353107 Derde Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Baarn 2019 bijlage 3 Raadsbesluit derde wijziging Algemene plaatselijke verordening Baarn 2019 INCL VERW AMENDEMENT
Tekst van het document
Raadsbesluit derde wijziging Algemene plaatselijke verordening Baarn 2019 Besluit van de raad van de gemeente Baarn tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Baarn 2019 De raad van de gemeente Baarn; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 maart 2022; gelet op de artikel 149 van de Gemeentewet; besluit: Artikel I De Algemene plaatselijke verordening Baarn 2019 wordt als volgt gewijzigd: A Aan artikel 1:1 wordt achter ‘college: het college van burgemeester en wethouders’ ‘van Baarn’ toegevoegd. B In artikel 1:1 vervalt in de definitie van ‘gebouw’ de zinsnede ‘onder c,’. C Aan artikel 1:6, onder b wordt ‘die zijn’ ingevoegd na ‘inzichten’. D In artikel 2:1, tweede lid, wordt ‘zijn weg’ vervangen door ‘de weg van diegene’ en wordt ‘hem’ vervanger door ‘de toezichthouder’. E In artikel 2:8, eerste lid en artikel 4:11a wordt ‘in de openbare ruimte’ vervangen door ‘op een openbare plaats’. F Aan artikel 2:8 wordt een tweede lid toegevoegd dat komt te luiden: ‘Het is verboden zonder vergunning op een niet openbare plaats een filmopname te maken voor andere dan privédoeleinden indien dit de openbare orde en veiligheid aantast.’. Het oude tweede tot en met vijfde lid worden vernummerd naar het derde tot en met zesde lid.
In het (nieuw vernummerde) derde lid, onder i, wordt ‘vier’ gewijzigd in ‘twee’ en in het (nieuw vernummerde) vierde en vijfde lid wordt ‘drie weken’ gewijzigd in ‘één week’. G In artikel 2:9, eerste lid wordt ‘ten behoeve van’ vervangen door ‘voor’. H Aan artikel 2:14, eerste lid, onder b wordt ‘, indien deze op een plek staan anders dan op een door de rechthebbende aangewezen plaats voor winkelwagentjes’ toegevoegd achter ‘van dat bedrijf’. I
In de artikelen 2:24, eerste lid, onder d, 2:28d, eerste lid, onder d, 2:34a, 2:48, tweede lid, onder a, 2:48, tweede lid, onder b, en 3:7, eerste lid, onder g, sub 1 en in de titel van Hoofdstuk 2 afdeling 5 wordt ‘Drank- en Horecawet’ vervangen door ‘Alcoholwet’. J In artikel 2:25a, aanhef, artikel 2:28c, tweede lid, onder a, artikel 2:39, derde lid, onder a, artikel 2:55, eerste lid en derde lid, wordt ‘zijn oordeel’ vervangen door ‘het oordeel van de burgemeester’ K Artikel 2:26, lid twee en drie vervallen. Het vierde, vijfde en zesde lid worden vernummerd naar lid twee, drie en vier. Het nieuwe lid vier wordt gewijzigd in: ‘Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie, brandweer en gemeentelijk toezichthouders in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.’ L Artikel 2:28, zevende tot en met twaalfde lid, worden vernummerd naar eerste tot en met zesde lid. M In artikel 2:28a, derde lid, 2:59, eerste lid en artikel 2:59a, eerste lid, wordt ‘hij’ vervangen door ‘de burgemeester’. N In artikel 2:28c, eerste lid, onder c, wordt achter ‘heeft bereikt’ ‘of, bij bedrijven waar uitsluitend etenswaren en niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt, indien de exploitant en/of leidinggevende van een openbare inrichting de leeftijd van achttien niet heeft bereikt’ toegevoegd.
O In artikel 2:28c, tweede lid, onder b, wordt ‘Bibob’ vervangen door ‘BIBOB’. P In artikel 2:31, onder d, wordt ‘volgende’ vervangen door 'volgens’. Q In artikel 2:31a wordt ‘hij’ vervangen door ‘de vergunninghouder’. R In artikel 2:32 wordt ‘hem’ vervangen door ‘de exploitant’. S In artikel 2:34c, eerste en tweede lid, wordt ‘Ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare orde’ vervangen door ‘Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde’. T Uit artikel 2:39, derde lid, wordt ‘weigert’ na ‘de burgemeester’ geschrapt.
U In artikel 2:46, tweede lid, wordt ‘Wegenverordening provincie Utrecht 2010’ vervangen door ‘Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht’. V In artikel 2:49, 5:30, eerste lid en 5:31, tweede lid, eerste zinsdeel, wordt ‘aan’ vervangen door ‘voor’. W In artikel 2:50 komt ‘telefooncellen,’ te vervallen. X Artikel 2:50b komt te vervallen. Y In de titel van artikel 2:54 wordt ‘Hinderlijk’ vervangen door ‘Verboden’. Z In artikel 2:57, eerste lid, onder d, wordt ‘dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen’ vervangen door ‘waarmee duidelijk kenbaar is wie de eigenaar van de hond is’. AA In artikel 2:57, derde lid en 2:58 tweede lid wordt ‘zijn’ vervangen door ‘een'. BB In artikel 2:59, eerste lid, wordt ‘zijn gedrag’ vervangen door ‘het gedrag van de hond’. CC In artikel 2:59a, eerste lid, komt ‘zijn’ te vervallen. DD Artikel 2:64, tweede, derde en vierde lid, komen te luiden: ‘2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 4.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale wegenverordening.’ EE In artikel 2:67 wordt ‘hij’ vervangen door ‘de handelaar’. FF In artikel 2:68 komt te luiden:
‘De handelaar of een voor de handelaar handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat de persoon het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van het woonadres van de handelaar en het adres van de bij de onderneming van de handelaar behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder 1., bedoelde adressen; 3. dat de persoon het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat de handelaar enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag de administratie of het register van de handelaar ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop de naam van de handelaar en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.’ GG In artikel 2:75 wordt ‘hem’ aangepast in ‘de burgemeester’. HH In artikel 2:78 wordt ‘hij’ vervangen door ‘deze persoon’. II Artikel 2:79, eerste lid, komt te luiden: 1.
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. JJ Onder artikel 2:79 wordt een nieuw artikel toegevoegd dat komt te luiden: ‘Artikel 2:80 Tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is.
Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan de burgemeester verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of d.
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan. 8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9.
Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van het bedrijf van de exploitant waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan
de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door de exploitant aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.’ KK Artikel 3:7 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid, aanhef, komt te luiden: ‘1. Een vergunning wordt geweigerd als:’ 2. Het tweede lid komt te luiden: ‘2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b.
betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.’ 3. In het vijfde lid, onder a, wordt ‘bevordering integriteitsbeoordelingen’ vervangen door ’BIBOB’. LL In artikel 3:8, tweede lid wordt ‘hij’ vervangen door ‘de exploitant’. MM In artikel 3:10 wordt ‘zijn seksbedrijf’ vervangen door ‘het seksbedrijf van de vergunninghouder’. NN In artikel 3:12, eerste lid, wordt ‘1.00 uur en 7 uur’ vervangen door ‘01.00 uur en 07.00 uur’. In het derde lid wordt ‘1:30 uur en 7:30 uur’ vervangen door ‘01.30 uur en 07.30 uur’. OO In artikel 3:13, onder a, wordt na ‘van het nummer’ ‘van de vergunning’ ingevoegd. PP Artikel 3:15, tweede lid komt te luiden: ‘2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: a. de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; b. inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in de bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;
c.
in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; d. in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; e. de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; f. de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; g. de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die de prostituee wil bezoeken; h. de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat gevolgen heeft voor de andere werkzaamheden van de prostituee; i. de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat gevolgen heeft voor de werkzaamheden van de prostituee; j. aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; k. de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij de exploitant gaat werken, teneinde vast te stellen of de prostituee voldoet aan de eisen die de exploitant hiervoor in het bedrijfsplan heeft opgenomen; l.
de exploitant voor elke voor of bij de exploitant werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden de prostituee de diensten van de prostituee aanbiedt; m. de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat de exploitant of beheerder in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; n. de exploitant aan de voor of bij de exploitant werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met het werk in de prostitutie; o. de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.’ QQ In artikel 3:15, vijfde lid wordt ‘haar’ vervangen door ‘de prostituee’. RR In artikel 3:21, eerste lid, wordt ‘hij’ vervangen door ‘de klant’ en ‘zij’ door 'deze persoon’. SS Artikel 4:8 komt te luiden: ‘Het is aan personen verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.’ TT De artikelen 4:13, 4:17, 4:18, 4:19, 4:20, 4:21, 5:24 en 5:25 vervallen. UU Artikel 5:2, derde lid, komt te luiden: ‘3. Het is degene wiens bedrijf, nevenbedrijf dan wel degene die er een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.
drie of meer voertuigen die aan de persoon toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van honderd meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.’ VV
In artikel 5:6, eerste lid, onder a en onder b en in 5:8, eerste en tweede lid, wordt ‘zijn oordeel’ vervangen door ‘het oordeel van het college’. WW In artikel 5:28, tweede lid en 5:30, tweede lid, wordt ‘provinciale vaarwegenverordening’ vervangen door ‘Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht’. XX Artikel 5:34A komt te luiden: ‘Artikel 5:34A Verbod carbid te schieten 1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden (ook wel carbid schieten genoemd). 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor carbid schieten buiten de bebouwde kom indien: a. gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van maximaal 50 liter; en b. de vaten zijn afgesloten met zacht materiaal; en c. het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen openbare wegen of paden liggen; en d. het gebruik plaatsvindt tussen 31 december 12.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar; en e.
er wordt geschoten in een richting die is afgewend van de woonbebouwing; en f. de betreffende locatie is gelegen op een afstand van ten minste: o 75 meter van woonbebouwing; en o 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; en o 300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden. g. het schietterrein wordt afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal. h. daarvan tenminste 3 weken voorafgaand aan de activiteit melding is gedaan aan de burgemeester.’ YY Artikel 5:38, tweede lid komt te luiden: ‘2. Het verbod is niet van toepassing op degene aan wie een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet is verstrekt.’ ZZ Artikel 6:4 komt te vervallen. AAA In artikel 6:5 wordt ‘verordening bedoeld in artikel 6:4’ vervangen door ‘Algemene plaatselijke verordening Baarn 2018’. BBB Aan het einde van artikel 6:6 wordt toegevoegd: ‘De derde wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Baarn 2019 treedt in werking op 28 april 2022.’. CCC Het ‘Uitvoeringsbesluit APV Baarn Verbod carbid te schieten’, van 9 april 2019 wordt ingetrokken.
Artikel II Dit besluit treedt in werking op 28 april 2022. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 april 2022. De voorzitter,
De griffier,
Toelichting Algemeen In de Algemene Plaatselijke Verordening Baarn 2019 wordt een aantal wijzigingen aangebracht. Artikelsgewijs Artikel I, onderdeel A Verduidelijking van definitie. Artikel I, onderdeel B Correctie van de verwijzing naar de Woningwet. Artikel I, onderdeel C Verbetering van leesbaarheid. Artikel I, onderdeel D Artikel is genderneutraal gemaakt. Niet enkel mannen kunnen een bevel van een toezichthouder krijgen of een toezichthouder zijn. Artikel I, onderdeel E Wijziging om de terminologie aan te laten sluiten bij de overige bepalingen in de APV. Artikel I, onderdeel F Door een vergunningplicht voor filmopnamen op niet openbaar terrein in te voeren, indien deze opnamen de openbare orde en veiligheid aantasten, worden bepaalde grote activiteiten, die net buiten de definitie van een evenement vallen, maar wel grote invloed op de omgeving kunnen hebben, vergunning plichtig. Daarnaast blijkt in de praktijk dat de indientermijn van vier weken voor een film melding niet te halen is en een week voldoende tijd is om dergelijke meldingen te kunnen behandelen. Artikel I, onderdeel G Verbetering van leesbaarheid. Artikel I, onderdeel H Verduidelijking van artikel. Artikel I, onderdeel I De Drank- en Horecawet is gewijzigd. De gewijzigde wet is op 1 juli 2021 in werking getreden.
De wet wordt voortaan aangeduid als Alcoholwet door wijziging van de citeertitel in artikel 49 van de wet. De verwijzingen in de APV naar de Drank- en Horecawet zijn daarop aangepast. Artikel I, onderdeel J Artikelen zijn genderneutraal gemaakt, een burgemeester kan mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel K Bij arrest van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad het in de APV opgenomen ‘colorverbod’ onverbindend verklaard, omdat dit in strijd is met het in artikel 7, derde lid, van de Grondwet neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting (ECLI:NL:HR:2021:1946). Het (nieuwe) vierde lid wordt gewijzigd zodat de gemeentelijke toezichthouders ook met name genoemd worden. Artikel I, onderdeel L Correctie van de nummering van de leden. Artikel I, onderdeel M Artikelen zijn genderneutraal gemaakt, een burgemeester kan mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel N Door deze wijziging wordt het mogelijk voor personen vanaf achttien jaar om leidinggevende te zijn in een horecagelegenheid die geen alcohol schenkt, de zogenaamde droge horeca.
Artikel I, onderdeel O Correctie van artikel. Artikel I, onderdeel P Correctie van artikel. Artikel I, onderdeel Q Artikel is genderneutraal gemaakt, een vergunninghouder kan mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel R Artikel is genderneutraal gemaakt, een exploitant kan mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel S Correctie van artikel. Artikel I, onderdeel T Correctie van artikel. Artikel I, onderdeel U In april 2021 is de Wegenverordening provincie Utrecht 2010 opgegaan in de ‘Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht’. Artikel I, onderdeel V Taal technische correctie. Artikel I, onderdeel W Er staan geen telefooncellen meer in Baarn en de verwachting is niet dat deze in de voorzienbare toekomst nog terugkomen. Artikel I, onderdeel X Zie toelichting onderdeel K. Artikel I, onderdeel Y Het artikel heeft niet enkel betrekking op hinderlijk lachgasgebruik. Artikel I, onderdeel Z Verbetering van leesbaarheid. Artikel I, onderdeel AA Artikelen zijn genderneutraal gemaakt, ook vrouwen kunnen een handicap hebben. Artikel I, onderdeel BB Artikel is genderneutraal gemaakt, honden kunnen mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel CC Artikel is genderneutraal gemaakt, eigenaren van honden kunnen mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel DD Dit bevat een redactionele wijziging van artikel 2:64, tweede, derde en vierde lid.
Artikel I, onderdeel EE Artikel is genderneutraal gemaakt, handelaren kunnen mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel FF Artikel is genderneutraal gemaakt. Artikel I, onderdeel GG Artikel is genderneutraal gemaakt, een burgemeester kan mannelijk of vrouwelijk zijn.
Artikel I, onderdeel HH Artikel is genderneutraal gemaakt. Artikel I, onderdeel II In artikel 2:79 van de APV is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. In verband hiermee is artikel 2:79 aangepast. Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten. Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt.
Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. Artikel I, onderdeel JJ De aanpak van ondermijnende criminaliteit is één van de prioriteiten van het Baarnse veiligheidsbeleid. Drugshandel, witwassen, (belasting)fraude, illegaal gokken, underground banking en uitbuiting zijn voorbeelden van criminele (economische) activiteiten die de samenleving kunnen ondermijnen. De aanpak van deze vorm van (georganiseerde) criminaliteit is een bijzonder lastige taak. De verwevenheid van boven- en onderwereld, alsmede de verhulling van de criminaliteit, bemoeilijken de bestrijding daarvan. Deze vormen van criminaliteit zijn niet altijd zichtbaar, maar tasten de fundering van de wijk aan. Ze bedreigen niet alleen de legale lokale economie maar zorgen ook voor een onveilig, niet leefbaar woon- en ondernemersklimaat. Het risico bestaat dat malafide ondernemers zich vestigen in sectoren waar het toezicht van de overheid beperkter is. Artikel 2:80 wordt in de APV opgenomen om handvatten te geven om het vestigingsklimaat voor ondernemers te verbeteren en de ondermijnende criminaliteit te bestrijden.
Artikel 2:80 geeft de burgemeester de bevoegdheid om via een aanwijzing een vergunningplicht te introduceren voor panden, straten, gebieden of branches om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan. Uit juridisch wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de gemeenteraad bevoegd is op grond van de autonome verordenende bevoegdheid om openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. Het betreft hier geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester. Deze vergunningplicht staat niet op zichzelf, maar maakt onderdeel uit van een brede aanpak gericht op het stimuleren van een gezond ondernemingsklimaat. De mogelijkheid tot het instellen van een vergunningplicht voor ondernemers is een van de instrumenten voor de bestrijding van malafiditeit in het ondernemerschap. De gemeente kan controle uitoefenen op de naleving van de gestelde voorwaarden en handhaven bij overtreding. Van de mogelijkheid om een vergunningplicht te introduceren gaat bovendien een preventieve werking uit. Dit draagt bij aan het aantrekken van bonafide ondernemers en het weren van malafide ondernemers.
Pandeigenaren worden zo gestimuleerd hun verantwoordelijkheid te nemen om bonafide ondernemers in hun panden te vestigen. Ook kan bij de aanvraag voor een vergunning de Wet Bibob worden ingezet. In 2013 is het toepassingsbereik van de Wet Bibob uitgebreid naar alle gemeentelijke vergunningen die worden afgegeven voor een bedrijfsmatige activiteit. Het instrument van een vergunningplicht is overigens niet ongebruikelijk in een gemeente. Zo geldt voor horeca-inrichtingen een vergunningplicht, waarbij aan vergelijkbare voorwaarden wordt getoetst. Het gaat dan ook om voorwaarden waarvan in beginsel van ondernemers kan worden geëist dat zij daaraan voldoen. Eerste lid De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van het begrip exploitant is aansluiting gezocht bij hoofdstuk 2. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke
persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Tweede lid De systematiek van artikel 2:80 gaat uit van een pand-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied.
De vergunning wordt op grond van artikel 1:7 verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit. De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten (strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn. Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche of gebied kan een vergunningplicht voor een branche of gebied worden ingevoerd. Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan ook de gehele gemeente beslaan.
Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden. Tot slot kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing gelden voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit kan gerechtvaardigd zijn nu de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen het grootst zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak. De burgemeester wijst een pand, gebied of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als in dat gebied dan wel door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteiten naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan.
Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Vierde en zevende lid De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6 en 1:8. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling
4 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Indien de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Sub d is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld. Vijfde en zesde lid In dit lid wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning geregeld, alsmede welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht teneinde een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de KvK. Indien dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit reden zijn om de vergunning in te trekken (zevende lid, sub h). Als het bevoegd bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken (zesde lid). Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen.
Achtste lid Artikel 2:55 biedt aansluitend de mogelijkheid overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Elfde lid Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen. Veertiende en vijftiende lid De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit.
Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan.
Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn. De openbare orde en veiligheid vormt eveneens de reden om van een lex silencio positivo af te zien.
Artikel I, onderdeel KK In dit onderdeel worden twee wijzigingen aangebracht in artikel 3:7, dat over de weigeringsgronden van de prostitutievergunning gaat. Deze houden verband met gedragseisen die aan de exploitant en beheerder van een seksinrichting worden gesteld. In de aanhef vervalt de zinsnede ‘Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8’, omdat dit in tegenspraak is met artikel 3:1 van de APV. Daarin staat dat artikel 1:8 (algemene weigeringsgronden) niet van
toepassing is op het prostitutiehoofdstuk. Bij de aanpassing van de APV in 2020 hebben wij deze zinsnede abusievelijk toegevoegd. In het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een schikking met een veroordeling gelijkgesteld. Hiervoor is in het verleden aansluiting gezocht bij het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. De verwijzing naar de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is geactualiseerd. De schikking is in die wet vervangen door een bestuurlijke strafbeschikking, waarin een geldboete kan worden opgelegd (artikel 76, tweede lid, AWR). Ook in het Alcoholbesluit dat het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet per 1 juli 2021 vervangt, is deze wijziging op deze wijze doorgevoerd. In verband hiermee is ook het woord ‘vrijwillige’ voor ‘betaling’ geschrapt. Voor de schikking op grond van artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht volgt de vrijwilligheid uit het accepteren van de schikkingsvoorwaarden. Artikel I, onderdeel LL Artikel is genderneutraal gemaakt, een exploitant kan mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel MM Artikel is genderneutraal gemaakt, een exploitant kan mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel NN Correctie Artikel. Artikel I, onderdeel OO Redactionele wijziging.
Artikel I, onderdeel PP Artikel is genderneutraal gemaakt, een exploitant en een prostituee kunnen beiden mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel QQ Artikel is genderneutraal gemaakt, een prostituee kan mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel RR Artikel is genderneutraal gemaakt, een klant en een prostituee kunnen beiden mannelijk of vrouwelijk zijn. Artikel I, onderdeel SS Verduidelijking van artikel, het is niet van toepassing op dieren, maar op personen. Artikel I, onderdeel TT Deze artikelen zijn verplaatst naar de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Artikel I, onderdeel UU Artikel is genderneutraal gemaakt. Artikel I, onderdeel VV Artikel is genderneutraal gemaakt. Artikel I, onderdeel WW Correctie van verwijzing. Artikel I, onderdeel XX Vanwege het vuurwerkverbod tijdens de jaarwisseling en om onveilige situaties te voorkomen, is nu twee jaar achter elkaar de hele gemeente aangewezen via een collegebesluit als locatie waar geen carbid afgeschoten mag worden. Aangezien Baarn geen (grote) traditie van carbid schieten kent, is het makkelijker en duidelijker om een algeheel verbod op carbid schieten in de APV op te nemen, met een ontheffingsmogelijkheid. Zo blijft het mogelijk voor organisaties die op professionele en veilige manier vaker carbid schieten om dit onder voorwaarden te blijven doen en komt er zicht op welke organisaties dit zijn.
De tekst van het aangepaste artikel is naar voorbeeld van de VNG. Artikel I, onderdeel YY
Correctie van verwijzing. De Monumentenwet is in 2016 vervangen door de Erfgoedwet. Artikel I, onderdeel ZZ De Algemene Plaatselijke Verordening 2018 is niet meer in werking dus hoeft ook niet opnieuw te worden ingetrokken. Artikel I, onderdeel AAA Aanpassing van verwijzing aan het vervallen van artikel 6:4. Artikel I, onderdeel BBB Toevoeging in verband met datum inwerkingtreding van de huidige wijzigingen. Artikel I, onderdeel CCC Door de aanpassing van artikel 5:34A is dit uitvoeringsbesluit overbodig en komt de wettelijke grondslag ervoor te vervallen.