhiza-vormende soort die veel in en bij bermen voorkomt, en de bruine ringboleet (Rode Lijst gevoelig), een soort van schrale, niet teveel verzuurde plekken met een dunne strooisellaag bij Dennen. Omdat beide soorten direct langs het pad stonden geven ze maar beperkte informatie over de mycologische waarde van de taluds. In deelgebied B2 zijn 29 paddenstoelsoorten aangetroffen. De meeste zijn weinig karakteristieke soorten die in allerlei bossen voorkomen. Een aantal soorten geeft voedselrijke en vaak verstoorde omstandigheden aan, zoals geschubde inktzwam, tranende franjehoed, paarse schijnridderzwam en bleekgele bundelzwam.

Enkele soorten zijn karakteristiek voor bermen en komen vooral in de grasstroken met bomen voor, zoals vliegenzwam en gevlekte vezelkop. In het gebied rond de kinderboerderij, deelgebieden B3 t/m 6, zijn 29 soorten aangetroffen, vooral algemene soorten van bossen, voedselrijke en verstoorde plekken en enkele soorten karakteristiek voor voedselrijke graslanden, zoals dooiergele mestzwam en spitse vlekplaat. Deze twee soorten zijn gevonden op en langs het dijkje in deelgebied B6. In deelgebied B7, een klein stukje verbraamd bos rondom een greppel, is één paddenstoelensoort aangetroffen: gewone melksteelmycena. Potenties voor paddenstoelen in het gebied In het algemeen kan gesteld worden dat het gebied matig geschikt is voor padenstoelen. Grote knelpunten zijn de voedselrijkdom en de verstoring van de bodem en de ophoping van bladeren en takken. Er zijn wel plekken waar de waarde voor paddenstoelen vergroot kan worden, maar dan slechts door grotere ingrepen of wijziging van het beheer.

20

In deelgebied B1 en B2 heeft het talud van de watergang potenties voor bijzondere paddenstoelen wanneer opslag van bomen en struiken, en takafval en strooisel worden verwijderd tot op de minerale (zandige) bodem. Dit dient dan jaarlijks bijgehouden te worden. Ook op de vlakkere delen kunnen potenties worden ontwikkeld voor paddenstoelen. Het blad van rododendrons is giftig voor de meeste schimmelsoorten, deze struwelen kunnen worden verwijderd. De grasstroken kunnen verbeteren door intensiever maaibeheer, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Verstoring van de graslanden moet worden voorkomen. In deelgebied B3 liggen de potenties vooral op en langs de kade. Bij verschralen kan hier een paddenstoelenflora ontstaan met bijzondere graslandpaddenstoelen. De omstandigheden op het terrein van de dierenweide en het bos zijn matig, door de naar verwachting hoge voedselrijkdom en bodemverdichting. 2.2.2 Korstmossen In de onderzochte terreindelen zijn in totaal 91 soorten korstmossen aangetroffen (Bijlage 2) (Van Herk 2021). Geen van deze soorten is een aandachtsoort in het beleid van de Provincie Utrecht. Op de lijst met provinciale aandachtssoorten zijn 29 soorten korstmossen opgenomen. Deze zijn alle ook opgenomen op de Rode Lijst. De meeste aandachtssoorten zijn strikt gebonden aan bijzondere biotopen in de provincie Utrecht, maar die niet aanwezig zijn op het terrein van Amerpoort.

Dit zijn onder andere zandverstuivingen, heidevelden, graniet van IJsselmeerdijken, kalksteen van vestingwerken, en essenhakhout. Naast het ontbreken van geschikt substraat zijn de meeste aandachtssoorten niet eerder op nabij het terrein van Amerpoort aangetroffen (op niveau van 5x5km2-hokken). In aanvulling op de aandachtssoorten is ook aandacht besteed aan de overige Rode Lijstsoorten. In totaal 311 soorten korstmossen staan op deze lijst. Hiervan zijn twee aangetroffen, te weten het beukenvlekje (Arthonia didyma) en de kalkspikkel (Strigula taylorii), beide geclassificeerd als 'kwetsbaar' op de Rode Lijst korstmossen. De eerste groeit op lijsterbes (Sorbus aucuparia) in deelgebied B2; de tweede op oude esdoorns (Acer pseudoplatanus) in deelgebied A1. Vermeldenswaardig is verder de aanwezigheid van Geel schorssteeltje (Chaenoteca chrysocephala) (een zeldzame soort zonder Rode Lijst-status) op een oude zomereik in deelgebied A1. Potenties voor korstmossen in het gebied De potenties voor aandachtssoorten zijn in theorie het grootst voor epifytische (schorsbewonende) soorten. Van de onderzochte deelgebieden geldt dit vooral voor deelgebied A1, waar diverse oude bomen staan. Het gaat hier dan om soorten als gemarmerd vingermos (Physcia aipolia) of fors Rijpmos (Physconia distorta), die bij het onderzoek niet zijn aangetroffen. Deelgebied A1 betreft echter een ontwikkellocatie.

Een deel van de bomen zal gehandhaafd blijven. De belangrijkste natuurwaarden met betrekking tot korstmossen kunnen bij ontwikkeling worden gehandhaafd door het sparen van de oude solitaire bomen en de rijen lindes en eiken. De overige ontwikkellocaties hebben geringe waarde voor korstmossen. Veel van de epifyten op de provinciale lijst zijn zeer gevoelig voor ammoniak (bijvoorbeeld bruin boerenkoolmos Tuckermanopsis chlorophylla). Aangezien zelfs soorten met een matige gevoeligheid voor ammoniak niet aangetroffen zijn (zoals gewoon schorsmos Hypogymnia physodes), ligt de aanwezigheid van soorten met een zeer hoge gevoeligheid in dit gebied niet erg voor de hand. Dit heeft te maken met de ligging van het terrein van Amerpoort aan de rand van de Utrechtse Heuvelrug, op de overgang naar de Eempolder. In deze regio zijn de ammoniakconcentraties relatief hoog.

21

Voor de compensatielocaties is per deelgebied een inschatting gemaakt van de potenties voor natuurontwikkeling voor wat betreft korstmossen. Dit is gedaan op grond van de actueel aanwezige biotopen, boomsoorten en andere substraattypen. Deelgebied B1: De belangrijkste waarde voor korstmossen is gelegen in een oude beukenhaag die door het hek langs het pad aan de westzijde gevlochten is. Hierop groeien een paar zogenoemde 'oude bossoorten', o.a. gewoon schriftmos (Graphis scripta). De waarde van deze heg kan verder ontwikkeld worden door goed onderhoud (regelmatig snoeien, zodanig dat de stammetjes traag en gestaag dikker worden), en meer licht toe te laten (kappen van de naaldbomen). Oude beukenhagen (bijvoorbeeld berceaus) staan bekend als refugium voor oude bossoorten. Sierlijk schriftmos (Graphis elegans, een aandachtsoort) zou zich erop kunnen vestigen. Deelgebied B2: Het noordelijke eikenbos is duidelijk het waardevolst. De hierin voorkomende heesters en bomen met een gladde bast, met name lijsterbes en hazelaar, vormen de groeiplaats van een paar oude bossoorten, o.a. het beukenvlekje (Arthonia didyma) (die bekend is uit de omgeving, namelijk landgoed Groeneveld). Verder bevindt zich aan de noordrand (langs de Isengardlaan) wederom een oude beukenhaag met o.a. gewoon schriftmos , eveneens van belang voor oude bossoorten. Zie deelgebied B1 voor gewenst beheer.

In het bosgedeelte is het wenselijk om het aanwezige naaldhout (douglassparren en dennen) te verwijderen, aangezien deze bomen op den duur te veel licht gaan wegnemen. Deelgebied B3: De waarde voor korstmossen is beperkt. De deelgebieden B4 en B5: Langs de weides staan houten hekken; hierop zitten diverse zuurminnende korstmossen. De weides worden tamelijk intensief gebruikt, en zijn te voedselrijk voor bodembewonende korstmossen. Op de bomen zitten veel stikstofminnaars. De waarde voor korstmossen is beperkt. Deelgebied B6: Er zijn geen bodembewonende korstmossen aangetroffen. Op een houten hek zitten een paar zuurminnende korstmossen. De waarde van de epifyten (op een Amerikaanse eik en op een paar heesters) is beperkt. Deelgebied B7: De huidige waarde voor korstmossen is vrijwel nihil. 2.2.3 (Korst)mossen en vaatplanten Er zijn geen mossoorten vastgesteld die op de lijst van provinciale aandachtssoorten staan, wel is een plantensoort van deze lijst aangetroffen. Dit betreft glad biggenkruid (hypochaeris glabra). Dit is een pioniersoort van schrale, open en warme vegetaties. De plant is in de berm direct langs de Huydecoperlaan aangetroffen. Van de andere provinciale aandachtssoorten is het onwaarschijnlijk dat soorten in de deelgebieden hier voorkomen. Het zijn alle vrij bijzondere soorten, van bijzondere biotopen en/of mooie graslanden. Ze staan alle op de Rode Lijst.

In deelgebied A1 wordt de begroeiing van (voormalige) gazons en bermen gedomineerd door triviale grassen en bladmossen van voedselrijk milieu. Met uitzondering van zandhaarmos en gewone veldbies zijn geen soorten met een voorkeur voor schrale omstandigheden vastgesteld. In de voegen van de verharding is de gebruikelijke pioniervegetatie tot ontwikkeling gekomen met zilvermos en andere knikmossen. Op ruderale plekken vinden we de standaardcombinatie van krulmos, purpersteeltje, smaragdsteeltjes en broedkorrelknikmossen. In de bosstrook tussen A1 en de Zandheuvelweg groeien onder meer grove den, zomereik, wilde lijsterbes en beuk. De bodem is bedekt met een dikke laag slecht verterend strooisel.

22

De bedekking van terrestrische bossoorten is gering, al zijn fijn laddermos, fraai haarmos en groot laddermos plaatselijk talrijk. Op twijgen en dunne takken vinden we het gewone assortiment korstmossen met een sterke binding aan gladde schors, onder meer: gewone stipjes, gewoon purperschaaltje en witte schotelkorst. Zoals overal in bossen op relatief droge en voedselarme bodem is de beschutte kant van eiken- en dennenstammen deels blauwgrijs gekleurd door het korrelige thallus van de gewone poederkorst, een ‘regenschaduwspecialist’. Het wordt vaak geflankeerd door gesnaveld klauwtjesmos, een zeer algemene soort zonder duidelijke ecologische voorkeur. Dit bladmos heeft een enorme concurrentiekracht op verrijkte schors, dankzij de snelgroeiende stengeluitlopers. Het verdringt op veel plaatsen de korstmossen met een sterke voorkeur voor voedselarme schors zoals bleekgroene schotelkorst, gebogen schildmos en gewoon schildmos. Deze afname wordt in ruime mate gecompenseerd door de toename van bosschildmos, groot en vals dooiermos, poedergeelkorst, vingermossen en andere stikstofminnende korstmossen. De amoebekorst heeft zich in Nederland sterk uitgebreid als gevolg van klimaatopwarming. Tegenwoordig is amoebekorst ook op bomen en struiken in Amerpoort algemeen. Hetzelfde geldt voor dun schaduwmos en ammoniakschotelkorst.

Zoals de naam al suggereert heeft laatstgenoemde de uitbreiding in ons land vooral te danken aan de verhoogde ammoniakdepositie. Sommige mossen en korstmossen leven nagenoeg uitsluitend op rottend hout en zijn indicatief voor bossen met bovengemiddeld hoge natuurwaarden. Hierom zijn in de bosstrook langs de Zandheuvelweg verschillende boomlijken onder de loep genomen. Op een sterk verrotte omgevallen den werd, behalve de dood hout specialisten geklauwd pronkmos, smal bekermos en het vrij zeldzame korstmos groenoogje, een polletje kussentjesmos aangetroffen (Habitatrichtlijnsoort Annex V). Kussentjesmos heeft te lijden van de toenemende strooiselbedekking in bossen en zoekt zijn toevlucht tot liggende boomlijken die van strooiselbedekking gevrijwaard blijven. Deelgebied A2 omvat een bosstrook met sparren langs de oostgrens van het terrein. In de ondergroei overheersen adelaarsvaren en braam. De bodem is mosloos. De grootste oppervlakte van A2 wordt in beslag genomen door een ruderaal terrein dat dienst doet als gronddepot. Dit is het domein van pioniermossen (Tabel 2). Het grootste deel van Deelgebied A3 is verhard erf en bebouwing van betrekkelijk recente datum. De bekende muurschotelkorst is de meest in het oog springende steenbewoner. Gezien de goede staat van onderhoud en het intensieve gebruik zijn geen bijzonderheden te verwachten.

Ook de aanplant van Amerikaans eik ten zuiden van het bewoonde deel van A3 herbergt geen bijzondere mossen of korstmossen. De enige uitzondering betreft wellicht de groene suikerkorst. Dit onopvallende korstmos is de laatste jaren sterk in opmars, maar staat nog steeds als zeldzaam te boek. Het is een van de weinige epifyten op Amerikaanse eik. Deelgebied B1 t/m B7 Binnen de grenzen van de deelgebieden B1 t/m B7 bestaan B3 t/m B5 en B7 grotendeels uit verhard erf met bebouwing, deels met agrarische bestemming, deels als vuilstort en volière. Aandachtsoorten zijn hier niet vastgesteld. Deelgebied B1 omvat steile verruigde oeverstroken langs open water. B2 betreft een strook met sierstruiken (o.a. rododendron) die in zuidelijke richting overgaat in een met bramen verruigd greppeltalud. Ook B6 betreft een greppel met steilkanten. Waar de minerale bodem niet met strooisel is bedekt groeit gewoon pronkmos, een karakteristieke bewoner van steilkanten in bossen. Op de oude bomen langs paden en wegen, in meerderheid Amerikaanse eik, zijn geen bijzondere mossen en korstmossen waargenomen. De epifytenflora van B1 t/m B8 wijkt niet noemenswaardig af van die zoals is beschreven voor A1 en de bosstrook langs de

23

Zandheuvelweg. Vermeldenswaard is wel het hamsteroortje, een minuscuul korstmos dat graag in gezelschap verkeerd van helmroestmos, een van de drie levermossen die in Amerpoort zijn aangetroffen. Hamsteroortje gold ooit als uiterst zeldzaam, maar heeft zich de laatste jaren spectaculair uitgebreid en is nu niet meer bedreigd. Een ander vrij zeldzame epifyt, gewoon schriftmos, is aangetroffen op een stammetje van haagbeuk in de oude haag op de grens van B1 en B2. Samenvatting resultaat Provinciale aandachtsoorten van de mossen zijn in Amerpoort niet aangetroffen. Van de 80 soorten (37 bladmossen, 3 levermossen en 40 korstmossen) groeit ruim de helft bij voorkeur op stammen en takken (epifytisch). Steenbewoners zijn niet uitputtend geïnventariseerd. Er is een Habitatrichtlijnsoort Annex V vastgesteld: kussentjesmos. Een aandachtsoort vaatplant is aangetroffen: glad biggenkruid. Dit betreft een enkele groeiplaats langs verharding, in de deelgebieden zelf is geen biotoop voor glad biggenkruid aanwezig. 2.2.4 Broedvogels De binnen Amerpoort aangetroffen aandachtssoorten zijn in

Tabel 2.1 weergegeven. Binnen de deelgebieden zijn er enkel waarnemingen gedaan van aandachtsoorten zwarte specht en ijsvogel. Daarnaast zijn er enkele Rode Lijst-soorten aangetroffen die geen aandachtsoort zijn. Zo is de huismus bekend binnen het bebouwd gebied van Amerpoort. De randzones waarin de ontwikkellocaties liggen hebben geen essentiële functies voor de soort, al kunnen ze er wel incidenteel voorkomen. Van zwarte specht werd eenmalig een waarneming gedaan van een foeragerend exemplaar. Het gebied heeft geen belangrijke functie voor de soort. Ze broeden in oude beukenlanen in gebieden met weinig verstoring. Binnen de begrenzing van Amerpoort zijn ze niet broedend te verwachten, wel kunnen dieren uit de omgeving op hun foerageertochten ook binnen Amerpoort worden aangetroffen. Van ijsvogel is een losse waarneming bekend bij de watergang aan westkant van het terrein (bron: NDFF). Er zijn geen broedgevallen bekend, gedurende de inventarisaties in 2021 is de ijsvogel niet waargenomen. Een bosrijke omgeving met weinig visrijk water is geen optimaal biotoop voor ijsvogel. Vogels uit de omgeving kunnen het gebied wel aandoen om te foerageren. Van de Rode Lijst-soorten zijn van grauwe vliegenvanger enkele waarnemingen bekend langs de Zandheuvelweg. Van grote lijster zijn waarnemingen bekend op aangrenzend Landgoed Groeneveld.

Ook zwarte mees is bekend van net buiten Amerpoort. Dis is een soort van naaldbos, waarvoor geen geschikt biotoop aanwezig is binnen de onderzochte deelgebieden. Van deze soorten zijn geen waarnemingen gedaan in de deelgebieden bij de inventarisatie in 2021. Voor beheertype N16.03 worden verschillende kwalificerende broedvogelsoorten onderscheiden (bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12). Dit zijn appelvink, boomklever, boomleeuwerik, fluiter, geelgors, groene specht, keep, kleine bonte specht, middelste bonte specht, raaf, sijs, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, zwarte specht. Van al deze soorten is enkel de boomklever vrij algemeen aanwezig binnen de begrenzing van Amerpoort, en binnen een aantal deelgebieden. Het is een soort die boomholtes bewoont in oudere loofbomen. Overige soorten zijn niet vastgesteld, en het plangebied biedt in potentie beperkt habitat voor enkele van deze soorten.

24

Tabel 2.1 In of nabij Amerpoort aanwezige provinciale aandachtssoorten en Rode Lijst-soorten vogels soort zwarte mees huismus grauwe vliegenvanger grote lijster zwarte specht ijsvogel

2.2.5

wetenschappelijke naam Periparus ater Passer domesticus Muscicapa striata Turdus viscivorus Dryocopus martius Alcedo atthis

Rode Lijst Rode Lijst: Gevoelig Rode Lijst: Gevoelig Rode Lijst: Gevoelig Rode Lijst: Kwetsbaar -

aandachtsoort

aandachtsoort aandachtsoort

Vleermuizen

Bij het onderzoek zijn vijf soorten vleermuizen aangetroffen (Tabel 2.2), alle aandachtsoorten in het provinciaal natuurbeleid. De meest algemene is gewone dwergvleermuis, een ook landelijk zeer algemene gebouwbewonende soort waarvan ook binnen Amerpoort verblijfplaatsen bekend zijn (Horstink 2019). Er zijn op verschillende plekken foeragerende dieren gevonden. Dit hoofdzakelijk in randzones langs (bos)randen en op open plekken in het gehele gebied. Bij alle deelgebieden zijn waarnemingen gedaan van gewone dwergvleermuis. Ook laatvlieger is een gebouwbewonende soort. Hiervan is een enkele waarneming gedaan van een passerend dier in deelgebied A3. Het eerdere onderzoek naar verblijfplaatsen (Horstink, 2019) toonde geen verblijven aan van laatvlieger binnen de onderzochte gebouwen. Mogelijk is elders op het terrein een verblijfplaats aanwezig, maar die dieren kunnen ook afkomstig zijn uit verblijven op grote afstand van Amerpoort, gezien de afstanden die ze af kunnen leggen. Ze foerageren veel langs bosranden op grotere insecten als (mei)kevers, welke in grote getalen voorkomen op Amerpoort. Ruige dwergvleermuizen hebben (paarverblijven) in bomen, maar vaak ook in gebouwen. Paarverblijven zijn bekend van gebouwen op het terrein (Horstink 2019).

Het veldonderzoek in 2021 leverde waarnemingen op van foeragerende ruige dwergvleermuizen bij de watergang van deelgebied B1 en langs de beukenlaan op de grens met Landgoed Groeneveld. Verder zijn op verschillende plekken passerende ruige dwergvleermuizen waargenomen. Rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis zijn boombewoners. Rosse vleermuis heeft vaak verblijven in oude beuken. Verschillende waarnemingen van foeragerende dieren zijn gedaan rond de beukenlaan op de grens met Landgoed Groeneveld. De beuken herbergen waarschijnlijk ook verblijfplaatsen voor de rosse vleermuizen. Op deze locatie werden ook foeragerende grootoorvleermuizen gehoord. Verder werden foeragerende rosse vleermuizen gehoord bij deelgebied B1 en B2. Passerende rosse vleermuizen werden waargenomen bij A1, A2, A3 en verschillende andere locaties buiten de deelgebieden. Rosse vleermuizen foerageren vooral in open terreinen, en vaak boven water. Gewone grootoorvleermuis foerageert in meer dichte begroeiing. Naast de beukenlaan is de soort enkel even ten noorden van de Huydecoperlaan aangetroffen. Grootoorvleermuizen zijn lastig te vinden, en alleen op korte afstand te horen. Vermoedelijk foerageren ze verspreid over het hele terrein van Amerpoort rond insectenrijke loofbomen. De deelgebieden lijken geen bijzondere kwaliteiten te hebben voor vleermuizen.

Naar verwachting zullen rosse vleermuizen buiten de plekken waar ze binnen Amerpoort zijn vastgesteld vooral op de omliggende landgoederen, met veel open gebied en randzones, foerageren. Dit geldt ook voor laatvlieger. De twee dwergvleermuizen kunnen foerageren op het gehele terrein, ook rond bebouwing en terreinverlichting. Hierbij zijn vooral luwe, open randzones waar veel insecten aanwezig zijn in trek.

25

Tabel 2.2 aanwezige provinciale aandachtsoorten en Rode Lijst-soorten vleermuizen soort gewone dwergvleermuis gewone grootoorvleermuis laatvlieger rosse vleermuis ruige dwergvleermuis

wetenschappelijke naam Pipistrellus pipistrellus Plecotus auritus Eptesicus serotinus Nyctalus noctula Pipistrellus nathusii

Rode Lijst kwetsbaar onvoldoende bekend -

aandachtsoort aandachtsoort aandachtsoort aandachtsoort aandachtsoort aandachtsoort

Vliegroutes Vliegroutes zijn vaak lijnvormige structuren in het landschap, welke een beschut traject vormen van verblijfplaats naar foerageergebied en terug, waarlangs vaak ook gefoerageerd wordt. Opgaande structuren kunnen dekking bieden aan met name de kleinere vleermuissoorten en functioneren als vliegroute. Grotere soorten als laatvlieger en rosse vleermuis vliegen doorgaans los van dergelijke structuren. Vliegroutes zijn essentieel wanneer deze van belang zijn voor het functioneren van een lokale populatie. Essentiele vliegroutes worden, gezien de grote hoeveelheid groen en geschikte alternatieven en de relatief lage aantallen vleermuizen, niet verwacht in het gebied. Dit werd eerder ook reeds geconcludeerd (Horstink 2019). Foerageergebieden Gewone dwergvleermuizen zijn verspreid over Amerpoort waargenomen. Waarschijnlijk zijn dit dieren uit kolonies op het terrein van Amerpoort zelf of van Sherpa of Drakenburg. De aantallen foeragerende dwergvleermuizen wijzen niet op aanwezigheid van grote aantallen uit eventuele andere kolonies. 2.2.6 Amfibieën en reptielen Aandachtssoorten Amfibieën en reptielen die zijn aangetroffen zijn Kamsalamander Triturus cristatus (RL Kwetsbaar) en Ringslang Natrix helvetica (RL kwetsbaar). Het enige andere reptiel dat in het gebied is gevonden is de hazelworm Anguis fragilis. Deze heeft geen bedreigde status (RL Thans Niet Bedreigd).

Verder komen de algemene amfibieën gewone pad en bruine kikker voor in het gebied. Ringslang komt verspreid voor in het gebied, maar waarnemingen zijn vooral gedaan rond de voor deze soort aangelegde broeihopen bij deelgebied A6 en in het zuidwestelijke punt van Amerpoort op de grens met Landgoed Groeneveld. De dieren foerageren langs de watergangen op onder meer amfibieën. De aangelegde broedhopen dienen als voortplantingslocatie, en mogelijk ook als overwinteringslocatie. Het inrichten van een moeraszone in dit deelgebied maakt het geschikter voor amfibieën, en vergroot de hiermee de foerageermogelijkheden voor ringslang. Van kamsalamander zijn enkele waarnemingen bekend. De soort is gezien bij de watergang ten zuiden van deelgebied A2. Hoewel de watergang in huidige toestand minder geschikt lijkt, is deze mogelijk als voortplantingswater in gebruik geweest. Dit geldt ook voor de watergangen elders op het terrein. Kamsalamander is met name bekend van poelen ter hoogte van Amerpoort aan de westzijde van de A27, en enkele poelen en waterpartijen op landgoederen en bos ten oosten en zuiden van Amerpoort.

26

3

Conclusies natuurwaarden

Zoals eerder genoemd is het van belang bij de naar de aspecten oppervlakte, kwaliteit, samenhang en wezenlijke kenmerken en waarden. Hieronder worden deze aspecten beschreven voor de beoogde ontwikkellocaties. De wezenlijke kenmerken en waarden worden beschreven aan de hand van de volgende aspecten: · Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem; · De robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN; · De aanwezigheid van bijzondere soorten; · De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen. 3.1

Oppervlakte, kwaliteit en samenhang

Oppervlakte De oppervlakte waar men wil ontwikkelen betreft in totaal 2,08 hectare onverhard terrein. Kwaliteit De natuur op deze locaties betreft bosgebied met het beheertype N16.03 Droog bos met productie (Index Natuur en Landschap, BIJ12). Dergelijke bossen kunnen een hoge natuurwaarde hebben wanneer ze een gevarieerde structuur hebben en er oude, dikke bomen aanwezig zijn en ook veel dood hout. Dit is beperkt het geval in het plangebied. Dood hout is afwezig. In A3 staan een aantal oudere dikke Amerikaanse eiken. Deze zijn onderdeel van een laan en zullen blijven staan. Aan de rand van A2 staan een aantal relatief oude sparren buiten de Rondweg. Wanneer gekeken wordt naar de structuurkenmerken van N16.01 is de kwaliteit laag van de 3 ontwikkellocaties. Kwalificerende soorten komen beperkt voor, op basis hiervan kan de kwaliteit van A1, A2 en A3 als ”laag” worden aangemerkt. Wanneer het bosgebied op Amerpoort op een groter schaalniveau wordt bekeken kan de kwaliteit in de categorie ”midden” vallen, omdat er dan enkele Rode Lijst-soorten mee beschouwd kunnen worden, met name huismus en kamsalamander. Voor de andere in het plangebied vastgestelde broedvogelsoorten van de Rode Lijst geldt dat op Amerpoort nauwelijks geschikt broedbiotoop aanwezig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12442211/1