351275 Beslissing op bezwaar tegen vestigen voorkeursrecht Drakenburgerweg bijlage 1 Advies Bezwaarcommissie AVG aangevuld
Tekst van het document
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN GEMEENTE BAARN Advies aan de gemeenteraad van Baarn (verder: de raad) Betreft het bezwaarschrift van de vennootschap onder firma Gebr. Van der Wurff, de heren J. van der Wurff en B.W. van der Wurff en mevrouw M.G. van der Wurff (verder: bezwaarmakers), ingediend door de heer mr. J.T. Fuller, advocaat bij Benthem en Gratama advocaten, ontvangen op 19 augustus 2021. Het bezwaarschrift is gericht tegen de volgende besluiten Het college besloot op 6 juli 2021 om met toepassing van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verder: de Wvg) een voorlopig voorkeursrecht te vestigen op de percelen Drakenburgerweg 8 (kadastraal bekend gemeente Baarn, sectie H, nummer 969) en Drakenburgerweg 10 (kadastraal bekend gemeente Baarn, sectie H, nummer 943). De raad besloot op 29 september 2021 het perceel Drakenburgerweg 10 aan te wijzen als perceel waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Concreet betekent dit dat de raad een voorkeursrecht vestigt op het genoemde perceel. Doelstelling van het bezwaarschrift is Bezwaarmakers willen bereiken dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op hun perceel Drakenburgerweg 10. Samenvatting van het commissie-advies De commissie adviseert u om de bezwaarschriften ontvankelijk te verklaren en het bestreden besluit ongewijzigd in stand te laten.
De commissie vindt dat u met toepassing van de Wvg een voorkeursrecht kon vestigen op het perceel Drakenburgerweg 10 in Baarn. De bezwaargronden geven geen aanleiding voor een ander standpunt. Het advies is als volgt onderbouwd
Inleiding
De gemeente Baarn werkt met de provincie Utrecht aan de verbetering van de verkeersveiligheid en verkeersdoorstroming op de provinciale weg N221. Dit plan is bekend onder de naam ‘Poort van Baarn’. In verband met dit plan besloot het college op 6 juli 2021 om een voorlopig voorkeursrecht te vestigen op de percelen Drakenburgerweg 8 en 10 in Baarn om de grondpositie van de gemeente Baarn veilig te stellen voor de beoogde ontwikkelingen. Het perceel Drakenburgerweg 8 is niet direct noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling van de Poort van Baarn, maar vanwege een
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
1
ruimtelijk belang en ontwikkelingen die in de omgeving van dit perceel plaatsvinden, is het voorlopige voorkeursrecht toch gevestigd op dit perceel. Ook besloot het college om de raad voor te stellen het voorkeursrecht definitief te vestigen op de genoemde percelen. De beslissing van het college is op 12 juli 2021 gepubliceerd in het digitale Gemeenteblad. Bezwaarmakers zijn de eigenaren van deze percelen. Zij zijn op 26 juli 2021 schriftelijk geïnformeerd over het besluit van het college. Bezwaarmakers kunnen zich niet vinden in het besluit van 6 juli 2021 en hebben daarom bezwaar gemaakt. Op 29 september 2021 besloot de raad om het voorkeursrecht alleen te vestigen op het perceel Drakenburgerweg 10. De raad zag geen publiek noodzakelijke reden voor het vestigen van een breder voorkeursrecht dan voor de uitvoering van de ‘Poort van Baarn’ nodig is. Daarom besliste de raad om geen voorkeursrecht te vestigen op het perceel Drakenburgerweg 8. Dit besluit is op 13 oktober 2021 gepubliceerd in het digitale Gemeenteblad. Bezwaarmakers zijn op 15 oktober 2021 schriftelijk geïnformeerd over het besluit van de raad.
Artikel 6, derde lid, van de Wvg regelt dat als een bezwaarschrift aanhangig is tegen een besluit tot voorlopige aanwijzing van gronden en dit besluit vervalt omdat een besluit van de raad tot aanwijzing in werking is getreden, het bezwaar mede wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van de raad. De commissie stelt vast dat het besluit van het college is komen te vervallen met het besluit van de raad over het vestigen van het onderhavige voorkeursrecht. Het bezwaarschrift van bezwaarmakers wordt daarom mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van de raad. In verband met de behandeling van het bezwaarschrift is op 2 december 2021 een hoorzitting gehouden. De gemachtigde van bezwaarmakers heeft de bezwaren mondeling toegelicht. Het verslag van de hoorzitting vindt u in bijlage 1.
Het oordeel van de commissie 1. De ontvankelijkheid
Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en voldoet ook voor het overige aan de wettelijke voorschriften. De commissie adviseert daarom het bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren. Het bezwaarschrift kan hierdoor inhoudelijk worden besproken.
Besluit van 6 juli 2021
Gelet op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Wvg, stelt de commissie vast dat het besluit van het college van 6 juli 2021 is komen te vervallen. Zoals opgemerkt, wordt het bezwaarschrift op grond van artikel 6, derde lid, van de Wvg geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van de raad van 29 september 2021. Met dat besluit vervalt naar het oordeel van de commissie niet de mogelijkheid en de noodzaak om een afzonderlijk besluit te nemen op het bezwaar gericht tegen het besluit van het college. Het is immers mogelijk dat het voorlopige voorkeursrecht schade heeft veroorzaakt. Daarom is het noodzakelijk om ook de rechtmatigheid van het voorlopig voorkeursrecht
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
2
te beoordelen. De commissie verwijst in dit kader naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 februari 2021 (ECLI:NK:RBOVE:2021:600). Gesteld noch gebleken is dat bezwaarmakers schade hebben geleden door het collegebesluit van 6 juli 2021. Wel hebben bezwaarmakers verzocht om een vergoeding van de gemaakte proceskosten in verband met dit bezwaar. In dit verzoek ziet de commissie echter geen aanleiding om nog een belang aanwezig te achten. De commissie wijst erop dat de wetgever met artikel 6 van de Wvg heeft beoogd bezwaarprocedures te stroomlijnen in de zin dat bezwaarmakers niet zowel tegen een voorlopig voorkeursrecht als tegen een definitief voorkeursrecht afzonderlijk bezwaar hoeven te maken. Het verzoek om vergoeding van de gemaakte proceskosten wordt daarom al betrokken bij de beoordeling van het raadsbesluit van 29 september 2021. De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat bezwaarmakers geen procesbelang meer hebben bij behandeling van het bezwaarschrift, voor zover dat gericht is tegen het collegebesluit.
Uit de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 februari 2021 blijkt verder dat wetgever ervoor heeft gekozen om in de bijzondere wet – de Wvg – in afwijking van de algemene regeling in de Algemene wet bestuursrecht, de bevoegdheid om te beslissen op het bezwaar dat is gericht tegen het collegebesluit van 6 juli 2021 toekent aan de raad, als deze binnen drie maanden na het besluit om een voorlopig voorkeursrecht te vestigen een definitief voorkeursrecht vestigt. Omdat die situatie zich hier voor heeft gedaan en de raad een definitief voorkeursrecht heeft gevestigd, is de commissie van oordeel dat de raad ook bevoegd is om te beslissen op het bezwaar voor zover dat is gericht tegen het besluit van het college.
2. De ingediende bezwaren
Bezwaarmakers voeren samengevat het volgende aan: a. Het vestigen van een voorkeursrecht op perceel 969 (Drakenburgerweg 8) is niet noodzakelijk voor de Poort van Baarn. Dit perceel is niet betrokken bij de beoogde ontwikkeling. b. Omdat aan perceel 969 geen niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik niet afwijkt van de toegedachte bestemming, kon het college geen voorlopig voorkeursrecht vestigen op dit perceel. c. Het vestigen van een voorkeursrecht op het hele perceel 943 (Drakenburgerweg 10) is buitenproportioneel. Alleen een klein deel van het perceel is betrokken bij de Poort van Baarn. d. Het vestigen van een voorkeursrecht heeft ernstige financiële nadelen voor bezwaarmakers. Deze nadelen zijn onevenredig voor bezwaarmakers. e. Het vestigen van een voorkeursrecht is niet in lijn met de bedoeling van de Wvg. Het perceel dat is bedoeld voor de Poort van Baarn is minder aantrekkelijk voor beoogde kopers. Aangezien het niet om een lucratieve bestemming gaat, is het risico dat marktpartijen de grond zullen kopen voor aanzienlijk hogere bedragen en daarmee voor prijsopdrijving zouden zorgen, nihil.
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
3
3. De commissie
De commissie moet beoordelen of op goede en gemotiveerde gronden het onderhavige voorkeursrecht kon worden gevestigd.
Toetsingskader
De Wvg regelt dat de raad gronden kan aanwijzen waarop een voorkeursrecht van toepassing is. Een voorkeursrecht betekent dat als de eigenaren de gronden willen verkopen, de gemeente voorrang heeft om te besluiten of hij de gronden wil kopen. Voor aanwijzing komen in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan. Gronden komen ook in aanmerking voor de vestiging van een voorkeursrecht als die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. Ook het college kan gronden aanwijzen waarop een voorkeursrecht van toepassing is. Dit betreft wel een voorlopige aanwijzing. Aan die gronden moet een niet-agrarische bestemming zijn toebedacht en het gebruik moet afwijken van de toegedachte bestemming. Een besluit van het college om voorlopig gronden aan te wijzen vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3, 4 of 5 in werking treedt.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met de invoering van de Wvg heeft beoogd om de positie van de gemeente te versterken bij de grondverwerving voor het realiseren van het ruimtelijke beleid, door de raad een middel te geven waarmee speculatie kan worden tegengegaan en de regie bij de verwezenlijking van de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen kan worden behouden. De commissie verwijst naar een uitspraak van 19 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1989). Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat de systematiek van de Wvg met zich brengt dat op het moment dat het (voorlopige) voorkeursrecht kan worden toegepast, veelal nog niet zeker zal zijn of de beoogde uitwerking feitelijk zal kunnen worden gerealiseerd. De commissie verwijst naar een uitspraak van 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1638). De raad dient bij zijn besluit wel rekening te houden met de belangen van bezwaarmakers.
Overwegingen
De commissie leidt uit de bestreden besluiten af dat het (voorlopige) voorkeursrecht op het perceel Drakenburgerweg 10 is gevestigd om in de toekomst de ruimtelijke ontwikkeling(en) in het kader van de ‘Poort van Baarn’ te kunnen realiseren. Voor zover relevant, vestigde het college het voorlopige voorkeursrecht op het perceel
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
4
Drakenburgerweg 8 vanuit ruimtelijke overwegingen en vanwege ontwikkelingen die in de nabijheid van het perceel plaatsvinden. De commissie stelt verder vast dat de raad op 29 september 2021 (geamendeerd) besloot om, in afwijking van het collegebesluit van 6 juli 2021, het voorkeursrecht niet te vestigen op het perceel Drakenburgerweg 8. De raad ziet geen duidelijke, publiek noodzakelijke reden voor een breder voorkeursrecht dan voor concrete uitvoering van de’ Poort van Baarn’. In het licht van het voorgaande kunnen de bezwaargronden voor zover die zich richten tegen het vestigen van het voorkeursrecht op perceel Drakenburgerweg 8, buiten bespreking blijven. Met het raadsbesluit is immers aan een gedeelte van de bezwaren tegemoet gekomen. Uit het dossier blijkt dat de gemeente Baarn in samenwerking met onder meer de provincie Utrecht werkt aan de verbetering van de verkeersveiligheid en de doorstroming van de provinciale weg N221. De commissie stelt vast dat dit een belangrijke toegangsweg is tot de gemeente. De gemeente Baarn is met de provincie Utrecht overeengekomen om de verwerving van de benodigde gronden op zich te nemen. Met de toepassing van de Wvg beoogt de gemeente de regierol rondom de aankoop van de grond en daarmee de realisatie van de ‘Poort van Baarn’ te behouden en speculatie met de gronden tegen te gaan.
De commissie is van oordeel dat in de onderhavige situatie aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid om een voorkeursrecht te vestigen is voldaan. De betreffende gronden zijn nog niet als zodanig opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie. Uit het dossier en het besluit blijkt echter dat in de nabije toekomst aan de aangewezen gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en dat het beoogde gebruik van die gronden afwijkt van die bestemming. Gelet op de algemene maatschappelijke belangen die betrokken zijn bij de ‘Poort van Baarn’, zoals de verkeersveiligheid en een goede doorstroming van verkeer in en rond Baarn, acht de commissie het standpunt om een voorkeursrecht te vestigen om de regierol van de gemeente in deze ruimtelijke ontwikkeling te behouden en speculatie met gronden te voorkomen, niet onredelijk. De commissie is dan ook van oordeel dat de raad op goede gronden kon overgegaan tot het vestigen van het voorkeursrecht. Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de Wvg en de vaste rechtspraak van de Afdeling, volgt de commissie bezwaarmakers niet in hun stelling dat het besluit niet in lijn zou zijn met de Wvg.
Dat de grond naar de mening van bezwaarmakers geen lucratieve bestemming heeft en het risico daarom nihil is dat commerciële partijen de grond zullen kopen voor hogere bedragen kan, wat daar ook van zij, niet afdoen aan het recht van de raad om met toepassing van de Wvg de regierol te nemen en te behouden op de realisatie van de Poort van Baarn. De commissie kan de raad volgen in het standpunt dat deze regierol nog belangrijker wordt nu de provincie in 2022 zal beslissen over het definitieve ontwerp.
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
5
Overige bezwaren
De stelling van bezwaarmakers dat het vestigen van een voorkeursrecht op het gehele perceel Drakenburgerweg 10 buitenproportioneel is, slaagt naar het oordeel van de commissie niet. Bezwaarmakers hebben niet weersproken dat ten tijde van de besluitvorming in de raad er nog geen definitief ontwerp was vastgesteld door de provincie Utrecht. Uit de toelichting die tijdens de hoorzitting door de vertegenwoordiger van het college en de raad is gegeven, blijkt dat de provincie Utrecht naar verwachting pas in 2022 een besluit zal nemen over het definitieve ontwerp. Pas als het definitieve ontwerp is vastgesteld door de provincie Utrecht, kan de raad een goede inschatting maken van de benodigde gronden voor het realiseren van de Poort van Baarn. In dat licht bezien kan de commissie het standpunt van de raad volgen om nu het gehele perceel aan te wijzen in plaats van een klein(er) gedeelte om zodoende onevenredige belemmeringen te voorkomen bij de realisatie van dit ruimtelijke project. De commissie laat hierbij meewegen dat uit het amendement dat door de raad is aangenomen voldoende blijkt dat de raad naar verwachting niet meer grond zal afnemen dan nodig is voor realisatie van de ‘Poort van Baarn’. Naar het oordeel van de commissie heeft de raad de belangen van bezwaarmakers op dit punt voldoende betrokken bij zijn besluitvorming.
De stelling van bezwaarmakers dat het voorkeursrecht ernstige financiële nadelen voor hen heeft kan naar het oordeel van de commissie eveneens niet slagen. De commissie onderkent in algemene zin dat het gebruik van het voorkeursrecht gevolgen kan hebben voor grondeigenaren. Uit de toelichting tijdens de hoorzitting is het de commissie gebleken dat de gemeente Baarn het voorkeursrecht daarom terughoudend toepast. Bezwaarmakers hebben in dit verband erop gewezen dat zij ter plaatse activiteiten ten behoeve van hun bedrijf ontplooien, maar het is de commissie daarbij niet gebleken dat sprake is van zodanige bedrijfsmatige werkzaamheden dat door de (voorlopige) aanwijzing een – voor zover daar sprake van is – actief en bloeiend bedrijf wordt bedreigd in haar voortbestaan. Voor wat betreft een weging van eventuele financiële gevolgen van het vestigen van een voorkeursrecht, hanteert de Afdeling een bestendige uitleg. De Afdeling stelt vast dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het met het vestigen van een voorkeursrecht te dienen algemene belang heeft afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren. Het enkele financiële belang hoeft daarom niet meer afzonderlijk in de afweging te worden betrokken. De commissie verwijst bijvoorbeeld naar een uitspraak van 19 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1989).
De commissie laat hierbij nog meewegen dat het voorkeursrecht pas actueel wordt als bezwaarmakers zelf besluiten om hun grond te verkopen. De gemeente Baarn zal op dat moment een marktconforme prijs moeten betalen voor de af te nemen grond. Tijdens de hoorzitting hebben bezwaarmakers nog aangevoerd dat zij de wens hebben om de schuur op het perceel Drakenburgerweg 10 te kunnen blijven bereiken. Mede in het licht van de situatie van bezwaarmakers acht de commissie deze wens invoelbaar.
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
6
Het vormt echter geen reden om aan te nemen dat de raad niet over had mogen gaan tot het vestigen van het voorkeursrecht.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat op goede en zorgvuldig gemotiveerde gronden met toepassing van de Wvg kon worden overgaan tot het vestigen van een voorkeursrecht op het perceel Drakenburgerweg 10. In wat bezwaarmakers hebben aangevoerd ziet de commissie geen aanleiding om te concluderen dat dit anders is. De commissie adviseert daarom het besluit ongewijzigd in stand te laten. 4. Vergoeding proceskosten Bezwaarmakers hebben verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase. Kosten voor rechtsbijstand worden uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen door een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De commissie is van oordeel dat het bestreden besluit niet hoeft te worden herroepen. Van een onrechtmatigheid aan de zijde van het bestuursorgaan is geen sprake. Dat de raad het areaal heeft ingeperkt bij zijn besluit van 29 september 2021 maakt dit niet anders. Conclusie: Gelet op bovengenoemde overwegingen adviseert de commissie u: - De bezwaarschriften ontvankelijk te verklaren; - Het bestreden besluit ongewijzigd in stand te laten. - Geen proceskostenvergoeding toe te kennen. Dit advies is vastgesteld door: - mevrouw mr. drs. E. Beekhuis, voorzitter - mevrouw mr. A. van Hespen, lid - de heer mr. C. Th.
Vos, lid Baarn, 17 januari 2022 Was getekend, De Adviescommissie bezwaarschriften gemeente Baarn, de secretaris, mr. drs. E.C. Jonkman
de voorzitter, mr. drs. E. Beekhuis
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
7
Bijlage 1: Het verslag van de hoorzitting
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
8
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN GEMEENTE BAARN VERSLAG DIGITALE HOORZITTING Datum:
2 december 2021
Betreft:
Het bezwaarschrift van de v.o.f. Gebr. Van der Wurff, de heer J. van der Wurff, de heer B.W. van der Wurff en mevrouw M.G. van der Wurff (verder: bezwaarmakers), ingediend door mr. J.T. Fuller, advocaat bij Benthem Gratama Advocaten (verder: gemachtigde), ontvangen op 19 augustus 2021;
Het bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn van 6 juli 2021, waarbij het college besloot om met toepassing van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verder: Wvg) een voorlopig voorkeursrecht te vestigen op de percelen Drakenburgerweg 8 (kadastraal bekend gemeente Baarn, sectie H, nummer 969) en Drakenburgerweg 10 (kadastraal bekend gemeente Baarn, sectie H, nummer 943) te Baarn. Daarnaast is het bezwaarschrift op grond van artikel 6 van de Wvg gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Baarn van 29 september 2021, waarbij de raad besloot om het perceel Drakenburgerweg 10 aan te wijzen als perceel waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. -------------------------------------------------------------------------------------------------Aanwezig:
Commissie -
mevrouw mr. drs. E. Beekhuis, voorzitter mevrouw mr. A. van Hespen, lid de heer mr. C. Th. Vos, lid mevrouw mr. drs. E.C. Jonkman, secretaris mevrouw N. Awakian, notulist
(Namens) bezwaarmakers - de heer mr. J.T. Fuller
Namens het college van burgemeester en wethouders en de raad (verder samen: verweerder) - de heer mr. J. van Dodewaard, werkzaam bij de gemeente
-------------------------------------------------------------------------------------------------De voorzitter opent de digitale bijeenkomst, stelt de aanwezigen voor, legt de procedure uit en geeft als eerste het woord aan bezwaarmakers om een toelichting te geven op de
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
1
ingediende bezwaarschriften. Zij vraagt of de aanwezigen akkoord zijn met het maken van een geluidsopname van de hoorzitting in verband met het maken van het verslag van de hoorzitting. Alle aanwezigen geven aan dat zij akkoord zijn met het maken van een opname voor dit doel. De voorzitter geeft vervolgens als eerste het woord aan bezwaarmaker om het bezwaar toe te lichten. Zij vraagt of de gemachtigde het verweerschrift heeft gezien. Gemachtigde bevestigt dit. Hij geeft aan dat zijn drie cliënten allen op leeftijd zijn en dat het voor hen niet mogelijk was om bij deze digitale hoorzitting aanwezig te zijn. Bezwaarmakers hebben als doelstelling en als belang om de situatie zoals deze nu is voort te zetten. Zij hebben geen belang bij verkoop of ontwikkeling van de locatie. Zij hebben er meer aan dat de feitelijke situatie wordt gehandhaafd. Bezwaarmakers zijn tevreden over het feit dat het voorlopige voorkeursrecht voor het ene perceel door de raad is opgeheven. Dit willen zij ook bereiken met het voorkeursrecht voor het andere perceel. Verweerder geeft aan dat het college heeft besloten om op twee percelen een voorlopig voorkeursrecht te vestigen, later heeft de raad besloten om dit slechts voor één van de percelen om te zetten naar een definitief voorkeursrecht. Er is al een lange tijd contact met bezwaarmakers.
Het is in het belang van de gemeente Baarn om een voorkeursrecht te vestigen. Daar tegenover staat het belang van bezwaarmakers om de schuur die op een van de percelen staat te kunnen behouden en gebruiken. Verweerder geeft wel aan dat bezwaarmakers dit gebruik kunnen voortzetten, zolang de ontwikkeling in het gebied nog niet officieel is gestart. Begin 2022 zal misschien pas definitief beslist worden over het ontwerpplan. Mevrouw Van Hespen heeft geen vragen. De heer Vos vraagt hoe de rolverdeling tussen de gemeente en de provincie bij dit project is. Verweerder antwoordt dat de provincie het voortouw in het project heeft, maar dat de gemeente Baarn de verwerving van de gronden doet. Mevrouw Jansen van de gemeente is hierbij betrokken maar kon helaas niet aanwezig zijn bij deze hoorzitting. De voorzitter vraagt of de schuur behouden kan blijven na realisatie van de rotonde. Verweerder zegt dat er nog geen definitief ontwerp is, maar dat de verwachting wel is dat de schuur voor de beoogde ontwikkeling in de weg staat. De voorzitter vraagt of de provincie ook contact heeft met bezwaarmakers. Gemachtigde beantwoordt dit ontkennend. De gesprekken lopen alleen met de gemeente en niet met de provincie.
2
De voorzitter vraagt of de provincie wel geïnformeerd is hierover. Verweerder durft dit niet te zeggen. Gemachtigde zegt dat de situatie vermoedelijk niet praktisch op te lossen is, als naar het plan gekeken wordt. Mevrouw van Hespen vraagt of er niet een vervangende plek wordt gezocht, als het gaat om een bloeiend bedrijf. Als de gemeente gebruik maakt van het voorkeursrecht, zou dat in het ergste geval kunnen betekenen dat het bedrijf wellicht beëindigd moet worden. Verweerder geeft aan dat hij heeft begrepen dat het geen lopende onderneming is, maar dat het meer hobbymatige activiteiten zijn die ter plaatse worden verricht. Mevrouw van Hespen vraagt of er gekeken wordt naar eventuele andere mogelijkheden. Verweerder antwoordt dat daar zeker naar wordt gekeken. De voorzitter vraagt wat bezwaarmakers zouden bereiken met een gegrondverklaring van hun bezwaar. Gemachtigde zegt dat bezwaarmakers als het er op aankomt wel kunnen handelen, in de situatie dat er geen voorkeursrecht zou worden gevestigd. Ze weten prima wat de grond waard is. Maar het grootste belang van bezwaarmakers zit er in om zo lang mogelijk de huidige situatie te behouden. De voorzitter geeft partijen de mogelijkheid voor een tweede ronde. Zij vraagt bezwaarmakers alleen in te gaan op zaken die nog niet aan de orde zijn geweest. Gemachtigde is benieuwd naar het planologische gedeelte.
Hij vindt het wel bijzonder dat na een half jaar nog steeds niks concreet bekend is over het bestemmingsplan. Het geeft zijn cliënten hoop dat door dit uitstel misschien afstel komt, ook nu een deel van het voorkeursrecht is teruggetrokken. Verweerder geeft aan dat dit soort processen vaak helaas lang duren. Het was de bedoeling dat er eerder een definitief besluit zou komen, maar het is een grote verandering. Dus dit soort processen nemen langer. Wel hoopt de gemeente dat hier op korte termijn wel een definitieve besluit voor komt. Wat betreft de proceskostenveroordeling, dit is een voorlopig besluit van het college. Hier is bezwaar tegen gemaakt en de commissie zal hierover advies uitbrengen, waarna dit wordt heroverwogen. De voorzitter bedankt de aanwezigen voor hun bijdrage en sluit de hoorzitting. Zij geeft aan dat gemiddeld binnen een week of zes een nieuw besluit zal volgen, maar dat dit vanwege de feestdagen mogelijk iets langer kan duren.
3
Baarn, 17 januari 2021 De Adviescommissie bezwaarschriften gemeente Baarn, Was getekend, de secretaris,
de voorzitter,
mr. drs. E.C. Jonkman
mr. drs. E. Beekhuis
4
Bijlage 2: de geldende regels Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2, eerste lid:
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Artikel 3:2:
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4, eerste lid:
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
Artikel 3:46:
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Wet voorkeursrecht gemeenten
Artikel 2
De gemeenteraad kan gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van toepassing zijn.
Artikel 3
1. Voor aanwijzing komen in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan. 2. Een besluit tot aanwijzing vermeldt ten aanzien van de onroerende zaken waarop het betrekking heeft: a. de kadastrale aanduiding; b. de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie; c. de grootte van een perceel gedeelte, indien de aanwijzing betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak, en d. de namen van de eigenaren van de desbetreffende onroerende zaken en van de rechthebbenden op de beperkte rechten waaraan die zaken zijn onderworpen. 3. Bij het besluit behoort een kadastraal overzicht waarop duidelijk zijn aangegeven de gronden waarop de aanwijzing betrekking heeft en de bijbehorende percelen of perceelsgedeelten.
Artikel 5
1. In afwijking van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, komen voor aanwijzing ook in aanmerking gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
9
betrokken gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. 2. Artikel 3, tweede en derde lid, is van toepassing.
Artikel 6
1. Burgemeester en wethouders kunnen gronden voorlopig aanwijzen, mits bij het hiertoe strekkend besluit aan die gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3, 4 of 5 in werking treedt. 2. De artikelen 3, tweede en derde lid, 10 tot en met 15, 24 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Indien bezwaar of beroep aanhangig is tegen een besluit tot voorlopige aanwijzing en dit besluit vervalt omdat een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing in werking is getreden, wordt het bezwaar of beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad.
Artikel 10
1. Een vervreemder kan eerst tot vervreemding overgaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld het desbetreffende goed te verkrijgen. 2. Het bepaalde in het vorige lid geldt niet ingeval de vervreemding geschiedt ingevolge a. een overeenkomst tussen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of met een pleegkind. Onder pleegkind wordt verstaan degene, die duurzaam als een eigen kind is onderhouden en opgevoed; b. verdeling van een huwelijksgemeenschap of een nalatenschap; c. een uiterste wilsbeschikking; d. een overeenkomst met de Staat, een provincie, een waterschap of een door Ons aan te wijzen publiekrechtelijk lichaam of in het openbaar belang werkzame rechtspersoon. Onze aanwijzing wordt in de Staatscourant bekendgemaakt; e. een verkoop krachtens wetsbepaling of bevel des rechters of een executoriale verkoop, met dien verstande dat ingeval van een onderhandse executoriale verkoop als bedoeld in artikel 3: 268, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de voorzieningenrechter niet beslist omtrent het verzoek tot onderhandse verkoop zolang niet het bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld om, gelet op het gunstiger bod, een bod te doen; f.
een overeenkomst, betrekking hebbende op gronden die zijn aangewezen bij een besluit als bedoeld in artikel 5 of 6 dan wel artikel 9a, eerste of tweede lid, in samenhang met artikel 5 of 6, gesloten met een pachter aan wie ten aanzien van deze gronden ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit een voorkeursrecht toekwam als bedoeld in artikel 378 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 3. Voorts geldt het bepaalde in het eerste lid niet ingeval de vervreemding geschiedt ingevolge een overeenkomst betreffende een onroerende zaak, dan wel een
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
10
overeenkomst behelzende een verplichting van de vervreemder betreffende een onroerende zaak, voor zover: a. vervreemding geschiedt aan een in die overeenkomst met name genoemde partij, en een tegen een in die overeenkomst met name genoemde prijs, dan wel tegen een volgens die overeenkomst bepaalbare prijs, en b. de overeenkomst is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, voordat een besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing in werking is getreden, en c. de vervreemding geschiedt binnen zes maanden na de dag van de inschrijving van de overeenkomst in de openbare registers als bedoeld onder b. 4. Een overeenkomst als bedoeld in het derde lid, aanhef, kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in het derde lid, mits deze is vervat in een akte. De inschrijving heeft het rechtsgevolg dat voor de vervreemder niet de verplichting zoals bedoeld in het eerste lid ontstaat, voorzover is voldaan aan de in het derde lid, onder a, b en c, genoemde vereisten. 5. Het derde lid is telkens gedurende een periode van drie jaar op een overeenkomst als bedoeld in dat lid met betrekking tot een bepaalde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, en de daarin met name genoemde vervreemder of verkrijger, slechts één maal van toepassing.
De periode van drie jaar vangt aan op de datum van eerste inschrijving in de openbare registers. Onder verkrijger wordt in dit geval verstaan de partij waarmee een overeenkomst is gesloten. 6. Het eerste lid geldt eveneens niet indien burgemeester en wethouders op aanvraag van een vervreemder op grond van door die vervreemder aannemelijk gemaakte gewichtige redenen daartoe besluiten. Zij kunnen daarbij beperkingen opleggen.
Artikel 11
1. Ter voldoening aan artikel 10, eerste lid, bericht de vervreemder aan burgemeester en wethouders bij aangetekende brief dat hij in beginsel bereid is over te gaan tot vervreemding van het desbetreffende goed aan de gemeente tegen nader overeen te komen voorwaarden. 2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, bevat een opgave van het goed dat onderwerp uitmaakt van de voorgenomen vervreemding alsmede ten aanzien van de desbetreffende onroerende zaken: a. de kadastrale aanduiding; b. de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie; c. de grootte van een perceelsgedeelte, indien het aanbod betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak. 3. Indien de opgave betrekking heeft op onroerende zaken die slechts ten dele in de aanwijzing of voorlopige aanwijzing zijn opgenomen maar een samenhangend geheel vormen, kan de vervreemder onverminderd afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, eisen dat dit geheel van onroerende zaken wordt betrokken in de mogelijke vervreemding aan de gemeente.
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
11
4. De vervreemder kan eisen dat in de vervreemding wordt betrokken het bedrijf of de onderneming waarin de onroerende zaken als onderdeel daarvan worden geëxploiteerd.
Artikel 12
1. Burgemeester en wethouders besluiten binnen zes weken na ontvangst van de opgave of de gemeente al dan niet in beginsel bereid is het goed tegen nader overeen te komen voorwaarden te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen. 2. Indien burgemeester en wethouders binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, beslissen niet bereid te zijn het goed te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen heeft de vervreemder gedurende drie jaar na die beslissing de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover het betreft het in zijn aanbod vermelde goed. De vervreemding betreft alle in de opgave vermelde goederen tezamen, met inbegrip van het gedeelte en van het bedrijf of de onderneming, waarvan de vervreemder bij het verstrekken van die opgave ingevolge artikel 11, derde of vierde lid, heeft geëist dat het mede in de verkoop zou worden betrokken. 3. Bij overschrijding van de termijn, genoemd in het eerste lid, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de in dat lid genoemde periode van drie jaar aanvangt na verloop van die termijn.
Artikel 13
1. Indien burgemeester en wethouders en de vervreemder in onderhandeling zijn getreden ter bepaling van de vervreemdingsvoorwaarden en gehandeld is overeenkomstig de artikelen 11 en 12, eerste lid, kan de vervreemder aan burgemeester en wethouders verzoeken om binnen vier weken de rechter te verzoeken een oordeel over de prijs te geven. 2. Bij hun verzoekschrift overleggen burgemeester en wethouders een gewaarmerkt afschrift van het verzoek van de vervreemder. 3. Bij overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn of indien burgemeester en wethouders schriftelijk weigeren een verzoekschrift in te dienen, is artikel 12, derde lid, van overeenkomstige toepassing. 4. De rechtbank benoemt een of meer deskundigen die zo spoedig mogelijk aan de rechtbank advies over de prijs uitbrengen. Bij het ten behoeve van het advies uit te voeren onderzoek wordt onder meer de ligging en de gesteldheid van de desbetreffende onroerende zaak betrokken. De rechtbank oordeelt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet. 5. De rechtbank doet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift bij beschikking uitspraak. Van de beschikking van de rechtbank staat uitsluitend beroep in cassatie open. 6.
De kosten van de rechterlijke procedure, het deskundigenadvies alsmede de redelijkerwijs door de vervreemder voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand gemaakte kosten komen ten laste van de gemeente. Indien de rechter daartoe termen vindt in de omstandigheden van het geval, is deze bevoegd de kosten geheel of gedeeltelijk te compenseren. 7. Indien door schriftelijke intrekking van het verzoek door burgemeester en wethouders de procedure tussentijds wordt beëindigd, heeft de vervreemder
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
12
gedurende drie jaar na de intrekking de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover het betreft het in zijn opgave vermelde goed. De rechter beslist dan bij beschikking over de kosten, bedoeld in het zesde lid.
Artikel 14
Indien de vervreemder binnen drie maanden, te rekenen van de dag van onherroepelijk worden van de beschikking, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, bij aangetekende brief aan de gemeente verlangt dat deze het betrokken goed verkrijgt, is de gemeente verplicht haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een notariële akte tot levering aan haar van het betrokken goed tegen betaling aan de vervreemder van de bij onherroepelijke rechterlijke beschikking bepaalde prijs.
Artikel 15
1. De vervreemder kan de rechtbank verzoeken te bepalen dat de gemeente wegens de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de vervreemder gehouden is medewerking te verlenen aan de overdracht tegen een door de rechtbank vast te stellen prijs van het goed, dat is vervat in de opgave, bedoeld in artikel 11, eventueel met inbegrip van de ingevolge het derde en vierde lid van dat artikel mede in die opgave vermelde bestanddelen. 2. Het met redenen omkleed verzoekschrift kan worden gedaan binnen twee maanden te rekenen van de dag: a. waarop burgemeester en wethouders de termijn, bedoeld in artikel 13, eerste lid, hebben overschreden of indien zij schriftelijk weigeren een verzoekschrift in te dienen; b. waarop de intrekking, bedoeld in artikel 13, zevende lid, van het verzoek ter griffie is ontvangen. 3. De rechtbank doet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift bij beschikking uitspraak over het verzoek en bij toewijzing daarvan tevens over de prijs. Zij beoordeelt of het redelijk is dat vervreemding aan de gemeente, gezien de bijzondere persoonlijke omstandigheden die terzake van belang kunnen zijn, achterwege zou blijven. Van de beschikking staat uitsluitend beroep in cassatie open. 4.
Bij afwijzing van het verzoek heeft de vervreemder gedurende drie jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke beschikking de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover betreft het in zijn opgave, bedoeld in artikel 11, vermelde goed. De vervreemding betreft alle in de opgave vermelde goederen tezamen, met inbegrip van het gedeelte en van het bedrijf of de onderneming, waarvan de vervreemder bij het verstrekken van die opgave ingevolge artikel 11, derde of vierde lid, heeft geëist dat het mede in de verkoop zou worden betrokken. 5. De artikelen 13, vierde en zesde lid, en 14 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
1. De inschrijving in de in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers van een akte, behelzende een vervreemding anders dan aan de gemeente, vindt alleen plaats indien op het in te schrijven stuk is opgenomen een notariële verklaring, houdende dat op de betrokken onroerende zaak geen aanwijzing of voorlopige aanwijzing in de zin van deze wet van toepassing is, hetzij dat de vervreemding niet in strijd is met deze wet.
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
13
2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt met de daar bedoelde notariële verklaring gelijkgesteld de verklaring van een persoon bedoeld in artikel 91 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, die overeenkomstig het daar bepaalde een onderhandse akte tot levering heeft opgesteld.
Artikel 26
1. Een gemeente kan de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in deze wet geregelde voorkeurspositie. 2. Het verzoek moet worden gedaan binnen acht weken nadat de gemeente een afschrift heeft ontvangen van de akte waarin de desbetreffende rechtshandeling is vervat bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de gemeente is gelegen. De gemeente is niet ontvankelijk in haar verzoek indien zij met de desbetreffende rechtshandeling schriftelijk heeft ingestemd.
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
14