337718 Bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 2022 bijlage 10 Verkenning wezenlijke kenmerken en waarden NNN Amerpoort
Tekst van het document
Andere voor N16.03 kwalificerende broedvogels zijn binnen Amerpoort niet vastgesteld, een enkele (groene specht) zou verwacht kunnen worden. De beperkte aanwezigheid van kwalificerende soorten wordt mede veroorzaakt doordat het groen in de randzone van het zorgcomplex ligt, waar vaak verstoring door menselijke activiteiten en verlichting optreedt. De deelgebieden liggen alle direct langs wegen en/of paden. Dit zijn alle, echter kleine wegen binnen het terrein, met weinig verkeer (max. 15km/h), die maar beperkt verstoring zullen veroorzaken. Samenhang Er is sprake van een samenhangend gebied. De ontwikkellocaties en compensatielocaties liggen allen op het terrein van Amerpoort binnen of grenzend aan de huidige NNNbegrenzing. Aantasting en compensatie hebben betrekking op dezelfde veronderstelde ecologische verbindingszones. Maatregelen zijn gericht op het bevorderen van soorten die door de ontwikkelingen negatieve effecten ondervinden. Het NNN dat door de ontwikkelingen wordt aangetast heeft als belangrijkste natuurwaarde droog bos met productie (het beheertype N16.03). Buiten dit beheertype zijn binnen het NNN in het plangebied geen andere natuurtypen aanwezig behalve het grasveldje in A1. Voor dit grasland is geen natuurbeheertype aangegeven.
Gebieden met beheertype N16.03 zijn oostelijk en noordelijk van deelgebied A1 niet aaneengesloten aanwezig (het gebied ten noorden van de Zandheuvelweg ligt buiten NNN). Deels grenst A1 zuidelijk wel aan een ander gebied met natuurbeheertype N16.03. Wanneer A1 geen functie zouden hebben voor het NNN blijven de wel aaneengesloten delen binnen Nieuwenoord nog steeds
27
aaneengesloten. Dit vormt geen wezenlijke afname van samenhang van de bosgebieden in dit deel van het NNN. Ook voor A2 en A3 geldt ontwikkelingen leiden tot beperkte afname van natuur aan de randen van NNN, waarmee robuustheid en/of verbindingen niet of weinig worden aangetast. Ontwikkeling binnen A2 vermindert mogelijk de verbindingsfunctie van het gebied met NNN dat hier 200 meter ten zuiden van ligt. In de praktijk heeft de huidige kapvlakte geen waarde als verbinding, dieren die hierlangs verplaatsen zullen de randzone buiten de Rondweg gebruiken. Daarnaast is ten oosten van Amerpoort gelegen NNNgebied direct verbonden met de NNN op Amerpoort in het zuidelijk deel van het terrein. Deze verbinding blijft behouden en wordt deels versterkt door natuurontwikkeling in het zuidelijk deel van Amerpoort. 3.2
Wezenlijke kenmerken en waarden
3.2.1
Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem
Bestaande waarden De bestaande waarde van de natuur in de ontwikkelgebieden is vrij laag. Naast de eerder beschreven kwalificerende soorten en Rode Lijst-soorten komen er geen provinciale aandachtssoorten voor. Wel foerageren er beschermde vleermuissoorten, maar is er geen sprake van geen essentieel foerageergebied. In paragraaf 3.2.3 worden alle beschermde en bedreigde soorten in het gebied weergegeven. De deelgebieden hebben geen belangrijke functie in het grotere bosgebied. Zo herbergen ze bijvoorbeeld geen bronpopulaties van bepaalde soorten die in het gebied leven. Abiotische condities De groene buitenzone van Amerpoort is over het algemeen vrij donker ’s en rustig nachts. De deelgebieden grenzen veelal aan ander (onverlicht, donker) bosgebied, maar ook aan wegen en paden die beperkt worden verlicht met staatlantaarns. Het effect hiervan op fauna is naar verwachting beperkt, omdat het licht weinig uit kan stralen door de begroeiing die er omheen aanwezig is. Soorten die wel verlichting mijden, waaronder sommige vleermuissoorten, kunnen (delen van) deze gebieden wellicht mijden. Geluid door verkeer op het terrein is er ’s nachts nauwelijks. De bodem bestaat Humuspodzolgronden (Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand), naar het oosten (in deelgebied A3) overgaand naar Laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand.
De grondwaterstand varieert van >1,6 meter in het noordelijk deel tot 0,8-1,2 meter in het zuidelijk deel. Door de bodemopbouw wordt er in de toplaag weinig vocht vastgehouden. Het vasthouden van vocht gebeurt vooral door binding met humus- en kleideeltjes en ook door capillaire werking. Over het algemeen is er echter sprake van een droge bovenlaag. Potentiële waarden Het bos in alle gebieden heeft het beheertype N16.03 (Droog bos met productie). Voor dit beheertype geldt dat oudere bossen of bossen grenzend aan oude bospercelen een hoge natuurwaarde kunnen hebben, vooral als ze een gevarieerde structuur hebben met een hoog aandeel zware bomen en dood hout. Het aandeel zware bomen is vrij beperkt in het plangebied, de grotere bomen betreffen vooral oude beuken, Amerikaanse eiken en paardenkastanjes in deelgebied B2 en B3 en nabij A1. Binnen het plangebied is het aandeel dood hout zeer laag, en de meeste bomen hebben maar een beperkte ouderdom. Wel is het bomenbestand gevarieerd qua soorten, en kenmerkend voor de wat rijkere bodems. Beheer gericht op veroudering van de bomen en het deels laten staan van dood hout kan de natuurwaarde van het bos verder laten toenemen. Doordat enkele oudere bospercelen in de omgeving voorkomen is de kans aanwezig dat de doelsoorten van het bosbeheer de nieuwe
28
gebieden relatief snel kunnen vinden. Ook geldt dat het wegnemen van huidige verstoringen (waaronder exoten en menselijk gebruik) de natuurlijkheid en kwaliteit ten goede zal komen. Kwalificerende broedvogelsoorten van N16.03 waar het bos op Nieuwenoord mogelijk wel potenties voor heeft, maar die niet zijn waargenomen, zijn in ieder geval fluiter en raaf. Met name het hoge bosperceel met Amerikaanse eik direct zuidelijk van A3 vormt een potentieel broedbiotoop. Wanneer dit gebied door Amerpoort uit gebruik wordt genomen zal in het zuidelijk deel van het terrein meer rust zijn, waardoor er soorten tot broeden kunnen komen die dit voorheen niet deden. De eikenlaan aan de oostkant van A3 is geschikt biotoop voor zwarte specht. Een enkele waarneming van zwarte specht is bekend van een locatie in het verlengde van deze beukenlaan, dicht bij het spoor. Zwarte specht is gevoelig voor verstoring. Bij toegenomen rust in dit gebied zou de soort hier tot broeden kunnen komen. Ook de laan met oude Amerikaanse eiken langs de Huydecoperlaan aan de noordrand van B3/4/5/6 is geschikt voor zwarte specht, maar door het huidige gebruik waarschijnlijk te veel verstoord. Amerikaanse eiken zijn geschikte bomen voor zwarte spechten om hun nesten in uit te hakken.
Zwarte spechten creëren zo ook holten voor bosuilen, boommarters en andere soorten die zelf geen holten kunnen maken in (gezonde) loofbomen. Op termijn worden deze holten (door inrotting) ook geschikt voor vleermuizen. 3.2.2
De robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN
Versnippering van NNN dient te worden voorkomen. Afname in oppervlak kan een significante aantasting tot gevolgen hebben voor de robuustheid en aaneengeslotenheid. Robuuste gebieden zijn minder gevoelig voor verstoring omdat de effecten door de omvang worden gebufferd. Dergelijke gebieden hebben een grote oppervlakte in verhouding tot de omtrek. De Utrechtse Heuvelrug is een robuust, aaneengesloten bosgebied. Het bosgebied met beheertype N16.03 binnen het NNN op Nieuwenoord is versnipperd, met ook een relatief hoge mate van verstoring in het centrale deel door het huidige gebruik. Van extra versnippering als gevolg van de plannen is geen sprake. Door geplande ontwikkelingen komen er geen gebieden van het NNN los te liggen van de grotere aaneengesloten NNNgebieden. De deelgebieden waarvoor plannen bestaan deze aan het NNN te onttrekken, zijn A1, A2 en A3. Deelgebied A1 ligt in een zone van het NNN die ter plaatse een breedte heeft van ca. 110 meter, en die loopt van de Isengardlaan naar het oostelijk deel van de Rondweg. Ontwikkelen van A1 brengt de breedte lokaal terug tot ca. 50 meter. De breedte van de bosstrook N16.03 die hier noordelijk van ligt blijft gelijk.
Het bosgebied tussen de twee deelgebiedjes van A1, dat de twee grasvelden scheidt, behoudt de verbindende functie voor bosgebonden soorten in noordoost-zuidwestelijke richting, tussen de bossen langs de Zandheuvelweg en die op het noordwestelijk deel van Nieuwenoord. Westelijk van A1 blijven verbindingen tussen deze gebieden aanwezig. Deelgebied A2 ligt op het einde van een bosstrook die binnen het NNN parallel aan de Zandheuvelweg naar het oosten loopt. De begrenzing van het NNN stopt hier, waardoor het gebied niet gezien kan worden als een essentiële verbinding tussen NNN. Wel ligt in het verlengde van de groenzone rond de Zandheuvelweg het (buiten het NNN gelegen) Bomencentrum. Deze sluit aan op het NNN tussen Zandheuvelweg en rondweg, deelgebied A2 heeft hier geen extra functie voor. Deelgebied A3 ligt aan de rand van het NNN, aan twee zijden grenzend aan bebouwd gebied. Zelf is het deelgebied ook deels bebouwd en ingericht voor bedrijfsvoering. Het vormt geen wezenlijk onderdeel van een verbindingszone met een ander gebied en kan beschouwd worden als niet van belang voor de aaneengeslotenheid van het NNN-gebied. De robuustheid van het aangrenzend NNN-gebied verandert hierdoor niet. De belangrijkste
29
potentiële verbindende functie die het gebied heeft wordt gevormd door de laan met Amerikaans eiken in het noorden van het deelgebied. Deze blijft behouden bij uitvoering van de plannen. Ten zuiden en ten westen van Nieuwenoord liggen grote aaneengesloten NNN-gebieden. Aan de oostkant ligt landgoed Groeneveld dat onderdeel is van het NNN. De deelgebieden B2 en B3 t/m B6 die als NNN ontwikkeld zullen worden, grenzen aan deze robuuste NNNgebieden en zorgen dus voor een versterking ervan. De spoorlijn zuidelijk van het plangebied vormt een barrière door dit gedeelte van het NNN. Met het ontwikkelen van bos in de deelgebieden B2 en B3 wordt de zone met bosgebied binnen NNN aan deze kant van het spoor breder, en wordt hiermee een betere verbinding gecreëerd van de bossen op landgoed Drakenstein met de bossen van Landgoed Groeneveld voor de grondgebonden soorten waarvoor het spoor een barrière vormt. De beoogde ontwikkeling leidt netto niet tot een afname van robuustheid. De aaneengeslotenheid neemt in het noordelijk deel van Nieuwenoord licht af, zuidelijk in het gebied, waar de verbindingsfunctie belangrijker is, neemt deze licht toe. 3.2.3 De aanwezigheid van bijzondere soorten Hiervoor is bij ‘Kwaliteit’ de aanwezigheid van kwalificerende en Rode Lijst-soorten besproken. Aandachtsoorten van provinciaal soortenbeleid zijn niet aanwezig in de deelgebieden.
In onderstaande paragraaf wordt het voorkomen van de wettelijk beschermde soorten besproken. Meest relevant zijn hier met name vleermuizen, vanwege hun opname op de Habitatrichtlijn (HR bijlage IV). Daarnaast is Amerpoort leefgebied van diverse algemene beschermde en bedreigde soorten. Bij de te nemen maatregelen worden kansen benut om de compensatielocaties en enkele andere gebieden binnen het huidige NNN op Amerpoort geschikter te maken voor enkele van deze soorten. Maatregelen zijn onder nadere gericht op het vergroten en verbeteren van leefgebied van de ringslang en kamsalamander welke beide op Amerpoort voorkomen (zie verder Hoofdstuk 4). Deze soorten worden niet direct aangetast door de beoogde ontwikkelingen. Wel zijn er kansen het leefgebied te verbeteren, wat als grotere meerwaarde kan wordt gezien dan het terugbrengen van meer droog bos met productie. Juist de variatie in biotopen en structuur is bevorderlijk voor de biodiversiteit van een groter bosgebied. Beschermde soorten Wet natuurbescherming en soorten van de Rode lijsten Er kunnen tal van beschermde en bedreigde soorten worden verwacht in het plangebied. Uit de database NDFF zijn van een aantal beschermde soorten waarnemingen bekend uit het plangebied of de directe omgeving. Van deze soorten is het aannemelijk dat ze ook binnen het plangebied kunnen voorkomen.
Diverse hiervan zijn vastgesteld met het veldonderzoek, alsmede enkele andere beschermde soorten. In
30
Tabel 3.1 worden de aanwezige soorten weergegeven.
31
Tabel 3.1. Binnen Amerpoort aanwezige beschermde en bedreigde soorten. soort beschermingsregime Rode lijst Zoogdieren Boommarter Wnb 3.10 KW Eekhoorn Wnb 3.10 Konijn Wnb 3.10 Ree Wnb 3.10 Das Wnb 3.10 Gewone dwergvleermuis Wnb 3.5 Ruige dwergvleermuis Wnb 3.5 Rosse vleermuis Wnb 3.5 KW Laatvlieger Wnb 3.5 KW Gewone grootoorvleermuis Wnb 3.5 Reptielen Hazelworm Ringslang
Wnb 3.10 Wnb 3.10
KW
Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kamsalamander Kleine watersalamander
Wnb 3.10 Wnb 3.10 Wnb 3.10 Wnb 3.10
KW -
Vogels Huismus Zwarte mees Grote lijster Boerenzwaluw Matkop
Wnb jbn cat. 2 Wnb jbn cat. 5 Wnb jbn cat. 5 -
GE GE KW GE GE
Dagvlinders Bruin blauwtje
-
GE
Planten Dubbelloof
-
GE
Paddenstoelen Bruine ringboleet GE Wnb 3.5: Beschermde soort conform artikel 3.5 Wet natuurbescherming; Wnb 3.10: beschermde soort conform artikel 3.10 Wet natuurbescherming, Wnb jbn: vogelsoort met jaarrond beschermd nest. Rode Lijst: KW = Kwetsbaar, GE = Gevoelig.
Zoogdieren Vleermuissoorten die op Nieuwenoord zijn vastgesteld zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Deze worden besproken in paragraaf 2.2.5. Een waarneming van boommarter is bekend van de noordzijde van Nieuwenoord, een bewoner gaf aan een marter te hebben gezien nabij parkeerplaats in het noorden van Amerpoort. Boommarters komen verspreid voor op de heuvelrug. Ze leven in oude bossen met geschikte boomholten. In de deellocaties zijn deze zeer beperkt aanwezig, op deze locaties is vermoedelijk ook te weinig rust om als geschikte verblijfplaats van boommarter te kunnen dienen. Het gaat dan om de lanen aan de Huydecoperlaan. Ook de oude bomen nabij deelgebied A1 kunnen geschikt zijn voor de soort. De das komt voor in het plangebied. Burchten zijn niet aangetroffen, maar niet alle plekken in de randzone buiten de relevante deelgebieden) zijn intensief onderzocht. Dassen leven in kleinschalige, open terreinen met bosjes, heggen en houtwallen. Ze hebben een grote actieradius, de aanwezige dassen zullen dassen zijn uit de omgeving die het plangebied aandoen tijdens zwerf- of
32
foerageertochten. Met name op grasvelden in de westelijke zone van Amerpoort en de grasstrook onder de bomen noordelijk van de Rondweg werden veel foerageersporen gevonden. Reptielen Verspreid over Nieuwenoord en aangrenzende terreinen worden ringslangen waargenomen. Nabij de spoorlijn is in het zuidoostelijk deel van het terrein van Amerpoort een broeihoop aangelegd, en ook ten westen van de kinderboerderij is een broeihoop aangelegd. Beide worden door ringslangen gebruikt. Met name rond de watergang en in het gebied (zoals ten zuiden van B2 en B3) kunnen ringslangen worden verwacht. Dit zijn ook locaties waar met de aanleg van broeihopen voortplanting van de soort gesimuleerd kan worden. Van de ontwikkellocaties kan worden aangenomen dat hier geen vaste verblijfplaatsen van ringslang aanwezig zijn. Hazelworm is waargenomen aan de oostrand van het grasveld van gebied A2 en het bosgebied noordelijk van B1. Het is een soort die in een gevarieerd habitat voorkomt met dichte vegetatie en open plekken om te zonnen. Ze komen vrij algemeen voor verspreid over de Heuvelrug, en kunnen op geheel Nieuwenoord worden verwacht. Amfibieën Bij de poel en watergang ten zuiden van deelgebied A3 is de kamsalamander waargenomen. In de huidige situatie is dit geen optimaal voortplantingswater. Deze soort komt voor in vegetatierijke wateren in bosrijke omgeving.
Hoewel de poel niet direct erg geschikt oogt (kamsalamanders hebben voorkeur voor wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie) kan gesteld worden dat de poel en de directe bosomgeving leefgebied vormen voor de soort. Landhabitat wordt gevormd door houtwallen of struwelen in de omgeving van het voortplantingswater. Verbeteren van de poel waardoor deze beter aan de habitateisen voldoet kan tot vestiging van kamsalamander leiden. Vogels Algemene broedvogels Er komen tal van algemene (zang)vogelsoorten voor als broedvogel binnen het plangebied. In de NDFF zijn waarnemingen bekend van de volgende soorten: boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, ekster, gaai, goudvink, groenling, grote bonte specht, heggenmus, houtduif, huismus, kleine bonte specht, koolmees, kruisbek, merel, roodborst, tjiftjaf, vink, winterkoning, witte kwikstaart, zanglijster, zwarte kraai, zwarte mees en zwarte roodstaart. Een groot deel van deze soorten zal daadwerkelijk binnen Nieuwenoord broeden. Vogels met jaarrond beschermde nesten Nesten van boombewonende vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn, zijn niet aangetroffen. Deze zijn ook niet bekend in de NDFF. Wel is aannemelijk dat op Nieuwenoord huismussen broeden. Deze soort is aan gebouwen gebonden en aan groen dat hier in de nabijheid aanwezig is. De aangrenzende bosgebieden hebben weinig waarde voor huismus.
Het plangebied is niet speciaal geschikt voor deze functies, al zullen huismussen hier ook wel aanwezig zijn. Jaarrond beschermde nesten van boombewonende soorten kunnen op termijn wel verwacht worden binnen het plangebied op plekken waar menselijke verstoring beperkt blijft. Het lariksperceel in het oosten van Amerpoort is een geschikte broedlocatie voor roofvogels als havik, sperwer of buizerd. Een nest van buizerd is aanwezig net buiten de grens met Amerpoort, op het terrein van Landgoed Groeneveld. Ook een soort als ransuil kan aanwezig zijn of zich op termijn vestigen op Amerpoort, waarbij met name de dichtere naaldbomen zoals bijvoorbeeld net ten noorden van A1 geschikt zijn. Gedurende de
33
vleermuisbezoeken zijn geen uilen opgemerkt. Sperwer zou in vrijwel alle deelgebieden kunnen (gaan) broeden. Rode Lijst-soorten Verschillende bosvogels van de Rode Lijst zijn in en rond het plangebied aanwezig. Dit zijn de mezensoorten zwarte mees en de matkop. Ook zijn huismus en boerenzwaluw aanwezig. Boerenzwaluw broedt in schuurtjes van de kinderboerderij. Dagvlinders In deelgebied A1 is bruin blauwtje waargenomen. Dit is een dagvlinder van de Rode lijst, die leeft in schrale, open graslanden. In de twee graslanden binnen A1 is in beperkte mate leefgebied aanwezig voor deze soort, deze gebieden zijn dus potentieel leefgebied. Planten De varensoort dubbelloof komt voor in verschillende greppels op het terrein. Het is een soort van vochtige, humusrijke, (half)beschaduwde plekken. In het gehele plangebied is de soort te verwachten op dergelijke standplaatsen. Ze zijn niet binnen ontwikkellocaties aangetroffen. Andere planten van de Rode lijst die uit directe omgeving bekend zijn, zijn stijve ogentroost, ronde zonnedauw, klokjesgentiaan, klein warkruid, karwij en borstelgras. Dit zijn geen soorten die in het natuurbeheertype N16.03 of op andere plekken op het terrein van Amerpoort verwacht worden. Overige soortgroepen De paddenstoel bruine ringboleet is in het bosgebied van B1 aangetroffen.
Het is een soort die bij dennen groeit, op schrale, niet teveel verzuurde plekken met een dunne strooisellaag. De vindplaats was direct langs het pad, dit geeft dan ook beperkte informatie over de mycologische waarde van de taluds waar de dennen groeien. 3.2.4
De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen
Landschappelijke structuren kunnen als essentiële verbinding functioneren. Dit zijn foerageer- of migratieroutes, zoals wildwissels of vliegroutes van vleermuizen langs bomenlanen. Ecologische verbindingszones verbinden kerngebieden van het NNN en maken barrières passeerbaar. Indien ecologische verbindingszones of essentiële verbindingen zodanig worden aangetast dat ze niet meer (volledig) functioneren, dan is sprake van een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hier is gesteld dat de boszones in A1 een verbindende functie kunnen hebben voor dieren in noordoost-zuidwestelijke richting. Voor grondgebonden zoogdieren, zoals boommarter en diverse andere kleine marterachtigen, eekhoorn en muizen, kunnen deze boszones een functie hebben voor de uitwisseling van dieren tussen de verschillende gebieden. Om de verbindende functies te behouden kunnen aan de ontwikkelingen eisen worden gesteld. Zo zal de niet aangetaste bosstrook vrij moeten blijven van verdere verstoringen, en moeten de randzones ook kunnen functioneren als verbindingszone. Dit kan door een natuurlijke inrichting van de randzones te behouden, en door geen verlichting te gebruiken die kan resulteren in verstoring van deze randzones. Verder kan de verbindingsfunctie versterkt worden door het toepassen van takkenrillen of vergelijkbare structuren.
Ten noorden van het plangebied bestaat het leefgebied van deze soorten uit bosgebieden rond de Zandheuvelweg en rond Sherpa. Dit is ongeveer de grens van de bossen van de heuvelrug. Binnen de lus A2/A27 zijn weinig andere bosgebieden aanwezig. De genoemde gebieden liggen buiten het NNN, met uitzondering van de bosstrook ten zuiden van de
34
Zandheuvelweg. Het wordt daarom niet verwacht dat het bos in deelgebieden A1 een belangrijke verbindende functie voor bossoorten zal hebben. Van de bosstructuren in het deelgebied wordt niet verwacht dat deze essentiële verbindende functies of vliegroutes voor vleermuizen vormen. In een degelijke bosrijke omgeving zijn vleermuizen die bosstructuren volgen niet gebonden aan één structuur maar zijn er veel alternatieven beschikbaar. 3.3 Meerwaarde Er worden maatregelen getroffen die in eerste instantie gericht zijn op het bevorderen van soorten of verbindingsfuncties die negatieve effecten ondervinden bij uitvoering van de plannen. Deze negatieve effecten treden echter maar beperkt op. Daarnaast worden maatregelen genomen die potenties benutten voor gewenste soorten. Deze maatregelen worden in Hoofdstuk 4 verder uitgewerkt per deelgebied. Er worden nieuwe arealen met biotopen voor bijzondere soorten gecreëerd, met name rangslang en kamsalamander. Dit zorgt voor een kwaliteitsverbetering en toename in habitatdiversiteit en daarmee algehele biodiversiteit. Doordat de oppervlakte met natuur gelijk blijft, en de kwaliteit netto toeneemt is sprake van een meerwaarde voor natuur .
35
4
Maatregelen per deelgebied
A1 De oude, solitaire bomen (zomereik, beuk, paardenkastanje, esdoorn) in het middengedeelte tussen de twee delen van A1 worden behouden, deze strook krijgt bestemming ‘Natuur’. Ook de rijen lindes en eiken in A1 zijn waardevol, maar kunnen wellicht niet worden behouden omdat die in het te ontwikkelen gebied liggen. In het aangrenzend gebied zijn verbeteringen te maken. Aan noordzijde van A1 ligt tussen de Zandheuvelweg en Amerpoort een bosstrook met onder meer grove den, zomereik, wilde lijsterbes en beuk. Dit bos is erg open, waardoor invloed van buiten (licht van nachtelijk verkeer op Zandheuvelweg en optische verstoring) makkelijk het bos indringt. De bosstrook kan aan beide randen meer dicht worden gemaakt door aanleggen van takkentillen om verstoring vanaf de weg te verminderen voor grondbewonende dieren, en ook vanaf het straks bebouwde Amerpoortterrein. Tussen bebouwing en bos kan een meer natuurlijke struweelzone aangelegd worden. Hiermee wordt de bosstrook beter passeerbaar voor kleine zoogdieren (das, marterachtigen), en worden kansen voor rust- en verblijfplaatsen vergroot wat de populatieomvang van kleine zoogdieren (en soorten die hier op foerageren) ten goede komt. Verder zorgt een op het zuiden georiënteerde struweelrand voor meer insectendiversiteit en voedsel voor insectenetende vogels en vleermuizen.
Figuur 4.1 Maatregelen in deelgebied A1 (bron: Ruimte voor Advies)
36
A2 Dit gebied is Amerpoort voornemens te ontwikkelen met woningbouw. Het water direct zuidelijk van A2 blijft behouden. Deze kan worden verbeterd, met name voor amfibieënsoort kamsalamander die hier enkele malen is waargenomen. Hoewel de watergang nu ongeschikt lijkt, onder meer vanwege afwezigheid van voldoende waterplanten, kan het een functie krijgen voor kamsalamander. De soort komt voor in de omgeving, en geschikte voortplantingslocaties zijn schaars. Bij geschikt worden van een watergang is de kans groot dat deze in gebruik wordt genomen. Er kunnen maatregelen worden gericht op waterplanten en helofyten, en de beschaduwing kan worden verminder door het verwijderen van bomen uit oeverzone. Als afscheiding van poel/greppel en wandelpaden kan een takkenril worden aangebracht, die eveneens als schuilplaats voor kamsalamander kan functioneren.
Figuur 4.2 Maatregelen ten zuiden van deelgebied A2 (bron: Ruimte voor Advies).
37
B1 De watergang in dit deelgebied kan ecologisch waardevoller worden door het ontwikkelen van een natuurlijke oeverzone met helofyten. Dit kan door weghalen beschoeiing (aan tenminste één zijde) en het toelaten van meer licht. Dit kan door verwijderen van jonge dennen en douglassparren rond de watergang. De waardevolle oude beukenhaag bij hek langs het pad aan de westzijde van de watergang moet behouden worden. Deze dient te worden onderhouden door regelmatig snoeien, zodat de stammetjes langzaam dikker worden. Er dient meer licht toegelaten te worden tot beukenhaag door het kappen van de naaldbomen. In het gebied zijn hiermee kansen te verbeteren voor kamsalamander en diverse korstmossen. Door het meer open maken van de oeverzone zal een meer insectenrijke oeverzone ontstaan, wat gunstig is voor de hier foeragerende vleermuizen.
Figuur 4.3 Maatregelen ter plaatse van deelgebied B1 (bron: Ruimte voor Advies).
B2 Begin B2 ligt tussen twee oude boskernen in, en aan oost- en westkant ligt bebouwd of onbegroeid terrein van Amerpoort en Drakenburg. Het heeft een verbindingsfunctie in noord-zuidrichting voor o.a. grondgebonden zoogdieren (das, marterachtigen, muizen) die versterkt kan worden. Voorstel is om rododendrons te verwijderen en te vervangen door inheemse struweelvormers (o.a. meidoorn, hulst). Het aangrenzend gazon rond het wandelpad kan een meer soortenrijk grasland worden met meer insecten. Dit kan op het struweel aansluiten via een meer ruige zone. Dit maakt het gebied tot een geschikter foerageergebied voor onder andere vleermuizen. In deelgebied B2 (en aangrenzend B1) is vergroting van de waarde voor korstmossen vooral mogelijk door in het noordelijk deel de functie als Oude Boskern te versterken. Dit houdt onder meer in dat naaldhout wordt verwijderd, en heesters met een gladde schors
38
zoals Lijsterbes zorgvuldig worden gespaard. Verder moet de functie van de oude beukenhaag worden versterkt. Typerende soorten van Oude Boskernen kunnen zich hier makkelijk op vestigen. In de overige deelgebieden zijn er weinig mogelijkheden om de waarde voor korstmossen te vergroten. In het zuidelijk deel rond de Oude Boskern Japanse duizendknoop in de ondergroei verwijderen. De groeiplaats loopt door tot even ten noorden van de watergang. Het verwijderen van exoten en bevorderen van inheemse soorten maakt het gebied geschikter voor het korstmos beukenvlekje (Rode Lijst kwetsbaar) welke aanwezig is in het deelgebied. Een meer inheemse bosvegetatie met een beheer dat is gericht op variatie in bosstructuur en -leeftijd kan meer mogelijkheden bieden voor kwalificerende broedvogels van N16.03. Gezien de relatieve drukte op het terrein, worden schuwe bossoorten als wespendief, raaf en zwarte specht niet verwacht. De reeds aanwezige boomklever kan verder uitbreiden, en wellicht kunnen er soorten als grauwe vliegenvanger, grote lijster en groene specht geschikte nestlocaties vinden.
Figuur 4.4 Maatregelen ter plaatse van deelgebied B2 (bron: Ruimte voor Advies).
39
B3 Het bosgebied in het oostelijk deel van B3 is verstoord. De hier aanwezige opstallen/schuurtjes/dierenhokken worden verwijderd. Verder moet verruiging en opslag worden tegengaan en exoten (Japanse duizendknoop) moeten worden bestreden. Het zuidelijk deel van het bosgebied is deels in gebruik als opslagterrein. Hier dient de natuurlijke situatie te worden hersteld. In het westelijk deel van B3 ligt de oeverzone van de watergang (grenzend aan B6). Deze oever is nu ruig en beschaduwd door wilgen en bomen aan de zuidzijde van de watergang. Door de randzone verder open te maken, het verwijderen van een deel van opgaande beplanting en het aanleggen van een ondiepe, moerassige oeverzone, verbeteren de mogelijkheden voor ringslang en ook kamsalamander. De ringslang komt er al voor, er ligt een in gebruik zijnde broeihoop in B6. Het zanddijkje in B6 kan deels worden afgegraven of verflauwd ten behoeve van de moeraszone, en ook kunnen er overwinteringsmogelijkheden in worden gecreëerd. Ook kan de dekking worden verbeterd door aanleg van een kleine heg, struweelrand of takkenhoop op de oever. Dit kan bijvoorbeeld ter hoogte van de huidige broeihoop. Ringslangen overwinteren meestal onder takken, (braam)struiken of in oude konijnenholen op zandige hellingen. Ze hebben ook rustige plekken nodig om te zonnen en op te warmen.
Bij aanwezigheid van te veel ruigte of bomen zijn er geen geschikte opwarmplaatsen, maar in geheel open gebieden zijn ringslangen weer kwetsbaar voor roofdieren. Hierdoor dient er wat structuurvariatie te zijn. Nabij broeihopen dienen dan ook bosranden, houtkanten, heggen of dichte ruigtevegetaties aanwezig te zijn. Maatregelen die de waterplantenbegroeiing doen toenemen zijn bevorderlijk voor kamsalamander. Hiermee kan de watergang geschikt worden als voortplantingswater. De soort is uit de omgeving bekend. Voortplantingswateren zijn schaars in de omgeving, bij geschikt worden is de kans aannemelijk dat de soort hier op termijn komt. In de huidige situatie groeit voornamelijk duizendknoopfonteinkruid in de watergang. Maatregelen gericht op het verminderen van beschaduwing, en toename van waterplanten en helofyten vergroten de potenties als voortplantingswater. De voorgestelde natuurontwikkelingen zijn eveneens bevorderlijk voor vleermuizen. Door het openmaken van de omgeving van de watergang en het aanleggen van een moerassige oeverzone ontstaat een meer insectenrijk foerageergebied, wat met name voor de bij water foeragerende rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis positief is. Ook de andere vleermuissoorten zullen hiervan kunnen profiteren.
40
Figuur 4.5 Maatregelen ter plaatse van deelgebied B3, B4, B5 en B6 (bron: Ruimte voor Advies).
B4 & B5 De huidige dierenweide omvormen naar min of meer bloemrijk, grazig terrein (N11.01 Droog schraalgrasland). Dit door extensiveren beheer, mogelijk verwijderen toplaag. Later evt. zeer extensief begrazen. Gunstige oriëntatie op het zuidwesten. De westzijde van het bos van B3 bied ruimte om zoomvegetaties te ontwikkelen als overgang. Het grasland met struweel bieden kansen voor diverse insecten (dagvlinders, bijen) en vormt leefgebied voor hazelworm in de randen. Ook (voor N16.03 kwalificerende) broedvogelsoort grote lijster foerageert op dergelijke graslandjes, waardoor dit positief is voor de lokale broedvogelstand in de directe omgeving. In de huidige situatie foerageren er geen vleermuizen boven de dierenweide, enkel aan de randen langs bos en struweel. De inrichting van een bloemrijk, grazig terrein met zoomvegetaties langs de bosrand, maakt de weide een goed foerageergebied voor vleermuizen. In combinatie met de aangrenzende watergang met moeraszone kunnen alle in het gebied aanwezige vleermuizen hier foeragerend verwacht worden. Aanwezigheid van nieuw foerageergebied vergroot eveneens de kans dat vleermuizen verblijfplaatsen bezetten in de directe omgeving. De laan met Amerikaanse eiken bijvoorbeeld kan al geschikte holten bieden voor rosse vleermuis.
41
B6 Gezien het voorkomen van ringslang en de ligging op de zuidoever van de watergang kan hier een overgangszone worden gemaakt van water naar het droge land (zie B3 westelijk deel). In B6 ligt een ringslangenbroeihoop waar ze mogelijk ook in overwinteren. Het gebied hier rondom kan worden omgevormd naar vochtige ruigte, wat foerageermogelijkheden biedt voor ringslangen en hun prooien. In randzones kunnen (of B3) takkenrillen/houtstapels aanleggen als schuil- en overwinteringsgebied voor reptielen en amfibieën. B7 Dit gebiedje wordt bij het aangrenzend bosgebied binnen NNN betrokken en in het beheer hiervan opgenomen. Het is reeds bos, aanvullende maatregelen worden niet genomen.
Figuur 4.6 Maatregelen ter plaatse van deelgebied B7(bron: Ruimte voor Advies).
42
4.1
Maatregelen ten behoeve van behoud en versterken ecologische verbindingen
Op en rond Amerpoort kunnen twee ecologische verbindingszones worden onderscheiden: er is een verbinding tussen de heidegebieden rond Laren/Hilversum in het Gooi en de bossen van de Heuvelrug. Hiertussen vormt de snelweg A27 een barrière voor fauna, die ter hoogte van Amerpoort te passeren is in het verlengde van de Zandheuvelweg en de spoorlijn Hilversum-Baarn. In het verlengde hiervan is de groenzone rond de Zandheuvelweg een verbinding naar het (buiten de NNN gelegen) Bomencentrum en het NNN-gebiedje ten oosten van Sherpa. Deze verbindingszone kan worden versterkt door in het bos maatregelen te nemen die beschutting geven voor dieren en het bos meer afschermen van de weg ter hoogte van te ontwikkelen bebouwing een struweelzone te creëren. Tussen het Gooi en Drakenburg en de meer oostelijk gelegen NNN-gebieden is de groene zone in het zuidelijk deel van Amerpoort belangrijk. Omdat het spoor hier een barrière vormt (de spoorweg heeft een breed talud, aan weerzijden staan hekken over de hele lengte) is deze zone op enkele punten erg smal. Er worden maatregelen voorgesteld om deze zone te versterken. Dit zijn onder andere de herinrichting van het opslagterrein aan het zuidelijk deel van de bedrijfsweg. Ook de natuurlijke inrichting van terreinen rond de kinderboerderij zorgt ervoor dat deze zone robuuster wordt.
Omdat ook de A27 een barrière vormt kan de zone oostelijk hiervan gezien worden als een groene verbinding in de richting noord-zuid. Deze wordt gevormd door met name de oostrand van het gebied Drakenburg/Sherpa. Tussen Amerpoort en Drakenburg liggen enkele Oude Boskernen, waarvan er twee via een nu smalle groenstrook op het terrein van Amerpoort worden verbonden. Deze verbinding kan worden versterkt door het te verbreden en geschikter te maken als leef- en/of foerageergebied voor met name grondgebonden zoogdieren zoals das, die in de huidige situatie in deze westelijke strook is vastgesteld. In de huidige situatie groeien er veel exoten en zijn er geen geleidelijke overgangen naar kortere grazige vegetaties. Door aanplant en beheer zal er in de randzone bos en struweel worden ontwikkeld met betere schuil- en foerageermogelijkheden voor diverse soorten. deze gras- en zoomvegetatie leidt ook tot meer insecten, wat de voedselsituatie voor o.a. vleermuizen verbeterd.
43
Kader - leefgebied kamsalamander Kamsalamanders komen voor in oude, kleinschalige en bosrijke cultuurlandschappen. Leefgebied bestaat uit Het bestaat uit struikgewas, struweel, ruig grasland en/of bosrijk gebied. Binnen geschikt leefgebied moet geschikt voortplantingswater altijd binnen enkele honderden meters van landhabitat al liggen, en zonder barrières te bereiken zijn. De voortplantingswateren De wateren moeten vrij zijn van de grotere vissoorten, die anders de eieren en vrijzwemmende larven opeten. Ze mogen niet jaarlijks droogvallen. Ze planten voort in vegetatierijke poelen en vijvers, en ook in enigszins beschaduwde sloten langs bosranden, met weinig vegetatie. Maatregelen ten behoeve van kamsalamander zijn: · het kappen van bomen en struikgewas langs potentiële voortplantginswateren, zeker aan de zuidkant, om beschaduwing en eutrofiëring tegen te gaan; · Ook belangrijk is het voorkomen van inspoelen van pesticiden en meststoffen; · het visvrij houden van de wateren; · het maken en behouden van verbindingen tussen landhabitat en een netwerk van voortplantingswateren.
44
5
Samenvatting en conclusies
Wanneer door herbegrenzing van het NNN nieuwe locaties met een vergelijkbare oppervlakte en vergelijkbare natuurwaarden aan het NNN toegevoegd kunnen worden, en de voor ontwikkeling beoogde locaties uit de begrenzing worden gehaald, is de inschatting dat er geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN optreedt. Het veldonderzoek en de bureaustudie hebben uitgewezen dat van de beoogde ontwikkellocaties, die onderdeel zijn van het huidige NNN, enkele delen deels uniform en weinig divers zijn. Dit is vooral het geval in de deellocatie A3 in het oosten van het terrein. Ook komt hier en daar wel meer waardevolle natuur voor. Zo kent gebied A3 Rondweg/Mariaoordlaan door recente kap weinig natuurwaarden, maar de ten zuiden van de kapvlakte gelegen poel is waardevol vanwege het voorkomen van kamsalamander. Het gebied A3 is aangewezen als oude bosgroeiplaats, maar voldoet niet aan de definitie hiervan. Aanbevolen wordt de poel te behouden en te zorgen dat een ecologische verbinding met het achterland behouden blijft, zodat kamsalamanders hier gebruik van kunnen blijven maken. Ecologische winst kan bij de compensatielocaties worden behaald door het nemen van beheersmaatregelen die voorkomen dat de hier aanwezige Japanse duizendknoop zich verder gaat uitbreiden.
Het volledig verwijderen van deze (en andere) groeiplaatsen is aan te bevelen, omdat dit in dit stadium nog mogelijk is en deze op termijn de ondergroei gaat domineren. Dit geldt ook voor gebied B3, dat thans buiten NNN ligt. In B2, B3 en B7 is meer bos en/of struweel te realiseren, en met een meer natuurlijk bosbeheer kan de diversiteit aan soorten verder toenemen. De compensatielocaties liggen alle minder of niet aan wegen, waardoor deze minder verstoring ondervinden dan de ontwikkellocaties waar ze voor compenseren, en welke wel een wegen/parkeerplaats liggen. Met de beschreven aanpassingen in het NNN gaan geen belangrijke verbindende functies verloren. Ook vermindert de samenhang tussen de bosgebieden in de NNN niet. Om dit te kunnen borgen zijn wel maatregelen nodig, welke de verbindingsfunctie versterken zodat netto de verbindingen beter worden. De beoogde ontwikkellocaties hebben lage natuurwaarden. Ecologisch gezien kunnen de te realiseren NNN-gebieden met een juist beheer op termijn een netto hogere natuurwaarde krijgen doordat ingezet wordt op inrichting en beheer dat leidt tot een grotere diversiteit aan biotopen. De aan het NNN toe te voegen of te verbeteren gebieden hebben allen potenties om meer ecologische waarde te krijgen dan ze in de huidige situatie hebben. Ze zijn zo gelegen dat ze bijdragen aan de robuustheid van het NNN.
45
Referenties Harleman, R. 2020. Kaart oude bosgroeiplaatsen en boskernen. Vaassen: Notitie Ruimte voor Advies. Horstink, Y. 2019. Aanvullend natuuronderzoek woon-/zorgparken Nieuwenoord en Eemeroord te Baarn. Nader onderzoek naar het voorkomen en gebruik van het plangebied door beschermde soorten. Sweco Nederland B.V. (De Bilt). Van Herk, C.M. 2021. Inventarisatie van korstmossen op het Amerpoortterrein bij Baarn t.b.v. het NNN. Lichenologisch Onderzoeksbureau Nederland (LON) (Soest). Van Tweel, M.J. 2021. Onderzoek paddenstoelen zorginstelling Amerpoort Baarn 2021. Ecologisch Adviesbureau Van Tweel (Zwolle).
46
Bijlage 1
Natuurkaart - ecologische maatregelen (Natuurvisie)
47
Datum: 27-augustus-2021 Schaal: ca. 1: 3.500 (hoofdkaart) Opgest. : RvA/RH. Blad 1/7
Amerpoort Ecologische maatregelen - overzichtskaart
Ecologische maatregelen - NNN compensatie Zie onderbouwing: rapportage SWECO.
A1 A2
B1
B2 B7
Legenda ringslang
A3
B4 B5
B6
doelstelling/doelsoort natuurmaatregel deelgebied, uitwerking (zie volgende pagina) verbindingszone: extern (aansluiting op buurpercelen)
kamsalamander
verbindingszone: intern (te verbeteren)
B3 te verbeteren (lichtgroen) en te ontwikkelen (donkergroen) maatregelen voorgestelde wijziging natuur extra maatregelen/natuurondersteunende maatregelen
Datum: 27-augustus-2021 Schaal: ca. 1: 3.500 (hoofdkaart) Opgest. : RvA/RH. Blad 2/7
Amerpoort Ecologische maatregelen per deelgebied
Afb. links: Te verbeteren inrichting t.b.v. doorzicht en vernatuurlijking bosrand met mantel-zoomvegetaties in het bosgebied ten noorden van locatie A1
maatregelen t.b.v. verbindingszone en afscherming: aanleg takkenril. De maatregel zet zich voort in oostelijke en westelijke richting.
te ontwikkelen begroeiingen/vegetaties t.b.v. droge verbindingszone/zoogdieren/struweel; oude bomen behouden
A1 A1
Afb. links: Te verbeteren inrichting rondom waterloop t.b.v. kamsalamander, ten zuiden van locatie A2.
A2 LEGENDA takkenril (eens per jaar kleinschalig onderhoud) te ontwikkelen begroeiingen/vegetaties. Huidige naaldhout verwijderen.
inheems bos (natuurvolgend bosbeheer) struweel, extensief beheer (1x dunnen/afzetten/2-3 jr) zoomvegeatie, bosrand, extensief beheer (1x maaien en ruimen/2 jr) schraal gras, kruidenrijk, extensief beheer (1-2x maaien en ruimen/jr) moeraszones (1x maaien en ruimen/jr) verbindingspad/route tussen de twee deelgebieden A1
Datum: 27-augustus-2021 Schaal: ca. 1: 3.500 (hoofdkaart) Opgest. : RvA/RH. Blad 3/7
Amerpoort Ecologische maatregelen per deelgebied Afb. links: Te verbeteren kamsalamander en droge verbindingszone.
B1
Te behouden en vrij te stellen beukenhaag.
Te verbeteren en te herstellen inrichting. Huidige begroeiing met naaldhout verwijderen en omvormen, meer ruimte voor lichttoetreding en ontwikkeling natuurlijke vegetaties, moerasbegroeiing en inheems bos.
LEGENDA takkenril (eens per jaar kleinschalig onderhoud) inheems bos (natuurvolgend bosbeheer) struweel, extensief beheer (1x dunnen/afzetten/2-3 jr) zoomvegeatie, bosrand, extensief beheer (1x maaien en ruimen/2 jr) schraal gras, kruidenrijk, extensief beheer (1-2x maaien en ruimen/jr) moeraszones (1x maaien en ruimen/jr); verwijderen beschoeiing.
Amerpoort Ecologische maatregelen per deelgebied
Datum: 27-augustus-2021 Schaal: ca. 1: 3.500 (hoofdkaart) Opgest. : RvA/RH. Blad 4/7
LEGENDA takkenril (eens per jaar kleinschalig onderhoud)
Afb. links: B2- Noordelijk deel. Te verbeteren t.b.v. Kamsalamander en droge verbindingszone.
inheems bos (natuurvolgend bosbeheer) struweel, extensief beheer (1x dunnen/afzetten/2-3 jr)
B2
Te verbeteren en te herstellen inrichting. Meer ruimte voor lichttoetreding en ontwikkeling natuurlijke vegetaties, moerasbegroeiing en inheems bos.
zoomvegeatie, bosrand, extensief beheer (1x maaien en ruimen/2 jr) schraal gras, kruidenrijk, extensief beheer (1-2x maaien en ruimen/jr) moeraszones (1x maaien en ruimen/jr)
Te verbeteren bos. Naaldhout en exoten verwijderen ten gunste van inheemse boomsoorten en natuurlijke bosontwikkeling. Beheermaatregelen richten op verhogen van de structuurijkdom.
B2
B2 Japanse duizendknoop bestrijden
Te verbeteren en te herstellen inrichting. Rhododendrons verwijderen en aanplant inheems struweel (Sleedoorn, Vuilboom, Trosvlier) en zoom-/mantelvegetatie. Ontwikkelen schraal grasland, kruidenrijk, inheems.
Afb. rechts: B2- Middelste deel. Te verbeteren droge verbindingszone
Afb. links: B2- Zuidelijke deel. Te verbeteren droge verbindingszone.
Datum: 27-augustus-2021 Schaal: ca. 1: 3.500 (hoofdkaart) Opgest. : RvA/RH. Blad 5/7
Amerpoort kaart 2b: Ecologische maatregelen LEGENDA
takkenril (eens per jaar kleinschalig onderhoud) inheems bos (natuurvolgend bosbeheer) te verbeteren t.b.v. Ringslang/Kamsalamander: verwijderen teveel aan opgaande beplanting, aanleg moeraszone, zonnige oever, aanleg takkenhoop in de oeverlijn
struweel, extensief beheer (1x dunnen/afzetten/2-3 jr) te ontwikkelen droog schraalgrasland, zoomvegetaties, inheems bos: leemgrindpaden i.p.v. verhard.
schraal gras, kruidenrijk, extensief beheer (1-2x maaien en ruimen/jr)
te handhaven zandrug, aanbrengen inheemse haag
behoud/herstel broedhoop Ringslang
zoomvegeatie, bosrand, extensief beheer (1x maaien en ruimen/2 jr)
moeras-/waterzones (1x maaien en ruimen/jr) herstel open, lichtminnende oever, moeras- en watervegetatie. Afb. links: B3 t/m B6- Te verbeteren Kamsalamander, Ringslang en droge verbindingszone.
Behoud laan t.b.v. vleermuizen
B3 B6
B5
B4
Ontwikkeling van schraal grasland en zoomvegetaties, afplaggen huidige verrijkte bovenlaag, verschralend beheer (maaien, mogelijk met extensieve nabeweiding), gericht op Hazelworm, Grote lijster.
Herstel bosgebied, verwijderen ongewenst gebruik, opstallen, verruiging en opslag exoten. Terrein opschonen en aanplant struweel en ontwikkeling natuurlijk bos.
B3
Aanleg takkenril/houtstammen t.b.v. schuilplaats reptielen/amfibieën. De maatregel zet zich voort in oosterlijke zijde, langs de gehele waterloop.
Datum: 27-augustus-2021 Schaal: ca. 1: 3.500 (hoofdkaart) Opgest. : RvA/RH. Blad 6/7
Amerpoort Ecologische maatregelen per deelgebied Afb. links: Te behouden inheems bosgebied.
Behoud bos, ontwikkelen tot bomen met hoge leeftijd in een natuurlijk bosbeheer.
B7
LEGENDA takkenril (eens per jaar kleinschalig onderhoud) inheems bos (natuurvolgend bosbeheer) struweel, extensief beheer (1x dunnen/afzetten/2-3 jr) zoomvegeatie, bosrand, extensief beheer (1x maaien en ruimen/2 jr) schraal gras, kruidenrijk, extensief beheer (1-2x maaien en ruimen/jr) moeraszones (1x maaien en ruimen/jr); verwijderen beschoeiing.
Amerpoort kaart 2c: Planning & realisatie onderdeel
aanleg
aanleg-maatregelen
beheer
doorloop
verwacht eindbeeld
bijsturing
schraal grasland
2022-2025
toplaag verwijderen, herinrichten, 30% inzaai
maaien en ruimen 1-2x per jaar
jaarlijk
2025
eens per 2 jaar, na verloop van tijd eens per 5 jaar
zoomvegetatie
2022
toplaag verwijderen, 30% inzaai
maaien en ruimen 1x per 2 jaar
jaarlijks
2025
eens per 2 jaar, na verloop van tijd eens per 5 jaar
moeras-/watervegetatie
2022
verwijderen beplanting, aanleg nat. oevers
maaien en ruimen 1x per jaar, 50%
jaarlijks
2022/2025
eens per 2 jaar, na verloop van tijd eens per 5 jaar.
struweel
2022
toplaag vewijderen, 50% inplant
dunnen, terugzetten, 1x per 3 jaar
jaarlijks
2027
eens per 2 jaar, na verloop van tijd eens per 5 jaar
inheems bos
2022
verwijderen opstallen, opslag, hekwerk
-
-
2022
-
2022
aanleg takkenrillen
herstellen/aanvullen 1x per 5 jaar
jaarlijks
2022
eens per 5 jaar
-
geen
bestrijding invasieve soorten
5 jaar
2025
eens per jaar
-
geen
dunning, vrnl. naaldhout 33%
eens per 10 jr
2050
eens per 5 jaar
-
geen
natuurvolgend bosbeheer
eens per 10 jr
2025
eens per 5 jaar
Bijlage 2
Rapportage veldonderzoek korstmossen
Van Herk, C.M. 2021. Inventarisatie van korstmossen op het Amerpoortterrein bij Baarn t.b.v. het NNN. Lichenologisch Onderzoeksbureau Nederland (LON) (Soest).
48
LON
adviesbureau voor korstmosonderzoek
Inventarisatie van de korstmossen op het Amerpoortterrein bij Baarn t.b.v. het NNN C.M. van Herk 2021
Inventarisatie van de korstmossen op het Amerpoortterrein bij Baarn t.b.v. het NNN
Lichenologisch Onderzoekbureau Nederland (LON) in opdracht van
Sweco Nederland B.V.
C.M. van Herk 2021
omslag, bovenaan, van links naar rechts: Bosschildmos (Flavoparmelia caperata) Vals dooiermos (Candelaria concolor) en Kapjesvingermos (Physcia adscendens) Melig takmos (Ramalina farinacea) omslag, onderaan: links: vrijstaande zomereiken in deelgebied A1 midden: met korstmossen begroeide stammen van esdoorns in deelgebied A1 rechts: waterloop in deelgebied B2
Inventarisatie van de korstmossen op het Amerpoortterrein t.b.v. NNN LON ____________________________________________________________________________
VOORWOORD Delen van het Amerpoortterrein bij Baarn zijn begin maart 2021 door mij onderzocht op aanwezige korstmossen. Het onderzoek is in opdracht van Sweco Nederland BV uitgevoerd, en heeft tot doel na te gaan of er bijzondere soorten aanwezig zijn. Hierbij is primair gezocht naar korstmossen die op de provinciale lijst met aandachtssoorten staan. Ook is er gericht gezocht naar korstmossen die op de Rode Lijst staan. De resultaten van het onderzoek worden meegewogen bij een evaluatie van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) binnen het terrein. Contactpersoon bij Sweco is de heer M. Grutters.
drs. C.M. van Herk Lichenologisch Onderzoekbureau Nederland (LON) Wielewaal 42 3766 VC Soest tel. 035-6018541 e-mail lonsoest@wxs.nl
5
Inventarisatie van de korstmossen op het Amerpoortterrein t.b.v. NNN LON ____________________________________________________________________________
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING en METHODE
7
2
RESULTATEN
10
3
AANBEVELINGEN
12
4
SAMENVATTING en CONCLUSIES
13
Bijlage 1. NNN-aandachtssoorten Bijlage 2. Lijst van aangetroffen soorten korstmossen
6
Inventarisatie van de korstmossen op het Amerpoortterrein t.b.v. NNN LON ____________________________________________________________________________
1
INLEIDING en METHODE
1.1
Het belang van het onderzoek
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), beoogt bescherming te bieden aan de natuurwaarden die binnen de NNN aanwezig zijn. Hoofdlijn daarbij is dat nieuwe ontwikkelingen in het NNN per saldo niet mogen leiden tot significante aantasting, tenzij er een groot openbaar belang is en alternatieven ontbreken. Het Utrechtse NNN-beleid is vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS). Delen van het terrein van de zorginstelling Amerpoort bij Baarn vallen momenteel binnen de NNN (zie figuur 1.1, 'contour NNN'). Het gaat hierbij in grote lijnen om een strook evenwijdig aan de Zandheuvelweg in het noorden, en een driehoekig gebied in het zuiden, grenzend aan de spoorlijn Hilversum-Baarn. Binnen de NNN zijn drie locaties aangewezen als mogelijke ontwikkellocaties, te weten de delen A1, A2 en A3 (rode contouren op de kaart). Andere delen zijn aangewezen als mogelijke compensatie (blauwe contouren). Het onderhavige onderzoek heeft tot doel na te gaan of er hierbij belangrijke natuurwaarden in het geding zijn. Dit rapport beperkt zich tot de aanwezige korstmossen.
Figuur 1.1 Kaart van het Amerpoortterrein bij Baarn met contouren van de NNN, ontwikkellocaties, en mogelijke terreindelen ter compensatie.
7
Inventarisatie van de korstmossen op het Amerpoortterrein t.b.v. NNN LON ____________________________________________________________________________
1.2
Wat zijn korstmossen?
De benaming 'korstmos' suggereert dat we te maken hebben met een speciaal type mos, maar dat is niet het geval. Korstmossen vormen een samenleving tussen een schimmel en een alg (figuur 1.2); ze zijn niet verwant aan mossen. Korstmossen groeien vooral op extreme standplaatsen, bijvoorbeeld op kaal zand in de heide, op steen van bestratingen en daken, en op de schors van bomen. Korstmossen worden ook wel lichenen genoemd. Zij leven van de stoffen die in de lucht zitten. Er bestaan diverse groeivormen korstmossen, elk met een groot aantal soorten. De baardvorm is het meest ontwikkeld. Daarnaast komen o.a. de struikvorm, de bladvorm, de bekervorm, en de korstvorm voor. In Nederland zijn ruim 750 soorten gevonden . De naamgeving van de korstmossen volgt de online standaardlijst, zie https://www.verspreidingsatlas.nl/soortenlijst/korstmossen. Figuur 1.2 Doorsnede door een bladvormig korstmos (50x). Van boven naar beneden zijn zichtbaar de bovenschors, een algenlaag, het merg, de onderschors en wortelachtige orgaantjes. Algen (met bladgroenkorrels) zitten alleen in de algenlaag, de overige lagen bestaan alleen uit de schimmel.
1.3
Welke korstmossen zijn belangrijk?
Door de Provincie Utrecht is een lijst opgesteld met soorten waarvoor Utrecht een speciale verantwoordelijkheid heeft, zogenoemde 'aandachtssoorten actief natuurbeleid'. Hierop staan zowel planten als dieren. Op deze lijst staan in totaal 29 soorten korstmossen (zie bijlage 1). Alle korstmossen op deze lijst zijn zogenoemde Rode Lijst-soorten; twee ervan zijn aangewezen als 'icoonsoort'. De kans op de aanwezigheid van één of meer van deze 29 aandachtssoorten in het Amerpoortterrein is overigens niet zo groot: de meeste zijn strikt gebonden aan bijzondere biotopen die hier niet aanwezig zijn, zoals zandverstuivingen, heidevelden, graniet van IJsselmeerdijken, kalksteen van vestingwerken, of bijvoorbeeld essenhakhout. In aanvulling op de aandachtssoorten is daarom ook aandacht besteed aan de overige Rode Lijst-soorten. In totaal 311 soorten korstmossen staan op deze lijst , zie https://www.blwg.nl/mossen/onderzoek/rapporten/BLWGRapport12.pdf.
8
Inventarisatie van de korstmossen op het Amerpoortterrein t.b.v. NNN LON ____________________________________________________________________________
1.4
Werkwijze
Figuur 1.3 toont welke terreindelen onderzocht zijn. A1, A2 en A3 zijn de eerder genoemde ontwikkellocaties; B1 t/m B7 en G1 en G2 zijn aangemerkt als mogelijke compensatie voor de NNN. Elk van deze terreindelen is uitgebreid onderzocht op de aanwezigheid van de onder 1.3 genoemde korstmossoorten. In bijlage 2 staan de resultaten. Omdat het nauwelijks meer werk was om alle waargenomen soorten te noteren, geeft bijlage 2 ook de overige soorten korstmossen. Verder is per soort per terreindeel genoteerd op welke substraten (bomen, hout, gesteente, op de grond, etc.) de aangetroffen soorten groeien. Het veldwerk is begin maart 2021 uitgevoerd. Tenslotte is per terreindeel een inschatting gemaakt van de potenties voor natuurontwikkeling. Dit is gedaan op grond van de actueel aanwezige biotopen, boomsoorten en andere substraattypen.
Figuur 1.3 Onderzochte terreindelen en de gehanteerde nummering.
9
Inventarisatie van de korstmossen op het Amerpoortterrein t.b.v. NNN LON ____________________________________________________________________________
2
RESULTATEN
2.1
Aangetroffen soorten
In de onderzochte terreindelen zijn in totaal 91 soorten korstmossen aangetroffen (bijlage 2). Geen van deze soorten is een provinciale aandachtssoort in de zin van bijlage 1. Er zijn wel twee Rode Lijst-soorten aanwezig, te weten het Beukenvlekje (Arthonia didyma) en de Kalkspikkel (Strigula taylorii), beide geklassificeerd als 'kwetsbaar' op de Rode Lijst korstmossen. De eerste groeit op lijsterbes (Sorbus aucuparia) in deelgebied B2; de tweede op oude esdoorns (Acer pseudoplatanus) in deelgebied A1. Vermeldenswaard is verder de aanwezigheid van Geel schorssteeltje (Chaenoteca chrysocephala) (zeldzaam) op een oude zomereik in deelgebied A1. In par. 1.3 is al eerder aangegeven waarom er niet veel provinciale aandachtssoorten te verwachten zijn. Meestal is de afwezigheid van een geschikt substraat de oorzaak. Met behulp van bijlage 1, kolom 'internet' is per korstmossoort na te gaan wat de substraatvoorkeur van een specifieke soort is. Verder is aan de verspreidingskaartjes (link) te zien dat de betreffende soorten in de meeste gevallen nimmer op of om het Amerpoort-terrein aangetroffen zijn (blokken van 5 x 5 km2). De kans op de aanwezigheid van epifytische (schorsbewonende) aandachtssoorten is theoretisch het grootst, vooral in deelgebied A1, waar diverse oude bomen staan. Te denken valt aan Gemarmerd vingermos (Physcia aipolia) of Fors Rijpmos (Physconia distorta).
Zij zijn evenwel niet aangetroffen. Veel van de epifyten op de lijst zijn zeer gevoelig voor ammoniak (bijv. Bruin boerenkoolmos,Tuckermanopsis chlorophylla). Aangezien zelfs soorten met een matige gevoeligheid voor ammoniak niet aangetroffen zijn (zoals Gewoon schorsmos, Hypogymnia physodes, vergelijk bijlage 2) ligt de aanwezigheid van soorten met een zeer hoge gevoeligheid niet erg voor de hand. E.e.a. heeft te maken met de ligging van Amerpoortterrein aan de rand van de Utrechtse Heuvelrug, op de overgang naar de Eempolder. 2.2
De deelgebieden
Deelgebied A1 bestaat voor een groot deel uit verspreide oude solitaire bomen (zomereik, beuk, paardenkastanje, esdoorn) of als rij (linde en zomereik). Voorts zijn aanwezig robinia, hazelaar, ruwe berk, douglasspar en grove den. De belangrijkste natuurwaarden m.b.t. korstmossen (zie par 2.1) kunnen bij ontwikkeling worden gehandhaafd door het sparen van de oude solitaire bomen en de rijen lindes en eiken. Deelgebied A2 is onlangs grotendeels gerooid. Hier stond naaldbos, en we vinden er nu een kapvlakte met braam en adelaarsvaren. In het zuidelijke deel is nog wat open bekenbos, en wat fijnspar langs een watergang. De waarde voor korstmossen is gering.
10
Inventarisatie van de korstmossen op het Amerpoortterrein t.b.v. NNN LON ____________________________________________________________________________
Deelgebied A3 bestaat uit een perceel met bedrijfsgebouwen, enkele woningen en een kinderdagverblijf. Daartussen bevinden zich gazons met vrijstaande Amerikaanse eiken, langs de rand een laan met Amerikaanse eiken, en in de zuidoosthoek een stukje bos met overwegend Amerikaanse eik. De waarde voor korstmossen is gering. Deelgebied B1 bestaat uit een watergang, aan de oostkant omzoomd met een strook jonge dennen en douglassparren. Aan de westkant bevindt zich matig jong eikenbos. De belangrijkste waarde voor korstmossen is gelegen in een oude beukenhaag die door het hek langs het pad aan de westzijde gevlochten is. Hierop groeien een paar zogenoemde 'oude bossoorten', o.a. Gewoon schriftmos (Graphis scripta). De waarde van deze heg kan verder ontwikkeld worden door goed onderhoud (regelmatig snoeien, zodanig dat de stammetjes traag en gestaag dikker worden), en meer licht toe te laten (kappen van de naaldbomen). Oude beukenhagen (bijv. berceau's) zijn bekend als refugium voor oude bossoorten. Sierlijk schriftmos (Graphis elegans, een aandachtssoort) zou zich erop kunnen vestigen. Deelgebied B2 is een lange smalle strook langs de westelijke grens van het Amerpoortterrein. Over vrijwel de hele lengte is er een waterloop (wisselend wel/niet binnen de begrenzing). De samenstelling van de strook is zeer heterogeen.
In het noordelijkste deel bevindt zich eikenbos (een uitloper van een oude boskern), zuidelijker gazons met wat vrijstaande bomen, en nog zuidelijker weer droog eikenbos met braam en berken. Het noordelijke eikenbos is duidelijk het waardevolst. De hierin voorkomende heesters en bomen met een gladde bast, met name lijsterbes en hazelaar, vormen de groeiplaats van een paar oude bossoorten, o.a. het Beukenvlekje (Arthonia didyma). Verder bevindt zich aan de noordrand (langs de Isengardlaan) wederom een oude beukenhaag met o.a. Gewoon schriftmos (Graphis scripta), eveneens van belang voor oude bossoorten. Zie deelgebied B1 voor gewenst beheer. In het bosgedeelte is het wenselijk om het aanwezige naaldhout (douglassparren en dennen) te verwijderen, aangezien deze bomen op den duur te veel licht gaan wegnemen. Deelgebied B3 is wederom zeer heterogeen. In het oostelijke deel bevindt zich bos met o.m. douglasspar, fijnspar, Amerikaanse eik en zomereik, waarin naar het noorden toe wat barakken geplaatst zijn, een kippenren en wat volieres. Langs een smalle strook langs het water bevindt zich eiken-berkenbos met wat abelen en Prunus. De waarde voor korstmossen is beperkt. De deelgebieden B4 en B5 bestaan grotendeels uit weiland met kort gras. Deze horen bij de kinderboerderij. Hier lopen paarden, ezels en varkens. In de zuidoosthoek van B4 is ook een vijver met wat bomen eromheen.
In het noorden is een rij Amerikaanse eiken (berm van de Huydecoperlaan). Langs de weides staan houten hekken; hierop zitten diverse zuurminnende korstmossen. De weides worden
11
Inventarisatie van de korstmossen op het Amerpoortterrein t.b.v. NNN LON ____________________________________________________________________________
tamelijk intensief gebruikt, en zijn te voedselrijk voor bodembewonende korstmossen. Op de bomen zitten veel stikstofminnaars. De waarde voor korstmossen is beperkt. Deelgebied B6 wordt gevormd door een dijkje met kort gras. Deze staat in open verbinding met een dierenweide (met schapen) die bij de kinderboerderij hoort. Er zijn geen bodembewonende korstmossen aangetroffen. Op een houten hek zitten een paar zuurminnende korstmossen. De waarde van de epifyten (op een Amerikaanse eik en op een paar heesters) is beperkt. Deelgebied B7 bestaat uit een klein stukje bos (140 m2) met wat zomereik en Amerikaanse eik, aan de zuidkant begrenst door een greppel. Er zijn slechts zeven soorten korstmossen gevonden. De waarde voor korstmossen is vrijwel nihil. Op deelgebied G1 staat een woning (als anti-kraak in gebruik). Er zijn geen epifyten. Alle aanwezige korstmossen groeien in de klinkerbestrating en op bakstenen muurtjes. Het meest bijzonder is de Metaalzomerkorst (Vezdaea leprosa), deze is vrij zeldzaam. Hij groeit in de drup van een zinken regenpijp, en reageert als zodanig op metaalvervuiling. De waarde van G1 voor korstmossen is desalniettemin gering. Ook in deelgebied G2, met een andere woning, zijn alleen steenbewoners genoteerd. Het meest bijzonder is Muurschriftmos (Arthonia calcarea), groeiend op een vrijstaande tuinmuur. De waarde van G2 voor korstmossen is tevens gering. 3